Reis door Noord Amerika

Part 41

Chapter 414,055 wordsPublic domain

Ik ga met voordagt de beschryving van de planten die ik dagelyks verzamelde en aantekende voorby, om deze Reisbeschryving niet al te zeer te doen uitdyen, en te maken dat geen Boekdrukker in Zweden zulk een werk zou willen ondernemen. Ik spare dan alles wat uit droge beschryvingen van stukken rakende de Natuurlyke Historie bestaat voor ene Flora Canadensis en diergelyke werken. Het zelve zeg ik van de aanmerkingen die ik nopens de Geneeskonst gemaakt heb. Ik heb zorgvuldig aangetekend welk gebruik men van vele Amerikaansche planten maakt, waarvan ’er sommigen hulpmiddelen opleveren die onfeilbaar geagt worden. Maar dewyl de Geneeskonst myne hoofdzaak niet is, schoon ik ’er my in myne jeugd vlytig op heb toegelegd, vreesde ik enige omstandigheden van belang overgeslagen, en daardoor myne beschryvingen nutteloos voor de Geneeskundigen gemaakt te hebben. Dit moet my ontschuldigen van in ’t vervolg zaken aangaande de Geneeskonst te gewagen die boven myne kennis zyn. Wat de planten van Kanada aanbelangt, kan men ’er dit omtrent aanmerken, dat hoe verder men naar ’t noorden komt men des te meer van die planten ontmoet die ook in Zweden in ’t wild wassen, zo dat ten noorden Quebec meer dan het vierde deel der daar vallende planten Zweedschen zyn. Den enen of anderen boom evenwel, die van groot nut is, zal ik in ’t vervolg gewagen.

[Rendiermos.]

Het Rendiermos [317] wies vry overvloedig in de bosschen rondom Quebec. De Heer Gaulthier en anderen zeiden dat de Franschen, wanneer zy op lange reizen, die zy dikwyls doen om handel onder de Wilden te dryven, hun eten opgemaakt hebben, dit mos koken en het afkooksel drinken, het welk enigsins voedzaam zyn zoude. Verscheiden Franschen, die in Terra Labrador geweest waren, waar zig vele Rendieren ophouden, welken de Franschen en de Wilden hier te lande Cariboux heten, verhaalden dat de gantsche grond op vele plaatsen met dit mos bedekt is, en ’er sneuwwit van uitziet.

[Jesuieten.]

Den 10. Augustus at ik by de Jesuieten. Ik had twee dagen te voren hun een bezoek gegeven, waar op de Opperste met nog enige vaders my het tegenbezoek kwam afleggen, tegelyk my ter maaltyd nodigende. Eerst woonde ik den Godsdienst in hunne kerk by, welke een deel uitmaakt van hun Klooster. Zy is frai van binnen, dog zonder zitplaatsen, zo dat men daar altyd op de knien leggen moet. Op de Kerk is een kleine toren met klokken en een uurwerk. Het gebouw van ’t huis is pragtig en gelykt wel naar een Paleis. Het is van steen, drie verdiepingen hoog, zonder de zolders te rekenen, met leyen gedekt. Het bestaat uit een vierkant met ene plaats in ’t midden. Het is zo groot dat ’er wel driehonderd huisgezinnen in zouden kunnen wonen, en egter zyn ’er maar twintig Vaders in. Dog somtyds is hun getal veel groter, wanneer namelyk zulken t’huis komen die in zendelingschap door het Land reizen. In de lengte aan elke zyde van het vierkant lopen lange gangen, op welker beide zyden de kamers, de zalen, de boekery, en andere gemakken zyn. Alles is hier zeer wel ingerigt, en de Vaders wonen hier zeer gemakkelyk. Aan den buitenkant is hun Kollegie, het welk aan twee zyden van enen schonen tuin omringd is. Een deel der bomen die ’er in staan zyn een overblyfsel van het bosch dat hier ter plaatse was toen men begon de Stad te bouwen. Dog men heeft ’er vele vrugtbomen en allerlei moeskruiden bygevoegd. De Vaders aten te zamen in ene grote zaal. De tafels stonden rondom, en aan enen kant een preekstoel, waarop een der Vaders gedurende den maaltyd klimt en den overigen iets uit een geestelyk boek voorleest. Dog dit geschiedde deze reis niet, en al de tyd wierd om te praten besteed. Men at hier zeer wel, en gaf zo veel schotels als by ons op de grootste gastmalen. In dit grote gebouw zag men geen vrouwmensch, maar alleen Vaders of Broeders, dat is jonge lieden die tot aanstaande Jesuieten geschikt zyn, en daar opgebragt worden. Dezen maakten het eten klaar, en droegen het op, want gemene bedienden worden hier niet toegelaten.

[Geestelyken.]

Buiten den Bisschop zyn hier te lande drieërlei Geestelyken, Jesuieten, Priesters, Barrevoeters, anders Recollects. De Jesuieten zyn voor zeker de aanzienlyksten. Ook zegt men hier voor een spreekwoord, dat om het beeld van enen Barrevoeter te maken men genoeg heeft aan ene byl, om enen Priester aftebeelden gebruikt men ene schaar, maar om enen Jesuiet te schilderen moet men een pinceel hebben. [318] De Jesuieten zyn gemeenlyk geleerde lieden, beleefd en aangenaam in gezelschap. In alles wat zy doen heeft iets bevalligs plaats, zo dat het geen wonder is dat zy de gemoederen der menschen innemen. Zelden spreken zy van godsdienstzaken, en zo zy het doen vermyden zy altyd de geschilpunten. Daarentegen zyn zy altyd zeer gereed om anderen ten dienst te staan, en zelfs voortekomen. Deze eigenschappen heb ik by alle de Jesuieten gevonden met de welken ik hier te Lande omgang heb gehad. Zy bezitten grote goederen in eigendom, die zy van den Koning gekregen hebben. Te Montreal hebben zy ene fraye Kerk met een net Klooster. Zy staan ’er niet naar om ene standplaats by de ene of andere gemeente te krygen, dog laten dat gaarne aan de Priesters over. Hun enige arbeid hier te Lande is de Heidenen te bekeren, en met dat inzigt hebben zy hunne zendelingen overal. Genoegzaam by elk dorp, dat bekeerden Wilden toekomt, woont een Jesuiet of twee, die op dezelven agt geven. Dus vindt men Jesuieten by de bekeerde Heidenen te Tadoussac, te Lorette, te Besancourt, te St. François, te Saut St. Louis, en overal waar zig bekeerlingen ophouden. Ook hebben zy hunne zendelingen onder de onbekeerden, zo dat men gemeenlyk in elk groot dorp van Wilden enen Jesuiet vinden zal, die alle pogingen aanwendt om ze te winnen. Des winters gaat hy met hun op de jagt, in weerwil van allerhande ongemakken, als van alle dagen in sneuw, vorst, en slegt weder in de lugt te moeten wezen, en in de hutten der Wilden, waar het van vloyen en ander ongedierte krielt, te moeten slapen. Dit alles ondergaan de Jesuieten, ten dele om de Wilden te bekeren, en ten dele met inzigten van staat en anderen. De Koning trekt grote voordelen van de Jesuieten, dewyl zy de Wilden tot alles brengen kunnen, gelyk als om de Engelschen te beoorlogen, alle hunne pelteryen aan de Franschen te leveren, of de Engelschen te beletten in hun Land te komen, en diergelyken. Dog dit alles is niet geheel zonder gevaar; want als de Wilden dronken zyn gebeurt het wel dat zy de Zendelingen ombrengen, als waren die maar verspieders, en geven dan ter hunner ontschuldiging voor dat niet zy maar de drank den Jesuiet heeft gedood. Dit zyn genoegzaam de enige bezigheden der Jesuieten hier te Lande. Zy gaan in de Steden gene kranken bezoeken, zy horen gene biegt, nog wonen begraafnissen by. Ook heb ik ze byna gene Omgangen zien doen. Zelden gaan zy in de huizen om ’er onthaald te worden, zelfs al zyn zy genodigd. Ligt is het te zien dat zy meest allen om hun verstand uitgekozen zyn. Men houdt ze hier te Lande voor doordringende koppen, die overal kans toe weten. Dit maakt dat zy ook hier hunne vyanden hebben. Ook nemen zy niemant onder zig aan dan die verstand heeft, alle domkoppen zyn by hun uitgesloten. Dog tot Priesters neemt men allerlei geesten, en nog minder bedenking valt ’er by het maken van enen Monnik. De Jesuieten in Kanada zyn allen uit Frankryk overgekomen. Velen van hun blyven hier maar enige jaren en keren dan terug. Sommigen, waarvan ’er nog vyf of zes in ’t leven zyn, die in Kanada geboren waren, zyn naar Frankryk gegaan en daar onder de Jesuieten aangenomen. Dog geen van hun is hier oit terug gekomen; wat geheim daaronder leggen mag weet ik niet. Gedurende myn verblyf te Quebec lag een der Priesters, met bewilliging des Bisschops, zyn ampt neder, en ging tot de Jesuieten over; het welk den overigen Priesters niet breed aanstond, als had deze hunnen stand te gering geagt. Evenwel zyn ’er Priesters om dienst te doen by alle de gemeentens die den Jesuieten schattingen betalen. De Bisschop stelt die Priesters aan. Geen der Geestelyken dryft hier enigen handel in bontwerk.

Na den middag bezogt ik het zogenaamde Seminarium, of het huis waar alle de Priesters by malkander wonen. Dit gebouw is enige verdiepingen hoog, en heeft gangen en kamers. Daar by legt een schone tuin. De Heren van het Seminarium gaven in beleefdheid den Jesuieten niet veel toe, en ik bragt den tyd in hun gezelschap met veel genoegen door.

De Priesters maken den tweden rang der Geestelyken, en het grootste getal uit. De meeste Kerken in de steden en op de dorpen, alleen die der nieuw bekeerde Wilden uitgenomen, worden van Priesters bediend. Ook hebben zy enige zendelingschappen. In Kanada zyn twee Seminaria, een te Quebec en een te Montreal, die elk hunnen Opzigter hebben, en niet van malkander afhangen. De Priesters van ’t Seminarium te Montreal zyn allen van de order van St. Sulpicius, en bedienen alleen maar de gemeentens in die Stad en op het Eiland van den zelven naam. Alle de andere Kerken behoren tot het Seminarium van Quebec. De Priesters van St. Sulpicius komen allen uit Frankryk, en men verzekerde dat ’er noit een uit Kanada geboortig was onder geweest. Dog in het Seminarium van Quebec zyn ’er verscheidenen die hier te lande geboren zyn. Om bekwame voorwerpen voor het zelve te vinden heeft men, zo wel te Quebec als te St. Joachim scholen opgeregt, waarin de jeugd in het Latyn en andere wetenschappen tot den Priesterstand betrekkelyk wordt onderwezen. Dog men is hier zo keurig niet of men neemt ook wel middelmatige geesten aan. In ’t Latyn schynen velen het niet ver gebragt te hebben, want, schoon hun gehele Godsdienst in die taal geschiedt, en zy dagelyks het Breviarium in ’t Latyn lezen, wisten egter de minsten het te spreken. Alle de Priesters uit het Seminarium van Quebec worden door den Bisschop ingezegend. De Koning heeft beiden den Seminaria grote inkomsten geschonken. Dat van Quebec heeft jaarlyks meer dan dertigduizend guldens aan inkomen. Het gehele land op de west zyde der St. Laurence van Quebec af tot Baïe St. Paul toe behoort dat Seminarium, behalven het geen ’t op andere plaatsen bezit. Zy verhuren de landen voor zekere sommen. Gemeenlyk geldt een land van drie Arpents in de langte een Ecu ’s jaars, behalven enige toepagt. Op vele plaatsen daar ’er gelegenheid toe is hebben de Priesters koorn- en zaagmolens doen bouwen, waarvan zy goede inkomsten trekken. Het Seminarium van Montreal is eigenaar van al den grond waarop die stad staat en van het Eiland, van den welken het jaarlyks meer dan zeventigduizend Livres aan renten trekt, zonder te rekenen wat de Priesters van hun ampt weten te maken. Alle de inkomsten der landeryen en vaste goederen komen aan het Seminarium, zonder dat de Priesters ten platten lande daar iets van krygen. En daar dat Seminarium maar uit zestien Priesters bestaat, en meer inkomsten geniet dan het jaarlyks van noden heeft, zo worden ’er alle jaren grote sommen naar Frankryk aan het Hoofd-seminarium overgemaakt. De inkomsten van het Seminarium te Quebec worden tot het onderhoud der Priesters in het Seminarium en tot dat van sommige jongelingen, die tot Priesters opgebragt worden, besteed. De Priesters ten platten lande bestaan van de Tiendens, die zy van hunne gemeente trekken, en van het geen zy door hun ampt verdienen. Op plaatsen waar de gemeentens en de inkomsten gering zyn, hebben zy een zeker onderhoud van den Koning. Als een Priester ten platten lande oud geworden is, wordt het hem somtyds vergund in het Seminarium te komen, en daar zyne dagen te eindigen. Elk Seminarium stelt de Priesters op zyne landgoederen aan. Op de overige plaatsen stelt de Bisschop de Priesters.

[Barrevoeters.]

De Barrevoeters of Recollects maken het derde soort van Geestelyken uit. Zy worden ook Franciskaner Monnikken genoemd, dewyl zy volgens den regel van St. Franciscus leven. Zy bezitten te Quebec een tamelyk groot en nog al enigermate net huis met ene kerk. Daarnevens legt een grote schone tuin, dien zy zelven onderhouden. Te Montreal en te Trois Rivières is hunne levenswys even dezelve als hier. Zy nemen alles aan wat zy bekomen kunnen, zonder op het verstand te zien. Ook breken zy zig het hoofd niet met de wetenschappen, en my wierd verzekerd dat zodra zy het Monnikskleed aan hebben zy niet alleen om geen studeren denken, maar nog zelfs alles vergeten wat zy geweten hebben. Zy slapen meest op matten of iets anders dat hard is, schoon ik in de cellen van sommigen goede bedden zag leggen. Zy hebben gene vaste goederen, dewyl zy gelofte doen van armoede, en leven alleen van de almoessen die zy krygen. Ten dien einde hebben zy enige Fratres, of jonge Monnikken, die met enen zak aan de huizen rond gaan, om hout, brood, vleesch, en wat zy anders van doen hebben, te verzamelen. Op het land hebben zy gene gemeentens. Dog somtyds gaan zy wel in zendelingschap by de Wilden. In elke vesting waar boven de veertig man in bezetting legt onderhoudt de Koning enen van deze Monniken in plaats van enen Priester, om den dienst waartenemen. Hiervoor geniet hy vry kost, woning, oppassing, en tweehonderd Livres ’s jaars. De helft van dit geld zendt hy aan de Gemeenschap, het overige is voor hem. Op de schepen worden ook meest deze Monnikken gebruikt, welken deswegens als tot ’s Koning dienaars behorende worden aangezien. Als een Pasteur ten platten lande sterft en de plaats niet schielyk kan vervuld worden, zendt men enen dezer Monnikken derwaards tot dat ’er een andere Priester is. Een deel dezer Monnikken komt uit Frankryk over, dog een deel van hun zyn inboorlingen. Buiten deze Monnikken zyn ’er hier gene anderen, uitgenomen een enkelde Augustyner, die met de schepen overkomt, dog ook weer henen gaat.

Den 11. Augustus des morgens deed ik ene wandeling met den Heer Gaulthier buiten de Stad, ten dele om naar planten te zoeken, en ten dele om het Nonnenklooster te bezigtigen dat op enigen afstand van de stad legt. Dat klooster, ’t welk pragtig van steen gebouwd is, legt in enen aangenamen oord, en is met akkers, weilanden, en bosschen omringd. Men kan hier de Stad en de Rivier duidelyk zien. Een Hospitaal voor arme oude lieden, voor gebrekkelyken en diergelyken, maakt een deel van ’t klooster uit, en is in twee zalen verdeeld, ene voor de mans en de andere voor de vrouwen. De Nonnen passen beiden de geslagten op, egter met dit onderscheid dat zy voor de mans het eten alleen maar bereiden, het aanbrengen, hun geneesmiddelen ingeven, het eten weer van de tafel nemen, dog het overige aan manspersonen te verrigten overlaten; maar in het vrouwenvertrek doen zy alles. Voor ’t overige was dit Hospitaal even zo ingerigt als dat van Quebec. Op verzoek van den Gouverneur Generaal, had my de Bisschop de byzondere gunst toegestaan van in het Klooster te mogen gaan. In gezelschap van den Heer Gaulthier bragt my de Abdis in alle de kamers, begeleid van enen troep van Nonnen. De meesten derzelven zyn van adelyke afkomst; dog velen waren oud, schoon ’er verscheiden jongen onder waren, die ’er niet onaardig uitzagen. Zy schenen allen veel bevalliger te zyn dan in het andere Nonnenklooster. De kamers waren even als in dat afgedeeld; dog men vond ’er een weinig meer huisraad in. De bedden hadden blauwe gordynen; daar stonden een paar kleine bureaux, een tafeltje, twee stoelen, en enige printen hingen ’er aan den wand. Dog ’er was nog schoorsteen, nog kacchel, dewyl zy, gelyk zy ’t noemden, op allerlei wyzen het vleesch doden moesten. De eetzalen evenwel en de vertrekken der zieken wierden door kacchels verwarmd. Het getal der Nonnen is hier niet bepaald, en ik zag ’er ene goede menigte van. Ook wierden hier verscheiden’ Nieuwelingen onderwezen, eer zy hare proef deden. Men zendt hier ook jonge Juffrouwen naartoe om in den godsdienst en handwerken onderwezen te worden, en dezen gaan daarna weder uit het Klooster. Dit gebouw ziet ’er als een Paleis uit, en is, gelyk men zegt, van enen Bisschop, die ook in ’t koor der kerk begraven legt, gestigt. Wy zamelden den voormiddag enige kruiden op de weiden, die daar naby lagen, en gingen omtrent den middag by enen ouden eerwaardigen Barrevoeter spyzen, die het klooster als Priester bediende. Het eten was van de Nonnen klaar gemaakt, en bestond in zo veel schotels als of het voor de tafel was van een groot Heer. Ook schonk men ’er verscheiden’ soorten van wyn. Dit klooster heeft ook aanzienlyk inkomsten. Boven op het gebouw staat een kleine toren met ene klok. Als men bedenkt wat uitgestrekte goederen de Koning in Kanada aan alle die Geestelyken weggeschonken heeft, zoude men zeggen, dat hy zeer weinig voor zig zelven moest hebben overgehouden.

[Brambozen.]

Brambozen, van het soort dat by ons gemeen is, wiessen overvloedig op de heuvels, by de koornlanden, en aan beken en stromen, zodat de takken dikwyls geheel rood van de bessen waren. Zy waren nu gedeeltelyk ryp, en wierden op het nagerigt gegeten, en ook wel voor den winter in suiker ingemaakt. De Sorbus aucuparia is tamelyk gemeen in de bosschen.

[Winden.]

De noordoosten wind wordt hier voor den scherpsten gehouden; en men verzekerde my, dat hy des winters door vry dikke muren zelfs heen dringt, zo dat de gehele muur van binnen met ryp als beslaat. Zelfs zou ene kaars digt aan den muur geplaatst byna uitwayen van den wind die door den muur doordringt. Deze wind beschadigt de stenen huizen dikwyls, en doet den kalk en de klei schilferen en afvallen. De noorden en noordoosten wind houdt men hier ook voor de koudsten. Des zomers voert de noordoosten wind gemeenlyk regen aan.

[Lugtsgesteldheid.]

Het onderscheid van lugtsgesteldheid tusschen Quebec en Montreal wordt als zeer groot beschreven. Te Montreal is het met de winden en het weer gantsch anders als te Quebec gesteld. Ook is daar de winter ver na zo koud niet. By Montreal wassen schone Peren, dog te Quebec komen die niet voort, en de bomen vriezen dikwyls des winters dood. Te Quebec valt meer regen; de lente begint ’er later en de winter vroeger. Ook worden te Montreal de vrugten vroeger ryp.

Den 12. Aug. ging ik na den middag met Jungstrom naar buiten, om daar enen dag of twee te blyven, ten einde des te beter het land en de gewassen te leren kennen. De Gouverneur Generaal had enen Amerikaan van Lorette laten halen om ons den weg te wyzen, en ons het gebruik te leren dat de Wilden van de planten maken. Deze man was een geboren Engelschman, die dertig jaren geleden van de Wilden van Lorette nog een kind zynde gevangen, en door hun in de plaats van enen uit hun, die door den vyand was omgebragt, opgevoed geworden was. Hy was sedert altyd onder hun gebleven, had den Roomschen Godsdienst aangenomen, en was met ene Amerikaansche vrouw getrouwd. Hy ging gelyk de andere Wilden gekleed, en sprak Engelsch, Fransch, nevens verscheiden onder de Wilden gebruikelyke talen. Het is onder deze volken de gewoonte van in de plaats der gesneuvelden uit hun enige gevangenen aantenemen, en dien de zelve voorregten te doen genieten die de gesneuvelden plegen te hebben, en ze dan als bloedvrienden aantezien. In de oorlogen tusschen de Franschen en de Engelschen hebben de Wilden die bondgenoten der Franschen waren vele gevangenen van beiderlei geslagt in de Engelsche Volkplantingen gemaakt, en ze als de hunnen aangenomen. Dit heeft gemaakt dat het bloed der Wilden in Kanada zeer met dat der Europers vermengd is. Ook is het merkwaardig dat her grootste deel der Europische gevangenen, die de Wilden dus onder hun ingelyfd hebben, vooral als dit in hunne jeugd geschied is, noit verlangd hebben naar hunne geboorteplaats terug te keren, schoon hunne Ouders en anderen van hunne nabestaanden hen bezogt en gepoogd hebben van hen daartoe te overreden, aangezien zy ’er de magt thans toe hadden. Dog zy verkiezen liever de losse levenswys der Wilden te blyven leiden dan weder by hunne Landslieden te komen wonen. Zy kleden zig gelyk de Wilden, zodat men ze ’er bezwaarlyk van onderscheiden kan, uitgenomen alleen, dat zy meest blanker van huid zyn. Ook zyn ’er enige voorbeelden van Franschen die tot de Wilden overgegaan zyn, en hunne levenswys aangenomen hebben. Integendeel weet men niet dat het oit gebeurd is dat een der Wilden zig onder de Europers begeven en hunne levenswys aangenomen heeft. Wanneer zy in den oorlog in de handen der Europers geraakt zyn hebben zy altyd gelegenheid gezogt om weder by hunne Landsgenoten te komen, al waren zy enige jaren onder de Europeanen geweest, en al hadden zy alle de vryheden genoten welken de Europeanen zelven bezitten.

[Landsgesteldheid.]

Het Land dat wy heden doorkruisten was meest overal tot koorn- of weilanden aangelegd. By de Stad was het tamelyk vlak; hierendaar met heldere stromende beekjes doorsneden. De wegen waren goed, breed en op lage plaatsen hadden zy sloten aan de kanten. Wat verder van de Stad begon het land allengskens, en zelfs tot ene aanmerkelyke hoogte toe, te ryzen, en men vond, als ware het, de ene hoogte boven de andere. Deze ryzende grond was egter tamelyk vlak, merendeels zonder stenen, en met ene goede en vette aarde bedekt. Even onder deze aarde lag gemeenlyk de hier overal voor handen zynde kalklei. Enige beddingen van dezelven lagen horizontaal, anderen loodregt, of zo dat de ene rand opwaards en de andere benedenwaards stond. Zulk ene loodregte legging heb ik ook op andere plaatsen hieromstreeks opgemerkt. De grond was geheel bebouwd. Men zag ’er fraye kerken, voortreffelyke akkers en schone landhoeven. De weiden lagen meest in de dalen, enigen egter op de hoogtens. Van daar had men een heerlyk uitzigt. Oostwaards zag men Quebec, en een deel der St. Laurence. Verder weg naar de zuidoostelyke zyde dier Rivier vertoonde zig ene ry van hoge bergen, die, schoon vele mylen van dezelve afstaande, egter met de Rivier evenwydig liepen. Westwaards rezen de heuvels, op enigen afstand van de plaats daar wy waren, totdat zy ene ry van zeer hoge bergen maken. Dezen liepen ook evenwydig met de Rivier, of omtrent van ’t zuiden naar het noorden. Dit hoge gebergte bestaat uit grauwe rotsen, die uit verscheiden’ soorten van stenen t’zamengesteld zyn, van de welken ik in ’t vervolg breder spreken zal. Deze bergen schynen een bewys opteleveren dat de kalkleyen even zo oud als de grauwe rotsstenen, en niet eerst in later tyden geformeerd zyn, want hier lagen verschrikkelyk zware grauwe rotsen boven op de bergen, die uit zwarte kalkleyen bestaan.

[Weilanden.]

De hoge weilanden in Kanada zyn voortreffelyk goed, en hebben veel vooruit boven die genen welken ik in de Engelsche Volkplantingen gezien heb. Hoe verder ik hier noordwaards in het Land kwam, des te schoonder weilanden en des te digter gras ontmoette ik. Op deze hoge weilanden vond men byna niets dan een soort van gras, namelyk de Poa angustifolia, het welk drie of vier bloemen op een steeltje voortbrengt. [319] Dog de bloemen waren zo klein dat men het gras ligt voor ene Agrostis konde aanzien. Voor ’t overige had het zaad van onderen enige zagte hairen. Behalven dit vond men op de weiden nog witte klaver. Deze twee gewassen maakten hier al het gras uit. Zy stond digt en dik, en de Poa was tamelyk lang, dog zeer fyn. Onder aan den wortel der Poa was de grond geheel van klaver bedekt. Digter en fynder gras dan hier wies kon men noit verlangen. Men kon uit de overgebleven’ voren zien dat alle deze weiden voorheen koornlanden geweest waren. Zy konden niet meer dan eens elken zomer gemaid worden, vermits de lente te laat begint.

[Hoi.]

Het volk was nu sedert ene week sterk aan ’t hoyen. Mans en vrouwen waren ’er bezig aan. Het hoi werd met karren weggebragt, die door ossen of paarden getrokken werden. By verscheiden’ weiden stonden schuren. Op vogtige plaatsen maakten zy kegelagtige hoistapels. Merendeels waren de weiden niet omheind, dewyl het vee meest aan den anderen kant van de bosschen liep, wordende door Herders, waar het nodig was, opgepast.