Part 39
Hier was ene zeer byzondere wys om visch te vangen in gebruik. Men plaatst kleine heggen van zamengevlogten rys, zo digt dat ’er geen visch door kan, en van enige voeten hoog, naar dat het water diep is, digt by den oever. Tot dit einde kiest men zulke plaatsen daar by de eb al het water wegloopt, zo dat de heggen dan droog staan. Binnen dezelven legt men verscheiden’ fuiken, van onderen wyd, staande overeind, en derdehalve el hoog en iets minder wyd. Onder in dezelven is de ingang voor de visschen, gemaakt van rys, en somtyds van garen. Aan het andere einde, gekeerd naar den kant waar de stroom van daan komt, is een andere ingang, gelyk de eerste, die naar een soort van planken hok geleidt, omtrent vier voet lang, twee diep, en twee breed. By elke fuik is ene heg, lopende schuinsch naar de grote heg, welke den visch naar de fuik moet leiden. Als het water nu hoog is zwemt de visch, byzonderlyk de aal, de rivier op, dog by de eb wordt hy naar beneden gedreven, en stuit dan tegens deze heggen, welke hy zo lang volgt tot dat hy in het hok komt. Het hok heeft boven ene opening met een deksel ’er op, waar door men den visch uitneemt. Deze visschery was voornamelyk voor de alen gemaakt. Op vele plaatsen had men netten in plaats van heggen.
De oevers der Rivier bestonden hier niet meer uit aarde, maar uit een soort van lei. Zy waren buitengemeen hoog en steil. De lei was zwart, trekkende wat naar het bruine. Zy was zeer brosch, zo dat men ze met den vinger aan stukken breken kon, en lag in lagen, dewelken zig egter zo verdelen lieten dat zy niet breder waren dan de rug van een mes. Aan de lugt blootgesteld viel zy in kleine stukken. De gantsche oever lag vol van een fyn zand, ontstaan uit deze vermolmde leyen. Enige beddingen liepen horizontaal, anderen een weinig schuinsch, zo dat zy aan ’t noorden een weinig hoger waren dan aan ’t zuiden, en dikwyls net in ’t tegendeel. Hierendaar maakten zy bogten gelyk als halve cirkels. Somtyds wierden de beddingen ter diepte van enige ellen door ene loodregte lyn doorsneden, zo dat de leyen op de zyden dier lyn ’er als een gladde muur uitzagen. Op sommige plaatsen vond men tusschen de leyen ene laag ter dikte van omtrent vier duim, van enen grauwen, digten, tamelyk weken kalksteen, uit den welken de Wilden van overoude tyden her hunne tabakspypen maakten, gelyk de Franschen nog tegenswoordig doen. [299]
Den 5. zetteden wy onze reis des morgens voort, al roeyende, dewyl wy enen harden wind tegen hadden. Het land behield de gedaante die wy beschreven hebben. De oevers waren hoog en steil, en bestonden uit de gemelde zwarte lei. Het land was vlak, en aan de Rivier tot op enigen afstand toe landwaards in digt bewoond. Wy ontmoetten gene eilanden; dog op sommige plaatsen lagen grote stenen in de Rivier, die men by laag water zien kon. Op deze stenen zyn verscheiden’ vaartuigen verongelukt. De breedte der Rivier bedraagt somtyds meer dan drievierden van ene Eng. myl, somtyds ene halve, en somtyds meer dan twee mylen. Op verscheiden’ plaatsen vindt men zulke aalvisscheryen als wy beschreven hebben; en men bediende zig ten dien einde op vele plaatsen van netten in plaats van gevlogten rys.
[Wandluizen.]
Wandluizen zyn ’er overvloedig in Kanada, en ik ontmoette ze overal waar ik huisvestede, zo wel in de steden als op het land. Men wist ’er geen ander middel tegen dan geduld te nemen.
[Krekels.]
De Krekels zyn hier overal menigvuldig, vooral op het land, daar zy in de schoorstenen zitten. Ook vindt men ze in de steden. Zy blyven hier zomer en winter, en byten de klederen dikwyls voor tydverdryf aan stukken.
Nader by Quebec worden de oevers meer gloyend. Noordwaards vertoonde zig ene ry hoge bergen. Omtrent derde halve Fr. myl van die Stad wordt de Rivier zo smal, dat zy niet boven enen musketschoot [Quebec.] breed is. Het land aan beide zyden liep schuinsch op, was bergagtig, boschryk, en vol klippen. Des avonds om vier uur kwamen wy te Quebec. Wy konden de stad niet zien voor dat wy ’er vlak by waren, nadien een hoge berg ons het gezigt ’er van benam. Egter ontdekt men van verre een stuk van de vestingwerken die op den berg leggen. Zodra de Soldaten Quebec in ’t oog kregen, riepen zy dat allen die hier noit geweest waren gedoopt moesten worden, ten zy zy een drinkgeld gaven. Dit was een gebruik hier te lande, aan het welk zelfs de Gouverneur Generaal zig onderwerpen moest. Wy hadden gene reden ons hier tegen te verzetten, en de roeyers by hunne aankomst voor hunnen zwaren arbeid niet enen vrolyken avond te gunnen.
Terstonds by myne aankomst in de stad bragt my de Officier, die my van Montreal begeleid had, naar het slot, by den toenmaligen Vice Gouverneur Generaal, den Marquis La Galissonière. Dit was een Heer van ongemene verdiensten, die my gedurende myn gehele verblyf alhier met uitmuntende goedheid bejegende. Hy had reeds kamers voor my doen bestellen, en droeg zorg voor alles wat wy van doen mogten hebben. Ook had ik dagelyks de eer by hem ter tafel verzogt te worden.
Quebec, de Hoofdstad van Kanada, legt op den westelyken oever der St. Laurence, op een uitstek lands, gemaakt van die Rivier aan het oosten, en de Rivier St. Charles aan het noorden. Zuidwaards wordt de berg waarop de stad legt nog hoger, en agter denzelven beginnen grote weiden; westwaards strekt zig de berg nog een stuk wegs uit. Men verdeelt de stad in ene hoge en ene lage stad. [300] Het gemelde uitstek lands is uit de modder, door de Rivier van tyd tot tyd aangespoeld, en ene rots ontstaan, welke daar legt, en niet uit ene langzame afneming van ’t water. De hoge stad legt boven de andere op den berg, en is vyf of zes maal groter dan de lage, dog niet zo sterk bewoond. De berg waarop de bovenstad legt is hoger dan de huizen der benedenstad, schoon die van drie of vier verdiepingen zyn: als men uit het Slot naar de benedenstad, die ’er vlak onder legt, afziet, is het om duizelig te worden. En van daar naar het Slot om hoog ziende, schynt dat in de lugt te staan. Daar is maar een toegang van de benedenstad naar boven, zynde een deel van den berg in de lugt gesprongen. Deze toegang is zeer steil, schoon hy krom loopt. Egter rydt men hem met wagens op en af. In de lage stad wonen byna alle de kooplieden. De huizen staan daar digt by een. De straten zyn nauw, ongelyk en haast altyd vogtig. Men vindt ’er ene kerk en ene marktplaats. In de hoge Stad wonen de aanzienlykste lieden, behalven verscheiden amptenaars en ambagtsgezellen. Ook staan hier de voomaamste gebouwen, waaronder de volgenden de aanmerkenswaardigste zyn.
I. Het Slot. Dit is aan den zuidkant van den berg gelegen, waar hy zeer steil is, vlak boven de benedenstad. Eigenlyk is het geen kasteel, maar een langwerpig gebouw van steen, twee verdiepingen hoog, en strekt zig van ’t zuiden naar ’t noorden. Aan de westzyde is een hof, met enen muur en huizen omringd. Oostwaards tegens de Rivier aan is ene gallery even zo lang als het gebouw zelf, omtrent enen vadem breed. Zy is met gladde stenen bestraat, en aan den buitenkant met yzeren tralien omgeven, zo dat men van daar in de stad en langs de Rivier zien kan. Hier gaat men gemeenlyk na den maaltyd zig een weinig vertreden. Ook wagten hier die genen welken den Gouverneur spreken moeten tot dat het hem gelegen komt. In dit Slot woont de Gouverneur Generaal van geheel Kanada, voor het welk dagelyks ene sterke wagt optrekt, en als de Gouverneur of Bisschop voorbygaat komt de wagt in ’t geweer, en wordt de trom geroerd. De Gouverneur heeft op het Slot zyne kapel waarin hy zyne gebeden doet, schoon hy dikwyls ook in de stad in de kerk der Barrevoeters de Misse bywoont.
II. Zyn hier zeven of agt kerken, allen van steen gebouwd, namelyk.
1. De Hoofdkerk, leggende aan de regterhand als men uit de benedenstad in de bovenstad komt, een weinig voorby het Hof van den Bisschop. Men was thans bezig om ze schoonder dan voorheen te maken. Zy heeft aan de westzyde enen ronden toren met twee verdiepingen, in de onderste van welken de klokken hangen; aan de oostzyde is ook een klein rond torentje. De preekstoel is verguld. De banken zyn frai.
2. De Jesuieten Kerk, zynde ene kruiskerk, en hebbende enen ronden toren. Deze was de enige kerk in de stad die een uurwyzer en slag had.
3. De kerk der Barrevoeters of der Recollecten, leggende vlak over de poort van ’t slot. Zy ziet ’er vry wel uit, en heeft enen enigsins hogen spitsen toren en een klokkenhuis.
4. De kerk der Urselinen, hebbende enen ronden spitsen toren.
5. De Hospitaalkerk.
6. De Kapel des Bisschops.
7. De Kerk in de benedenstad, gebouwd in ’t jaar 1690. na dat de Stad van de Engelschen vry geraakt was. Zy wordt Nôtre Dame de la Victoire genoemd. Zy heeft eenen kleinen vierkanten toren, van boven rond, midden op het dak.
8. De kleine Kapel van den Gouverneur op het Slot, welke ook voor ene Kerk kan gerekend worden.
III. Het Huis van den Bisschop, welk het eerste is dat men aan de regterhand ontmoet, als men van de benedenstad naar de hoge Stad gaat. Het is een frai groot gebouw, met enen moestuin, die in zyne muren legt.
IV. Het Kollegie der Jesuieten, dat ik op ene andere plaats breedvoeriger beschryven zal. Het ziet ’er pragtiger uit dan het Slot zelfs, dog legt zo aangenaam niet. Het is byna viermaal zo groot als het Slot, en het schoonste gebouw van de Stad. Het legt aan de noordzyde van ene marktplaats, aan welker zuidzyde de Hoofdkerk staat.
V. Het Klooster der Barrevoeters, leggende westwaards nevens het Slot, vlak daar over. Het is een groot gebouw met enen frayen tuin. Het huis is twee verdiepingen hoog, op elke van welken een lange gang is met cellen.
VI. Het Hôtel Dieu zal ik nader beschryven. De Nonnen die de zieken oppassen zyn van de Augustyner order.
VII. Het Huis der Geestelykheid [301] is een groot gebouw aan de noordoostzyde der Hoofdkerk. Aan den enen kant heeft het enen ruimen hof, en aan den anderen, tegens de Rivier aan, enen groten boomgaard en moestuin. Geen van alle de gebouwen in de Stad heeft een zo bekoorlyk uitzigt als ’er in dien tuin is, waarvan men benedenwaards in de Rivier en alomme heen over ’t land ver weg ziet. De Jesuieten in tegendeel hebben geen uitzigt ter wereld. Ook kunnen zig de Barrevoeters over het hunne niet zeer beroemen. In dit gebouw wonen alle de Geestelyken der Stad met hunnen Opzigter by malkander. Zy bezitten hier in Kanada op vele plaatsen grote landeryen, die hun door de Regering geschonken zyn, van de welken zy de inkomsten genieten, waaruit zy rykelyk bestaan kunnen.
VIII. Het Nonnenklooster der Urselinen, zal ik beneden nader beschryven.
Meer openbare huizen van enig aanzien vindt men hier in de Stad niet, dog noordwest even buiten dezelve legt het huis van den Intendant, een openbaar gebouw, zo groot en aanzienlyk dat het wel voor een Slot zou kunnen doorgaan. Het is met blik gedekt, en staat in ene twede benedenstad, welke zuidwaards op de Rivier St. Charles legt, en heeft aan de noordzyde enen schonen en groten tuin. Hier worden alle de beraadslagingen die het land in ’t algemeen raken gehouden, en de Heren die ’t bestier van regts- en burgerlyke zaken hebben vergaderen hier. De Intendant zit als dan voor. Dog als het zaken van groot gewigt zyn komt ’er de Gouverneur zelf. Aan de ene zyde van dit gebouw is het Magazyn der Kroon, en aan de andere het Gevangenhuis.
De Huizen zyn hier doorgaans van steen. In de bovenstad hebben zy gemeenlyk maar ene verdieping, alleen de openbare gebouwen uitgenomen. Hier en daar stonden nog enige houten huizen; dog als die bouwvallig worden mag men ze niet vernieuwen. De stenen huizen en de kerken zyn niet van tichelstenen, maar van de zwarte kalkleyen, waaruit de berg daar Quebec op legt bestaat, gebouwd. Als men deze leyen uit den berg haalt zyn zy in ’t eerst zo vast dat zy niet afschilferen. Maar als zy enigen tyd in de lugt geweest zyn beginnen zy zig in dunne schyven te verdelen. Deze steen is week, en ligt te bearbeiden. De muren rondom de Stad en om de tuinen in dezelve bestaan ook grotendeels uit dezen steen. De daken der openbare gebouwen zyn met gemene leyen gedekt, welken men uit Frankryk herwaards brengt, dewyl ’er hier te lande genen van dat soort gevonden worden. Deze leyendaken hebben het enige jaren tegens de lugt en ’t weder goed gemaakt, en zyn nog in staat. De andere huizen zyn meest met planken gedekt, leggende of met de sparren evenwydig dwars over dezelven heen. De hoeken der huizen en de posten der vensters waren dikwyls van enen grauwen fynen kalksteen, die sterk ruikt. [302] Deze steen was op sommige plaatsen beter dan de zwarte kalkleyen, die in de lugt altyd in schyven vallen. De meeste huizen waren van buiten gewit. De vensters sloegen meest allen naar binnen open, dat veel plaats in de kamers wegnam. Des winters bediende men zig op sommige plaatsen van dubbelde vensters. Men verwarmde de vertrekken met kleine yzeren kacchels. De vloeren waren zeer morssig, en wierden niet meer dan eens in ’t jaar gezuiverd.
Het Buskruidmagazyn staat op het hoogste van den berg waarop de Stad legt, een weinig ten zuiden van het Slot.
De straten in de bovenstad zyn breed genoeg, dog zeer oneffen door dien de Stad op enen berg legt, zo dat het hier lastig is te gaan en te ryden. De zwarte kalklei steekt hare scherpe hoeken dikwyls omhoog, het welk de schoenen schrikkelyk slyt. Voor ’t overige heeft men gene regelmatigheid by ’t aanleggen der straten gebruikt, zo dat zy krom en dwars lopen.
[Grootte.]
De menigte van tuinen, die zo wel by de byzondere huizen als by de kloosters zyn, maken dat de Stad vry groot schynt, dog dat zy geen zeer groot getal van huizen bevat. Van ’t zuiden naar het noorden is zy zeshonderd, en van den oever aan de benedenstad tot aan den westelyken muur driehonderd vyftig of vierhonderd Toises lang. Dog deze gehele ruimte is niet bewoond; aan de zuid en aan de westzyde zyn digt aan de muren grote opene plaatsen, waar tegenswoordig gene huizen staan, en die men betimmeren kan indien de Stad in ’t vervolg meer inwoonders krygt.
[De Bisschop.]
De Bisschop, die hier zynen zetel houdt, is de enige in gantsch Kanada. Zyn gebied strekt zig uit tot Louisiana, de Bai van Mexiko en de Zuid Zee. Geen Bisschop, uitgenomen de Paus, had oit een uitgestrekter Bisdom. Dog de geestelyke schapen, die zyne stemme horen, zyn op zekeren afstand van Quebec zeer weinig in getal, en houden zig dikwyls enige honderd mylen ver van malkander op.
[Handel.]
Quebec is de enige zee- en handelplaats van Kanada, van waar alle de waren die naar buiten gaan worden afgezonden. De haven is op de Rivier onder de Stad. De St. Laurence is daar omtrent een vierde van ene Fr. myl breed en vyfentwintig vadem diep. De grond is goed om te ankeren. Men legt ’er voor alle stormen in zekerheid. De noordoosten wind is hier de gevaarlykste. Toen ik aankwam telde ik dertien vaartuigen, groten en kleinen t’zamen genomen, en men verwagtte ’er nog meer. Dog men moet aanmerken dat gene andere dan Fransche Schepen hier komen mogen. Egter konnen ’er velen zyn, die uit verscheiden havens zo in Frankryk als in de Fransche Amerikaansche Eilanden komen. Vele Fransche Kooplieden uit Montreal, na meer dan een half jaar onder de Wilden te hebben gereisd, om pelteryen op te kopen, van waar zy gemeenlyk op het einde van Augustus terugkomen, begeven zig van daar in September en October naar Quebec, om daar hunne waren aftezenden. Dus zoude men denken dat de Stad Quebec uit hoofde van dit voorregt van alles te verzenden, zeer ryk moest zyn, dog velen zeiden dat dit zo niet was. Enigen, stond men toe, waren wel gegoed; maar de meesten bezaten niet boven het geen zy noodwendig tot hun onderhoud van noden hadden, en zeer velen waren diep in schulden. Dit schreef men aan de pragt toe, willende de een voor den ander niet onder doen. De Kooplieden hielden veel van zig kostbaar te kleden, lekker te eten en te drinken, vele schotels op tafel te hebben, en grootsch te leven. De Vrouwen gingen alle dagen zo opgeschikt als moesten zy aan ’t Hof wezen.
[Sterkte.]
De Stad is rondom, en byzonderlyk aan de landzyde, door enen hogen muur omringd, die nog niet geheel voltoid was, dog men arbeidde sterk ’er aan. De muur werd ten dele van de voorheen gemelde zwarte kalkleyen, en ten dele van enen grauwen zandsteen gemetseld. By de poorten gebruikte men enen grauwen kalksteen. Aan den waterkant had men nog gene muren aangelegd, dog de natuur heeft daar de plaats vry sterk gemaakt, dewyl de berg daar niet wel te beklimmen is. Buiten dat heeft men hier geschut geplant, zo dat het genoegzaam ondoenlyk is met vaartuigen voor de Stad te komen, zonder in den grond geschoten te worden. Aan de landzyde leggen ook hoge bergen. Dus schynt de plaats, en door de natuur en door de konst, vry wel versterkt.
[Lotgevallen.]
Quebec wierd door den Gouverneur Samuel de Champlain in het jaar 1608. aangelegd. De Stad nam langzaam toe. In ’t jaar 1629. maakten ’er zig de Engelschen, onder Lewis en Thomas Kerk, met verdrag meester van. De Engelschen vonden Quebec en gantsch Kanada in zulk enen staat van gebrek aan noodwendigheden, dat zy daar veeleer als vrienden dan als vyanden ontvangen wierden. De genoemde Kerks waren broeders van den Admiraal David Kerk, die met zyne vloot een weinig lager lag. In ’t jaar 1632. werd Quebec te gelyk met Kanada by den vrede aan de Franschen teruggegeven. Aanmerking verdient het, dat men in dien tyd in Frankryk in overweging nam of het der moeite wel waard wezen zoude Kanada van de Engelschen terug te vorderen. De meesten oordeelden dat men het niet terug moest eischen, dewyl het een koud gewest was, de uitgaven de inkomsten ver te boven gingen, en dat Frankryk een zo uitgestrekt land niet van inwoonders voorzien kon zonder zig zelf uitteputten, gelyk aan Spanje gebeurd was. Beter was ’t het volk in Frankryk te houden, en het aantemoedigen tot het beoeffenen van allerlei handwerken, waardoor de Europers, die in Amerika volkplantingen hadden, genoodzaakt zouden worden om met hunne waren in de Fransche havens te komen ten einde daar de Fransche handwerken te halen. Dog zulken die wat verder dagten waren van oordeel, dat de lugtstreek zo ruw niet was, en dat ’er grote misslagen door de Maatschappy begaan wierden, waardoor de uitgaven zo hoog liepen. Men moest, zeiden zy, niet ene grote menigte volks op eenmaal, dog allengskens enige weinigen te gelyk, zo dat Frankryk het niet voelen kon, overvoeren. Daar was grond om te hopen dat dit Land met den tyd Frankryk magtig zou maken, dewyl ’t het volk gelegenheid geven zou van zig op de zeevaart, de haring-, dorsch-, walvisch- en robbenvangst toe te leggen. Dus zou dit land in een zeker opzigt ene school voor zeevolk worden. Voorts vertoonden zy wat voordelen ’er gelegen waren in ’t bezit van zo velerhande soorten van pelteryen, in de bekering der Heidenen, en in zo grote bosschen, waaruit men scheepstimmerhout halen kon. En al trok men ’er geen ander voordeel van, zo vorderde nogthans het belang van Frankryk door ’t bezit van dit Land den aanwasch van de magt der Engelschen in Amerika te hinderen, en dus hun toenemend vermogen, dat voor Frankryk anders onverdraaglyk stond te worden, palen te zetten. De tyd heeft geleerd dat deze lieden een goed inzigt in de zaak gehad, en den grond gelegd hebben voor den aanwas van de magt der Franschen. O! hadden wy Zweden de zaak ook dus ingezien, toen wy in ’t bezit van Nieuw Zweden, het beste van alle de gewesten van Noord Amerika, waren! Een wys en voorzigtig man ziet niet alleen op het tegenwoordige maar ook op het toekomende.
In ’t begin van Februari 1663. gevoelde men te Quebec, en in een groot deel van Kanada, die zware aardbeving waarvan men nog de tekens zien kan. Dog geen mensch verloor ’er het leven by.
In October 1690. wierd Quebec door den Engelschen Generaal William Phibs belegerd; dog hy moest na enige dagen met groot verlies aftrekken. De Engelschen poogden wel enige reizen de geledene schade te boeten; dog de St. Laurence heeft altyd getoond enen goeden voormuur voor Kanada te zyn, en dat een onervarene en een vyand dezelve niet ligt opvaart zonder schade te lyden. Op enigen afstand van Quebec is zy vol van verborgen’ klippen; de stroom is ’er geweldig; en de schepen zyn op vele plaatsen genoodzaakt dikwyls te wenden.
[Naam.]
De Stad wordt gezegd haren naam van een Normansch woord, wegens hare legging op een uitstek lands, te ontlenen. Als men op de Rivier by Isle d’Orleans is kan men de St. Laurence boven de stad niet zien, en de Rivier St. Charles, die beneden de stad loopt, schynt het vervolg van de St. Laurence te zyn. Dog wat hoger opkomende ziet men den regten loop der St. Laurence, die op ’t eerste gezigt naar enen groten zeeboezem of den mond ener rivier gelykt. Dit had enen der Matrozen die dit gezigt onverwagt in ’t oog viel aanleiding gegeven van in zyne spraak uitteroepen, Que bec! dat is wat een uitstek lands! En hiervan meent men dat de stad haren naam gekregen heeft. Anderen leiden dien naam van ’t Algonkinsche woord Quebego of Quebek af, het welk het vernauwen ener zaak beduidt, dewyl de Rivier voor de stad nauwer wordt.
De St. Laurence is voor de stad een vierde van ene Fransche myl breed. Het zoute zeewater komt noit tot voor de plaats, en het meeste water dat men hier gebruikt wordt uit de Rivier gehaald. Allen stemden hierin overeen, dat, hoe breed ook de Rivier is, en hoe sterk ze ook vooral by de ebbe stroomt, zy nogthans den gehelen winter met ys bedekt is, zo dat men ’er byna al dien tyd over gaan of ryden kan. Men wil zelfs, dat, als de Rivier in Mai open is, het somtyds gebeurt dat ’er in die maand zo koude nagten invallen, dat zy op nieuws toevriest, zo dat men ’er over gaan kan. Dit is een duidelyk bewys dat de koude hier zeer gestreng is, vooral als men let op het geen zo aanstonds aangaande het ty in deze Rivier zal gezegd worden. De grootste breedte der Rivier by haren uitloop in zee zal omtrent zesentwintig Fr. mylen bedragen, schoon men de juiste palen tusschen de Rivier en de zee by hare vereniging met dezelve niet kan aanwyzen, dewyl zy allengskens wyder en wyder wordt en ongemerkt in zee stort. Het meeste water, dat in vele grote Meren in Kanada is, waaronder ’er vier of vyf gevonden worden die zeer groot zyn, moet zig door deze Rivier in zee lozen. De vaart uit zee langs de St. Laurence is uit hoofde van den sterken stroom en de menigvuldige zandbanken, die zig nu en dan verzetten, zeer gevaarlyk. De Engelschen hebben dit tweemalen ondervonden als zy Kanada wilden aantasten. Derhalven beschouwen de Franschen deze Rivier als den voormuur van Kanada. [303]
De vloed gaat, gelyk ik reeds gemeld heb, ver boven Quebec. Het onderscheid tusschen den hoogsten vloed en de laagste ebbe is daar gemeenlyk vyftien of zestien Fr. voeten. Dog by nieuwe of volle maan wil men dat het verschil wel zeventien of agttien voeten bedraagt, het welk inderdaad een aanmerkelyk verschil is.
[Ginseng.]