Reis door Noord Amerika

Part 38

Chapter 384,225 wordsPublic domain

Montreal is ten opzigt der grootte en der rykdommen de twede stad van Kanada, dog ten opzigte der legging is zy de eerste. Een weinig boven de stad verdeelt zig de St. Laurence in enige takken, en maakt dus enige Eilanden, op het grootste van de welken de Stad legt. Het is tien Fr. mylen lang, en omtrent op zyn meest vier breed. Op de oostzyde van dit Eiland aan enen der grootste armen der St. Laurence legt de stad. Deze legging is zeer aangenaam en voordelig. De Stad is een regthoekig langwerpig vierkant, welks ene lange zyde met de Rivier evenwydig loopt. Aan de andere zyde leggen voortreflyke koornlanden, weiden, en bosschen. Zy heet Montreal naar enen zwaren berg, die omtrent ene halve myl van de stad af legt naar het westen toe, en dien men over de bosschen heen zien kan. De Heer Cartier, een der eerste Franschen die Kanada wat nauwkeuriger leerden kennen, noemde ze aldus by zyne aankomst op het Eiland in het jaar 1535., terwyl hy dezen hogen berg en tegelyk de stad der Wilden Hoshelaga bezogt. De Franschen spreken het woord Montreal hier gemeenlyk Moreal uit. De Geestelyken, die alle plaatsen hier te lande wel naar den enen of anderen Heilig zouden willen noemen, hebben het ook met deze stad beproefd, en ze Ville Marie genaamd. Dog die naam heeft niet willen opnemen. De stad is tamelyk sterk, en heeft enen hogen dikken muur rondom, en aan de landzyde ene diepe grast met water, zodat zy van stropende partyen niets te vrezen heeft. Dog ene belegering zoude zy niet lang uithouden, dewyl hare grootte alteveel manschap zou vereischen om ze te verdedigen, en daarby de meeste huizen van hout zyn. Hier zyn verscheiden’ kerken, van de welken ik alleen die noemen zal die den Monnikken van St. Sulpitius toebehoort, de Kerk der Jesuiten, die der Franciskanen, die van ’t Nonnenklooster, en die van ’t Hospitaal. De eerste is de fraiste, zo wel van buiten als van binnen, niet alleen van de Kerken hier in de Stad als van gantsch Kanada. De Priesters van de Kweekschool van St. Sulpitius hebben een groot schoon huis, waar zy by malkander wonen. Het Kollegie der Franciskanen of Bedelmonnikken is ook een goed huis dog niet zo pragtig. Dat der Jesuiten is niet groot, maar wel gebouwd. By deze geestelyke gebouwen zyn schone grote tuinen, ten dele tot vermaak en gezondheid, en ten dele ten nutte der huishouding. De meeste huizen zyn van hout, dog evenwel zeer frai. Enigen zyn van steen. Meest alle de huizen der voornaamste lieden hebben ene deur aan de straat, met banken op de stoep, waar de menschen komen zitten om lugt te scheppen. De straten die in de langte lopen zyn breed en lynregt. Zy worden door de dwarsstraten in regte hoeken doorsneden. Enigen zyn geplaveid, dog de meesten zeer ongelyk. Aan den waterkant heeft de Stad twee grote en drie kleine poorten, en aan de landzyde heeft zy ’er ook verscheiden. De Gouverneur van de Stad moet zyn eigen huis betalen, hoewel enigen zeggen dat de Kroon iets tot de huur geeft. De Gouverneur Generaal woont vry op het slot, gelyk gezegd is.

[Nonnenklooster.]

In de Stad is een Nonnenklooster, en buiten dezelve legt ’er een dat het maar half is, want de Paus heeft ’er nog zyne bevestiging niet aan gegeven. In het eerste wierd geen meisje aangenomen ten zy ’er vyfhonderd ecus voor betaald werden. Enigen ontving men wel voor driehonderd ecus, dog die moesten de anderen als meiden oppassen.

[Hospitaal.]

De Koning heeft een Hospitaal voor zieke Soldaten doen bouwen. De kranke kreeg daar wat hy nodig had, en de Kroon betaalde daags twaalf sols voor zyn onderhoud. De Heelmeesters worden van den Koning bezoldigd. Een Officier by gelegenheid van den dienst des Konings krank geworden geniet hier vryen kost en oppassing, dog zo hy buiten den dienst des Konings ziek wordt moet hy alles uit zyn zak betalen. Als in ’t Hospitaal enige plaatsen open zyn neemt men ook wel arme menschen in die niet in dienst zyn; en dezen hebben artzenyen en den Wondheelder voor niet; dog voor hun eten en andersins moeten zy daags twaalf sols betalen.

[Markten.]

Alle vrydagen wordt hier markt gehouden, waar men zig van allerlei voortbrengselen des lands voorzien kan, als men zelf gene Landgoederen of tuinen heeft. Gantsche zwermen der Amerikanen komen dan ook in de Stad, om te kopen ofte verkopen.

[Afwyking der Naald.]

De Afwyking der Naald was hier 10. gr. 38. min. W. De Heer Gillion, een Geestelyke van veel liefhebbery voor de Wis- en Starrekunde, had in den tuin der Kweekschool ene middagslyn getrokken, die hy zeide dikwyls volgens de Zon en de Starren onderzogt en juist bevonden te hebben. Ik vergeleek zorgvuldig myn kompas met deze middaglyn, en vond de afwyking volkomen zo als ik ze opgegeven heb. Volgens de waarnemingen van dien zelven Heer is de Breedte van Montreal 45. gr. 27. min. N.

[Waarnemingen.]

Een ander Geestelyke, namelyk de Heer Pontarion, had in ’t begin van dit jaar enige waarnemingen met den Thermometer gedaan. Hy had zig van dien van Reaumur bediend, die in een venster gehangen had dat somtyds geheel en somtyds half open stond, en gevolglyk heeft hy zelden de grootste koude van de lugt aangewezen. Ik wil echter een kort uittreksel uit zyne waarnemingen voor de wintermaanden geven. De grootste koude in Januari was den 18. staande toen de Thermometer op 23. gr. onder ’t vriespunt. De minste koude was den 31. staande hy toen op het vriespunt. De meeste dagen tekende hy 12. of 15. gr. onder dat punt. In Februari had men de grootste koude den 19. en 25. De Thermometer stond toen 14. gr. onder het punt van vorst, en de minste koude had men den 3. wanneer hy 8. gr. boven het vriespunt rees. De meeste dagen stond hy op 11. gr. onder dat punt. In Maart was het den 3. het koudst, tekenende de Thermometer toen 10. gr. onder vorst, en den 22. 23. en 24. het warmst, stygende toen de Thermometer tot 15. gr. boven vorst. De meeste dagen stond hy 4. gr. onder dat punt. In April gevoelde men de grootste koude den 7. zakkende de Thermometer 5. gr. onder ’t vriespunt; den 25. was het weder het zagtst, en de Thermometer was 20. gr. boven dat punt. De meeste dagen hield hy zig op 12. gr. boven het zelve. Dog ik merkte uit de wys waarop deze waarnemingen gedaan waren, dat de koude dagelyks wel een graad of zes sterker moet geweest zyn dan hy ze aangetekend had. Ook had hy in zyn dagboek aangetekend dat het ys in de St. Laurence by Montreal den 3. April, en by Quebec eerst den 20. los geraakt was. Den 3. Mai begonnen zig by Montreal enige bloeisems te vertonen, en den 12. was de vorst zo sterk dat de bomen van den ryp zo wit waren als of het gesneuwd had. Voor ’t overige wierd my in ’t algemeen berigt dat het ys in de Rivier alle winters gemeenlyk een en somtyds wel twee Fr. voeten dik was.

Verscheiden’ van de Geestelyken zeiden my, dat sedert het land in Kanada meer bebouwd werd de zomer veel’ langer was dan voorheen. Hy komt vroeger en duurt later. Dog de koude, schoon zy zo lang niet aanhield, dagten zy even sterk te zyn. De zomers hielden zy ook voor niet heter als voor dezen. De noord en noordwesten winden zyn de koudsten te Montreal.

[Vertrek.]

Den 2. Augustus des morgens vroeg vertrokken wy van Montreal naar Quebec in ene schuit, of Bateau, in gezelschap van den Onder Major van Montreal, den Heer De Sermonville. De schuit werd van twaalf Soldaten geroeid. Wy voeren de St. Laurence af, die hier tamelyk breed was. Aan de linkerhand lag het Eiland van Montreal, en aan de regterhand zag men nu kleine eilanden, dan het vaste land. Het Eiland van Montreal was aan den oever zeer digt bewoond. Het land was vlak. De oevers bestonden uit tuinaarde, en waren omtrent een of twee vademen hoog. Het hout was langs den oever ene Eng. myl ver geheel weg gehakt. De huizen waren van hout of van steen, dog allen van buiten gewit. De stallen en schuren waren allen van hout. De grond was tot koorn- of tot weilanden aangewend. Aan beide zyden der Rivier ontdekten wy stenen kerken met torens, welken allen aan dien kant der kerken stonden die naar de Rivier gekeerd was. Men hield zig hier niet aan de gewoonte van den toren aan de westzyde der kerk te bouwen. Tot op zes Fr. mylen van Montreal lagen in de Rivier verscheiden’ eilanden, groten en kleinen, waarvan het grootste gedeelte bewoond werd. Zulken waarop gene huizen stonden had men egter tot akkers of weilanden gemaakt. Wy zagen den gehelen dag berg, heuvel, nog steen; het land was doorgaans vlak, en bestond uit tuinaarde.

[Landhoeven.]

Alle de Landhoeven staan in Kanada afgezonderd. By elke kerk was wel een klein dorp, dog dat bestond grotendeels uit den tuin en het huis van den Priester, de school, het kosterhuis, en zelden uit boerenhuizen. En als ’er al enige Boeren om de kerk heen by malkander woonden, lagen dog hunne landeryen afgezonderd. De Boerderyen aan de St. Laurence strekken zig meest in de lengte langs de Rivier, of ten minsten lagen zy niet veel van dezelve af. Tusschen de Boerderyen was gemeenlyk ene ruimte van drie of vier Arpents. Enigen dezer Boerderyen hadden kleine boomgaarden, dog de meesten niet; egter had meest elke Boer enen moestuin.

Menschen, die in ’t zuiden van Kanada en naar den kant van de Missisippi gereisd hadden, berigtten eenstemmig, dat daar ene menigte van schone Persiken in ’t wild wast, welken de Wilden beweerden dat daar van oude tyden af altyd gevonden geweest zyn.

De Boerenhuizen zyn dikwyls van steen, dog somtyds ook van hout, en bestaan uit drie of vier kamers. Zelden vond men glas in de vensters, dog meest papier. Zy hebben enen yzeren kacchel in ene der kamers, en de voegen der wanden zyn met klei digt gemaakt. De schuren en stallen zyn meest met stro gedekt. De heiningen waren een weinig anders dan by ons.

[Kruissen.]

Hierendaar zagen wy kruissen staan langs den weg die nevens den oever loopt. Zulke kruissen vindt men veel op de wegen in Kanada, en zy dienen om de godsdienstigheid der reizigers op te wekken. Zy zyn van hout en twee of drie vademen hoog. Op de zyde die naar den weg gekeerd is ziet men ’er een vierkant gat in uitgehouwen, waarin een beeldtje staat of van den Verlosser, of van de Heilige Maagd, hebbende den Zaligmaker als een klein kind op den arm. Dit was met een glas bedekt om het voor de lugt, regen en stof te beschutten. De voorbygangers maken ’er een kruis voor, nemen den hoed af, of knielen. Sommigen van deze kruissen, vooral die digt by ene kerk staan, zyn opgeschikt. Alle de werktuigen, die men maar bedenken kan dat de Joden by ’t lyden van den Heiland gebruikt hebben, vindt men ’er by. De Haan van Petrus staat dikwyls ten oosten van het kruis.

[De Landsdouw.]

Het land, dat wy dezen dag zagen, gaf een vermakelyk uitzigt. Het was genoeglyk te zien hoe wel en sterk het bewoond was. Het scheen een gedurig dorp te zyn, dat by Montreal begint en tot Quebec, ene langte van dertig Zweedsche mylen, zo niet verder, duurt. Weinige plaatsen waren ’er maar waar de Boerderyen meer dan drie of vier Arpents van malkander verwyderd lagen. Op zulke plaatsen, daar de Rivier ene myl of twee lynregt loopt, was het gezigt vooral verrukkelyk; en dan schenen de huizen in de verte vlak naast malkander te staan.

[Kleding der Boerinnen.]

De Boerinnen in Kanada dragen altyd een soort van kappen, die meest agter over geslagen zyn, en dikwyls in den nek hangen. Hare jakken zyn kort; de rokken zyn nauw en komen pas halfwege de benen. Om den hals hebben zy gemeenlyk een zilveren kruis afhangen. Sommigen zyn zeer naarstig; dog ik heb ’er ook gezien die niet veel meer uitvoerden dan de Engelsche Vrouwen in dit werelddeel gewoon zyn, en den gantschen dag zaten te gapen en te snappen. By het beuzelen door het huis, en ’t drentelen van de eene kamer in de andere, zyn zy, en vooral de ongetrouwden, zeer gewoon een liedtje tusschen de tanden te neurien, daar vry wat van amour en coeur in komt. By de Boeren was het de gewoonte dat als de Man gasten had en aan tafel zat de vrouw agter zynen stoel stond om hem te dienen. Maar in de steden zyn de Vrouwen meer in aanzien, en zy staan daar naar geen minder gezag dan dat van de Mans. Als zy uitgaan of op reis zyn dragen zy enen groten mantel, dien zy over hare klederen heen slaan. Deze mantels waren of grauw, of bruin, of blauw. Zy gaven in grootte onzen mansmantels niet toe. Somtyds bedienden zig de Heren wel van deze vrouwenmantels, als zy uit waren en van den regen overvallen wierden. Onder deze mantels konden de vrouwen zeer verwaarloosd gekleed uitgaan.

[Molens.]

Wy zagen hierendaar windmolens staan, die meest van onderen van steen en van boven met planken gedekt waren, kunnende het dak met de wieken naar den wind gedraid worden.

De Rivier was niet overal even breed. Hier en daar was zy byna twee Eng. mylen en op anderen pas een vierde van zulk ene myl breed. De oever was somtyds hoog en steil, somtyds laag en gloijend.

Om drie uur na den middag voeren wy de plaats voorby waar de Rivier die uit het Meer Champlain komt zig in de St. Laurence stort, in ’t midden van de welke hier een groot Eiland lag, het welk de Jagten aan de zuidzyde omvaren, dewyl daar de Rivier het diepst is, dog de schuiten kiezen de noordelykste doorvaart, om dat die weg korter, en ’er voor haar waters genoeg is. Behalven dat Eiland lagen ’er nog verscheiden’ anderen, die allen bewoond waren. Verder weg, en voor dat wy aan Lac St. Pierre kwamen, was het land aan beide zyden der Rivier onbewoond, vermits het zo laag was dat het gedurig overstroomd zou zyn. Dog lager, daar het hoger is, is het even zo bebouwd als het geen wy voorby gevaren waren.

[Lac St. Pierre.]

Lac St. Pierre is een wyde boezem, dien de St. Laurence maakt. Wy konden hier nauwlyks iets als hemel en water zien. Men zegt dat dit Meer zeven Fr. mylen lang en drie breed is. Als men ’er midden op is vertoond zig van verre naar het westen een land, dat over de bosschen heen kykt. Hierendaar zag men grote plaatsen vol van een soort van biezen, by Linnæus Scirpus palustris. Omtrent dit Meer ziet men nergens huizen of bebouwde landen, vermits het land overal te laag is en het in ’t voorjaar onderloopt, zo dat men met schuiten tusschen de bomen kan doorvaren. Maar op enigen afstand van het Meer, waar het land wat hoger is, leggen de Boerderyen, de ene naast de andere. Wy zagen dezen dag gene eilanden, dog den volgenden werden wy ’er enigen gewaar.

Des avonds laat verlieten wy het Lac St. Pierre, en roeiden enen kleinen stroom op, La Rivière des loups geheten, om een huis te vinden waar wy den nagt konden overbrengen. Na dat wy ene Eng. myl geroeid hadden begon het land aan beide zyden van den stroom bewoond te worden. De oever was enigsins hoog, en het land vlak. Wy overnagtten in een Boerenhuis. Tot hiertoe waren wy binnen ’t Regtsgebied van Montreal geweest, en hier begon dat van den Gouverneur van Trois Rivières, van welke plaats wy nu agt Fr. mylen af waren.

Den 3. Aug. om vyf uur des morgens gingen wy weer op reis, eerst het kleine Riviertje af, en daarna langs het Lac St. Pierre. Na enigen tyd zagen wy van verre in ’t noordwesten ene lange ry van hoge bergen, die boven het lage land zeer hoog uitsteken. Op den noordwestelyken oever was het Meer op de meeste plaatsen tamelyk digt bewoond. Dog aan de zuidoosterzyde zag men gene Boerdery, en maar alleen een laag met hout bedekt land, dat somwylen onderloopt, maar agter het welk verscheiden’ Landhoeven gezegd worden te leggen. Daar het Meer ten einde loopt wordt de Rivier weder smal, zo dat zy niet boven anderhalve Eng. myl breed is, en verder weg wordt zy nog smalder. Van het einde des Meers tot Trois Rivières rekent men drie Fr. mylen. Om elf uur voor den middag kwamen wy daaraan, en woonden ’er den godsdienst by.

[Trois Rivières.]

Trois Rivières is een klein vlek, gelykende wel naar een groot dorp. Men rekent het onder de drie steden van Kanada, te weten Quebec, Montreal, en Trois Rivières. Het legt in ’t midden tusschen de twee eerst genoemden, dertig Fr. mylen van elke. De plaats legt aan de noordzyde der St. Laurence, op ene vlakke dog wat verhevene zandbank. De legging is zeer aangenaam. Aan de eene zyde loopt de Rivier, die hier anderhalve Eng. myl breed is, en aan de andere wordt de plaats door schone landeryen omgeven, schoon de aarde merendeels zandig is. Men vindt hier twee stenen kerken, een Nonnenklooster en een huis voor Franciskaner Monnikken. Hier is ook de verblyfplaats van den derden Gouverneur, die in Kanada is. Zyn huis is ook van steen. De meeste andere huizen zyn van hout, ene verdieping hoog, middelmatig gebouwd, en staan verstroid. De oever is louter zand, en tamelyk verheven. By sterken wind wordt dit zand zo opgejaagd dat men werk heeft uit de ogen te zien. De Nonnen, waarvan men ’er omtrent tweeëntwintig telde, werden voor zeer handig in allerlei vrouwelyke handwerken gehouden, als nayen, borduren, en diergelyken. Voorheen bloeide deze plaats boven de anderen, dewyl de Wilden van alle kanten hier met hunne waren t’zamen vloeiden. Maar sedert dat dezen, zo wel van wege den oorlog met de Iroquoizen, als om andere oorzaken, begonnen hebben ten dele naar Quebec en Montreal, ten dele naar de Engelsche Volkplantingen te gaan, is haar welstand afgenomen. Thans bestaan de Ingezetenen voornamelyk van den landbouw. Ook trekken zy enig voordeel van de naby gelegen yzerwerken. Omtrent ene Eng. myl beneden de plaats valt een andere grote Rivier, die zig daar aan haren mond in drie takken verdeelt, in de St. Laurence, zodat het in ’t voorbyvaren schynt als of zig hier drie Rivieren ontlastten. Dit heeft aanleiding gegeven om die Rivier, en de een weinig van daar gelegene Stad, Trois Rivières te noemen.

[Eb en vloed.]

De eb en vloed doen zig in de St. Laurence ene Fr. myl boven Trois Rivières bemerken, schoon zo weinig dat men het nauwlyks bespeurt. Dog in den tyd als dag en nagt even lang zyn, in de lente en in den herfst, gelyk ook by nieuwe en by volle maan, is het verschil tusschen eb en vloed twee voet. Gevolgelyk gaat de vloed en eb vry hoog de Rivier op, want men is hier langs de St. Laurence omtrent honderdvyftig Fr. mylen van zee.

[Yzerwerken.]

Terwyl myne reisgezellen hier uitrustten, steeg ik te paard om het Yzerwerk alhier te bezigtigen. Het land, dat ik doorreed, was tamelyk hoog, zandig, en meest vlak. Ik vernam gene stenen, en veel minder enige bergen.

Dit Yzerwerk, het enige dat men hier te lande vindt, legt drie Fr. mylen ten westen van Trois Rivières. Men had hier twee grote hamers, en by elk van dezen enen kleinen, allen onder het zelve dak. De blaasbalgen waren van hout; en voor het overige was alles even als in Zweden. De smeltoven stond nevens de hamers, en was even als by ons. Het erts haalt men derdehalve Fr. myl van het Yzerwerk af, en wordt des winters met sleden derwaards gebragt. Het is een zeker soort van erts het welk in aderen in den grond legt, [296] welk omtrent enen voet onder de bovenste korst der aarde al slingerende lopen. Elke ader is van zes tot agttien duim diep, en onder dezelven is een wit zand, het welk dezelven omvangt; boven op legt ene tuinaarde. Dit erts is tamelyk overvloedig. Men vindt het in losse klompen in de aderen ter grootte van ene of twee vuisten. Dog enigen zyn veel groter. Het erts kan tusschen de vingers fyn gewreven worden. Men gebruikt om het smelten te bevorderen enen grauwen kalksteen, die hier in de nabuurschap valt, gelyk ook een zeker mergel. Kolen kan men hier in overvloed hebben dewyl ’er rondom veel hout wast, het welk van onheuglyke tyden herwaards ongestoord gestaan heeft. De kolen die men uit bomen brandt welken altyd groen blyven houdt men voor de besten om te smeden, dog die van bomen die hun loof vallen laten zyn beter voor de smeltovens. Het yzer dat men hier smeedt wordt van allen als week en buigzaam beschreven, zo dat het niet ligt valt het te breken; ook wil men dat het niet ligt roest. In deze opzigten is ’er by den scheepsbouw een groot verschil tusschen dit en het Spaansche yzer. Dit yzerwerk werd in het jaar 1737. van byzondere personen opgerigt, die het naderhand den Koning hebben afgestaan. Men giet hier kanonnen en mortieren van verschillende grootte, kacchels, die in gantsch Kanada in gebruik zyn, ketels, en andere dingen. Ook smeedt men hier yzeren staven. Men heeft ook beproefd staal te maken, dog dit heeft nog niet willen gelukken, dewyl men de konst niet regt verstond. Men vindt hier verscheiden’ Opzigters, die in fraye huizen wonen. Dog in ’t algemeen wierd gezegd dat de winst de kosten in lange niet konde opwegen. Dit schreef men daaraan toe dat het land nog niet genoeg bewoond was, zo dat het kleine getal inwoonders genoeg met den landbouw te doen heeft, en men gevolgelyk werk heeft van menschen te vinden om in het yzer te arbeiden. Dog met dit alles kan ik kwalyk begrypen dat de Koning hierby kan verliezen, aangezien den overvloed, en de smeedbaarheid van het yzer, en de nabyheid van de plaats waar het erts gevonden wordt. Het yzer is goed, en kan gemakkelyk door het land verspreid worden; en het gehele land moet zig hier van yzer voorzien. De Bedienden schenen hier niet kwalyk te varen. Het yzerwerk heeft door enen stroom gemeenschap met de St. Laurence, langs dewelke men al het werk gemakkelyk met vaartuigen kan vervoeren. Des avonds keerde ik weder naar Trois Rivières terug.

[Vertrek.]

Den 4. Augustus des morgens by ’t aanbreken van den dag gingen wy weder op reis. Het land aan de noordzyde der Rivier was enigsins verheven, zandig en overal digt aan de Rivier sterk bewoond. Men zeide dat het ook aan de zuidoostelyke zyde even zo wel bebouwd was, schoon men van de Rivier niets dan bosch zag. Men woont daar wat meer landwaards in, om dat het land digt by de Rivier laag is en somtyds onderloopt. By Trois Rivières was de St. Laurence wat smalder geworden, dog zy wierd wat lager weer breder, zelfs tot meer dan twee Eng. mylen.

Wy zagen dien dag verscheiden’ stenen kerken, waarvan sommigen zeer wel gebouwd waren. Het land was aan weerskanten der Rivier sterk bewoond, tot op drie vierden van ene Eng. myl, dog verder beginnen de bosschen en de wildernissen. Maar alle de rivieren en beken, die in de St. Laurence vallen, zyn ook wel bewoond. Ik merkte op dat de bebouwde landen in Kanada vlak nevens de rivieren lagen, uitgenomen by de steden, om welken heen enige mylen ver de landen bebouwd waren. Op de meeste eilanden in de Rivier woonden ook menschen. De oevers begonnen nu zeer hoog, en steil te worden, hoewel zy meest uit aarde bestonden. Hierendaar viel een beekje in de Rivier, onder welken ’er een was dat was dat de Franschen Rivière puante [297] noemen, ’t welk omtrent twee Fr. mylen beneden Trois Rivières in de St. Laurence, aan derzelver oostelyke zyde, valt. Op dit water legt een weinig hoger een steedje Becancourt genaamd. [De Abenaki.] Deze plaats wordt alleen van een Amerikaansch volk, Abenaki geheten, bewoond, welken tot den Roomschen Godsdienst overgegaan zyn, en Jesuietsche Priesters hebben. Van verre noordwestwaards zag men ene ry van hoge bergen, lopende van ’t zuiden naar ’t noorden, en boven al het land, dat doorgaans vlak was, heen kykende.

[Kalkovens.]

Men had op de Rivier hier enige kalkovens aangelegd. Den kalksteen groef men hieromstreeks in enigsins hoger gronden. Hy was digt en grauw, en gaf enen witten kalk.

[Granen.]

De landen zyn hier voornamelyk bezaid met weit, haver, mais en erwten. Kawoerden en watermeloenen waren ’er in menigte by de hoeven. Men at hier te lande niets dan weitenbrood.

Een Hummingbird of Bloemzuigertje vloog door het kreupelhout op ene plaats daar wy heden aan land gegaan waren. De Franschen noemden hem Oiseau mouche, [298] en zeiden dat hy in Kanada vry gemeen is. Ik zag ’er naderhand nog enigen van by Quebec.

Om vyf uur na den middag wierden wy door enen sterken tegenwind en regen gedwongen ons nagtverblyf te nemen. Ik merkte dat hoe meer men Quebec naderde het land des te vryer werd. Wy waren nu twaalf Fr. mylen van die plaats af.

[Visschery.]