Reis door Noord Amerika

Part 42

Chapter 423,724 wordsPublic domain

De koornlanden waren tamelyk groot. Men zag nergens afleidingen voor het water, die evenwel op vele plaatsen wel nodig waren geweest. Zy liepen allen met smalle ruggen van omtrent vier of vyf ellen tusschen de voren, zynde in ’t midden byna ene halve el hoger dan de grond der voren. Al het koorn was zomerkoorn. Men zait in den herfst niet, dewyl het gewas des winters dood vriezen zoude. Het meest stond hier witte Weit. Dog men zag ’er ook ruime velden met Erwten, Haver, en hier en daar Rogge en Garst. By alle de boerderyen byna vond men kool, kawoerden en meloenen. De braaklanden wierden des zomers niet omgeploegd, zo dat ’er het onkruid vry mogt groeyen, dog het vee liep ’er den gehelen zomer op. [320]

[Huizen.]

De Huizen ten platten lande waren van steen of van hout. De stenen huizen zyn niet van tichels, waarvan men hier niet veel heeft, dog van zulken steen als men in de natuurschap vinden kan, vooral van zwarte kalkleyen. Dezen zyn hard als men ze uit den berg houwt, dog vallen in schilfers als zy aan de lugt blootgesteld worden, dog dit kan weinig schaden, dewyl de stenen in den wand vastzitten en dus ’er niet uit vallen kunnen. By gebrek van leyen bouwen zy dikwyls met kalksteen, zandsteen, en somtyds met grauwen rotssteen. Zulke muren zyn gemeenlyk twee voet dik, zelden dunner. Men vindt hier overal kalk. De meeste huizen op het land zyn egter van hout, en somtyds van buiten wit gepleisterd. De reten in de muren worden met klei aangevuld. Zelden zyn die huizen meer dan ene verdieping hoog. In elk vertrek is of een kacchel, of een schoorsteen, en somtyds wel beiden. De kacchels hebben de gedaante van een langwerpig vierkant. Sommigen zyn geheel van yzer, omtrent twee en enen halven voet lang, twee voet hoog, en anderhalven voet breed. Deze yzeren kacchels worden allen in het yzerwerk by Trois Rivières gegoten. Sommigen zyn van tichels of van steen, niet groter dan de yzeren kacchels, maar boven opgedekt met yzeren platen. De rook wordt uit den kacchel in den schoorsteen door ene yzeren pyp geleid. Des zomers neemt men de kacchels weg.

[Lorette.]

Des avonds kwamen wy te Lorette aan, en namen ons verblyf by de Jesuieten. Den volgenden morgen vervolgden wy onze reis door de bosschen heen naar het gebergte, om te zien wat zeldzaamheden men daar vinden konde. De grond was in ’t eerst meest vlak, overal met zwaar hout bewassen, uitgenomen op plaatsen daar poelen waren. Wel de helft van de gewassen die men hier ontmoet worden ook in Zweden gevonden.

[Kerssenbomen.]

Men zag hier twee soorten van wilde Kerssenbomen, die egter maar verscheidenheden van malkander schynen te zyn, schoon zy in ’t een en ander merkelyk verschilden. Zy waren beiden in Kanada zeer gemeen, en de vrugten waren thans rood. Die van het ene soort dezer zogenaamde Kerssenbomen waren wrang en trokken den mond en de keel t’zamen; dog die van het andere hadden enen aangenamen zuren smaak. [321]

[Nieswortel.]

De Driebladerige Nieswortel [322] wies in grote menigte in de bosschen. Op vele plaatsen bedekte hy den grond geheel. Deze plant zogt voornamelyk zulke plaatsen die vol van mos, dog niet al te nat waren, en had gemeenlyk de Oxalis Acetocella en de Circæa Alpina tot gezellinnen. Het zaad was nog niet ryp, en de meeste stelen hadden geen zaad. Dit gewas werd van de Franschen Tissavoyanne jaune geheten. De Wilden gebruiken de bladeren en de stelen om verscheiden dingen die zy uit beestenvellen hebben gemaakt schoon geel te verwen. De Franschen, in navolging hiervan, verwen ’er wol en andere stoffen geel mede.

[Bomen.]

Wy klouterden met grote moeite enen van de hoogste bergen op. Dog tot myn groot verdriet zag ik ’er gene andere planten dan ik reeds in de vlaktens van Kanada gezien had. Ook belette ons het hout waarmede de berg bewassen was het genoegen te nemen van een wyd uitgestrekt gezigt te genieten. Dus hadden wy zo goed als niets voor de moeite van ons klouteren. De bomen die hier wiessen waren de Haagbeuk, of de Carpinus Ostrya, de Amerikaansche Olm, de Roodbloemige Ahorn, die soort van boom die goed is om gebrande wonden te helen, welken ik nog niet beschreven heb, de Beuk, de Betula nigra, de Sorberboom, de Kanadasche Pynboom, Perusse genaamd, de Viburnum dentatum, de Esch, de zo even beschreven Kerssenboom, en de Besdragende Taxus.

[Muggen.]

Muggen vonden wy in groter getal dan wy gewenscht hadden; zy deden de huid met ene menigte van builen opzwellen. De Jesuieten te Lorette zeiden dat het beste middel tegen de steken van die ongedierte was het aangezigt en de handen met vet te besmeren. Tegens de beet hielden zy koud water voor het best, mits men ’er de wond ten eersten mede wiessche.

Des avonds kwamen wy weder te Lorette terug, na dat wy de planten, die aanmerking verdienden, en die wy dezen dag gezien hadden, nauwkeurig aangetekend en beschreven hadden.

[Lorette.]

Lorette is een dorp, drie Fr. mylen ten westen van Quebec. Het wierd byna alleen van Wilden, tot de Hurons behorende, bewoond, welken den Roomschen Godsdienst aangenomen hebben. Het dorp ligt nevens een riviertje, het welk daar met een groot geraas over ene klip heen stroomt, en enen zaag- en enen koornmolen aan ’t gaan helpt. Voor de aankomst van den Vader Jesuiet alhier woonden de Amerikanen in hutten, gelyk die der Laplanders; dog sedert hebben zy de Franschen in ’t bouwen nagevolgd. De meeste huizen zyn van hout, weinigen van steen. In elk huis waren twee vertrekken, de keuken en ene kamer. In de kamer stond een kleine stenen kacchel van boven met ene yzeren plaat, volgens ’t gebruik van Kanada. Nevens den wand stonden de bedden, waar in zy met geen ander deksel leggen dan hunne dagelyksche klederen. Ook zag hun overig huisraad ’er vry slegt uit. Men heeft hier een frai kerkje met toren en klok. De toren is puntig, enigsins hoog, en met wit of vertind blek gedekt. Deze kerk wil men hier dat enige gelykenis heeft naar die van Santa Casa te Lorette in Italie, naar welke plaats het dorp zynen naam heeft. Naast de kerk staat een stenen huis voor de Priesters, zynde twee Vaders Jesuieten, die hier altyd wonen. Men is hier even vlytig in den godsdienst als op andere Roomschgezinde plaatsen, en het was vermakelyk te horen hoe wel de Wilden, en vooral derzelver vrouwen allerlei geestelyke liederen in hunne taal zongen. De meesten dezer Hurons gaan op de wys van hunne Landslieden gekleed; dog de mans hebben gaarn een vest aan gelyk de Franschen. De vrouwen egter houden zig getrouw aan de wys van haar land. Het is bekend dat de voorouders dezer Wilden, by hunne bekering tot het Christendom, ene gelofte gedaan hebben van noit sterken drank te gebruiken. Deze gelofte hebben zy tot nog toe vry heilig onderhouden, zo dat men ’er zelden enen beschonken ziet, schoon anders de Wilden hun leven voor den brandewyn laten zouden.

Behalven in het bouwen volgen deze Amerikanen de Franschen in vele dingen naar. Zy planten allen Mais. Sommigen hadden ook een weinig Weit of Rogge. Verscheiden’ hielden koeyen. Zy zetten van onze gemene Zonnebloemen [323] op de Maislanden, en doen ’er het zaad van in hunne Sagamite of Maissoep. Hunne Mais was van een klein soort dat vry tydig ryp wordt, en een zeer aangenaam meel uitlevert. In Augustus wordt zy ryp. De molens komen den Jesuieten toe, die voor alles wat ’er gemaald wordt geld ontvangen.

Men heeft tot ene proeve in Kanada enige van de Zweedsche winterweit en winterrogge gezaid, want hier heeft men anders niet dan zomerkoorn, dewyl men bevonden had dat het koorn ’t welk men in Frankryk tegens den winter zait hier doodvriest. Om die reden had Dr. Sarracin, gelyk my de oudste der Jesuieten vertelde, een weinig Zweedsch winterkoorn doen komen. Dit slaagde zeer wel, en wederstond de koude. De airen, ’t is waar, schenen wel zo zwaar niet als het Kanadasch graan; dog in gewigt wonnen zy ’t wel tweemaal, en gaven een veel witter meel. Men wist niet waarom men de proeven niet vervolgd heeft. Men kan hier uit het zomerkoorn op ver na een zo wit brood niet bakken als in Frankryk uit het winterkoorn. My wierd verzekerd dat het voorjaarskoorn, Weit, zo wel als Rogge, oorspronglyk hier te lande uit Zweden of Noorwegen gekomen was. De Franschen hadden ondervonden dat het wintergraan uit Frankryk hier gebragt ’s winters doodvroor, en dat het zomerzaad uit hun vaderland overgevoerd hier genen genoegzamen tyd had om ryp te worden. En dit deed hen in ’t begin Kanada voor een slegt en onbewoonbaar land aanzien. Maar eindelyk bedagten zy zomerkoorn uit de noordelykste delen van Europa te doen komen, en dit slaagde wel. Ik keerde den 14. terug naar Quebec, makende langs den weg enige kruidkundige aanmerkingen.

[Nieuwe Gouverneur.]

Dien avond kwam de nieuwe Gouverneur Generaal over geheel Kanada, de Marquis de la Jonquière, voor de Stad, dog verschoof zyne intrede tot den 15. zynde het daar toe dien avond te laat. Hy was den 2. Juni N. S. uit Frankryk uitgezeild, en had Quebec niet eerder dan nu konnen bereiken, ter oorzaak van de hindernissen die de grote schepen op de St. Laurence van wegens de zandbanken ontmoeten. Dezen maken dat men niet dan met enen zeer gunstigen wind de Rivier kan opvaren, moetende de schepen zeer dikwyls wenden, en somtyds zeer nauwe kanalen doorvaren. Behalven dat was het den 15. het feest van Maria’s Hemelvaart, dat in alle Roomsche Landen zeer stiptelyk gevierd wordt. Dus was die dag dubbeld merkwaardig, zo wel om het feest als om de aankomst van den Gouverneur, die hier met grote plegtigheden ontvangen wordt, dewyl hy zo veel is als Onderkoning.

Des morgens om agt uur verzamelden zig de voornaamste lieden ten huize van den Heer De Vaudreuil, die onlangs tot Gouverneur van Trois Rivières benoemd was geworden, en in de benedenstad woonde. Zyn Vader was Gouverneur Generaal geweest. De Marquis de la Galissonière kwam hier ook, die tot nog Gouverneur Generaal geweest was, en thans op zyn vertrek naar Frankryk stond. Hy wierd begeleid door de voornaamste Amptenaars. Ik was hier ook genodigd. Om half negen stapte de nieuwe Gouverneur in een sloep, die met rood doek bekleed was. Daarop wierd het geschut van de wallen gelost, en alle de klokken begonnen te luyen. Alle de voornaamste Heren begaven zig naar den oever om den Gouverneur te verwelkomen. By het uitstappen van de sloep werd hy door den Marquis de la Galissonière ontvangen. Na dat deze twee malkanderen begroet hadden, trad de Major der Stad toe, en hield ene redenvoering tot den nieuwen Gouverneur, die door denzelven kortelyk werd beantwoord; waarop het geschut wederom gelost werd. De straat tot aan de Hoofdkerk toe was met gewapende manschap bezet, die grotendeels uit de borgery gekozen was. De Gouverneur ging te voet, gekleed in enen roden gegalonneerden rok, begeleid door alle de voornaamsten en ene schaar van aanschouwers. Zyne bedienden, in ’t groen gekleed, gingen met het geweer op schouder vooruit. Aan de deur der Hoofdkerk werd hy door den Bisschop aan ’t hoofd der Geestelykheid ontvangen. De Bisschop was in zyn plegtgewaad, hebbende den myter op het hoofd, en den Bisschoppelyken staf in de hand. Sommige Priesters waren in witte mishembden, anderen in lange misrokken gedost. Na dat de Bisschop ene korte redenvoering gehouden had, gaf hy den Gouverneur een zilveren Christusbeeld te kussen, het welk door eenen Priester op enen langen stok gedragen werd, wordende die Priester door twee anderen begeleid, welken ieder ene brandende waschkaars in de hand hadden. Daarop ging de Bisschop met de Geestelyken vooruit naar het Koor; de bedienden van den Gouverneur volgden, den hoed op ’t hoofd, en ’t geweer op schouder. Het laatst kwam de Gouverneur zelf met allen die hem verzelden. Toen het Koor begon bleven de nieuwe en de oude Gouverneur voor enen met rood bekleden stoel staan, waar zy gedurende de gehele Mis, die door den Bisschop zelven verrigt werd, bleven. Uit de Kerk begaven zy zig naar het Slot, waar de voornaamste Heren byeenkwamen om hunne pligtplegingen afteleggen. Het zelve kwamen alle de geestelyke ordres doen. Ik had de eer mede ter middagmaaltyd met enige anderen genodigd te worden. Het onthaal was geschikt naar de plegtigheid, en men bleef tamelyk lang aan tafel.

De Marquis de la Jonquière was lang van persoon, en iets boven de zestig jaren oud. Hy had in den laatst geeindigden oorlog enen hevigen zeeslag aan de Engelschen geleverd, dog was door de overmagt gedwongen geweest zig over te geven. By die gelegenheid werd hy door de schouder geschoten. In ’t gaan liet hy het hoofd een weinig voorover hangen. Hy was voor ’t overige een zeer bevallig man, en die zyne waardigheid wel wist te handhaven onder het uitdelen zyner gunstbewyzen.

[Middel om de dranken koel te houden.]

Verscheiden der Heren die den maaltyd bywoonden zeiden het volgende dikwyls beproefd, en om den drank in den zomer koel te houden, goed gevonden te hebben. Men tapt den drank in flesschen af, welken men toegekurkt in de lugt hangt na ze met natte doeken omwonden te hebben. Dit maakt den wyn koud, al was hy reeds warm geweest. Na enigen tyd maakt men de doeken op nieuws met water nat, dat zo koud is als men het krygen kan. De drank wordt op deze wys zelfs koelder dan het water waar men de doeken mede begoten heeft. De uitwerking is dezelve al hangen de flesschen in de zon. [324]

[Omgang.]

De Omgang ter ere der Heilige Maagd was ook zeer pragtig, wordende door de Geestelykheid, de beide Gouverneurs, en ene grote menigte van de voomaamste lieden, bygewoond. Het geschut wierd gelost, de klokken geluid, de trom geroerd, en ’t krygsvolk stond in ’t geweer. De aanschouwers vielen allen op de knien voor het beeld der Lieve Vrouw, dog niet voor dat van den Zaligmaker. De Geestelykheid ging den gantschen tyd al zingende.

[Thuya.]

De Thuya occidentalis wies zeer overvloedig in Kanada, dog niet zuidelyker. Het meest zuidwaards dat ik dezen boom gezien heb was in New York, een weinig van Saratoga, en by Casses, omtrent op de breedte van 42. gr. 10. min. De Heer Bartram had ’er egter enen boom van in Virginie gezien, digt by de plaats op de Rivier James die The Falls genoemd wordt. Ook verzekerde Dr. Colden dat hy hem op verscheiden plaatsen rondom zyn Landgoed Coldingham, tusschen New York en Albany, omtrent op de breedte van 41. gr. 30. min. gezien had. De Franschen door gantsch Kanada, zo wel als de Engelschen en Hollanders te Albany noemen hem den Witten Ceder. De Engelschen in Virginie hebben enen daar groeyenden Thuya den naam van Jeneverboom gegeven.

Deze boom groeit op verschillende gronden. De wortels schynen altyd enig vogt te moeten hebben. Vooral scheen hy in poelen en natte gronden wel te tieren, en wierd daar vry hoog. Na dezen schenen hem steenagtige heuvels en andere plaatsen waar tamelyk grote stenen by malkander lagen, welken met mos begroeid waren, wel te behagen. Vond men zulke met mos bewassen stenen in menigte aan het strand, zo stonden ’er gemeenlyk ook enige Thuyas. Behalven dat, zag men den boom hier en daar op de hoogtens nevens de rivieren, en andere hoge gronden die met ene stofagtige aarde bedekt waren, waarby men aanmerken moet dat die plaatsen gemeenlyk enig mineraal water omtrent zig hadden, of dat zy van de hoger landen enig vogt kregen. Ik zag hem ook wel in ene droge aarde wassen, dog daar kwam hy noit tot ene aanmerkelyke zwaarte. In de kloven der bergen vond men hem dikwyls genoeg; dog hy wierd daar ook niet zeer zwaar. De grootsten van deze bomen, die ik gezien heb, waren ongevaar vyf of zes vadem hoog. Een boom van tien duim in ’t kruis had twee en negentig kringen; een andere van enen voet en twee duim dikte had ’er honderd twee en veertig. [325]

De Inwoonders van Kanada gebruiken dezen boom om heiningen te maken, dewyl het hout langer dan eens menschen leven onder den bloten hemel duren kan. De meeste heiningen waren hier te lande van dit hout gemaakt, gelyk ook de meeste palen, die men in den grond slaat. De palissades voor de vestingwerken waren byna allen van Thuyahout. Somtyds bezigt men het ook voor balken. De ribben in den bodem van de bastenschuiten zyn ook van dezen boom, dewyl het buigzaam, en varsch zynde zeer ligt is. Geen hout wordt beter geagt om kalk te branden. De dunne takjes met de bladen gebruikt men om ’er bezems van te maken. Zulke bezems komen de Wilden te koop veilen. Ook heb ik niet gemerkt dat men andere soorten van bezems in Kanada gebruikte. De varsche takken hebben enen byzonderen en niet onaangenamen reuk, dien somtyds de bezems van zig geven.

In de Geneeskonst gebruikt men dezen boom tot meer dan een einde. De Kommandant van Fort St. Frederic, de Heer de Lusignan, wist zyne werking tegens de pynen van het Rhumatismus niet genoeg te pryzen. Men stampt de varsche bladeren in een mortier, en mengt ze dan met smeer van varkens of andere beesten. Dit kookt men zo lang tot dat het ene zalf wordt, die men op linnen gesmeerd op de pynelyke plaats legt. Deze zalf verzagt de pyn in korten tyd. Tegens door het lichaam vliegende pynen neemt men vier vyfden van de bladeren van een soort van Polypodium, [326] een vyfde van de zaadhuisjes der Thuya, en maakt ’er een poeder van. Dit begiet men met lauw water, smeert het tot een bry geworden zynde op een stuk linnen, en windt het om het lichaam, met deze voorzorg egter dat men enen doek tusschen het lichaam en de bry in legt, dewyl de bry brand als vuur. Dit middel hadden velen voortreffelyk goed gevonden. Een Iroquois vertelde ons dat het afkooksel der bladeren tegens den hoest gebruikt werd. Omstreeks Saratoga drinkt men dat afkooksel tegens de afgaande koortsen.

De boom blyft den winter over groen. Zyn zaad wordt in ’t laatst van September O. S. ryp. Den 4. October hadden dit jaar enigen reeds begonnen hun zaad te laten vallen, vooral zulken die aan enen sterken zonneschyn bloot stonden, en de anderen hadden reeds hunne zaadhuisjes begonnen te openen. Deze boom heeft de zelve eigenschap als verscheiden andere bomen van Noord Amerika, namelyk dat zy in grote menigte in moerassen en zware bosschen, en zelfs daar meer dan op andere plaatsen, wassen, zo dat men zeggen kan dat daar zyn regte plaats is. Egter staat op die plaatsen nauwelyks een enige boom die zaad geve. In tegendeel als zy aan den buitenkant van een bosch, of op ene andere plaats staan waar zy vrye lugt hebben, zo zyn zy vol zaads. Dit heb ik ontelbare reizen opgemerkt. En het zelve had plaats omtrent den Ahorn, den Sassafras, den witten Dennenboom, de zogenaamde Perusse, den Moerbezieboom, en anderen.

Den 7. Aug. ging ik. het Urseliner Nonnenklooster bezigtigen. De inrigting daarvan is genoegzaam de zelve met de andere Nonnenkloosters. Dit Klooster staat binnen de Stad, en heeft ene fraye Kerk. De Nonnen stonden voor zeer godsdienstig te boek. Ook zyn het deze Nonnen die zig het minst laten zien, en zig het meest in huis houden. Buiten den Geneesheer en den Wondheler, mogen gene mans in ’t Klooster komen, ten zy door een byzonder verlof van den Bisschop, dat zelden verleend wordt; dog ik had ’er een, op voorspraak van den Marquis de la Galissonière, verworven. Ik ging ’er met den Heer Gaulthier naar toe. De Abdis, vergezeld van enen stoet Nonnen, meest allen ouden, ontving ons. Het was een Zondag, en in de Kerk vonden wy verscheiden’ Nonnen op hare knien leggen en bidden. By ’t intreden van de kerk vielen de Abdis en alle de Nonnen op hare knien. Het zelve deed de Heer Gaulthier, en ik ook. Wy kwamen daarop in een kapelletje, der Heilige Maagd toegewyd, waar wederom geknield moest worden. Vervolgens bezagen wy de kerken, de eetzaal, en het vertrek waarin de Nonnen zitten te werken, het welk zeer groot is. De eetzaal is even eens geschikt als in de twee andere Kloosters. Onder de tafels zyn kleine laden waarin elke Non haar vork, servet, en andere dingen bergen kan. De Celletjes zyn klein, en elke Non heeft ’er een. De muren zyn niet geschilderd. Een klein bed, ene tafel met laden, een Christusbeeld, enige Heiligen, en een stoel, zie daar al het huisraad. Men bragt ons in een vertrek vol van jonge Juffrouwen van omtrent twaalf jaar en daaronder, welken herwaards gezonden waren om onderwezen te worden. Zy mogen eens op enen dag hare nabestaanden gaan bezoeken, dog niet lang uitblyven. Als zy hare opvoeding genoten hebben gaan zy weer naar huis. By het Klooster is een fraye tuin, leggende binnen enen hogen muur, en vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. Onder het werken of het eten wordt een diep stilzwygen gehouden, uitgenomen dat ene der Nonnen iets overluid leest; maar na het eten mogen zy een uur of twee in den tuin gaan wandelen, en zig binnen ’t Klooster vermaken. Na alles wat hier merkwaardig was gezien te hebben namen wy afscheid en vertrokken.

Omtrent een vierde van ene Zweedsche myl westwaards van Quebec is ene minerale bron. Het water was vol van yzerdelen, en smaakte ’er sterk naar. De Heer Gaulthier had het met enen goeden uitslag in verstoptheden, miltziektens, en diergelyke ongemakken voorgeschreven.

[Slangen.]

Men verzekerde in ’t algemeen dat ’er rondom Quebec gene giftige slangen te vinden waren, welker beet nadeel van belang kon doen, zo dat men daar gerust door ’t gras kon wandelen. Ik vond alle de slangen zeer schuw. Dog in het zuidelyker gedeelte van Kanada moet men omzigtiger zyn.

[Mieren.]

Hier en daar op de hoogtens in de bosschen vond men kleine Mierhopen, gemaakt door een soort van pekzwarte Mieren, die den Zweedschen volkomen gelyk dog wat kleinder waren.

[Wilde Volken.]

Den 21. Augustus waren ’er enigen uit de drie Amerikaansche Volken, namelyk de Hurons, de Mikmaks, en de Anies, [327] by den Gouverneur Generaal. De Anies zyn een soort van Iroquoizen, en bondgenoten der Engelschen. Zy waren in den laatsten oorlog gevangen gemaakt.

[Hurons.]