Part 37
Fort St. Jean is ene sterkte van hout, door de Franschen in het jaar 1743. aan de west zyde van den mond van het Meer Champlain digt aan ’t water gebouwd, met inzigt om het omleggende land, dat men bevolken wilde, te dekken, en om tot een magazyn te dienen voor den voorraad en de krygsgereedschappen, die jaarlyks van Montreal naar Fort St. Frederic gezonden worden, welken men van hier gemakkelyk naar de laatst genoemde plaats zenden kan, het welk men meer naar om laag niet doen kan, dewyl een paar snaphaanschoten lager als dit Fort ene ondiepte is vol met stenen, waar men niet dan met zo genaamde Bateaux over komen kan. Voorheen was het Fort Chamblan, dat vier Fr. mylen lager legt, een magazyn. Dog men moest van daar het goed met schuiten naar de Jagten op de plaats daar nu dit Fort staat voeren, behalven dat de weg van Montreal naar Fort Chamblan over land, en langer was. Fort St. Jean legt laag, op enen zandigen en rondom vlakken grond, meest met hout bewassen. De Vesting is een vierkant en beslaat een arpent gronds. Beneden tegens het Meer staat een hoog houten gebouw op elken hoek, van vier verdiepingen, hebbende enen grondslag van steen ter hoogte van anderhalven vadem. In deze gebouwen, die veelhoekig zyn, ziet men schietgaten. Op de twee andere hoeken aan de landzyde staan twee kleine houten huizen van twee verdiepingen hoog. Zy dienen tot woningen voor de Soldaten en tot versterking der plaats. Tusschen deze gebouwen staan palissades, gemaakt van ’t hout der Thuya, het welk hier gehouden wordt der verrotting in de aarde langer te wederstaan dan het dennenhout. Wat meer beneden staan dubbelde palissades. Agter de palissades heeft men voor de Soldaten ene borstwering gemaakt, waarvan zy dezelven verdedigen konnen. Op het einde van den oorlog in het voorleden jaar lagen hier tweehonderd mannen in bezetting. Dog nu zyn ’er maar een Kommandant, een Kommies, een Bakker en zes Soldaten. De Kommandant was de Ridder De Gannes, een aangenaam man, en zwager van den Heer Lusignan. Het land rondom de Vesting was vet en vrugtbaar, dog niet bebouwd. Men zogt menschen om zig hier neder te zetten.
[Marengoins.]
De Franschen in Kanada geven den naam van Marengoins aan de Muggen, enen naam die men wil dat van de Wilden ontleend is. Van dit ongedierte waren de bosschen rondom het Fort zo vol, dat men het met regt het Fort der Marengoins zou hebben mogen noemen. De moerassen en lage boschryke landen zyn haar vaderland. Als het hout gekapt en het water afgeleid werd, zouden zy hier zo wel als op andere plaatsen verminderen.
[Ratelslangen.]
De Ratelslang is, volgens het eenparig berigt der Franschen, hier, nog verder noordwaards, by Quebec of Montreal, niet te vinden, en het gebergte om Fort St. Frederic is hare uiterste grenspaal aan dezen kant. Ook zegt men, dat ’er meer noordwaards aan gene Slangen zyn wier vergift den menschen schadelyk zyn konne; ook vlugten zy op het gezigt van een mensch. Myne overige aanmerkingen over de Ratelslangen kan men vinden in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor het jaar 1752.
Den 22. Juli kwamen hier paarden aan van Prairie om ons aftehalen, welken de Kommandant op myn verzoek had doen komen, dewyl ’er hier geen te vinden waren, want de plaats was nog maar een jaar aangelegd geweest. De menschen die de paarden bragten hadden brieven aan den Kommandant by zig, zo wel van den Gouverneur Generaal van Kanada, den Marquis La Galissonière, geschreven te Quebec den 15. Juli, als van den Vice Gouverneur te Montreal, den Baron De Longueuil, van den 21. van die maand; waarin gemeld wierd, dat ik hun byzonderlyk van het Fransche Hof was aanbevolen, en dat men my van alle noodwendigheden voorzien en ten spoedigsten myne reis bevorderen moest. Twee ankers wyns en enige andere dingen, welke men dagt dat ik van doen hebben zoude, wierden den Kommandant toegeschikt. Des avonds dronken wy onder ’t lossen van het geschut de gezondheden der Koningen van Frankryk en van Zweden, zo wel als van den Gouverneur en anderen.
[Vertrek.]
Den 23 des morgens gingen wy op reis naar Prairie, om verders naar Montreal te komen. Men rekende van hier tot aan Prairie zes Fr. mylen te land, en van daar tot Montreal langs de Rivier St. Laurence derde half uur. Wy hielden ons in ’t begin aan den oever, hebbende ter regterhand de Rivier St. Jean. Dus noemt men den mond van het Meer Champlain, dat in de Rivier St. Laurence valt, schoon die van sommigen ook de Champlain Rivier geheten wordt. Na ene Fr. myl ver gereden te hebben verlieten wy de Rivier, en sloegen links af. Het land was hier overal laag, met hout bewassen, en vry nat, zo dat wy langzaam voort kwamen. Men moet aanmerken dat Fort St. Jean in den verleden’ zomer eerst gebouwd en toen deze weg gebaand is. Tweehonderdenzestig man, die elk daags dertig Sols kregen, werkten ’er toen op ’s Konings kosten aan; en men zeide dat de arbeid dezen herfst verder voortgezet zou worden. De laagheid van het land bragt vele Muggen en Vliegen voort. Na dat wy drie Fr. mylen gereden hadden wierd het land vry van hout. Het scheen voorheen een moeras geweest te zyn, dat nu opgedroogd was. Het gezigt was hier aan alle kanten vry ruim. Aan de regterhand zagen wy van verre twee hoge bergen, die zig de een voor den ander vertoonden, en niet ver van Fort Champlain af lagen. Ook kon men den hogen berg, die vlak by Montreal legt ontdekken. De weg liep byna lynregt. Wy kwamen weder op een laag drassig land, daarna in een bosch, bestaande voomamelyk uit Pynbomen met van onder verzilverde bladen. [289] Het land daar wy door trokken was vet, en kan met den tyd zeer vrugtbaar worden. Rotsen zag men niet, en zelfs byna gene stenen langs den weg.
Verder, ongevaar vier Fr. mylen van Fort St. Jean, bekwam het land een ander aanzien. Het was hier overal bewoond. Wy zagen byna niets dan fraye wyd uitgestrekte akkers, staande met de schoonste weit; hier en daar stonden ook erwten en haver. Ander graan vernamen wy niet. De Landhoeven stonden op zig zelven. De huizen waren klein en van hout. In plaats van mos, die men hier niet vond, maakte men de reten digt met klei. De daken waren spits en met stro gedekt. De oord tot aan de Rivier St. Laurence toe was in myn oog een van de schoonste die ik in Noord Amerika gezien heb.
[Prairie.]
Omtrent den middag kwamen wy te Prairie aan, leggende op ene hoogte aan de Rivier St. Laurence. Wy bleven hier dezen dag, vermits ik begerig was het land rondom te bezigtigen.
Prairie de la Magdelene is een klein vlek, gelegen aan den oostelyken oever der Rivier St. Laurence, derdehalve Fr. myl van Montreal, dat men hier duidelyk noordwestwaards aan de overzyde der Rivier zien kon. Het land rondom Prairie is vlak. Van alle kanten ziet men grote akkers en weilanden. De St. Laurence is hier ruim anderhalve Fr. myl breed. De huizen zyn hier meest van hout, met spitse houten daken, en de voegen in de wanden zyn met klei aangevuld. In ’t midden van het vlek staat een frai stenen kerkje, met enen toren en ene klok. Voor de kerkdeur is een houten kruis, met alle de werktuigen die men denkt dat tot het lyden van den Zaligmaker gediend hebben. Het vlek was met palissades omringd, voorheen tegens de stroperyen der Wilden daar gesteld. Buiten de palissades zyn verscheiden moes- en andere tuinen, dog weinig vrugtbomen daar in. De oevers waren hier niet zeer hoog. Hier onthield zig een Priester en een Kapitein, dien men Kommandant noemde. De koornlanden waren groot, dog men zag ’er gene rog, gerst of mais. In de St. Laurence is zuidwestwaards van hier een zware waterval, welken men hier gemakkelyk kan horen. Als in ’t voorjaar het ys los gaat lopen dikwyls verscheiden’ landeryen onder. En, in plaats dat de Nyl door zyne overstromingen het land vrugtbaar maakt, doen hier deze overstromingen niets dan schade; want zy brengen allerhande gewassen op het land, welker zaden het vol van onkruid maken. Op dien tyd moet het vee ver weg gedreven worden. Dog het water blyft maar twee of drie dagen staan. Deze overstromingen ontstaan voornamelyk door het verstoppen der Rivier door ’t ys.
De Zizania aquatica wast veel in een beekje, dat een weinig beneden Prairie loopt.
[Voortreis.]
Den 24. Juli stapten wy in een bateau om langs de St. Laurence naar Montreal te varen. Wy lieten ons met den stroom dwars over naar beneden dryven. Het water stroomde sterk, dog het is hier niet diep, zo dat de Jagten niet hoger dan tot Montreal komen kunnen, uitgenomen in ’t voorjaar, wanneer zy dikwyls tot boven Prairie kunnen opvaren. Van Prairie af ziet men de Stad Montreal zeer duidelyk leggen. By onze aankomst aldaar zagen wy veel volks aan de poort staan, welk nieuwsgierig was Zweden te zien, een volk daar zy van te voren niets van gehoord, dog die zy nu verstaan hadden dat verwagt wierden. Ook waren wy de eerste Zweden die men wist dat oit te Montreal zig vertoond hadden. Zodra wy aan land traden kwam my een Officier verzoeken aan het huis van den Gouverneur te komen. De Baron De Longueuil was nog Vice-Gouverneur, dog hy wagtte dagelyks zyne verdere aanstelling uit Frankryk. Hy ontving my met de grootste beleefdheid, en toonde my brieven van den Gouverneur Generaal, waarin hy berigtte last te hebben my in alles vry te houden, en op kosten des Konings van Frankryk hier te lande te doen reizen. In een woord, ik ontving hier nu, en na myne terugkomst van Quebec, grotere gunstbewyzen dan ik zou hebben kunnen verwagten.
[Levenswys.]
De levenswys der Franschen in Amerika is van die der Engelschen in dat werelddeel even zo zeer verschillend als zy in Europa is. De vrouwen waren hier zeer wel gemaakt. Zy waren wel opgebragt, en betoonden ene grote onschuldige vryheid. Des zondags waren zy zeer opgeschikt, byna gelyk onze Zweedsche vrouwen, dog in de week niet zo zeer. Maar zy waren ’er altyd zeer opgezet van wel gekapt te zyn. In de week dragen zy een aardig net jakje, en enen korten rok, die halfwegen de benen komt, als wilden zy daarin de Amerikaansche vrouwlieden navolgen. De hakken der schoenen waren zo hoog en smal, dat men zig verwonderen moet dat zy ’er mede gaan kunnen. In de huishouding overtroffen zy verre de Engelsche vrouwen, die, om de waarheid te zeggen, het zo ver gebragt hadden van al den last van ’t huishouden op de mans te werpen, en den gantschen dag met de handen over malkander ledig doorbrengen. [290] Dog de Kanadasche vrouwen steken de handen beter uit de mouw, vooral de gemenen, die zig overal op de akkers, in de stallen, en elders laten zien daar te werken valt. Dog zy schynen niet al te zindelyk op het huisraad en de vertrekken. De vloer werd hier dikwyls niet eens in een geheel jaar schoon gemaakt. Dus kwam het zulken die onlangs onder de Engelschen en Hollanders verkeerd hadden, by de welken het schrobben en wasschen een stuk is van geen minder gewigt dan de Godsdienst zelf, hier vry morssig voor. Om egter het stuiven te beletten begoot men den vloer met water zo dikwyls als de stof begon te vliegen. Ik zag hier met genoegen dat de dogters zelfs van de eerste lieden, die van den Gouverneur niet uitgenomen, zig eenvouwdig kleedden, en overal ter bezorging van het huishouden door het huis, byna als meiden, liepen. Het gedurig groeten op de straten, en het wedergeven van bezoeken, was ene lastige gewoonte, die hier aangenomen was.
Enigen, die met de Wilden, welken omtrent vyftig Fr. mylen van de Hudsonsbay afwonen, op de Beverjagt geweest waren, verhaalden my, dat de dieren, om wier huid het inzonderheid te doen is, en die men daar menigvuldig vindt, zyn, Bevers, wilde Katten of Lynxen, en Marters. Men houdt de vellen der dieren voor des te beter hoe noordelyker zy gevangen worden, dewyl die digter hair hebben dan zulken die men meer naar ’t zuiden vindt.
[Witte Patryzen.]
Een soort vogels, die men ’s winters in grote menigte digt by de Hudsonsbay vindt, worden van de Franschen Witte Patryzen genoemd. Zonder twyffel is dit de zelve Vogel dien men in Zweden Sneuwhoenders [291] heet. Hoe kouder het is en ’er meer sneuw valt des te overvloediger zyn ze. Men beschreef ze als hebbende ruige witte poten, zynde geheel wit, behalven drie of vier zwarte staartvederen. Het vleesch zou wel smakend zyn. Uit Edward’s Natuurlyke Historie der Vogels [292] blykt het dat de Sneuwhoenders aan de Hudsonsbay zeer gemeen zyn.
[Hazen.]
Aan de Hudsonsbay zyn ook vele Hazen. Men vindt ’er ook veel in Kanada, waar ik ze dikwyls zelf gezien heb. Zy zyn volkomen als de onzen. Des zomers zyn zy grauwbruin, en ’s winters sneuwwit gelyk als in Zweden.
[Konsten.]
Met de konsten, als Bouwkonst, Ticchelbakkeryen, Schrynwerkers- en Drayerskonst, en diergelyken, is men hier nog zo ver niet gekomen als wel behoorde. De Engelschen zyn hierin den Franschen veel voor. Waarschynlyk komt dit daarvan daan dat in Kanada de meeste Werklieden maar afgedankte Soldaten zyn, die niet veel gelegenheid gehad hebben te leren, dog door de noodzakelykheid of by toeval alleen tot hun ambagt gebragt zyn. Enigen waren ’er egter aantetreffen die tamelyk kundig waren. Ik zag ’er enen die vry goede uurwyzers maakte, en die konst zig zelven geleerd had.
[Vliegen.]
Men heeft my verhaald dat de gemene Huisvliegen voor honderdvyftig jaren hier niet bekend geweest zyn. De Wilden bevestigden het zelve, en zyn van gedagte dat de Huisvliegen met de schepen die gestrand zyn hier zyn gekomen. Ik wil dit niet ontkennen; dog dit weet ik dat wy tusschen Saratoga en Crownpoint in de wildernissen altyd ene menigte van die vliegen om ons hadden, als wy gingen zitten om uitterusten of te eten; en dit maakt het wat twyffelagtig of zy hier niet al veel vroeger geweest en of zy wel uit Europa hier eerst gebragt zyn. ’T is waar, men zou kunnen zeggen dat die Vliegen sedert den tyd dat het Fort Anne hier stond in die woestenyen zyn overgebleven, toen de Engelschen zig daar ophielden, en dat verscheiden Reizigers door den reuk van hunnen medegevoerden voorraad de vliegen hebben kunnen met zig naar de wildernissen lokken.
[Wilde Koeyen.]
Wild Rundvee treft men overvloedig in de zuiderdelen van Kanada aan, en het heeft zig daar reeds van aloude tyden opgehouden. In het Land der Illinoizen, leggende omtrent op de zelve breedte als Philadelphia, is ’er zeer veel van. Verder noordwaards vindt men ’er weinig. Ik zag ene huid van dit vee. Zy was zo groot als die van enen onzer zwaarste Ossen, dog hairiger. De hairen waren donkerbruin, omtrent als die van enen bruinen Beer. Dog die welken het digst aan ’t vel zaten waren zo fyn als wol. Dit vel was niet zeer dik, en zou in Frankryk niet zo hoog als een Berenvel geschat worden. Onder anderen gebruikt men deze vellen om des winters de voeten in te warmen. Velen van deze wilde Koeyen hebben ene fyne wol, welke voor de Schapenwol niet wykt, zo zy die niet overtreft. Men heeft ’er koussen, klederen, handschoenen en andere dingen van gemaakt, zo goed als of zy van de beste wol waren. De Wilden maken ’er voor zig allerhande dingen van. Het vleesch wykt niet voor dat der beste Ossen. De huid kan dienen tot alles waar men in Europa de ossenhuiden toe gebruikt. Men wil dat deze wilde beesten zwaarder zyn dan de Europischen. Hunne hoornen zyn wel kort, dog dik aan den wortel. Enigen hebben al getragt om deze beesten mak te maken, uit hoofde van verscheiden overeenkomsten die ze mee het tamme vee hebben, vooral om dat zy zo veel sterker zyn, en dus zeer nuttig voor den landbouw zouden kunnen wezen. Zy hadden ten dien einde van deze wilde kalveren onder het tamme vee laten lopen en groot worden. Dezen hebben een jaar of drie geleefd, dog zyn eindelyk gestorven. Ook zyn zy altyd enigsins wild gebleven. Zodat men de konst van ze regt tam te maken niet gevonden heeft. Ook schenen zy niet wel tegens de koude te kunnen. En inderdaad, hoe heet ook de zomers daar mogen zyn, vindt men ze zelden meer noordwaards aan dan ik gezegd heb. Men dagt dat het met den tyd, als het Land der Illinoizen wat meer bevolkt wezen zal, het ligter zal vallen ze te temmen. [293] Ik heb reeds kortelyk hier boven van dit soort van Rundvee gesproken.
[De Vrede afgekondigd.]
Den 27. Juli werd hier de Vrede tusschen Frankryk en Engeland afgekondigd. De Soldaten waren onder de wapenen; men loste het geschut en ’t klein geweer. Enige vuurwerken wierden ’er afgestoken, en des avonds was de gehele Stad verligt. Tot diep in den nagt krielden de straten van menschen. Ik spysde des avonds met vele Officiers en andere lieden van aanzien by den Gouverneur.
[Eiland Magdalene.]
Den 28. begeleidde ik den Gouverneur en zyn Huisgezin naar een klein Eiland, Magdalene genoemd, en hem alleen toebehorende. Het lag vlak over de Stad in de St. Laurence aan den oostelyken oever. De Gouverneur had hier een net dog klein huis, en enen schonen tuin. De Rivier loopt tusschen de Stad en het Eiland door, en stroomt daar vry sterk. Digt aan de Stad is zy zo diep dat ’er Jagten door konnen dog by het Eiland wordt zy ondieper, zo dat men daar bomen moet. Op het Eiland stond een molen, die door den stroom der Rivier werd omgedreven, zonder dat men ’er enen molendam had behoeven te maken.
[Geboomte.]
De Rhus glabra wast hier overvloedig. Nergens heb ik ze zo zwaar gezien. Sommigen waren tot vier vadem hoog, en dik naar evenredigheid.
De Sassafras is hier geplant, dog worde hier niet in ’t wild gevonden, maar wel meer Zuidwaards. Fort Anne was de noordlykste plaats daar deze boom in ’t wild voortkomt. Die genen welken hier stonden waren al verscheiden jaren oud, dog nog maar heesters, pas anderhalve el hoog. Dit komt daarvandaan dat by elken winter de boom tot aan den wortel toe bevriest, en ieder voorjaar nieuwe scheuten maken moet. Even zo was het ook by Fort Anne, Fort Nicholson, en Oswego. Het zal dan vergeefsche moeite gedaan zyn dezen boom onder ene koude lugtstreek te planten.
De Rode Moerbezien had men hier ook geplant. Ik zag ’er enigen van die derdenhalven vadem hoog waren. Dezen hadden ’er omtrent twintig jaren gestaan, en men had ze uit zuidelyker plaatsen hier gebragt. Om Montreal wassen zy niet in ’t wild. Meer als twintig Eng. mylen ten noorden van Albany vindt men ze niet, waar de Boeren zeiden dat ’er nog enige weinigen in de bosschen groeiden. Ik vernam by Saratoga of men ’er daar nog vond, dog het antwoord was van neen. Die bomen welken op het Eiland stonden kwamen zeer wel voort, schoon zy enen slegten grond hadden. Zy droegen een zwaar blad, dog dit jaar gene vrugten. Ik vernam egter dat zy ene vry sterke koude konden doorstaan.
De Waterbeuken waren hier ook geplant en hoog geworden. De Franschen noemen dezen boom Katoenboom. [294] Men vond hem nergens in ’t wild aan de St. Laurence, nog noordelyker dan Fort St. Frederic.
De Rode Ceder stond ook in den tuin des Gouverneurs. Hy was hier ook van elders gebragt, en wast in deze streek niet in ’t wild.
Om half zeven vertrokken wy van dit aangename Eiland naar huis, en kregen daar de tyding van de aankomst van den Zoon des Gouverneurs, die zig een jaar in Frankryk had opgehouden, en die de aanstelling des Konings voor zynen Vader als Gouverneur medebragt.
Men gebruikt hier wayers gemaakt van wilde Kalkoenenstaarten, welken men zodra de vogel geschoten is uitspreidt en zo droogt, zo dat zy altyd de gedaante van wayers behouden. Zo wel de aanzienlykste Heren als de Vrouwen hadden by zonneschyn zulke wayers in de hand als zy uit wandelen gingen.
[Gras.]
Het gras omstreeks van Montreal bestond byna geheel uit een soort van Poa. [295] Het is fyn, staat digt, en tiert wel op droge hoogtens. Dog het heeft weinig bladeren, zodat de fyne steel het meeste voedsel uitmaken moet. Wy hebben vele soorten van gras die voordeliger zyn.
[Pruimen.]
De wilde Pruimenbomen wiessen in menigte op de hoogtens langs de beken buiten de Stad. Zy zaten zo vol pruimen dat ’er de takken van bogen. De pruimen waren egter nog niet ryp. Zy zyn rood en vry goed. Enigen maken ze in.
[Aalbessen.]
Men zag vele zwarte Aalbessen in ’t wild wassen. De bessen waren [Peen.] ryp, dog klein, en niet zeer smakelyk. Peen groeiden ’er overal in menigte. Dit deed my denken dat dit gewas oorspronglyk aan Amerika eigen was, dog naderhand ben ik van gedagte veranderd, dewyl ik ’er genen in het Land der Iroquoizen gevonden heb. Ook zoude men ze hier te lande te vergeefs zoeken dan op plaatsen waar Europische planteryen geweest zyn.
[De Gouverneur.]
De Gouverneur Generaal van Kanada houdt zyn verblyf te Quebec, dog hy komt dikwyls te Montreal, en brengt ’er niet zelden den winter door. Maar des zomers is hy meest te Quebec, vermits daar dan de schepen aankomen die brieven medebrengen. Ook heeft hy ’er andere bezigheden. Als hy te Montreal is woont hy op het zo genaamde Slot, het welk een groot stenen huis is. Het is ten behoeven van den Gouverneur Generaal Vaudreuil gebouwd, en hoort nog zyner familie toe, die het den Koning voor eene zekere som verhuurt. De Generaal De la Galissonière houdt meer van Montreal als van Quebec; ook legt de eerste plaats veel aangenamer.
[Geld.]
Men heeft in Kanada byna geen ander geld dan papier. Ik zag byna geen andere munt dan enige kleine Fransche Sols, uit koper met een weinig zilver vermengd gemaakt. Zulk een stuk geldt hier anderhalve Sol. De Briefjes waren niet gedrukt maar geschreven. Zie hier hunnen oorsprong. De Koning had gevonden, dat het, wegens kapers, schipbreuken en andere ongelukken op zee, gevaarlyk was geld ter betaling der troepen en andersins overtezenden, en had derhalven last gegeven dat de Gouverneur van Quebec of de Kommissaris te Montreal, wanneer ’er betalingen moesten geschieden, een zeker getal van Briefjes schryven zou naar dat de som groot was. Deze Briefjes behelsden dat zy voor zo en zo veel tot de maand van October aanstaande gelden zouden. De Intendant of de Kommissaris ondertekent deze Briefjes. Zy gaan dan voor geld. In October staat het den houderen vry dezelven den Intendant te Quebec of den Kommissaris te Montreal te brengen, en ’er wisselbrieven op Frankryk voor te nemen. De Koninglyke schatkist in Frankryk voldoet dan deze wisselbrieven. Heeft men geen geld dit jaar in Frankryk van doen zo kan men zyn Briefje tot den volgenden October bewaren. In October alleen kan men ze voor wisselbrieven verruilen. Zy zyn van verscheiden’ sommen, gelyk onze Bankbriefjes in Zweden. Sommigen zyn van nog minder dan ene Livre. Tegen den herfst, als de koopvaardyschepen uit Frankryk aankomen, zoeken de Kooplieden zo veel van deze Briefjes byeentekrygen als ze kunnen, om ze voor wisselbrieven op Frankryk te verruilen. Deze Wissels zyn ten dele gedrukt, met openlating van den naam, de som, en diergelyken. Daar deze Briefjes allen geschreven zyn kunnen zy ligt door schelmen worden nagemaakt, het welk ook somtyds geschiedt. Dog de straffen, die hierop staan, en niet zelden des misdadigers leven in gevaar stellen, maken dit zeldzaam. By gebrek van lopend geld verliezen de kopers of verkopers dikwyls een weinig, dewyl men tusschen een en twee livres niet betalen kan, en dus moet de een of de ander iets laten vallen. Een Sol is de laagste munt in Kanada, en omtrent zo veel als een Penny in de Engelsche Volkplantingen. Ene Livre, of een Franc houdt twintig Sols, en drie Livres maken een Ecu.
[Dienstboden.]
De loon der Dienstboden is gemeenlyk voor enen braven Knegt honderdvyftig Livres in ’t jaar, en voor ene Meid honderd. Een Ambagtsman won daags drie of vier Livres, en een gemeen Daghuurder dertig of veertig Sols. Op het land waren de lonen gemeenlyk iets lager. De reden van de duurte der daghuren zeide men de schaarschheid te zyn der werklieden. Want ieder vindt hier ligt een land daar hy zig nederzetten kan, en dus behoeven weinigen anderen te dienen.
[Montreal.]