Part 34
Het maken der schuit nam anderhalven dag weg. Om zulk ene schuit te maken zoekt men enen dikken, hogen, en zo veel als men kan, met weinig takken beladen Olm uit, die enen gladden bast heeft. Men houwt hem voorzigtig om, om den bast niet in ’t vallen te beschadigen. Sommigen klimmen op den boom, en scheiden den bast van den boom af, om hem des te minder te kwetsen. Zo deed onze schuitemaker dit maal. Men snydt met een mes den bast aan de ene zyde des booms regt door, zo lang als men de schuit maken wil. Aan beide de einden van de gemaakte snede, snydt men den bast van den stam af, ten einde hy dus te gemakkelyker zig afzonderen late. Dan schilt men den bast van den boom af, zorgdragende dat ’er geen gat in kome. Dit schillen gaat gemakkelyk in zyn werk in den tyd dat de boom vol saps is, en in andere jaargetyden legt men den boom voor ’t vuur om het afschillen te bevorderen. Den afgescheidenen bast spreidt men op den grond uit, zo dat de binnenzyde naar om laag legt. Om denzelven des te gelyker uittespreiden legt men ’er blokken en stenen op, die hem plat drukken. Dan buigt men de delen die de kanten der schuit maken moeten voorzigtig opwaards om het boord te krygen. Omtrent twee ellen van een slaat men stokken in den grond, volgens de kromme lyn, welke de zyden der schuit beschryven moeten, om daar mede den bast die ’t boord maken moet te ondersteunen. Men buigt dan de zyden in de gedaante welke de schuit moet hebben, en dan worden de stokken digter by malkander of verder van een gezet. Om de ribben van de schuit te maken neemt men dikke takken van den Hikory, dewyl dit hout zagt en buigzaam is. Men snydt die in platte stukken, enen duim dik, en buigt ze dan zo als ribben wezen moeten. Vervolgens worden zy dwars op den bodem der schuit gelegd, omtrent een span van malkander. De bovenranden van het boord worden van twee dunne latten gemaakt, die men tegens malkander legt, zynde zy plat op de plaats daar zy tegens malkander moeten komen. Tusschen deze latten steekt men den bovensten rand van den bast, en nait dien tusschen dezelven met draden van zagten bast of wortelen vast. Dog eer dit geschiedt steekt men de einden der ribben ook tusschen de latten. Dit gedaan zynde wordt alles wel t’zamen genaid. De latten worden naar de kromte die het boord hebben moet gebogen, en komen aan het voor en agtereinde van de schuit by malkander, waar zy zelfs met touwen t’zamen wel vast gebonden worden. Op dat de schuit van boven niet te wyd worde, spant men ’er drie of vier banden over heen van het ene boord tot het andere, omtrent dertig of veertig duim van malkander. Deze banden zyn meest van Hikory. Men steekt ze met de einden digt onder de boordlatten door den bast heen, buigt ze over de latten in de hoogte, en dan worden zy over het middelste van de schuit heen t’zamen met touwen wel vast gemaakt. Aan de voor en agterstevenen maakt men den bast met den aan stukken gestotenen bast van den Roden Olm, die ’er dan als werk uitziet, digt, dat ’er geen water door kome. Over de ribben in de schuit legt men andere stukken bast, om over te gaan, want anders zoude men ligt met den voet of andersins een gat in den dunnen bast van den bodem stoten kunnen. Om des te zekerder te zyn, heeft men gaarn ene dunne plank of twee om ze op den bodem te leggen. De binnenzyde van den bast komt nu aan de buitenzyde der schuit, als zynde glad, zo dat het vaartuig des te ligter door het water loopt. Het gaat niet altyd zo spoedig met dezen scheepsbouw, want somtyds gebeurt het dat als men den bast van enen boom af geschild heeft, men ’er of kwade steken en gaten in ontdekt, of dien zo dun en gebrekkelyk bevindt, dat men ’er zyn leven niet op wagen durft. Dan moet men enen anderen boom zoeken. En het gebeurt wel dat men verscheiden Olmen schillen moet voor dat men enen goeden bast bekomt. Dit is ene korte beschryving van dit soort van vaartuigen. Het gene voor ons vervaardigd wierd was zo groot dat ’er vier menschen met ons goed in konden, het welk nog iets meer bedroeg dan de zwaarte van een mensch.
Onder het roeyen met zulke schuiten moet men alle mogelyke voorzigtigheid gebruiken, om niet op enen scherpen tak van enen onder water leggenden boom of enen paal te stoten, waardoor, als men wat sterk roeide, de halve schuit zou kunnen scheuren, het welk in diep water zeer gevaarlyk zyn zoude, vooral als de schuit nog daarenboven op den tak of den paal bleef vastzitten. Ook moet men zeer voorzigtig zyn in het instappen van deze gevaarlyke vaartuigen. Men trekt uit voorzorg gemeenlyk de schoenen uit, want anders, en vooral als men ’er met enen lugtigen sprong wilde in komen, zoude men ligt met de hakken door den bodem heen trappen, het welk ook zeer gevaarlyk zyn zoude, vooral indien het kwam te gebeuren digt by ene rots, nevens welke het water zeer diep was; en zulke plaatsen zyn ’er veel op de Rivieren en Meren dezes Lands.
[Muggen.]
Nergens hadden wy in Amerika zo veel Muggen [266] gezien als hier. Zy waren zo vinnig op bloed dat wy des nagts geen oog konden toedoen, schoon wy vuur rondom ons heen hadden gemaakt. Ook vond [Woudluizen.] men hier zeer veel Woudluizen, [267] zelfs meer dan wy nog hadden ontmoet. Men was nauwlyks op den grond gaan zitten, of een gantsch heir van dezelven zat op de klederen. Wy leden van dit ongedierte niet minder dan van de Muggen. Zy waren zelfs gevaarlyk, omdat zy in de oren kruipende, zig daar invreten, en ’er bezwaarlyk uittekrygen zyn. Daar zyn voorbeelden dat zy de oren ter dikte ener vuist hebben doen zwellen. Meer hier van kan men vinden in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor het jaar 1754. [268]
De Wipperiwill liet zig byna den gehelen nagt aan alle kanten horen. Ook vlogen ’er vele Vuurvliegen door het hout.
[Fort Anne.]
Fort Anne, waar wy ons thans nedergeslagen hadden, is zo naar Koningin Anna genoemd, want in haren tyd diende het tot ene Vesting tegens de Franschen. Het legt aan de westzyde der Woodcreek, die hier maar een beekje van enen vadem breedte is, en nu zo ondiep was dat men ze doorwaden kon. Het was even als Saratoga en Fort Nicholson gebouwd. Alles was van hout. Het diende alleenlyk maar tegens stropende partyen. Het lag op ene hoogte, die schuinsch tegens de Woodcreek afliep. Het land hieromstreeks is ten dele vlak, ten dele bergagtig, en ten dele moerassig. De grond is louter aarde; en men vindt niet enen steen. Het Fort werd door den Generaal Nicholson in ’t jaar 1709. aangelegd, maar in ’t jaar 1711. wierd het, even als Saratoga en Fort Nicholson, door de Engelschen zelven verbrand. Dit gebeurde met de volgende omstandigheden. In ’t jaar 1711. besloten de Engelschen Kanada te water en te land gelykelyk aantetasten. Ene sterke vloot zeilde de Rivier van St. Laurence op om Quebec te belegeren, en de Generaal Nicholson, die zeer voor de onderneming geyverd had, toog met een sterk heir naar Montreal, om die plaats op den zelven tyd aantetasten. Dog een groot deel der vloot had het ongeluk op de Rivier schipbreuk te lyden, en was dus gedwongen terug te keren. De Generaal Nicholson kreeg hier van tyding, en men raadde hem insgelyks terugtetrekken. De Kapitein Butter, die Kommandant was van het Fort Mohawk gedurende myn verblyf in Amerika, verhaalde my, dat hy in ’t jaar 1711. zig ook by ’t Fort Anne bevonden had, en dat de Generaal Nicholson ook van gedagte geweest was de schuiten de Woodcreek af te laten zakken, toen hy narigt kreeg van het ongeluk der vlote overgekomen. De Generaal wierd over deze tyding zo moeilyk, dat hy zyne zwarte pruik in stukken zogt te scheuren, dog, die te sterk zynde, had hy ze op den grond gesmeten, en ze met voeten getrapt, uitroepende, schelmery, schelmery, verradery, verradery! Daarop deed hy het Fort in brand steken, en trok af. Men zag de stukken der verbrande palissades nog in den grond steken. Ik vroeg myne wegwyzers hoe het kwam dat de Engelschen, zo veel kosten gedaan hebbende om het Fort aanteleggen, het zo zonder bedenking vernield hadden, en zy antwoordden in hunne eenvouwdigheid dat het alleen daarom geschied was om nog eens gelegenheid te hebben van de Kroon geld aftetroggelen, ten einde op nieuws het te herbouwen; want als men dit wilde doen moest de Regering ene grote somme schieten, welke die genen, wien het werk zou worden aanvertrouwd, ten groten dele in hunne zakken zouden kunnen steken, en het overige besteden tot het maken van een armhartig Fort. Daar waren, zeiden zy, by den laatsten oorlog vele voorname lieden te Albany geweest welken hunnen armen nabestaanden hadden geweten het leveren van brood en krygsbehoeftens te doen opdragen, waardoor dezelven tot zulken staat gekomen waren, dat zy nu onder de rykste lieden van Albany geteld werden.
De hette was dien dag ongemeen sterk, vooral na den middag, wanneer het geheel stil wierd. Wy hielden ons op ter plaatse waar het Fort gestaan had. De plaats was klein, en niet beschaduwd, dog rondom van bomen omgeven, zo dat de zon de lugt als kon doen branden. Het was des namiddags zo warm als op de zweetbank in een warm bad. [269] Noit heb ik zulk ene hette gevoeld. Ik kon nauwlyks adem halen. Als ik naar de vally ging, en op den kant van de Woodcreek was, kwam het my voor een weinig draaglyker te zyn. Maar op de hoogte was het in de schaduw al zo benauwd als in de zon. Ik beproefde my wat te verkwikken door met den hoed te wayen, dog dit maakte my het adem halen byna nog bezwaarlyker. De grootste baat vond ik als ik in ene beschaduwde plaats wat water uit de beek voor my in de lugt smeet. Myne Reisgezellen werden ook geheel afgemat, dog vonden die benauwdheid by het ademen niet als ik. Tegens den avond wierd het wat koelder.
[Voortreis.]
Den 29. zetteden wy des morgens onzen togt voort, zynde nu onze schuit eindelyk gereed. Onze voorraad, die begon te minderen, deed ons zeer denken om voort te trekken, want dewyl wy door deze wildernissen alles op den rug dragen moesten, konden wy niet veel medenemen; en egter aten wy allen smakelyk. Dewyl ’er weinig water op de Woodcreek was, en daarenboven verscheiden’ omgevallen bomen over haar heen lagen, liet ik onze Wegwyzers de schuit de Rivier af arbeiden, en wandelde met Jungström langs den oever. Het land was aan beide zyden zo laag dat het in ’t voor- en najaar zekerlyk moet onder water staan. De bomen, die van meer dan een soort waren, stonden ondigt, en tusschen dezelven was veel gras. De schaduw van het geboomte zoude ons zeer aangenaam geweest zyn hadden de Muggen ons genoegen niet zeer verminderd. De grond was zeer vet.
[Beverdammen.]
Wat lager verhinderden de dammen door de Bevers in het water gemaakt onze reis niet weinig. Zy hadden allerlei takken t’zamen gesleept, en daarvan dammen dwars in den stroom gemaakt, waar zy slyk en klei tusschen gestopt hadden, zo dat ’er het water niet doorkonde. Zy hadden de takken zo net afgebeten dat men gedagt zoude hebben dat ze met een byl waren afgehouwen. Het gras daar omstreeks hadden zy plat getrapt. Wy vonden den enen Beverdam voor en den anderen na; het welk ons zeer ophield, want wy moesten eerst ene opening in de dammen maken, eer wy ’er met de schuit door konden. Wy zagen door het gras grote wegen lopen, die zonder twyffel van de Bevers gemaakt waren, welken daar de bomen zullen hebben langs gesleept.
[De Woodcreek.]
Toen de stroom wat ruimer wierd gingen wy in de schuit zitten, en voeren hem af. Hy was niet boven de drie vadem breed. Op sommige plaatsen had hy niet boven enen vadem wydte, en hy was dikwyls zo ondiep dat de schuit grond raakte. Dog op anderen had hy meer dan enen vadem waters. Somtyds was ’er veel, somtyds weinig strooms. In ’t eerst waren de kanten laag, naderhand verheven. Hier en daar zag men ene rots. Wy merkten op dat het water diep was overal daar men rotsen vernam. De rotsen bestonden uit enen grauwen kwarts vermengd met enen grauwen kalksteen, leggenden in beddingen. Het water was zeer helder. Hier en daar liepen paden van den stroom landwaards, zynde van de Bevers, of van andere dieren, die hier kwamen drinken, gemaakt. Na omtrent drie Eng. mylen gevaren te hebben kwamen wy op ene plaats daar nog een vuur te branden lag, en dagten toen weinig dat wy den vorigen nagt nauwlyks den dood ontsnapt waren, gelyk wy dezen avond vernamen. Verscheidene bomen, dwars over den stroom, en vele Beverdammen, verhinderden ons spoed te maken.
[Gevaar waar in de Schryver was.]
Tegens den avond ontmoetten wy enen Franschen Sergeant met vyf man, zynden van den Kommandant van Fort St. Frederic afgezonden, om drie Engelschen naar Saratoga te geleiden, en ze des noods tegens zes Fransche Amerikanen te beschermen, die op de Engelschen te loeren lagen, om zig over den dood van den Broeder van enen dezer Wilden te wreken, die in den laatsten kryg door de Engelschen was doodgeschoten, op die zelve plaats daar nu de Wilden de Engelschen wilden waarnemen. De vrede was wel alreeds gesloten; dog alzo die in Kanada nog niet uitgeroepen was, zo meenden de Wilden regt te hebben dus te werk te gaan. Zy gingen in stilte, tegens het verbod van den Gouverneur van Montreal aan, weg, en begaven zig naar de Engelsche planteryen. Wy erkenden de voorzorg des Hemels voor ons in opzigt dezer bloeddorstige Barbaren. Den gantschen dag zagen wy dat het gras langs den stroom was plat getreden, zo dat ’er binnen kort menschen moesten langs gegaan zyn. Dog wy vermoedden geen gevaar, denkende dat alles in rust en vrede was. Wy hoorden naderhand dat het deze wraakzugtige Wilden waren geweest die het gras hadden neergetrapt en het vuur aangelegd, dat wy nog brandende gevonden hadden. De gewone weg dien zy hadden moeten nemen was juist dezelve dien wy langs gekomen waren; dog zy waren gemakshalven langs enen ongebaanden weg oostwaards gegaan. Zonder dat hadden zy ons onfeilbaar aangetroffen, en, daar zy ons voor Engelschen zouden hebben aangezien, zouden zy ons ligt hebben kunnen overvallen en doodschieten. Wy waren niet weinig aangedaan toen wy van de Franschen hoorden in welk een gevaar wy geweest waren. Hier bleven wy den nagt over. En schoon de Franschen ons sterk raadden van niet voort te reizen, maar liever met hun naar de naaste Engelsche Bezitting terug, en van daar verder naar Fort St. Frederic te gaan, besloot ik egter om onder de bescherming van God onze reis den volgenden dag te vervolgen.
[Duiven.]
Wy zagen dezen dag zeer vele wilde Duiven, welken somtyds des winters in zo verbazende menigte naar de Engelsche volkplantingen zuidwaards afkomen. Zy vlogen met grote hopen in de wildernissen. Zy nestelden in de bomen, en maakten daar den gehelen nagt over een groot geraas en gekir. De Franschen schoten ’er velen van, en deelden ons mede van de vangst. Toen wy ze openden vonden wy zeer veel Olmzaden in de kroppen. Wy zagen hier weder de voorzorg in van den alwyzen Schepper. De zaden van den Roodbloemigen Ahorn, die hier veel wast, worden in Mai ryp, en vallen dan in grote menigte af. Zy dienen in dien tyd tot onderhoud dezer duiven. Daar op komen de zaden van den Olm tot rypheid, die haar dan tot voedsel dienen, tot den tyd toe dat ’er weer andere zaden ryp zyn. Het vleesch dezer Duiven is het lekkerste van alle gevogelte.
[Omvallende bomen.]
Alle avonden en nagten hoorden wy bomen kraken en vallen, schoon het dood stil was. Waar dit van daan kome weet ik niet. Zou wel de dauw of iets anders de aarde aan den voet der bomen des nagts losmaken? Of zoude het komen van het overwigt van takken aan de ene zyde? Zoude ’er wel misschien des nagts zo vele wilde Duiven aan enen kant van enen boom komen zitten, dat hy daarvan omvalt? Misschien begint de boom eerst allengskens naar ene zyde overtehellen, tot dat hy eindelyk omstort. Als het wait houdt men het gevaarlyk in de bosschen te zyn, van wegen de menigte van omvallende bomen. En al is het stil zo loopt men dog gevaar. Wy zagen in deze wouden gantsche streken waar de bomen door de stormen waren omver gesmeten, leggende allen in ene rigting.
[Thee.]
De Thee, die wy uit China krygen, wordt van sommigen hoog geschat, van anderen veragt. Ik denk dat wy ’er niet by verliezen zouden al hadden wy nog Thee nog Koffi; ook zou ons dit veel gelds besparen. Egter moet ik tot lof der Thee zeggen, dat zy des zomers by het reizen door grote wildernissen, daar men nog wyn nog enigen anderen drank kan mede voeren, zeer wel te pas komt, vooral daar het water meest vol van Insekten of bedorven is. Dan is het goed het op te koken, en ’er thee in te doen. Ik kan niet beschryven hoe verkwikkelyk zy dan is voor den verhitten Reiziger. Zy is op zulke reizen byna al zo noodzakelyk als eten. [270]
Den 30. des morgens gaven wy onze schuit den Franschen over, om ’er hunnen voorraad in te vervoeren, want wy konden ze niet langer gebruiken ter oorzake der menigte bomen, die de Franschen met voordagt in den laatsten oorlog in de Woodcreek gesmeten hadden, om den Engelschen het invallen in Kanada te beletten. Zy integendeel stonden ons toe ene van hunne basten schuiten te nemen, die zy omtrent zes Eng. mylen verder terug gelaten hadden. Wy zetteden dan in ’t eerst onze reis te voet langs den oever voort. Het land was gelyk, hier en daar had het maar enige dalen. Overal was het met zwaar hout bewassen, de meeste bomen waren Beuken, Olmen, Amerikaansche Linden, en Suikerahornen. Het geboomte stond niet digt, en de grond was vet.
[De Landsdouw.]
Eindelyk kwamen wy op de plaats daar de schuiten der Franschen lagen, wy namen ’er ene van, en voeren ’er den stroom, die nu ongevaar agt of negen vadem breed wordt, mede af. Het land was aan weerskanten gelyk en niet zeer hoog. Hier en daar zagen wy enen berg, welks stenen uit enen grauwen kwarts, met fyne korrelen van enen grauwen spaath vermengd, bestonden. Ook waren ’er zwarte strepen in, dog zo fyn dat ik niet zien konde waaruit zy zamengesteld waren. De bergen bestonden uit beddingen, elke omtrent een vierde van ene el dik. De beddingen lagen noord en zuid, dog niet horizontaal, maar wat lager naar het noorden. Verder weg zag men ter zyde der Rivier hoge en steile bergen, ten dele vol houts. Op andere plaatsen waren de oevers veenagtig, en dreunden onder de voeten, gelykende veel naar de kanten van moerassen die men wil droog maken. Waar het land leeg was vond men niet eenen steen. Het was, waar gene bergen waren, met hoge Olmen, Amerikaansche Linden, Suikerahornen, Beuken, Hikory, enige Waterbeuken en Witte Walnootbomen bewassen.
Ter linkerhand zagen wy ene oude vervallen’ Vesting, bestaande uit op malkander gestapelde stenen. Dog niemant wist te zeggen of zy van de Wilden dan van Europers aangelegd was.
[De Schryver verdwaalt.]
Wy hadden den gantschen namiddag groten spoed gemaakt, niet twyffelende of wy waren op den regten weg; dog wy bedrogen ons. Tegens den avond vonden wy dat het gras in ’t water met de toppen tegens ons stond, ten teken dat wy tegens stroom voeren, daar, zo wy op den regten weg waren, wy den stroom mede hadden moeten hebben. Ook merkten wy, uit de dwars over het water leggende bomen, dat ’er niemant binnen korten kon door gevaren zyn, en zagen de voetstappen niet der Franschen die, als zy ’er waren heen gekomen, de schuiten over het land zouden hebben moeten voortbrengen. Eindelyk zagen wy ook stukken houts ons te gemoet dryven, zo dat het zeker was dat wy den stroom tegen hadden. Wy wierden dan duidelyk gewaar dat wy ten minsten twaalf Eng. mylen ver verkeerd geroeid waren. Dus waren wy tot ons leedwezen genoodzaakt tot diep in den nagt terug te roeyen. Wy verbeeldden ons dikwyls uit angst, dat het niet missen kon of de Wilden, die uit waren gegaan om Engelschen te vermoorden, moesten ons vinden. Met al ons roeyen evenwel waren wy niet in staat dien dag weder op de plaats te komen daar wy het regt Kanaal gemist hadden.
De oevers gaven tegens den avond enen zeer lieflyken geur. Wy hadden egter den tyd niet te onderzoeken welke bloemen dien reuk veroorzaakten, dog het zullen waarschynlyk die van de Asclepias Syriaca en het Apocynum Androsæmifolium geweest zyn.
Ook rook men de Muskusratten sterk tegens den avond. Zy hadden hunne holen in de kanten van het water.
[Vrees voor de Wilden.]
Den nagt bragten wy op een Eiland door, daar ons de heiren van voor de Muggen gene rust lieten. Wy dorsten geen vuur maken om ze te verdryven, uit vreze van de Wilden daar door tot ons te trekken. Het geen onze bekommering nog zeer vergrootte was, dat wy des nagts de honden der Amerikanen, schoon ver van ons af, in de bosschen hoorden blaffen.
[Landsdouwe.]
Den 1. Juli gingen wy met het aanbreken van den dag op reis, en moesten ene goede wyl roeyen eer wy op de plaats kwamen daar wy ons den vorigen dag bedrogen hadden. Het land daar wy langs voeren was het magerste ’t welk men zou kunnen zien. Men zag niets anders dan den enen hemelhogen berg na den anderen. Zy waren met hout overwassen, steil en glibberig op de kanten, zo dat wy grote moeite hadden om ene plaats te vinden daar wy aan land komen konden, om ons eten klaar te maken. Aan beide de zyden der Rivier stond het land, dat vlak was, onder water. Om die reden wordt deze gehele oord enige mylen ver, door de Hollanders te Albany, de verdronkene landen genoemd. Enigen der bergen leggen zuid-zuid-west en noord-noordoost. De oever, waar de Rivier tegens de bergen stiet, was ene loodregte steilte, vol van grote en kleine stenen. Enige mylen lang liep de Rivier van ’t zuiden naar ’t noorden.
Den gantschen dag woei het uit het noorden, en ons tegen, zo dat wy moeite hadden voorttekomen. Ieder van ons roeide uit alle magt, want by ons ontbyt was ons eten geheel opgeraakt. De Rivier was hier wel ene Eng. myl breed, dog wierd somtyds weer smalder; meest was zy egter wyd, en had op de kanten hoge bergen.
Des avonds om zes uur kwamen wy aan ene landengte omtrent twaalf Eng. mylen van Fort St. Frederic. Agter deze landengte wordt de Rivier tot ene ruime bai. Dewyl wy vermoeid waren en den wind steeds sterk tegen hadden, konden wy dien dag niet verder komen. Dus moesten wy hier ons nagtverblyf kiezen, ongeagt den honger die ons moest voortdryven.
Het was ene byzonder gunstige schikking van God dat wy op onze reis de Fransche Soldaten ontmoetten, en van hun ene basten schuit kregen om voorttekomen. Het gebeurt nauwlyks eens in drie jaren dat de Franschen dezen weg nemen als zy naar Albany willen. Zy gaan meest over het Meer St. Sacrement, [271] welke weg nader en veel beter is. Dus verwonderden zig alle menschen dat zy dezen weg gekozen hadden. Indien wy hunne grote basten schuit niet gekregen, en ons met de onze hadden moeten behelpen, zoude het ’er met ons misselyk hebben uitgezien. Want ons met zo slegt een vaartuig op zo groot een water, als deze bai is, te wagen, zoude de uiterste roekeloosheid geweest zyn. En zo wy op stilte hadden gewagt, waren wy van honger gestorven. Want daar wy geen schietgeweer by ons hadden, en ’er ook in deze woestenyen weinig wild is, zo zouden wy van kikkers en slangen hebben moeten leven, van de welken, en inzonderheid van de laatsten, ’er hier ene bystere menigte is. Ik kan noit aan deze reis denken zonder met den grootsten eerbied de gunstiger schikking van den genadigen Schepper te erkennen.
Den 2. gingen wy weder in de vroegte op reis, zelfs nog by maneschyn, uit vrees van weder den wind tegen te krygen als wy sammelden. Wy roeiden allen zo sterk als wy konden, en kwamen om agt uur [Fort St. Frederic.] des morgens gelukkig te Fort St. Frederic aan, het welk van de Engelschen Crownpoint genoemd wordt. Wy werden zeer gunstiglyk van den Kommandant, den Heer Lusignan, ontvangen. Hy was een man van omtrent vyftig jaren oud, zeer aangenaam, en in de wetenschappen wel ervaren. Hy had deze Landen nauwkeurig doorreisd, en bezat dus vele kundigheden aangaande den toestand derzelven.
[Droogte.]