Part 35
Ik hoorde dat gedurende dezen gehelen zomer ene grote droogte geheerscht had, en dat ’er sedert de lente geen regen gevallen was. Deze droogte had den wasdom der planten zeer vertraagd. Op de hoogtens was alles verdord. Kleine bomen, die nevens rotsen stonden waarop de zon sterk brandde, hadden droge bladeren. Op de akkers stond het koorn bedroefd slegt. De weit was nog niet gezet, en de erwten bloeiden nog niet. De grond was op vele plaatsen zo gereten, dat kleine slangen zig in de spleten gemakkelyk verstoppen konden.
[Dennebosschen.]
In dezen oord vindt men zware bosschen zo wel van Rode en Witte, als van Zwarte Dennen. Dog voorheen waren zy nog uitgestrekter. Het dikwyls ontstaan van brand in de bosschen, het welk de Wilden veeltyds veroorzaaken, heeft de bosschen zeer verminderd. Op de jagt zynde leggen de Amerikanen dikwyls grote vuren aan, welken by droogte door den wind zig niet zelden uitbreiden.
Men heeft hier te lande grote pogingen gedaan ter bevordering der Natuurlyke Historie, en nauwlyks heeft men zig ergens meer dan hier daartoe bevlytigd. Dit heeft men den yver van een enig Man te danken. Men ziet hieruit wat enen luister en wat enen opgang de wetenschappen in een Land daarvan ontvangen als de eerste lieden smaak en liefhebbery voor dezelven hebben. De Kommandant vertoonde my een papier dat hy van den Gouverneur Generaal van Kanada, den Marquis de la Galissonière, ontvangen had. Het was die zelve Heer, die enige jaren daarna, als Admiraal der Fransche vloot, den Admiraal Byng deed wyken, en dus de verovering van Minorka bevorderde. In dat papier wierden vele bomen en planten, die in Noord Amerika wassen, en wegens hun nut verdienen aangekweekt te worden, opgenoemd. Van sommigen, als by voorbeeld de Polygala Senega, of de Ratelslangwortel, gelyk zy by de Engelschen genoemd wordt, vond men ’er beschryvingen in. By verscheidenen werd de plaats aangewezen waar zy wassen. Wyders wordt ’er in gevorderd, dat men allerlei zaden en wortelen verzamelen zoude. Om dit te bevorderen vindt men ’er in hoe dit het best werkstellig gemaakt, hoe de zaden en wortels het best bewaard en naar Parys gezonden konnen worden, om daar voorttekomen. Men vordert ’er stalen in van allerlei delfstoffen, en noemt verscheiden’ plaatsen op in de Fransche volkplantingen, waar men nuttige of merkwaardige soorten van stenen, van aarde of van delfstoffen gevonden heeft. Ook wordt aangewezen hoe verscheiden’ aanmerkingen en verzamelingen aangaande het Dierenryk te maken zyn. Te gelyk word geëischt, dat men op allerlei mogelyke wyzen onderzoeken zoude waartoe en hoe zig de Wilden van zekere kruiden en andere natuurlyke voortbrengsels, ’t zy in de geneeskonst of anders, bedienen. Dit nuttige geschrift was op bevel van den Marquis de la Galissonière door den koninglyken Geneesheer te Quebec, den Heer Gaultier opgesteld, en naderhand door den Markgraaf zelven met eigen’ hand verbeterd en vermeerderd. Hy deed ’er vervolgens vele afschriften van maken, en die ter hand stellen aan alle de Officieren in de Bezettingen, en alle Geleerden, vooral die hier te lande meenden te reizen. Den Officieren wordt bevolen die Soldaten en anderen by den Gouverneur bekend te maken, die ene byzondere vlyt in het ontdekken en verzamelen van kruiden en andere zaken tonen zouden, op dat hy ze by openvallende plaatsen en andere gelegenheden, tot de diensten waartoe zy geschikt waren bevorderen, of op ene andere wys belonen mogte. Ik merkte ook dat hier by de voornaamste lieden ene veel grotere liefhebbery voor de Natuurlyke Historie plaats had dan in de Engelsche Volkplantingen, waar men met de wetenschappen in ’t algemeen den spot dreef, en maar dagt om zig te verryken. [272] Men klaagde hier dat velen, die zig op de Natuurlyke Historie toeleiden, verzuimden by de Wilden te vernemen welk gebruik men in de Geneeskonst van vele gewassen maken konde.
[Verbastering der menschen in Kanada.]
Men was van gedagte dat de Franschen, die in Europa geboren en naar Kanada waren overgekomen, daar gemeenlyk gezonder waren dan in hun vaderland, en ouder wierden dan die in Amerika geboren waren. Ook hield men het daar voor, dat de Europische Franschen sterker waren in het werken en ’t verdragen van ongemakken als de hier geborenen. De afgaande koortsen, welken de Europers in Pensylvanie aankomende gemeenlyk krygen, wil men dat hier onbekend zyn, en men zou hier terstonds zo gezond zyn als naderhand, wanneer men aan de lugtstreek gewend is. De Engelschen hebben dikwyls opgemerkt dat de in Amerika geborene Europeanen niet zo wel de ongemakken der zeevaart uithouden, of de lugt van Zuid Amerika verdragen kunnen, als zy die in Europa geboren zyn. Dit zou ook by de Franschen in Kanada even eens wezen. Als de Kanadiers naar Martinique, Domingo en andere Eilanden van Amerika, gaan, worden zy na een kort verblyf altyd ziek en sterven. Die genen die in die gewesten ziek worden komen ’er zelden door, ten zy zy weder naar Kanada gaan. Integendeel kunnen zy die regelregt uit Frankryk naar de West Indien overkomen de lugt daar veel beter verdragen, en worden ’er oud. Dit bekragtigden my vele lieden in Kanada.
[Een man door de Wilden vermoord.]
Den 3. Juli, terwyl wy het middagmaal namen, hoorden wy enige malen agtereen een geweldig en naar geschreuw op de Rivier op enigen afstand van het Fort. De Kommandant zeide terstond dat dit geschreuw hem kwalyk behaagde, dewyl hy uit het zelve opmaakte dat de Wilden, die uit geweest waren om zig op de Engelschen te wreken, in hun oogmerk geslaagd waren, en dat hun geschreuw te kennen gaf dat zy enen Engelschman vermoord hadden. Zodra ik aan het venster kwam zag ik ene schuit met enen langen stok op den voorsteven, waaraan het bovenste van een bebloed hoofd hing. By hunne aankomst aan land hoorden wy dat de Wilden, die zes in getal waren, hunnen togt van de plaats daar wy gezien hadden dat zy hadden overnagt tot binnen de grenzen der Engelschen voortgezet, daar enen man, met zyn jongetje op een akker met mayen bezig gevonden, hem stilletjes bekropen, en onverwagt op de plaats met enen kogel dood geschoten hadden. Dit was geschied niet ver van het dorp daar twee jaar geleden de Broeder van enen dezer moordenaren, ten oorlog tegens de Engelschen uitgetogen, gedood was. Zy sneden, volgens hunne gewoonte, den doden den hoofdschedel af, dien zy nevens de klederen en het kind van den verslagenen, een jongetje van negen jaren, medenamen, en zo naar Kanada terug keerden. Zodra zy omtrent het Fort gekomen waren hingen zy het hoofd aan enen stok voor op den steven, en schreuwden den gantschen weg langs, tot een [Hunne kleding.] teken dat zy den zegen behaald en hun oogmerk bereikt hadden. Zy waren, volgens hun gebruik, alleen met een hembd gekleed; dog van den vermoorden Engelschman had de een den rok, de ander zyne koussen aan, de derde zynen hoed op, en zo verders. Het aangezigt hadden zy zig byna geheel met vermilioen beschilderd, waarmede ook hunne hembden op de schouders bestreken waren. In de oren droegen de meesten zeer grote ringen, die hun zeer hinderlyk schenen te moeten zyn, dewyl zy gedwongen waren die vast te houden als zy springen of enige andere sterke beweging maken wilden. Enigen hadden gordels van de vellen van Ratelslangen met de ratels ’er aan om ’t lyf. Het jongetje van den verslagenen had niets anders dan een hembd en koussen aan, en ene muts op ’t hoofd. Zy hadden zyn hembd ook op de schouders rood gemaakt. By ’t uittreden uit de schuit hadden zy den stok daar ’t hoofd op stak in de hand, en gingen ’er al dansende en zingende mede langs den oever. Hun inzigt met het jongetje was hem naar hun verblyfplaats te brengen, daar optevoeden, in de plaats des verslagenen Broeders aantenemen, en aan ene van hunne nabestaanden uittehuwelyken, en zig dus met hem te vermaagschappen. Schoon zy nu deze vyandelykheid in vredenstyd begaan hadden, regelregt tegens het verbod van den Gouverneur van Montreal aan, en in weerwil van den raad van den Kommandant alhier, konde hy egter niet af van hun eten en andere noodwendigheden voor de reis te geven, dewyl hy hen niet dorst te verbitteren. Maar toen zy te Montreal gekomen waren deed de Gouverneur ze niet alleen kastyden, maar nam hun ook het kind af, en zond het zyner Moeder weder t’huis. De Heer Lusignan vroeg hun wat zy my en mynen Reisgezellen zouden gedaan hebben indien wy in hunne handen gevallen waren, en zy antwoordden dat hun inzigt voornamelyk geweest was zig op die van het dorp te wreken daar hun Broeder omgekomen was, en dat zy derhalven ons misschien wel onbeledigd zouden gelaten hebben, egter zou dit veel hebben afgehangen van de gemoedsgesteldheid in de welke zy op dien tyd waren als zy ons aantroffen.
[Een Geraamte gevonden.]
Enige jaren geleden had men in het Land der Illinoizen een geraamte gevonden van een verbazend groot dier. Een van de Officieren der Bezetting verzekerde my dat hy het gezien had. De Amerikanen hadden het in een moeras ontdekt. Zy stonden op het eerste gezigt zeer verbysterd, en, gevraagd zynde waar voor zy het hielden, zeiden zy, voor het geraamte van den Voorvader of het Opperhoofd van alle de Bevers. Het was buitenmate groot, en had dikke en ene halve el lange sneuwwitte tanden. Men hield het voor het geraamte van enen Elefant. De Officier, die het gezien had, verzekerde dat men nog het beloop van den snuit duidelyk had kunnen onderkennen, schoon die reeds tot stof vergaan was. Hy wist niet dat men ’er enige beenderen van weggenomen had, maar hy dagt dat alles was blyven leggen. Ik hoorde sedert op sommige plaatsen van Kanada van dit geraamte spreken. [273]
[Beren.]
De Beren zyn hieromstreeks menigvuldig. By de Vesting hield men er enen die drie maanden oud was. Hy was van de zelve gedaante en den zelven aard als onze Europische gemene Beren, uitgenomen alleen dat zyn’ oren langer en zyn’ hairen styver schenen te zyn. Zyn’ kleur was zwartbruin. Hy speelde met enen hond. Van de vellen dezer Beren gaat jaarlyks ene menigte naar Frankryk. De Wilden maken ene olie van het Berenvet, waarmede zy des zomers het gezigt, de handen, en alle de ongedekte plaatsen des lichaams tegens het byten der Muggen besmeren. Behalven dit, bestryken zy zig zeer dikwyls met deze olie, wanneer zy of koude gevat, of zig zeer vermoeid of gekneusd hebben, en in andere gevallen meer. Zy denken dat dit smeren het vel zagt en buigzaam maakt, en veel tot het bereiken van enen hogen ouderdom toebrengt.
[Paardenbloemen.]
De gemene Paardenbloem [274] wies hier veel op de weiden en langs de wegen, en stond nu in bloei. In ’t voorjaar als de bladen beginnen uittekomen, en zo groot worden dat men de plant kennen kan, graven de Franschen de wortelen op, wasschen ze af, snyden ze door, en eten ze als salade. Zy smaken wat bitter. Men heeft hier de gewoonte niet van de bladen te eten.
[Afgedankte Soldaten.]
De Soldaten, die met den vrede afgedankt waren, hadden reeds op de hun aangewezene landen, die rondom het Fort lagen, huizen gezet. Dog de meesten dezer huizen waren niet meer dan hutten, en gelyk aan de armelykste woningen by ons; maar het volk had het tamelyk wel, en at goed weitenbrood. De huizen waren van planken, stonden loodregt en vlak by malkander. Men had de reten met klei toegesmeerd. De vloer was van klei of van zwarten kalksteen. Van dien steen waren ook de haarden, uitgenomen dat de plaats voor het vuur geschikt van uitgezogte grauwe zandstenen, grotelyks uit kwarts bestaande, gemaakt was. Op sommige plaatsen had men evenwel hier den zwarten kalksteen toe genomen. Men verzekerde dat deze steen wel tegens het vuur konde, mits de stenen wat groot waren. Glazen vond men niet in de vensters.
[Galium tinctorium.]
Het Galium tinctorium wierd in Kanada door de Franschen Tisavo-jaune rouge genaamd. Het wies hier overvloedig, vooral in ene goede vogtige tuinaarde. Met de wortelen verwen de Wilden de pinnen der stekelvarkens rood welken zy in verscheiden’ van hunne stofjes invlegten; en deze kleur verschiet niet ligt. De Fransche Vrouwen in Kanada verwen ook met deze wortelen, die klein zyn gelyk die van ’t Gallium luteum.
De Paarden lopen hier den gehelen winter over in ’t veld, en zoeken den kost. Egter wil men dat ze in ’t voorjaar vet zyn.
[Walvisch Geraamte.]
Men had het geraamte van enen Walvisch enige mylen van Quebec, en ene Fransche myl van de Rivier St. Laurence gevonden, op ene plaats waar tegenswoordig geen lopend water komt. Dit geraamte was zeer groot. De Kommandant had verscheiden lieden gesproken die het gezien hadden.
[Schuiten.]
De Schuiten die men hier gebruikt waren van drieerlei soort. I. Bastenschuiten, uit bast gemaakt dog met houten ribben; II. Kanoos, die men hier van wit Dennenhout maakt. Men roeyt ze niet, maar doet ze voortgaan door middel van een soort van riem, die men in de hand houdt en heen en weer beweegt; [275] dog men kan daar de helft van de kragt niet mede doen als met roeyen. Het derde soort van vaartuigen noemt men Bateaux. Zy zyn hier altyd groot, en worden gebruikt om zware vragten te vervoeren. De bodem, die altyd plat is, bestaat uit rood, dog meest uit wit eikenhout, om des te beter tegens het stoten op de stenen te kunnen. Het boord is van vurenhout, en dit geschiedt om de ligtheid. Men maakt hier teer en pek in overvloed.
[Soldaten.]
De Soldaten genoten hier enige voorregten die zy niet overal hebben. Die hier in bezetting waren kregen een rykelyk onderhoud. Elk ontving daags anderhalf pond weitenbrood. Ook kregen zy erwten, spek, gerookt of gezouten vleesch, en zelfs meer dan zy op konden. Nu en dan wierd ’er een os of ander beest geslagt, waarvan het varsche vleesch onder de Soldaten werd uitgedeeld. De Officieren onderhielden op ’s Konings kosten melkkoeyen. Ieder Soldaat had zyn tuintje buiten het Fort, waarin sommigen speelhuisjes gezet hadden, en zy allerhande moeskruiden teelden. De Kommandant zeide dat dit gebruik in dit Land algemeen was by zulke Vestingen in wier nabuurschap gene grote stad lag, van waar men groentens krygen kon. In vredenstyden behoefden de Soldaten gene wagten waartenemen. En daar het Meer hier digt by vol van visch is, en de bosschen van wild, zo kan ieder die maar wat naarstig is hier ene tafel houden als een Heer. Ieder krygt alle twee jaren enen nieuwen rok, maar alle jaar ene vest, ene muts, enen hoed, een paar koussen, een das, een paar schoenen, en in den winter vry brandhout. Aan soldy heeft ieder vyf sols daags. Dog als zy voor den Koning werken moeten krygt ieder dertig sols. Dus was het geen wonder dat het krygsvolk ’er hier frisch, vet, sterk en wakker uitzag. Die ziek wordt komt in ’t Hospitaal, waar hy alles vry heeft. Zy konden, ook ligt verlof krygen, en hielden egter hunne soldy en hun gewoon onderhoud, mits zy de wagtlonen betaalden, als ’er wagten te doen waren. Den Kommandant en den Officieren bewees men alle de verschuldigde eer; egter gingen de Officiers met de Soldaten als hunne spitsbroeders gemeenzaam om. Dikwyls zaten zy met malkander te praten. De Soldaten, die hier uit Frankryk naartoe gezonden worden, moeten tot enen zekeren ouderdom toe dienen; waarna zy hun afscheid, en vryheid krygen een stuk lands te bebouwen. Maar als zy alleen voor zekere jaren hebben dienst genomen, krygen zy na ’t eindigen van die hun ontslag, indien zy het begeren. Dit doen de meesten die in Kanada geboren zyn. Als een Soldaat zyn omslag gekregen heeft wordt hem van ’s Konings wegen een stuk lands geschonken, van veertig arpents in de lengte, en drie in de breedte, als de grond overal goed is, dog wat meer als die niet veel deugt. Ook krygt hy onderstand om een woest land te ontginnen. De eerste drie of vier jaren krygt hy eten voor hem, zyne vrouw en kinderen. Nog schenkt hem de Koning ene koe, en de noodzakelykste werktuigen. Andere Soldaten, die ’er door den Koning voor betaald worden, helpen hem zyn huis bouwen. Dit zyn aanmerkelyke ondersteuningen voor eerst beginnenden; en in een land daar de Soldaten zo wel behandeld worden, zoude men zeggen, kan de Koning niet verlegen zyn om troepen. Om het land des te beter te bevolken heeft men voorgeslagen jaarlyks uit Frankryk driehonderd man overtevoeren, en den ouden Soldaten hun afscheid te geven, waardoor zy gelegenheid mogten hebben te trouwen, en zig aan den landbouw overtegeven. Het land dat men hier den afgedankten Soldaten had geschonken was zeer goed, bestaande doorgaans uit ene met klei vermengde dikke tuinaarde.
[Eggen.]
De Eggen, waarvan men zig hier bedient, zyn geheel van hout, en driehoekig. De Ploegen waren ook niet veel beter. De raderen waren plomp en dik, en al het hout was zo zwaar dat een paard werks genoeg had om enen ploeg op den gelyken grond voorttetrekken.
[Rotsen.]
Hier en daar op de rotsen lagen stenen van verscheidenerlei soort. Sommigen waren tamelyk groot van twee tot drie ellen dikte en anderhalve el breedte; anderen wat kleinder. Zy kwamen egter allen in den aard van den steen overeen, alleen bemerkte ik deze verscheidenheden.
Enigen bestonden uit enen Kwarts van kleur gelykende naar bruine kandysuiker, en uit enen zwarten fynen glimmer, die met zwarten hoornsteen en enige weinige korrels van blauwen spaath vermengd was. De kwarts was het voornaamste; ook was ’er vry veel glimmer, dog weinig spaath in. Deze verschillende steenstoffen waren zeer wel door malkander vermengd, zo dat men ze op ’t gezigt wel van malkanderen onderscheiden, dog niet met werktuigen afzonderen kon. De steen was hard en vast, en de kwartskorrels zagen ’er fyn uit.
Anderen bestonden uit grauwen kwarts, zwarten glimmer en hoornsteen, met enige weinige spaathkorrels. Weinig spaath was ’er in, vry veel glimmer, dog meest kwarts. De steen was hard en vast, en verschilde alleen in kleur van den voorgaanden.
Enigen bestonden uit een mengsel van helderen kwarts en zwarten glimmer, waarby ettelyke rode kwartskorrels kwamen. De spaath had hier de overhand; de glimmer lag in dikke schyven. Deze steen was zo vermengd niet als de voorgaanden, ook niet zo hard en vast.
De bergen waarop het Fort St. Frederic staat, en die welken hier omstreeks leggen, waarop de beschreven’ stenen gevonden worden, bestaan doorgaans uit enen koolzwarten kalksteen, die gelyk leyen op lagen legt. Men zou hem ene lei noemen kunnen die door het vuur tot kalk wordt. [276] Deze steen is van binnen pekzwart, en doorgebroken zynde zeer fyn. Hier en daar vertonen zig in denzelven kleine spaathkorrels en andere ongelykheden, die ’er aderen in formeren. De beddingen die boven op de bergen leggen zyn van enen grauwen digten kalksteen, die maar ene verscheidenheid is van den voorgaanden. In den zwarten kalksteen treft men byna overal ene menigte van allerhande versteningen van mosselschelpen, hoorns, en andere dingen aan. De versteningen die men hier meest vindt zyn de volgenden:
[Petrefacta.]
Pectinites of Ostreæ pectines zyn het die ’t grootste getal uitmaken. Somtyds komt men op grote beddingen, die niet anders dan aan een gewassen schelpen van dit soort zyn. Zy zyn grotendeels maar klein, en zelden meer dan anderhalven duim. Men vindt ze op twederlei wyzen versteend. Het eerste soort toont overal in den steen indrukken van de verhevene zyde der schelp, dog niet het geringste teken der schaal, en alleen maar de indrukken. In het andere bespeurt men de schaal zelve nog in den steen zittende, zo dat zy, als ze helder van kleur is, ligt van den zwarten steen zelven kan onderscheiden worden. Van beide de soorten vindt men ’er velen, dog van het eerste de meesten. Enigen zyn verheven, vooral in het midden, anderen daarentegen zyn in het midden ingedrukt; dog in de meesten is de buitenste oppervlakte merkelyk verheven. De strepen lopen altyd in de langte, namelyk van het middelpunt naar den rand.
Versteende Ammonshoornen zyn ’er ook veel, dog egter veel minder dan de voorgaanden. Men vond ze ook zo wel met als zonder schalen. Dog ’er waren ook vele versteende slakkenhuizen onder. Verscheidenen dezer Ammonshoornen waren zeer groot, zo dat ik niet weet ’er oit groter gezien te hebben. Zy bedroegen in de doorsnede meer dan een Zweedsche el.
Men kon velerlei soorten van Koralen bespeuren in de stenen vastgewassen, van de welken zy egter wel aftezonderen waren. Sommigen waren steenplanten of witte takagtige koralen, [277] anderen, dog minder in getal, waren starkoralen. [278]
[Steenballen.]
Ik moet den naam van Steenballen geven aan een soort van vreemden steen, waarvan de rotsen op vele plaatsen vol waren. Zy hadden de gedaante van een halven kloot, waarvan de verhevene zyde buiten de rots uitstak, en de onderste daar vast was ingedrukt. Zy bestaan. louter uit evenwydig lopende vezelen, die van den bodem en als uit een middelpunt beginnen, en zig over de oppervlakte des kloots uitbreiden. De kleur is grauw. Van buiten zyn deze ballen glad, dog hebben veel kleine gaatjes, zo dat zy ’er uitzien als waren ze met ene helder grauwe korst overtogen. In de middellyn zyn zy een of anderhalven duim.
[Zand.]
Onder andere soorten van Zand, die men hier op de Oevers van het Meer Champlain vindt, zyn ’er byzonderlyk twee zeer zeldzaam, die men meest op dezelve plaats by malkander aantreft, namelyk een zwart en een roodbruin of granaatkleurig zand.
Met zwarte zand legt altyd het bovenste en bestaat uit zeer fyne korrels. Met een vergrootglas beschouwd zynde vindt men ze donkerblauw of yzerkleurig. Enigen zyn rond, dog de meesten hoekig en glanzig. In de zon glinsteren zy sterk. Zy worden allen door den Zeilsteen aangetrokken. Onder dezen vindt men enige granaatkleurige korrels, van den zelven aard als het daar onder leggend rode zand. Dit rode zand is ook zeer fyn, dog zo niet als het zwarte. De korrels hebben niet alleen de kleur van granaten, maar zyn inderdaad niets anders dan gebroken granaten. Enigen zyn rond, anderen wat hoekig, dog zy blinken allen en zyn half doorschynend. De Zeilsteen heeft ’er niet het minste vermogen op. Ook glinsteren zy niet sterk in de zon. Dit granaatzand krygt men zelden zuiver, dog het is gemeenlyk met het daaronder leggende witte kwartszand vermengd. Deze twee soorten van zand, te weten het zwarte en het rode, vindt men niet overal, maar alleen op zekere plaatsen aan den oever, en dan altyd in de zelve order. Boven op legt het zwarte zand ongevaar het vierde van een duim dik. Als men dit voorzigtig wegdoet, wordt het ondergelegene hoe langer hoe roder, tot dat het eindelyk volkomen de kleur van granaat heeft. Dit zand legt gemeenlyk een weinig dikker dan het zwarte. Wanneer men dit voorzigtig weggestreken heeft komt het witte kwartszand te voorschyn, het welk boven op zeer met het rode vermengd is, dog wat lager geheel wit wordt. Dit legt ruim vier duim diep, en heeft ronde korrels, zodat het volmaakt naar parelzand gelykt. Onder het zelve is nog een ligtgrauw hoekig kwartszand verborgen. Op sommige plaatsen legt het granaatzand boven op, en vlak daaronder het ligtgrauwe hoekige, zonder dat men ’er ene enkelde korrel van het zwarte of van het parelzand onder vinden kan.