Reis door Noord Amerika

Part 40

Chapter 404,051 wordsPublic domain

Ginseng is de naam dien de Franschen hier te lande aan ene plant geven, op welker wortel de Chinezen groten prys stellen. [304] Van onheuglyke tyden af is zy in Chineesch Tartarye en in Korea gewassen, waar zy jaarlyks verzameld en naar China gevoerd wordt. Vader Du Halde [305] zegt dat zy de kostelykste en nuttigste plant van allen is die in Oost Tartarye vallen, en alle jaren ene grote menigte kruidzoekers naar de woestenyen van dat land lokt. De Mantchou Tartaren noemen ze Orhota, dat is de Koningin der planten. [306] Zy wordt zo van de Tartaren als Chinezen zeer geroemd, zo wel om hare uitmuntende kragt ter genezing van vele zware ziektens, als wegens het vermogen dat zy hebben zou ter versterking van de kragten des lichaams en ter opwekking van verzwakte zinnen. Zy is in zulk ene agting dat het once goeden Ginseng te Peking zeven of agt oncen zilvers geldt. Toen de liefhebbers der kruidkunde in Kanada deze plant het eerst afgebeeld zagen, herinnerden zy zig ene diergelyke daar te lande gezien te hebben. Zy wierden in hunne mening bevestigd doordien verscheiden’ streken van Kanada op juist de zelve Poolshoogte leggen als die plaatsen van Tartarye waar de Ginseng in ’t wild wast. Ook bedrogen zy zig niet. Zy vonden die plant op vele plaatsen van Noord Amerika in de bosschen, zo wel in de Fransche als in de Engelsche Volkplantingen, in menigte van zelfwassende. Zy zoekt de schaduw en ene diepe tuinaarde, dog gene natte of verhevene plaatsen. Men kan egter niet zeggen dat zy zeer gemeen is, want somtyds kan men enige mylen door de bosschen reizen zonder ene enkelde plant te vinden. Dog waar zy wast; wast zy in menigte. Zy bloeit in Mai en Juni, en de bessen zyn ryp op het einde van Augustus. Men kan ze met den wortel ’er aan verplanten, en zy gaat dan weer ten eersten aan ’t groeyen. Enige menschen, die de bessen in hunne tuinen gezaid hadden, zeiden dat zy een of twee jaren in den grond blyven leggen voor dat zy opkomen. De Iroquoizen noemen deze wortels Garangtoging, het welk een kind betekent, dewyl zy enige gelykenis op een kind hebben. Dog volgens de mening van anderen beduidt dit woord ene dye, waarnaar de wortel meer gelykt. De kragt, welke de Franschen dezen wortel toeschryven, bestaat daarin dat zy de benauwdheid der borst wegneemt, de maag versterkt, en de vrouwen vrugtbaar maakt. Men dreef ’er thans enen sterken handel mede. De wortelen worden hier in menigte verzamelt, en naar Frankryk gezonden, van waar men ze met groot voordeel naar China verzendt. [307] In ’t eerst toen men ze naar Europa begon te zenden wierden zy duur betaald. Men verhaalde dat enige Fransche ongelooflyke schatten met dezen handel op China gewonnen hadden. Dog de menigte die ’er van overkwam heeft den prys in China, en gevolglyk in Frankryk en Kanada zelfs zeer doen dalen. Egter vinden de Kooplieden hunne rekening zeer wel by dezen handel. In den zomer van het jaar 1748. betaalde men te Quebec zes Fransche Guldens voor het pond. Gemeenlyk geldt het daar honderd Sols. Toen ik in Kanada was kregen alle de Kooplieden te Quebec en te Montreal last van hunne Korrespondenten in Frankryk om ene grote menigte Ginseng overtezenden. Dus werd zy thans meer dan oit getrokken. Men zogt ze dan ook met alle vlyt. De Wilden vooral zwierven alomme om ze te vinden, en ze den kooplieden te Montreal te brengen. Den ganschen zomer konden de Boeren in den omtrek van die stad niet enen Amerikaan krygen, om, volgens gewoonte, hen in den oogst te helpen, zo bezig was dat volk met het zoeken naar Ginsengs. Velen vreesden dat als men enige jaren voortvoer met deze wortels zo yverig te zoeken, zonder hier en daar enige planten te laten staan ten einde het geslagt voorttezetten, ’er weinig binnen korten tyd van overblyven zou; en dit is zeer waarschynlyk. Ook berigtte men in ’t algemeen dat dit gewas voorheen overvloedig rondom Montreal plegt gevonden te worden, dog tegenwoordig was ’er niet ene enkelde plant te zien. Dit dwong de Wilden dezen zomer om ze ver binnen de grenzen der Engelschen te gaan zoeken. Men heeft met deze wortelen, na dat zy door de Wilden zyn aangebragt, nog veel moeite; want men legt ze uit malkander op den grond om te drogen, waartoe twee maanden of meer tyds vereischt wordt, naardat het weder is. Ondertusschen moeten zy daags eens of tweemaal omgekeerd worden, op dat zy niet beschimmelen, of verrotten. Wat ten noorden van Montreal heeft men ze nergens in ’t wild gevonden. De Opzigter der Geestelykheid hier te lande en anderen verhaalden my dat de Chinezen den Kanadaschen Ginseng voor even zo goed als den Tartaarschen houden; [308] en dat nog niemant wel wist hoe de Chinezen ze toebereiden. Dog men denkt dat als de wortel begonnen heeft te drogen zy een afkooksel van de bladeren maken, en hem daarin laten weken. De wortel in China toebereid is doorschynend en ziet ’er uit als hoorn. Om goed te zyn moet de wortel zwaar en van binnen gesloten zyn.

[Herba capillaris.]

Het doorgaans in Kanada zo genoemde Herba capillaris [309] is ook een van de gewassen waarmede dit gewest enen sterken handel dryft. De Engelschen noemen het Maagdenhair. [310] Het groeit overvloedig in alle hunne Amerikaansche Volkplantingen, die ik doorreisd heb. Ook is het zeer gemeen in de zuidelyke delen van Kanada, dog omstreeks Quebec heb ik het niet vernomen. Deze plant slaagt niet dan in de schaduw en op goede gronden. Verscheiden menschen te Albany en in Kanada berigteden, dat de bladen derzelven zeer veel als thee in teringen, verkoudheden en andere borstkwalen gebruikt werden. Dit had men van de Wilden geleerd, die van overoude tyden her van dit middel zig bediend hadden. De Amerikaansche Herba capillaris zou in de Geneeskonst beter zyn dan het Europisch Vrouwenhair. [311] Ook wordt ’er jaarlyks veel van naar Frankryk gezonden. De prys is niet altyd de zelve, en schikt zig naar de deugd der waar, hare toebereiding, en de menigte die ’er van is. Gemeenlyk kost het pond te Quebec van vyf tot vyftien sols. Om dezen tyd van het jaar begaven zig de Wilden in groten getale naar de bosschen ver boven Montreal om dit gewas optezoeken en te vergaderen.

[Moeskruiden.]

De Moeskruiden komen hier zeer wel voort. De witte Kool stond zeer wel, schoon de rupsen ze zeer beschadigd hadden. De Uyens waren, zo wel als de andere soorten van Look, zeer in gebruik. Niet minder at men hier kawoerden, meloenen, salade, endyvie, erwten, bonen, peen, en komkommers. Men had ook tamelyk veel rode Beten, Radys, Tym, en Marjolyn. Ook zaide men veel Rapen, die inzonderheid des winters veel gegeten werden. Witte peen gebruikte men ook tamelyk veel. Weinig hield men van Artisjokken. Nog de gemene [312] nog de Bermudische Potatoes [313] worden hier geplant, om dat zy voor smakeloos gehouden worden, en men lachte de Engelschen uit om dat zy ’er zo veel werks van maakten. De Brassica gongylodes van Linnæus [314] was onbekend in geheel Noord Amerika by de Zweden, de Engelschen, de Hollanders, Ieren, Duitschers en Franschen. De genen die hier zig op het aanfokken der Moeskruiden toeleiden hebben my verzekerd, dat zy genoodzaakt waren jaarlyks nieuwe zaden uit Frankryk te doen komen, dewyl zy in Kanada met het derde jaar hunne kragt verloren, en niet meer zo goede en smakelyke planten voortbragten.

[Onkunde der Wilden.]

By de Wilden, die van overoude tyden af in Noord Amerika gewoond hebben, en die van enerlei afkomst zyn en dezelve taal spreken, heeft men nimmer enige letters, veel minder geschriften of boeken ontdekt. Zy hebben gevolgelyk vele euwen lang in de grofste onkunde geleefd. Dit is oorzaak dat zy niet het minste weten aangaande de oude gesteldheid des Lands, en al wat zy ’er van weten steunt op losse vertellingen en horen zeggens. Niemant is ’er die wete of voor deze Wilden, die nu hier wonen, een ander volk in bezit van ’t Land geweest is, nog of iemant voor Columbus’ tyden dit Werelddeel bezogt hebbe. Even zo onbekend is het of voorheen hier oit het Christendom gepredikt zy. Ik vroeg verscheidene Jesuieten, die door dit grote Land omreisden, of zy oit by de Wilden enige sporen hadden kunnen ontdekken van Christenen, die voor heen hier geweest mogten zyn; dog zy wisten ’er niets van. Zo onkundig als deze Wilden in het schryven en de wetenschappen zyn, en altyd geweest zyn, zo onkundig zyn zy ook in de bouwkunst en de handwerken. Vergeefs zoekt men by hen welgebouwde steden en huizen, vestingwerken, torens, pilaren, en diergelyke dingen, welken men in de oude wereld van vroege tyden af kan aanwyzen. De gebouwen dezer menschen zyn slegts elendige hutten van boomschorssen, aan alle zyden voor regen en wind open. Al hun muurwerk bestaat daarin dat zy enige stenen rondom de plaats daar zy vuur in hunne hutten maken leggen, om te verhinderen dat het vuur te ver voortkruipe, of liever om dus de plaats te onderscheiden voor het vuur. Een Reiziger vindt hier niet het tiende deel van het vermaak dat men in andere van ouds bewoonde landen in ’t reizen geniet, waar men byna iederen dag een overblyfsel der Aloudheid ontmoet, nu ene beroemde stad, dan puinhopen van een oud kasteel; nu een slagveld, waar enige euwen geleden een bloedig treffen tusschen magtige en beroemde Vorsten of Veldoverstens voorgevallen is; dan de geboorteplaats van den enen of den anderen geleerden en door de gantsche wereld beroemden man. Op zulke plaatsen kan men zyne gedagten op velerhande wyzen strelen, en zo vele gebeurde zaken levendig voorstellen. Dog hier vindt men niets van dezen aard. De geschiedenis gaat hier niet hoger dan de aankomst der Europers. Wat men van vroegere tyden verhaalt heeft groter gelykenis naar enen droom of een verdigtsel dan naar ene gebeurtenis. Evenwel heeft men enige merktekens van Oudheid in Noord Amerika gevonden, waaruit men opmaken kan, of dat dit gewest in de voorgaande euwen van het een of ander in de wetenschappen meer ervaren volk, dan het welk de Europers daar gevonden hebben, is bewoond geweest, of dat ’er uit de Oude Wereld herwaards een zware krygstogt moet ondernomen zyn.

[Reis over land naar de Zuid Zee en gedane ontdekkingen.]

Dit wordt door een verhaal bevestigd, dat ik den Heer Verandrier, die zelfde onderneming naar de Zuid Zee, van de welke ik zo aanstonds gewagen zal, geleidde, aan de tafel van den Gouverneur Generaal hoorde doen, en het welk my naderhand verscheiden ooggetuigen bevestigd hebben. Zie hier kortelyk waar in dit verhaal bestond. Weinige jaren voor myn aankomst hier te lande kreeg gemelde Heer Verandrier van den toenmaligen Gouverneur Generaal, den Ridder De Beauharnois, bevel om met enen hoop krygsvolks enen togt dwars door Noord Amerika, van Kanada af tot aan de Zuid Zee, te doen, om te onderzoeken hoe groot de afstand dier zee van dat geweest ware, en welke voordelen Kanada of Louisiana van de gemeenschap mee dezelve trekken konde. De reis wierd van Montreal af te paard, en, zo veel het stromen, meren, bergen, en zo voorts, toelieten, regt toe westwaards aan voortgezet. Toen zy diep in het Land gekomen, en velerlei volken voorby gereisd waren, vonden zy somwylen grote velden, geheel van hout ontbloot en met zeer hoog gewassen gras bedekt, die enige dagreizen aanhielden. Op velen van deze velden was de grond doorgaans met voren doorsneden, als waren zy voorheen beploegd geweest. En hier moet men aanmerken dat geen van de thans in Amerika woonagtige wilde volken deze voren heeft konnen trekken, dewyl dezen nog paarden, nog ossen, nog ploegen, nog enig ander bouwgereedschap bezitten, en voor de aankomst der Europers noit enen ploeg gezien hebben. Op twee of drie plaatsen, dog ver van malkander, waren in de rotsen indrukken van voeten, zo wel van kinderen als van volwassen menschen te zien. Dog dit is ontwyffelbaar voor een spel der natuur te houden. Toen zy zo ver naar ’t westen gekomen waren, waar, zo veel men weet, noit een Europer geweest is, vonden zy hier en daar, zo wel in bosschen als op uitgestrekte vlaktens, grote pylaren van steen, rustende tegen malkander. De pylaren bestonden elk uit een stuk, en de Franschen konden niet anders zien of zy waren door menschenhanden opgerigt. Somtyds vonden zy zulke stenen op malkander, en als tot een muur gemetseld. Op enige plaatsen waar zy zulke stenen aantroffen zagen zy gene andere stenen in de nabuurschap. Op genen van deze stenen konden zy enig schrift of letters ontdekken, hoe zeer zy ’er ook naar zogten. Eindelyk egter vonden zy enen groten steen gelykenden wel naar enen pylaar, en op dien enen kleinderen, die aan beide zyden van onbekende letters vol was. Dezen steen, die omtrent de lengte van enen Franschen voet en de breedte ener hand had, braken zy los, en voerden hem naderhand naar Kanada, van waar hy naar Frankryk aan den Graaf van Maurepas gezonden wierd. Wat ’er vervolgens van geworden was, wisten zy niet, dog zy geloofden dat hy nog in ’t Kabinet van dien Heer was. Verscheiden’ Jesuieten, die zelfs hier in Kanada dien steen in handen gehad hadden, berigteden eenparig, dat zy de daarop gegraveerde letters met die vergeleken hadden welken men als Tartarische letters opgegeven vindt, en dat zy van het zelve soort met dezelven schenen te zyn. [315] Maar schoon de op deze onderneming afgezonden’ Franschen zig alle bedenkelyke moeite gaven, om van daaromstreeks wonende Amerikanen te vernemen, wanneer en van wien die steenpylaren opgerigt waren, wat overleveringen zy daarvan hadden, wat die letters te kennen gaven, wie ze ’er op gezet hadden, wat soort van letters het waren, en tot welke taal zy behoorden, en diergelyken, konden zy ’er niet de minste onderrigting aangaande krygen, en de Wilden waren ’er ruim zo onkundig omtrent als de Franschen. Het enige dat zy wisten te zeggen was dat die stenen daar van overoude tyden her gestaan hadden. De plaatsen waar men deze overblyfsels vond waren wel negenhonderd Fr. mylen westwaards van Montreal. Het ware oogmerk dier Reis, namelyk om tot de Zuid Zee doortedringen, en den afstand derzelver van Kanada te bepalen, wierd door deze afgezondene manschap niet bereikt, dewyl zy zig bewegen lieten om deel in enen oorlog te nemen tusschen twee ver van Kanada af wonende wilde volken, in den welken enigen van de Franschen gevangen genomen, en de overigen gedwongen werden van ’t voortzetten hunner Reis aftezien en terugtekeren. Van de allerverst wonende Wilden ten westen, by wie zy kwamen, verstonden zy egter, dat zy maar enige dagreizen van de Zuid Zee afwaren; dat zy zelven dikwyls met de Spanjaarden aan die Zee wonende handel dreven, en somtyds naar de Hudsonsbai reisden en met de Engelschen handelden. Enigen van deze Wilden hadden huizen van aarde gemaakt. Velen van die Volken hadden nimmer van te voren enen Franschman gezien. Zy waren gedeeltelyk met vellen gekleed, dog velen gingen geheel naakt.

[Vlaktens met voren doortrokken.]

Allen die in Kanada waren en ver landwaards in, ’t zy naar ’t zuiden, dog voornamelyk naar ’t westen, gereisd hadden, kwamen hierin overeen, dat men daar op vele plaatsen grote vlaktens aantrof, geheel van hout ontbloot, en waar de grond met voren doorsneden was, als waren daar voorheen beploegde akkers geweest. Waar dit van daan kwam kon niemant zeggen; want de koornlanden van het grootste dorp der Wilden kunnen niet wel meer plaats beslaan dan vier of vyf van onze mergens, en de gemelde gevoorde vlaktens beslaan dikwyls ene ruimte van verscheidene dagen reizens, uitgenomen dat men hier en daar ene enkelde plaats aantreft waar gene voren zyn, en enige kleine heuvels.

Meerder overblyfsels van de Oudheid konde ik in Kanada niet te weten komen, hoe sterk ik my ’er ook op toeleide. In ’t vervolg myner Reisbeschryving gedurende het jaar 1750. [316] zal ik gelegenheid vinden nog twee merkwaardige zaken aantetekenen. Dog dat onze Skandinaviers lang voor Columbus reistogten naar Noord Amerika ondernomen hebben, heeft onder anderen de Heer George Westman in zyne te Aobo in ’t jaar 1747. ter verkryging van den graad van Meester verdedigde Verhandeling bewezen, werwaards ik den Lezer verzende.

[Nonnenklooster.]

Den 8. Augustus ging ik des morgens het grootste Nonnenklooster in Quebec bezigtigen. Het is genen man geoorloofd ’er intekomen, uitgezonderd in zekere vertrekken die door tralies van het overige afgescheiden zyn, door welke tralies men van buiten met de Nonnen van binnen spreken kan. Dog om my des te groter gunst te bewyzen maakte de Gouverneur Generaal dat de Bisschop my verlof gaf het Klooster van binnen te bezien. De Bisschop alleen kan deze vryheid geven, dog het geschiedt zelden. Alleen mogen de Geneesheer en de Wondheler ’er inkomen. De Heer Gaulthier, een man van grote inzigten zowel in de Artsenykonst als in de Kruidkunde, was thans Koninglyke Arts, en verzelde my in ’t Klooster. Wy bezagen eerst het Hospitaal, dat zo aanstonds beschreven zal worden, en daarop gingen wy in ’t Klooster, dat een deel van ’t Hospitaal uitmaakt. Het was een groot stenen gebouw, van drie verdiepingen, van binnen in lange gangen, met kameren, zalen en andere vertrekken aan beide zyden afgedeeld. De kamers der Nonnen waren op de bovenste verdieping aan beide zyden van den gang. Zy waren klein, en van binnen niet geschilderd, alleen hingen ’er papieren printjes van Heiligen en diergelyken, gelyk ook het beeld van den Zaligmaker aan het kruis. Een bed met gordynen en ene goede legging, een kleine lessenaar, en een paar stoelen, was alles wat men ’er vond. Noit wordt ’er vuur gemaakt, en de Nonnen moeten ’s winters in de koude leggen. In den gang stond een yzeren kacchel, die ’s winters gestookt wordt, en als men dan de deuren der kamertjes open laat zo komt ’er nog al enige warme lugt in. Op de middelste verdieping waren de vertrekken daar zig de Nonnen door den dag ophielden als zy by malkander kwamen, onder anderen het vertrek waar zy werken. Dit was ruim, geschilderd en net. Ook stond ’er een kacchel. Hier waren zy met allerlei handwerk bezig, als nayen, borduren, vergulden, ’t maken van zyden bloemen, die de natuurlyken vry wel geleken. In een ander vertrek hielden zy hare raadsvergaderingen. Een ander was voor de zulken die een weinig onpasselyk waren, dog zodanigen die gevaarlyk ziek waren lagen in een ander vertrek. In een ander wederom wierden de Nieuwelingen onderrigt. Ook was ’er ene eetzaal. Hier stonden rondom tafels. Aan ene zyde was een kleine predikstoel, waarop een Fransch boek over de levens der Heiligen lag. Onder ’t eten spreekt niemant een woord, en ene van de oudste Nonnen treedt op den predikstoel en leest den overigen een stuk uit dat boek voor. Wanneer dat boek uit is nemen zy een ander. Zy zitten aan die zyde der tafel dat naar den muur gekeerd is. Byna in alle de kamers en zalen stond ene vergulde tafel, waarop kaarssen stonden te branden voor het beeld van den Zaligmaker en de beelden van enige Heiligen. By deze tafels doen zy hare gebeden. Aan de ene zyde was de Kerk, en nevens dezelve ene grote zaal, die door tralies van de kerk was afgescheiden, zo dat de Nonnen wel in de kerk kyken, dog ’er niet in komen konden. In deze zaal zyn de Nonnen gedurende den dienst, en de Priester is in de kerk. Als hy zyn plegtgewaad aandoet, reiken hem de Nonnen dat door de tralies toe, staande het haar noit vry met den Priester in de Sakristy te gaan, of met hem in een vertrek te zyn. Behalven dezen waren hier nog verscheiden andere vertrekken, welker gebruik ik my niet te binnen brengen kan. Beneden was de keuken, het bakhuis, verscheiden spyskamers en andere gemakken. Op de zolders wordt het koorn bewaard en het linnen gedroogd. Gelyk met de twede verdieping was van buiten een balkon rondom het gantsche gebouw, waar de Nonnen zig wat verlugtigen mogten. Het uitzigt uit het Klooster was aan alle kanten zeer schoon en ruim. Aan de ene zyde van ’t gebouw was een grote tuin, waar de Nonnen ook mogten wandelen. De tuin lag in enen hogen muur, en was vol van allerlei moeskruiden en vrugtbomen. In dit klooster waren omtrent vyftig Nonnen, die meest allen boven de veertig jaren hadden. Twee jonge Juffrouwen alleen wierden voorbereid tot den geestelyken staat. Zulke Nieuwelingen moeten eerst twee of drie proefjaren uitstaan, gedurende welken tyd het haar vrystaat weder uit het klooster te gaan, als haar dat leven niet behaagt. Dog als zy eens als Nonnen aangenomen zyn, moeten zy ’er haar gantsche leven blyven. En merkt men dat zy naar verandering haken, zo steekt men ze in een vertrek waar zy noit kunnen uit komen. Deze Nonnen gaan noit verder uit het Klooster als in ’t Hospitaal, dat daar vlak nevens legt, en een deel van ’t Klooster uitmaakt. Daar gaan zy om de zieken optepassen. Toen ik afscheid nam vroeg my de Abdis of my hare inrigtingen wel bevielen. En toen ik van ja geantwoord had, schoon ik zeide de levenswys zeer gedwongen te vinden, zeide zy my, dat zy met hare Zusters God hartelyk bidden zou om myne bekering. Van verscheiden’ menschen heb ik gehoord, dat ’er zig weinig Juffrouwen in dit Klooster begeven voor dat zy tot zulke jaren gekomen zyn waarop haar weinig hoop over is van te zullen trouwen. In alle de drie Kloosters van Quebec zagen ’er de Nonnen meest zeer oud uit, zo dat het zo evengemelde zeggen niet ongegrond schynt. Men was het overal hierin eens dat in Kanada, zo wel op het land als in de steden, ver na zo veel mans als vrouwen niet waren, dewyl ’er vele mans op reis, ’t zy naar de West Indien, waar ook velen zig neerzetten, ’t zy door het land, omkomen, en de oorlog ’er velen wegsleept. En dit dwingt verscheiden’ vrouwen zig in het Klooster te begeven.

[Het Hospitaal.]

Het Hospitaal bestond uit twee grote zalen en enige vertrekken nevens de Apotheek. In deze zalen stonden twee ryen met bedden. De bedden naar den wand toe hadden gordynen, de anderen niet. In elk bed waren twee lakens en ander beddengoed. Zo dra de Zieke uit het bed was wierd het gemaakt, ten einde alles in het Hospitaal zuiver en rein te houden. De bedden stonden drie of vier ellen van malkander, en tusschen dezelven stond ene kleine tafel. In deze zalen waren goede yzeren kacchels, en fraye vensters. De Nonnen passen de Zieken op, en brengen hun eten en alles wat zy nodig hebben. Behalven de Nonnen waren hier nog enige manspersonen insgelyks om optepassen, en een Wondheler. Ook moest de Koninglyke Geneesheer hier alle dagen komen en het oog over alles laten gaan. In dit Hospitaal ontvangt men gemeenlyk de kranke Soldaten, waar van men ’er in den tyd dat ’s Koningsschepen aankomen, het geen gemeenlyk in Juli en Augustus is, en in oorlogstyden, ene goede menigte vindt. Als ’er bedden open zyn worden ’er ook andere zieke menschen ingenomen. Daar waren byzondere vertrekken voor de zulken die zeer ziek zyn, opdat het geraas dat ’er in de zaal somtyds is hen niet vervelen mogt.

Het was hier de gewoonte van als iemant niesde ene buiging te maken, waarvan men in de Engelsche Volkplantingen niets weet. Op de straat neemt men den hoed maar voor bekenden en aanzienlyke lieden af. Jonge lieden houden dien dikwyls in de kamers waar vrouwen zyn op, dog de ouderen zyn dan meest blootshoofds. De vrouwen hadden hier veel op met het krullen en poederen van ’t hair, daar zig de Engelsche vrouwen in de Volkplantingen niet zo veel mede bemoeyen. De Mans dragen meest hun eigen hair met een zakje daarin gebonden. Sommigen hadden zakjespruiken op. Dog de meeste lieden van jaren droegen grote pruiken. By de voornaamste mans was het zeer in ’t gebruik gegalonneerde klederen te dragen. Allen die in dienst van de Kroon waren gingen met degens. Als het weder regenagtig was droegen alle de Heren, zelfs van den eersten rang, alleen de Gouverneur uitgenomen, enen mantel op den linker arm. By ’t intreden in een huis van kennis, daar men in langen tyd niet geweest is, groet men de menschen van beide geslagten met twee zoenen.