Reis door Noord Amerika

Part 33

Chapter 333,481 wordsPublic domain

Wat hoger de Rivier opgekomen zynde zagen wy een Amerikaansch Vrouwspersoon, zittende met een jongetje in een schuitje van bast, en enen Amerikaan, die, met ene grote muts op ’t hoofd, door het water [Wilden bezogt.] waadde. Vlak daar by lag een Eiland, waarop zig nu vele Wilden om Steuren te vangen ophielden. Wy gingen naar hunne hutten, om te zien of ons niemant van hun naar Fort St. Frederic begeleiden wilde. Als wy ’er in traden waren alle de mans uit op de jagt, weswegen wy de kinderen overreden moesten om ze te gaan opzoeken. De loon dien zy daarvoor kregen bestond in twintig kleine broodtjes, want ziende dat wy verlangden de ouden te spreken, wisten zy allerlei zwarigheden te opperen tot dat men hun zo veel beloofde. Het Eiland kwam den hier wonenden Hollanderen toe, die het tot bouwland gemaakt hadden. De Wilden hadden het van hun in pagt, en hadden ’er mais en verscheiden’ soorten van kawoerden geplant. Zy hadden hier enige hutjes, of zogenaamde Wigwams, die zeer eenvouwdig waren. Zy bestonden uit vier regt op geslagene palen, waarop zy dwarsstokken gelegd, en het met een dak van bast overdekt hadden. Muren waren ’er of in ’t geheel niet, of zy bestonden uit takken met de bladeren ’er aan, die aan de stokken waren vastgemaakt. Hunne bedden waren hertenvellen op den grond gespreid. Het huisraad bestond in een paar kleine ketels, twee lepels, een paar basten emmers, die zo digt waren dat ’er het water niet door kon. Het vleesch der Steuren was in langwerpige stukken gesneden, en te drogen in de zon gehangen, om tot wintervoorraad te verstrekken. De vrouwen zaten buiten op den heuvel op hertenvellen te werken. Zy gebruiken noit stoelen, maar zitten plat op den grond, met de benen, niet kruisgewys, meer buitenwaards onder zig gebogen, zo dat de aars tusschen de beide voeten komt. De Vrouwen waren allen bloothoofds, en hadden pekzwarte hairen. Zy droegen enen korten blauwen rok, die tot op de knien hing, en van onderen met rode of andere koorden omzet was. Zy droegen grote oorringen, en de hairen waren van agteren t’zamengebonden en met linten omstrikt. De Wampums hingen om den hals tot op de borst. Dit zyn hare parelen en geld. Zie daar haren gehelen opschik. Zy maakten allerhande dingen van beestenvellen, waaraan zy de pinnen der stekelvarkens vast naiden, die zy zwart of rood geverwd, of by derzelver natuurlyke witte kleur gelaten hadden.

Tegens den avond begaven wy ons naar ene Landhoeve aan de Rivier gelegen, waar wy maar enen man vonden, bezig om de mais en het ander koorn te bezigtigen, zynde de bewoonders van het huis zedert den oorlog niet terug gekomen.

[Kreeften.]

Men vindt hier kreeften in de beekjes, volkomen gelyk aan de onzen, dog wat kleinder; maar de Hollanders wilden ’er niet van eten.

Den 23. wagtten wy des morgens lang naar de Wilden, die beloofd hadden by ons te komen, om ons den weg naar Fort Anna te wyzen, en ons te helpen ene schuit van boombast te maken, waarmede wy onze reis konden voortzetten. Om agt uur kwamen ’er eindelyk drie mansperfonen. Zy hadden, gelyk gemeenlyk, pekzwarte en kort gesneden hairen, droegen ligtgroene kleedtjes om de schouders, en doeken of vellen, die om de benen en een stuk der dyen gewonden waren. Dog zy hadden nog hoeden, nog mutsen, nog koussen. Twee van hun hadden het bovenste van het voorhoofd en de wangen vermilioen geverwd. Om den hals hadden zy enen band, waaraan een zakje op de borst hing, in het welk zy hunne messen bewaarden. Zy beloofden eindelyk om voor dertig schellingen ons te geleiden, dog braken weder hunne belofte, en gingen met enen Engelschman heen, die hun meerder gaf, zo dat wy op onze reis gene geleiders vinden konden. Egter bragten zy ons de vyftien schellingen weder, die zy op hand gekregen hadden.

[Het land in den kryg verwoest.]

Ons laatste nagtverblyf was omtrent tien Eng. mylen van Albany af. By den laatsten en pas geeindigden oorlog waren alle de menschen naar Albany gevlugt, vermits de Franschgezinde Wilden alles vermoordden of gevangen namen wat hun voorkwam, de huizen overal in brand staken, en het geboomte omhieuwen. Dus zag het ’er bedroefd uit toen de menschen, weder naar hunne woonplaatsen willende keren, gene huizen vonden, en genoodzaakt waren onder schuinsch tegens malkander gezette planken te slapen. De Rivier was hier omtrent een musketschoot breed, en aan beide zyden was het land bebouwd. De oevers waren steil, en de grond zag ’er bleek uit.

[Vlierboom.]

De Westersche Vlierboom was veelvuldig op de heuvels, die ’er geheel wit van waren, want hy stond in vollen bloei.

[Moeilykheid der reis.]

Wy hadden dezen gantschen dag den enen stroom voor en den anderen na aangetroffen, allen vol van stenen, het geen de reis zeer moeilyk maakte. Het water in de Rivier was helder, niet boven twee ellen diep. Het liep sterk af en bruischte tegens ons vaartuig. De oever lag vol van keistenen en grauw zand. De hoogtens bestonden uit aarde, waren verheven en loodregt. Twee musketschoten omtrent zal de Rivier breed zyn. Het land was hier en daar bebouwd, en hierendaar met bosschen bedekt.

[Klaver.]

De hoogtens waren vol van rode of witte klaver. Beide de soorten zagen wy dien en de volgende dagen zeer veel in de bosschen. Dus wist men niet met zekerheid te bepalen of zy uit Europa overgebragt is, zo als sommigen menen, dan of zy hier al van ouds is geweest, het welk de Wilden ontkennen. De Porcelein wies hier veel op zandgronden; dog zy was in de moestuinen een der lastigste onkruiden. Allengskens begonnen nu de menschen naar hunne woonplaatsen terug te keren, die de laatste kryg hen gedwongen had te verlaten. De Landhoeven lagen of aan de Rivier of op de hoger gronden, en zy waren, gelyk in dit Land gewoonlyk is, van boomgaarden en grote bouwlanden omringd.

[Muskusratten.]

Wy zagen vele holen van Muskusratten, [260] gelyk met de oppervlakte van ’t water, van de grootte dat ’er ene kleine kat zou kunnen in kruipen. Voor dezelven lagen vele mosselschelpen, die de Ratten uitgegeten hadden. [261] Men vangt ze in vallen, welken men aan ’t water stelt, en daar mais of appelen worden in gedaan.

[Bomen.]

De Sassafrasbomen waren hier tamelyk talryk, dog klein. Hierendaar zag men enen Kastanjeboom. De Cratægus Crus Galli stond in de schraalste gronden, en had lange doornen; zo dat men ’er zeer goede hagen van zou kunnen maken.

Wy namen onzen intrek des avonds by enen Boer, die eerst weder op zyne hoeve gekomen was. Zyn huis was verbrand, dog hy had zyne schuur behouden. Deze Landhoeve was de laatste van de Provincie New York aan den kant van Kanada, waar de gebouwen nog waren blyven staan. Verder op behielpen zig de menschen onder hutten van planken.

Wy zetteden den 24. onze reis voort. Het land was aan beide de zyden der Rivier meest vlak, hierendaar wat bergagtig, en bestond meest uit magere dennebosschen. Hierendaar waren koornlanden en weiden, dog het meest was bosch. Op de Rivier hadden wy van Albany af tot halfwege Saratoga den stroom sterk tegen gehad, dus wy veel moeite hadden optekomen. Hierna egter wierd de Rivier enige Eng. mylen lang zeer diep en het water stil. De oevers waren zeer steil, dog niet zeer hoog. De Rivier was omtrent twee musketschoten breed. Na den middag kreeg zy ene andere rigting. Tot nog toe had zy van ’t noorden naar het zuiden gelopen, en nu liep zy van ’t noordnoordoosten naar het zuidzuidwesten, en somtyds van ’t noordoosten naar het zuidwesten.

[Mieren.]

Men vindt hier te lande niet vele Mierhopen. Ik weet niet enen enigen gezien te hebben voor ik aan den Waterval van Kohoes kwam. Heden namen wy ’er enigen in de bosschen waar. De Mieren waren van het zelve soort als de onzen. [262] De hopen bestonden meest uit enen vermolmden steen gelykenden naar Lei, dien men hier vond, hebbende de Mieren niets anders daartoe.

De Kastanjebomen stonden verspreid in de bosschen. Ook vindt men hier wilde Moerbezien, dog zeldzaam. En hier was de noordelykste plaats daar men ze vond. Peen troffen wy dagelyks in ’t wild aan, dog maar op plaatsen daar het land bebouwd was, of voorheen bebouwd was geweest. De Hennip wies in ’t wild by oude planteryen.

[Woudluizen.]

[Bomen.]

De bosschen waren vol van Woudluizen, die ons zeer lastig waren. De Thuija occidentalis begon men aan den waterkant te zien wassen. Voor dezen had ik ze niet vernomen. De bomen die wy langs den oever zagen groeyen waren, Olmen, Berken, witte Dennen, Elzen, Linden, Kornoeljes, rode Willigen en Kastanjes. De Amerikaansche Vlierboom en de wilde Wyngaarden vertoonden zig maar op zulke plaatsen daar het land een weinig bebouwd was, als zogten zy beiden het gezelschap der menschen. De Linden en de witte Walnootbomen waren het talrykst. De Haagbeuken met opgeblazen zaadhuisjes [263] zag men nu en dan; dog men vernam nog Waterbeuken nog Waterpopulieren meer. Zwarte Aardeekhoornen lieten zig dikwyls zien.

[Wilden.]

Wy ontmoetten op enigen afstand van Saratoga twee Amerikanen in hunne basten schuitjes. Deze vaartuigen kunnen nauwlyks meer dan een mensch voeren. Digt by Saratoga wordt de Rivier wederom ondiep en stroomt sterk. Het land lag woest ter oorzake van den oorlog, zynde anders bebouwd.

[Saratoga.]

Saratoga is een soort van Vesting geweest, door de Engelschen van hout gebouwd tegens de aanvallen der Fransche Wilden, en om als een voormuur voor Albany te dienen. Het lag op ene hoogte op de oostzyde der Hudson. Het bestond uit dikke palen van tusschen de twee en drie vadem langte die in den grond geslagen waren, als palissades, digt by malkander, makende een vierkant, elke van welks zyden omtrent een musketschoot lang waren. Op de hoeken waren blokhuizen, en binnen de palissades de barakken, alles van hout. Het is tot in den laatsten kryg in wezen en bezet gebleven, tot dat in ’t jaar 1747. de Engelschen zelfs het in brand staken, kunnende het daar niet langer tegens de Franschen en de Wilden houden. Want zodra zy maar even by de Vesting kwamen, lagen de laatsten in hinderlagen, en namen ze gevangen of schoten ze dood. Onder andere krygslisten, die men hier gebruikte, wil ik ’er maar ene aanhalen, die my zo wel van Engelschen als Franschen, die ’er by tegenswoordig geweest zyn, verhaald wierd. Ene party Franschen en Amerikanen slopen des nagts in een kreupelbosch, dat niet ver van de Vesting aflag, en verstaken ’er zig in. Des morgens gingen, volgens afspraak, enige Wilden naar dezelve toe, en bespiedden ze. De Engelschen vuurde uit de verte op hun, en de Wilden hielden zig als of zy geraakt waren, vielen ter aarde, sprongen weder op, gingen een weinig, en vielen weder neer. Ruim de helft der bezetting viel daarop uit, om ze gevangen te nemen; dog zodra dezen ver genoeg waren, sprongen de Franschen op, kwamen uit het kreupelhout tusschen de Vesting en de Engelschen te voorschyn, sneden hun den aftogt af, en namen ze gevangen. Nauwlyks hadden die van binnen het Fort den tyd om de poorten toetekrygen. En egter dorsten zy op hunne vyanden niet schieten, uit vrees van hunne eigene spitsbroeders te treffen; dog moesten het hartzeer verduren van te zien hoe die door den vyand voor hunne ogen en onder hun geschut werden weggesleept. Door diergelyke konstgrepen maakten de Franschen het den Engelschen binnen de Vesting zeer moede. De afgebrande palissades stonden nog. Vlak by de Vesting lag een Eiland in de Rivier, het welk bekwamer zyn zoude om ’er een Fort op te bouwen, dan de vorige plaats.

Het land beneden Saratoga was aan beide de zyden der Rivier vlak, en de grond goed. De oevers waren hoog en steil, en zyn van aarde. Noordwaards aan zagen wy boschagtige bergen. De Inwoonders van dezen oord waren allen van Hollandsche afkomst, en haatten de Engelschen geweldig. Den nagt bragten wy door in ene planken hut, door de landlieden opgeslagen.

[Zaagmolens.]

Voor den oorlog waren hier verscheiden’ zaagmolens geweest, die grote voordelen hadden aangebragt, dewyl hier veel hout valt. De planken wierden in ’t voorjaar als ’er veel water op de Rivier was in vlotten naar Albany en New York gevoerd. Thans zyn zy allen verbrand.

[Waterval.]

Den 25. ’s morgens gingen wy weder op reis de Rivier op. Na ruim ene Eng. myl afgedaan te hebben, kwamen wy by enen vry sterken Waterval, die ons een goed deel van den dag werk verschafte eer wy ’er de Kano konden over krygen. Onder den Val was de Rivier zeer diep, hebbende het vallende water den bodem uitgehold. Overal bevond men by de klippen in de Rivier ene grote diepte, somtyds tot boven de vier vadem, doordien het water tegens de klippen aanstotende en terug gekaatst den grond uitholde. Boven den Val wierd de Rivier weer zeer diep, ’er ging weinig stroom, en by de oevers wierd het water eensklaps zeer diep. Tot aan het Fort Nicholson toe waren de beide zyden der Rivier met zware bosschen bewassen. Na enige mylen geroeid te hebben kwamen wy op enen anderen nog hoger en moeilyker Waterval.

[Reuzenpotten.]

Men zag hier vele Reuzenpotten [264] by den Val in de rots die dwars in de Rivier lag, en over dewelke het water viel. Nu was de rots meest bloot en droog, hebbende de Rivier in dit jaargetyde maar weinig waters. Sommigen van deze Reuzenpotten waren rond, anderen langwerpig. Op den bodem derzelver lagen steentjes of grof zand in menigte. Enigen waren over ’t kruis anderhalve el, anderen kleinder. De diepte was ongelyk, by sommigen vond ik die wel derdehalve el te belopen. Ik konde hier duidelyk zien dat zy door het omdrayen van stenen of zand in het water ontstaan waren.

[De Kano verlaten.]

Ons voornemen was geheel tot Fort Nicholson met de Kano te varen, het welk ons zeer gemakkelyk geweest zou zyn; dog wy konden den bovensten Waterval niet over komen, want de Kano was te zwaar en ’er was zeer weinig water; het liep maar op ene enige plaats over de rots, en op die plaats was de stroom te sterk om daar tegen op te arbeiden. Wy waren dan gedwongen de Kano daar te laten, en ons goed door ongebaande bosschen tot Fort Anne op de Rivier de Woodcreek te dragen, het welk omtrent een weg is van zeven of agt Zweedsche mylen, zo dat wy in de sterke hitte niet weinig afgemat werden. Op sommige plaatsen was ’er geen ander middel om over de rivieren te geraken, dan grote bomen omtehouwen en ’er die over heen te leggen. Het land dat wy dezen namiddag doorwandelden was gelyk, zonder bergen en stenen, en doorgaans met zwaar geboomte bewassen. Overal zag men ene menigte omgevallen bomen, dewyl zig hier niemant van het hout bediende. Den nagt bragten wy in ’t bosch door, zeer gekweld wordende van muggen en woudluizen, en zonder te kunnen slapen uit vrees voor de Slangen.

Den 26. trokken wy in de vroegte verder door het woud langs de Hudson. Hier was wel een oude weg die naar Fort Nicholson ging, dog hy was zo bewassen dat wy werk hadden hem te ontdekken.

[Fort Nicholson.]

Het Fort Nicholson was ene plaats op de oostzyde der Hudson, daar voorheen ene houte Vesting gestaan had. Wy kwamen ’er een weinig voor den middag aan, en rustten ’er een wyl uit. Tot het begin van den laatsten oorlog hield zig hier de Overste Lydius op, voornamelyk om enen sterken handel te dryven met de Fransche Wilden. Dog in den oorlog leiden zy zyn huis aan kolen, en ontnamen hem zynen Zoon. De Vesting lag op ene vlakte; dog de plaats was nu met hout bewassen. Het Fort werd in ’t jaar 1709. by gelegenheid van den oorlog met de Franschen aangelegd, en was zo genoemd naar den toenmaligen dapperen Generaal Nicholson. Het was veeleer een magazyn voor het Fort Anne dan ene vesting. Toen in ’t jaar 1711. de aanslag ter zee der Engelschen tegens Kanada mislukte, staken zy het zelven in brand. De grond scheen hier vry goed. De Hudson stroomde hier digt voorby.

[Vertrek van daar.]

Wat na den middag gingen wy weder op reis. Tot nog toe waren wy den oosteroever der Hudson gevolgd, en hadden het regt op het noorden aangehouden, dog nu veranderden wy van weg, nemende dien oostnoordoost of noordoostwaards aan, dwars door de bosschen en de woestenyen heen, om de Rivier Woodcreek te bereiken, en dus te water naar Fort Frederic te kunnen komen. Het land dat wy nu doorwandelden was meest vlak en laag. Hierendaar zag men een beekje, die egter meest droog waren. Ook zag men enige kleine hoogtens, dog gene bergen of stenen. Overal was het land met hout bedekt. De bomen stonden digt by malkander, en gaven dus ene treffelyke schaduw. Dog dit genoegen wierd door de ontelbare menigtens van muggen gestoord, waarvan de bosschen vol waren. Men vond hier vele planten, die egter ver van malkanderen stonden, byna als in onze bosschen daar het vee ze vernield heeft, schoon hier noit vee geweest was. De grond lag overal dik met bladeren. Op andere plaatsen wies ’er veel mos. Het aardryk was doorgaans zeer goed, en bestond uit ene dikke tuinaarde, dewelke den planten enen goeden wasdom verschafte. Dus scheen het een zeer vrugtbaar land te moeten worden als het wel bebouwd werd. Dog men vond hier weinig lopend water.

Wy namen ons nagtverblyf in de woesteny by een beekje, op dat wy geen gebrek aan water zouden hebben, het welk men in dit jaargetyde in de bosschen niet overal vond. Dog de muggen, de Punchins en woudluizen plaagden ons zeer. Behalven dat dreef ons de vrees voor de Slangen en nog meer voor de Wilden den slaap uit de ogen.

[Punchins.]

Punchins, gelyk ze de Hollanders noemen, zyn een klein soort van muggen, [265] die men hier zeer veel aantreft. Zy zyn zeer klein, en hebben grauwe vleugels met zwarte spikkeltjes. Dezen waren tienmaal erger dan de grote muggen, want men konde ze wegens hare kleinte kwalyk zien, men vond ze overal, en zy waren niet bang. Zy veroorzaakten ene pyn ter plaatse waar zy gestoken hadden als of men zig gebrand had.

Des nagts hoorden wy grote bomen van zelven omvallen, schoon het zo stil was dat ’er zig geen blad bewoog. Dit vallen maakte een schrikkelyk gekraak in de stilte.

[Voortreis.]

Den 27. zetteden wy onzen togt in de vroegte voort. Het land bleef al even als gisteren gesteld, alleen zagen wy enige heuvels. ’s Morgens hoorden wy zeer duidelyk het geluid van enen Waterval in de Hudson.

[Hindernissen.]

Overal lagen vele bomen, die door den wind omgesmeten of van ouderdom omgevallen waren. Dog daar waren ’er genen omgehouwen dewyl het land niet bewoond is. Deze omgevallene bomen belemden onzen togt schrikkelyk, dewyl zy de doorgangen toestopten, en de Ratelslangen gedurende de hette van den dag zig daar het meest onthielden.

[Fort Anne.]

Om twee uur na den middag kwamen wy by ’t Fort Anne aan. Het legt aan de Rivier Woodcreek, die hier by haren oorsprong niet meer als een beekje is. Wy bleven hier den gehelen dag en den volgenden, om ene schuit van bast te laten maken, dewyl wy anders onmogelyk de Rivier af te Fort St. Frederic komen konden. Gelukkig was het ook dat wy hier waren, aangezien een van onze Wegwyzers ziek wierd, en niet in staat geweest zou zyn te voet verder te reizen, en zyn pakkadie te dragen. Was hy nog zieker geworden zo zouden wy hier hebben moeten blyven, dog die zouden ons zeer kwalyk gekomen zyn, nadien wy ons in ene woesteny bevonden, daar wy genen nieuwen voorraad zouden hebben kunnen krygen, en in den tyd van drie of vier dagen by gene menschen konden komen. Nu kon de zieke uitrusten en herstellen.

By ’t Fort Anne vonden wy ene menigte van Muizen van het gemene soort. Misschien zyn dezen wel afkomelingen van die welken met den voorraad voor de Bezetting, toen de Vesting nog in wezen was, herwaards gebragt zyn.

Hier stonden enige Appel- en Pruimbomen. Zonder twyffel zyn zy hier geplant geworden, toen de Vesting nog in staat was.

[Olmen.]

De Amerikaansche Olmen wiessen hier in menigte. Daar zyn twee soorten van. Het ene wordt de Witte Olm genoemd, om dat de boom van binnen wit is. Dit soort was talryker dan het andere, dat men den Roden Olm noemt, om dat het hout roodagtig is. Van den bast des [Schuiten van bast.] Witten Olms maakte men de hier gebruikelyke bastschuiten, om dat die bast zagter is als die van andere bomen. Met den schors van den Hikory nait men den bast der Olmen t’zamen, en met die van den Roden Olm maakt men de einden van de schuit digt. Men klopt den bast tusschen twee stenen, of by gebrek van die tusschen twee stukken houts.