Reis door Noord Amerika

Part 36

Chapter 363,879 wordsPublic domain

Wat de oorsprong van dit zwarte of donkerblauwe zand zy kan ik niet zeggen, want men weet niet dat hier in de nabuurschap yzererts te vinden is. Egter dunkt het my waarschynlyk te zyn dat ’er yzererts is, dewyl het op vele plaatsen van Kanada vry gemeen is, en dit zwarte zand op meest alle de oevers der Meren en Rivieren in Kanada, schoon niet overvloedig, gevonden wordt. Het granaatzand heeft zynen oorsprong hieromstreeks; want, hoewel de rotsen by Fort St. Frederic geen granaatkorrels bevatten, vindt men egter op de oevers groter of kleinder stenen verschillende van dat soort ’t geen op de bergen en klippen gevonden wordt, de welken aan stukken gestoten en by het granaatzand gelegd zynde daar niet van te onderscheiden zyn. En verder noordwaards in Kanada, beneden Quebec, bevatten de bergen veel granaat. Ook is dit rode zand zeer gemeen aan de Rivier St. Laurence. Dit werk is niet geschikt om hier de overige aanmerkingen intevoegen die ik gemaakt heb over verscheiden delfstoffen, dewyl weinig lezers ’er smaak in vinden zouden.

[Apocynum androsæmifolium.]

Het Apocynum androsæmifolium [279] wast overvloedig op de hoogtens in de bosschen, en had thans bloeisems. De Franschen noemen het Herbe à la puce. [280] Als men in den steel snydt of ’er een stuk afplukt, zo loopt ’er een wit melkagtig sap uit. De Franschen schreven dezer plant alle de eigenschappen toe welken ik van den Vergiftboom boven [281] gemeld heb, namelyk dat dit sap voor sommigen vergiftig, voor anderen schadeloos is. Sommigen kunnen niet omtrent den boom komen of zy raken vol van blazen. Ik zag enen Soldaat de hand vol blazen worden, alleen omdat hy de plant uittrok om ze my te tonen. Ook zwellen by vele menschen het aangezigt en de handen alleen van de uitwaassemingen dezer plant. Allen stemden hierin overeen dat als men het sap op de hand krygt, de hand niet alleen dik wordt, maar dat ook de huid ’er als van weg gevreten wordt, ten minsten oordeelde men dat ’er maar weinige menschen waren waaraan men die uitwerkingen niet bespeurde. Dog ik heb ’er nimmer ongemak van gehad, schoon ik meer dan eens, en in tegenwoordig van vele lieden, die ’er verwonderd over waren, en my ’er allerhande ongemakken uit voorspelden, niet alleen de gehele plant aangetast, maar zelfs de beide handen met het sap bestreken heb, zo dat zy geheel wit waren. Zelfs heb ik de plant zo lang in de hand gewreven tot dat zy geheel aan stukken ware. Nogthans heb ik ’er geen het minste leed van gekregen. Het vee eet van deze plant niet. [282]

[Klissen.]

Het Klissenkruid [283] wies op verscheiden’ plaatsen rondom de Vesting. De Kommandant zeide dat men in ’t voorjaar de tedere scheutjes van dit gewas als radys eet, na ’er de schil te hebben afgetrokken.

[Sison.]

Het Sison Canadense wast tamelyk veel in de bosschen door geheel Noord Amerika. De Franschen noemden het Wilde Kervel, en eten het in ’t voorjaar als kervel. Men prees het zeer, en hield het voor een der beste moeskruiden die men hier in de lente had.

[Katoenplant.]

De van de Franschen zogenaamde Katoenplant, [284] groeide hier veel op de kanten der heuvels, en zo wel in slegte als in goede aarde. Als men den steel kwetst komt ’er een melkagtig sap uit te voorschyn, waarom men de plant voor vergiftig houdt. Des niettemin vergaderen de Franschen in ’t voorjaar de tedere stelen, als zy eerst uitkomen, en maken die als aspersjes klaar, zonder dat hun dit voedsel kwaad doet, dewyl de stelen zo vroeg nog niet vergiftig zyn. De bloemen geven enen aangenamen geur, zo dat zy in dien tyd, vooral des avonds, het reizen in de bosschen zeer aangenaam maken. De Franschen maken suiker uit de bloemen. Ten dien einde plukt men ze des morgens vroeg, als zy nog met dauw bedekt zyn; den dauw drukt men uit, en kookt ’er suiker uit, die bruin dog zeer goed is. Als de scheuten volkomen ryp zyn zit ’er om het zaad een soort van wol, die de katoen zeer gelyk is, van de welke de plant haren Franschen naam gekregen heeft. De arme lieden vergaderden ze, en vulden ’er hunne bedden mede in plaats van veeren. Vooral gebruikt men ze voor kinderbedden. In Kanada bloeit de plant in ’t einde van Juni en ’t begin van Juli, en het zaad wordt in ’t midden van September N. S. ryp. De paarden eten ’er noit van.

[Reis over het Meer Champlain.]

Den 16. Juli des morgens begaf ik my op reis over het Meer Champlain naar het hoge gebergte, dat op den westelyken oever van het zelve legt, om te zien wat zeldzame gewassen en andere merkwaardigheden daar te vinden waren. Als men op enigen afstand van het Fort op de rotsen staat ziet men ene ry hoge bergen ten westen het Meer, die van het zuiden naar het noorden lopen. En als men zig naar het oosten keert, zo komt ’er ene andere schakel van bergen in ’t gezigt, die zig ook van ’t zuiden naar het noorden strekken. Dog die laatsten zyn wel tien of twaalf Eng. mylen van het Meer af. Het land tusschen beiden is laag en geheel met hout bewassen. De bergen zyn ook meest overal vol van zwaar hout, uitgenomen op sommige plaatsen daar het door ’t vuur verteerd is. Zy zyn op sommige plaatsen steil, op anderen niet. Wy voeren het Meer over in ene kleine Kano, die maar drie personen dragen konde, en aan land gekomen zynde wandelden wy naar ’t gebergte. De kanten waren tamelyk steil, en met aarde bedekt; dog hier en daar lagen zware stenen. Alles was met hout bewassen. Maar op sommige plekken was het verbrand. Na veel moeite geraakten wy eindelyk op den top van enen berg, die boven op met ene lugtige aarde bedekt was. Dog deze berg was niet een van de hoogsten; wat verder lagen ’er die veel hoger waren, dog wy hadden genen tyd om ’er naar toe te gaan, dewyl de wind begon optesteken, en wy maar een zo klein vaartuig hadden. Wy troffen hier niets zeldzaams aan.

Op den oever teruggekeerd vonden wy den wind zo sterk dat wy met onze Kano niet verder op het water durfden komen. Ik liet dan enen man terug om de Kano naar huis te brengen wanneer de wind wat zou gaan leggen, en wandelde met Jungström het water om naar ’t Fort, dat een weg was van omtrent zeven Eng. mylen. Wy volgden den oever, waar noit een weg geweest was, en kwamen dan over steile bergen, dan over scherpe rotsen, dan door dikke bosschen, dan door diepe moerassen. De oord had den naam van een verblyf te zyn voor duizenden van Ratelslangen. Dog gelukkig wierden wy ’er gene gewaar. De oever was somtyds vol stenen, waaronder verscheiden’ vry zware hoekige rotsen. Somwylen waren zy rond en glad geslepen. Ook vonden wy op enige plaatsen zand, ten dele van het boven beschrevene granaatzand, ten dele grauw zand. Hierendaar vond men ook zwart yzerzand. Op de bergen vond men stenen van enen fynen roden glimsteen. Op sommige plaatsen stonden er bomen tusschen den oever en de bergen; dog op andere was de oever moerassig.

Versteende Ammonshoorns lagen ’er veel op enige plaatsen tusschen de stenen en rotsen. De rotsen bestonden uit enen grauwen kalksteen, zynden slegts ene verscheidenheid van den zwarten. Zy leggen in beddingen. Sommigen waren vol van versteningen, met of zonder schalen. Op ene plaats zagen wy verbazend grote Ammonshoornen, die meer dan ene Zweedsche el breed waren. Het water had hierendaar den steen van boven afgeslepen, dog had die uitwerking op de versteningen niet kunnen maken. Zy lagen boven op de rots, als of zy ’er op gelymd waren.

De bergen op den oever waren ontzaglyk hoog en groot. Zy bestonden alleen uit enen harden grauwen rotssteen, die niet in beddingen, gelyk de kalksteen, lag. Een grauwe kwarts en een donkere glimsteen maakten ’er eigenlyk het voornaamste van uit. Daar zy aan den oever lagen kwam de rots tot aan het water, dog daar zy een weinig van denzelven verwyderd lagen kwamen de grauwe of zwarte kalksteensbeddingen het digst aan ’t Meer. Maar ik vond nergens dat grote grauwe rotsen deze bergen van kalksteen bedekten.

De Zizania aquatica wies in de modder der beken, en stond in vollen bloei.

[Ziektens der Wilden.]

De ziektens, die het meest onder de Wilden heerschen, zyn rhumatismische pynen en borstontstekingen. Dezen worden vooral veroorzaakt door dien zy dikwyls gedwongen zyn des nagts in de bosschen en op vogtige plaatsen op den grond te slapen, en ook door de schielyke overgangen van het weder van hette in koude, waaraan de lugt hier zeer onderworpen is; ten dele daardoor dat zy zig dikwyls aan brandewyn bezuipen en zig dan nakend in de open lugt, zelfs in den winter in slegt weer te slapen leggen. De Franschen zyn ook zeer aan deze ongemakken onderhevig, byzonder aan borstontstekingen. De Kommandant verhaalde dat hy eens aan dit ongemak zeer slegt geweest, dog door den Heer Sarrasin op de volgende wys ’er van genezen was. Hy begon met hem zweetdryvende middelen te geven, en liet hem een uur agt of tien zweten. Daarop opende hy hem enen ader, en liet hem op nieuws zweten. Daarna schreef hy hem ene nieuwe aderlating voor. Doctor Sarrasin was Koninglyke Geneesheer te Quebec en Korrespondent der Kon. Maatschappy der Wetenschappen te Parys. Hy had grote inzigten zo wel in de oeffening der Geneeskunde, als in de Ontleedkunde en andere Wetenschappen. Ook was hy zeer aangenaam in den omgang. Hy stierf te Quebec aan ene kwaadaardige koorts, die daar door een schip was overgebragt, en van de welke hy besmet wierd by ’t bezoeken der Kranken in ’t Hospitaal. Hy liet enen zoon na, die ook de Geneeskonst beoeffende, en naar Frankryk gegaan was om ’er verder in te vorderen; dog hy overleed daar.

[Venuskwalen.]

Afgaande koortsen regeren hier ook somtyds. Ook heeft zig de Venusziekte hier te lande gevestigd. De Wilden zelven zyn ’er van besmet geraakt, zo dat ’er velen zyn die ze hebben. Zy weten ze egter ook in den grond te genezen. Men heeft verscheiden’ voorbeelden dat lieden, zo wel Franschen als Amerikanen, welken deze ziekte tot in ’t gebeente was doorgedrongen, door de Wilden, binnen den tyd van vyf of zes weken, volkomen ’er van zyn genezen geworden. Dog de Franschen hebben niet kunnen uitvinden wat een middel zy gebruiken. Dit wist men dat zy geen kwikzilver, op enigerhande wys toebereid, gebruikten, en dat het voornaamste middel in wortelen bestond. Dog welke wortelen het waren konde men niet zeggen. Naderhand heb ik het ontdekt, en ’er breedvoerig aan de Kon. Zweedsche Maatschappy, in hare Verhandelingen van het jaar 1750. verslag van gedaan. [285]

[Lintwormen.]

De ongemakken die de Lintworm [286] veroorzaakt zyn in Europa wel bekend. In de Engelsche Volkplantingen in Noord Amerika was hy niet gemeen; dog hier in Kanada wierden ’er enige menschen van gekweld. Men wist dezen worm hier zo wel te beschryven als of men de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy gelezen had. Somtyds raken de menschen ’er kwyt die enige vademen lang zyn. Men kende gene byzondere middelen tegen dit ongemak, nog wist ’er de oorzaak van aantewyzen, dog men giste dat het van het gebruik van sommige vrugten kwam.

[Fort St. Frederic.]

Fort St. Frederic is ene Vesting aan het zuider eind van ’t Meer Champlain gelegen. Het staat op ene uitstekende landtong, geformeerd door het Meer en de Rivier, welke ontstaat uit de vereniging der Woodcreek en het Meer St. Sacrement. Deze Rivier is hier enen goeden musketschoot wyd. De Engelschen noemen deze Vesting Crownpoint. Den Franschen naam draagt zy naar den Franschen Sekretaris van staat Frederic Maurepas, die toen zy werd aangelegd het voornaamste opzigt over de zeezaken in Frankryk had; en daar de meeste plaatsen in Kanada naar Heiligen genoemd worden, zo heeft de gewoonte een Saint voor den naam Frederic gevoegd. De Vesting legt op ene klip, bestaande, gelyk gezegd is, uit zwarten kalksteen of lei. Zy is een vierkant, heeft hoge en dikke muren, gemaakt van den gemelden steen, twee of drie snaphaanschoten van de plaats af gehouwen. Aan de oosterzyde in de Vesting is een hoge toren, die veilig is voor de bomben, hebbende zware muren, en zynde rondom van boven tot onder met geschut voorzien. Op dezen toren woont de Kommandant. In het Fort is een klein kerkje, en aan de andere zyde vindt men de woningen der Officieren en Soldaten. Naar den landkant leggen scherpe klippen, meer dan enen kanonschoot ver van ’t Fort. Dog enigen, die weinig wyken voor de hoogte der muren, leggen digt by de plaats. Het land hieromstreeks is goed; en voor den laatsten oorlog hadden zig hier vele Fransche huisgezinnen, vooral van ontslagene Soldaten, nedergezet. Dog de kryg dwong hen of dieper in Kanada te wyken, of zig digt onder de Vesting neertezetten, en daar des nagts te gaan slapen. Thans kwamen ’er velen van terug, en men meende dat ’er hier zig met den herfst nog veertig of vyftig huisgezinnen zouden komen nederslaan, welken men landeryen zoude aanwyzen. Wat van de Vesting af, oostwaards, staat een windmolen, die van steen gebouwd en van dikke muren voorzien is, waar men het meeste meel dat in de plaats gebruikt wordt maalt. Deze molen is zo gemaakt dat hy enigermaten tot een buitenwerk dienen kan, want boven in den zelven leggen vier of vyf stukken kanon. In den laatsten oorlog lag hier een goed deel Soldaten, om het oog op de Rivier te houden, en te zien of ’er ook Engelsche vaartuigen op dezelve in de verte verschenen, het geen men uit het Fort niet doen kan. En als men hier niet op zyne hoede was, kon de vyand met schuiten digt onder de westzyde der Vesting komen, uit de welke men ze niet zou kunnen ontdekken van wegen de hoogte des oevers. Dog men heeft enen groven misslag begaan met het Fort niet op de plaats te leggen daar nu de molen staat; behalven dat men daar het Fort, door middel ener vereniging der Rivier die van het Meer St. Sacrement komt en het Meer Champlain, in den lossen kalksteen uitgehouwen, met een lopend water had kunnen omringen, zodat het op het uiterste der landtong zou hebben komen te staan. Dus zoude men ’er altyd varsch water gehad, en het Fort zou niet zo digt by de hoge rotsen gelegen hebben.

[Vertrek.]

Den 19. Juli waren wy, na enige dagen naar het Jagt, dat den gehelen zomer over tusschen Fort St. Jean en Fort St. Frederic heen en weder vaart, en na deszelfs aankomst op goeden wind gewagt te hebben, tot ons vertrek van hier gereed. Gedurende ons verblyf had ons de Heer Lusignan met allerhande beleefdheden als overladen. Ik had de eer al dien tyd aan zyne tafel te spyzen. Myn Bediende at met den zynen. Wy hadden buiten dat onze kamer en bed, en werden bediend. By ons vertrek voorzag ons die Heer met rykelyken voorraad tot aan het Fort St. Jean. In een woord, onze eigene Landslieden hadden ons gene grotere beleefdheden kunnen bewyzen dan die Heer en de overige Officieren gedaan hebben.

[Het Meer Champlain.]

Voor den middag om elf uur gingen wy op reis. De wind was goed. Aan beide de zyden van het Meer lagen hoge bergen, die als ene schakel uitmaakten, dog met dit onderscheid, gelyk ik al aangemerkt heb, dat aan de oostzyde tusschen het Meer en ’t gebergte een laag van met hout bewassen land gelegen is, ter langte van tusschen de twaalf of agttien Eng. mylen. Agter dit gebergte behoort het land tot Nieuw Engeland. Dus maakten deze bergen ene grensscheiding uit. Aan de westzyde stieten de bergen vlak tegens het Meer. Het was in ’t eerst maar een uur breed, dog wierd daarna hoe langer hoe breder. Tot op een uur gaans van het Fort St. Frederic was het land aan de oostzyde bewoond, dog verder louter bosch. Omtrent tien Fransche mylen van de Vesting werd het Meer vier mylen breed. Hier en daar zag men Eilanden, en de Kapitein van ’t Jagt zeide dat ’er in dit Meer zestig Eilanden lagen, waaronder ’er enigen zeer groot waren. Ook verzekerde hy dat het zo diep was, dat men op de meeste plaatsen met ene lyn van honderd vademen genen grond peilen kon; en digt aan land, voornamelyk waar dwarslopende bergen leggen, vindt men dikwyls ruim tagtig vadem waters, zo dat ’er geen middel is om te ankeren. Veertien Fransche mylen van het Fort lagen vier grote Eilanden in het Meer, dat daar zes mylen breed is. Den gantschen dag was het droevig weer, en de wolken, die zeer laag hingen, schenen tegens ’t gebergte aantestoten, en het als met enen nevel te hullen. Van verscheiden bergen steeg de nevel als een rook in de hoogte. Hier en daar wierp zig ene kleine Rivier in ’t Meer. Agter het gebergte aan de westzyde was het land, gelyk men my berigtte, enige mylen ver gantsch vlak en met hout bedekt, van vele stromen, beken, moerassen en kleine meren doorsneden, en zeer bekwaam om bewoond te worden. De oever was somtyds klipagtig, en bestond somtyds uit zand. Tegens den avond begonnen de bergen allengskens aftenemen. Het water was zeer helder, en wy bemerkten gene klippen of ondieptens. Des avonds laat ging de wind leggen, en wy wierpen het anker onder ’t land. Den 20. voeren wy des morgens met enen gunstigen wind voort. De plaats daar wy overnagtten was ten halvenwege Fort St. Jean, van waar tot Fort St. Frederic men eenenveertig Fr. mylen te water rekent. Het gebergte was ons nu uit het gezigt, en het land was laag en boschryk. De oever bestond uit zand. Byna overal scheen het Meer een Zweedsche myl breed, dog het was inderdaad breder, en de Eilanden deden het smaller schynen.

Hier en daar zag men aan den oever Wilden in schuiten van bast. Dog geen van hun woonde aan het Meer, en zy waren hier alleen om Steuren te vangen, waarvan ’er hier veel zyn. Wy zagen ze somwylen hoog uit het water springen. Deze Amerikanen leiden ene byzondere levenswys. Een gedeelte van het jaar leven zy voomamelyk van hunnen kleinen voorraad van Mais, bonen en kawoerden; om dezen tyd bestaan zy van visch zonder brood of iets anders; op enen anderen tyd wederom eten zy niets als wild. Desniettemin worden zy oud, zyn gezond, en kunnen meerder ongemakken uitstaan dan anderen. Zy zyn altyd vrolyk en vergenoegd; zingen en dansen geduriglyk: zo dat zy hunne levenswys voor die welke in Europa als de beste geagt wordt niet zouden willen ruilen.

Omtrent tien Fr. mylen eer wy aan Fort St. Jean kwamen, ontdekten wy huizen op den westelyken oever van het Meer, die kort voor den laatsten oorlog door de Franschen bewoond geweest waren. Thans waren zy sterk bezig met dezelven weder te gaan betrekken. Dit waren de eerste huizen die wy zagen sedert wy die by Fort St. Frederic verlaten hadden.

[Houten Fort.]

Voor dezen was ’er ene houten Vesting op den oostelyken oever van het Meer geweest, waarvan men ons de legplaats aanwees. Zy was nu met hout bewassen. Zy had den Franschen tegens de invallen der Wilden gediend. Men verzekerde ons dat vele Franschen in dezen oord door dezelven waren omgebragt. Ook verhaalde men ons dat men hier vier vrouwen tegens enen man onder de Franschen rekent, nadien alle jaren vele mans op hunne reizen, die zy ondernemen om met de Wilden handel te dryven, van dezelven vermoord worden.

Wy zagen enen stenen windmolen op een uitstek lands aan den oostelyken oever staan. De oord was voor den kryg van Franschen bewoond geweest, die nog niet teruggekomen waren. Wy waren nog agt Fr. mylen van Fort St. Jean. De Engelschen en hunne Amerikanen hadden hier de meeste huizen verbrand.

Het Jagt dat ons voerde was het eerste dat men hier gebouwd had. Voor dezen bediende men zig maar van grote zogenaamde Bateaux om voorraad te vervoeren. De Kapitein, die hier in ’t land geboren was, had het zelf gebouwd, de eerste den weg voor het Meer gevonden, en de dieptens gemeten om met het zelve tusschen Fort St. Frederic en Fort St. Jean te varen. Hier, over den molen, heeft men drie vadem waters. Dog naderhand, tot Fort St. Jean, wordt het wat ondieper. Hier en daar zagen wy huizen op den oever. De Kapitein had Ottervellen in de kajuit hangen, die volkomen naar de Europischen geleken. Van deze Otters zoude men ’er velen in Kanada vinden.

De vellen van Zeehonden worden hier veel gebruikt om koffers te overtrekken. De mantelpakken waren ’er ook veel van gemaakt. Ook had ’er de gemene man tabaksbeurzen van. Van gedaante waren zy even gelyk aan die men in Noorwegen en Zweden vindt. Het gemene volk was hier gewoon op reis te roken, dog ik merkte niet dat hier iemant de gewoonte had van tabak te kauwen. Men vindt veel van deze Zeehonden in den Zeeboezem beneden Quebec, die, even als de Zweedschen, met grauwe en zwarte vlakken gespikkeld zyn. Zy gaan de Rivier St. Laurence zo hoog op als het water zout is. Men heeft ze op geen der grote Meren hier in Kanada bespeurd. De Franschen noemen ze Zeewolven. [287]

[Ongodsdienstigheid der Engelschen en Hollanders.]

De Franschen zyn in hunne Volkplanteryen veel gezetter op den uiterlyken Godsdienst dan de Engelschen en Hollanders. Op de Jagten der twee laatst genoemde volken had men de gewoonte niet van ’s morgens of ’s avonds bedestonden te houden. Zelden of noit bad men over tafel. Dog op dit Fransche Jagt wierd ’s morgens en ’s avonds gebeden, en des zondags meer dan naar gewoonte. Voor en na den maaltyd maakten zy het kruis en deden een kort gebed. De Kapitein deed alle ogtenden zyn gebed op de knien leggende. In Fort St. Frederic kwam ook de gantsche Bezetting ’s morgens en ’s avonds tot het gebed. Dog het was jammer dat de gebeden in ’t Latyn gedaan werden, het geen weinigen verstonden.

Zodra wy den molen voorby waren wierd het Meer zo smal dat het niet veel boven een musketschoot breed was. Dus geleek het veel eer naar ene rivier. Het land was aan weerskanten laag en met bomen bewassen die hun blad ’s winters laten vallen. Hier en daar zagen wy ene hut op den oever, anders was het land onbewoond. Men had hier niet boven de zes of tien voet diepte; en hier en daar vertoonde zig een Eilandtje. Gedurende onze gehele reis lag het Meer altyd zuidzuidwest en noordnoordoost.

Op sommige plaatsen van Kanada zyn grote streken lands die byzondere personen toekomen. Wanneer dan iemant de vryheid krygt van een stuk van het zelve te bebouwen, dat gemeenlyk veertig arpents lang, en drie breed is, is hy verpligt, wanneer hy enigsins in staat is, den eigenaar ene zekere som [288] jaarlyks te betalen.

Het Meer wierd nu zo ondiep dat men genoodzaakt was van met takken den weg voor ’t Jagt te peilen. Op sommige plaatsen egter had men twee vadem waters.

Des avonds by het ondergaan der zonne kwamen wy by Fort St. Jean aan.

[Fort St. Jean.]