Part 32
De Vesting legt hoger dan de andere gebouwen, op enen ten westen der stad gelegenen berg. Het is een groot stenen huis met hoge dikke muren. Dog de legging is slegt, en het kan alleenlyk dienen tegens plunderende partyen, maar gene belegering doorstaan, vermits ’er verscheiden’ hoogtens van aarde ten westen leggen, die de Vesting bestryken, en hoger zyn dan zy, zo dat men alles zien kan wat ’er binnen geschiedt. De hoogtens ten westen der Vesting ryzen gedurig. Hier legt gemeenlyk ene bezetting. In de Vesting is een put die altyd vol waters is.
[Handel.]
Voor den handel legt deze Stad vry voordelig. De Hudson loopt ’er vlak voorby, en is hier van twaalf tot twintig voet diep. Men heeft nog geen bekwaam hoofd ter lading voor de Jagten aangelegd. Dog de hier gebruikelyke vaartuigen kunnen vry digt aan den oever geladen worden. Als men zware vragten op de Jagten brengen wil, bindt men twee kanoos in de breedte aan malkander, en brengt ze dus aan boord. De Stad dryft inzonderheid op New York enen sterken handel in pelteryen, planken, koorn, meel, erwten, timmerhout, en andere waren. In alle de Engelsche Volkplantingen is gene plaats, uitgenomen aan de Hudson’s Bai, waar men zo veel pelteryen van de Inlanders bekomt als hier. Alle de kooplieden alhier zenden in ’t voorjaar enen bedienden naar Oswego, ene Engelsche handelplaats, gelegen aan het grote Meer Ontario, waar de Wilden hunne waren brengen. Ik zal in ’t vervolg hiervan omstandiger spreken. Hier houden zig de Albanische kooplieden den gantschen zomer op, en dryven enen sterken handel met velerlei soorten van Amerikanen, die daar met hunne pelteryen komen. Verscheidenen hebben my verzekerd, dat zy somtyds de Wilden, vooral als die beschonken zyn, wisten te bedriegen, zo dat zy dikwyls niet het tiende gedeelte van de waarde hunner goederen voor dezelven kregen. En dat die zo in zyn werk gaat heb ik verscheiden’ malen met eigen ogen gezien. De Albanische kooplieden zyn regte Chinezen; en zy houden het voor iets frais de Wilden met brandewyn te bezuipen, en hun dan voor een wisjewasje al hun goedtje aftekopen. De Amerikanen merken dikwyls wel na het uitslapen van den roes dat zy bedrogen zyn, en tonen ’er enig misnoegen over, dog troosten zig spoedig met de gedagte dat het hun evenwel heeft mogen gebeuren zig eens aan brandewyn regt zat te zuipen, en dit schatten zy boven alles ter wereld. Vooral bevredigen zy zig schielyk als zy op nieuws enige goede slokken mogen doen. Behalven den handel die dus te Oswego gedreven wordt, komen ’er vele Wilden uit Kanada te Albany met pelteryen, dog zelden iets anders dan Bevervellen. Daar staat in Kanada ene zware straf op het voeren van bontwerk naar de Engelschen, dewyl de handel, vooral in Bevervellen, der Fransche West Indische Maatschappy toekomt. Dog dit belet de Kanadische kooplieden niet enen sterken sluikhandel te dryven. Zy zenden hunne pelteryen met de Wilden hunnen kennissen te Albany toe, die ze volgens den voorheen door brieven bedongenen prys van hun aannemen. De Wilden brengen van hier verscheidene soorten van goederen terug, die hier voor enen geringeren prys dan in Kanada, waar zy uit Frankryk moeten komen, te krygen zyn. [252] De meeste Albanische kooplieden hebben ook grote goederen op het land, met veel houtgewas daaromheen. En als daar een beekje is te vinden, verzuimen zy niet zaagmolens aanteleggen. Dit maakt dat ’er zo vele Jagten den gantschen zomer over naar New York gaan meest met planken geladen. Verscheiden’ lieden hier ter stede slypen een zeker soort van [Wampums.] schelpen tot Wampums voor de Wilden, die dezelven als geld en tot opschik gebruiken, het welk den Albanezen een groot voordeel aanbrengt. Van dit soort van geld zal ik te zyner plaatse breder handelen. Daar de borgers dezer Stad hier zelfs enen zo aanmerkelyken handel dryven, en daarenboven, volgens de Hollandsche wys, zeer naarstig en spaarzaam zyn, is het geen wonder dat zy zo grote sommen verzamelen.
[De Ingezetenen meest Hollanders.]
De Inwoonders, zo wel der Stad als van het omgelegen land, zyn meest allen Hollanders. Zy spreken onder malkander Hollandsch, hebben hunnen Hollandschen Predikant, die in zyne taal den godsdienst verrigt. In een woord, zy leven geheel als Hollanders. Egter kleden zig de beide geslagten op de Engelsche wys. Het is bekend dat de Provincie van New York het eerst van Hollanders bewoond wierd. Dog in ’t jaar 1664. nam, op last van Koning Karel den Tweden, Sir Robert Carre New York, toen Nieuw Amsterdam geheten, in. En kort daarop toog de Overste Nichols naar Albany, dat toen Fort Oranje genoemd werd, en maakte zig ’er meester van. Het kreeg toen den naam van Albany, zynden den Schotschen titel van den toenmaligen Hertog van York. Het bleef den Hollanderen vry daar onder de bescherming van Engeland te blyven of te vertrekken. De meesten kozen het eerste, en van hun zyn de tegenwoordige Hollandsche Ingezetenen van New York afkomstig, die eigenaars zyn van de beste landeryen in het Landschap.
[Hunne gierigheid.]
De Inwoonders van Albany zyn in gantsch Noord Amerika, zo wel by de Engelschen als Franschen, ja zelfs by de Hollanders, die de lager gedeeltens van de Provincie New York bewonen, wegens hunne onverzadelyke gierigheid en schraapzugt zeer berugt. Als iemant naar Albany staat te reizen, pleegt men hem schertsgewyze te zeggen, dat hy naar het Land Kanaan gaat, dat is te zeggen naar het Land der Smoussen, want de Albanezen houdt men voor aarschsmoussen, by dewelken een Jood het onmogelyk zou kunnen houden, al verstond hy het schaccheren nog zo wel. Dit maakt dat men hier zelden komt dan uit noodzaaklykheid. Men vroeg my verscheiden’ malen wat dringende oorzaak ik dog hebben mogt om deze bedevaartreis naar Kanaan te ondernemen; en ik heb ondervonden dat het niet zonder reden was dat dit volk in een zo kwaad gerugt stond. Want schoon hier zelden reizigers komen als die uit de Engelsche bezittingen naar Kanada moeten, en men derhalven denken zoude het gene men nodig had hier beter koop dan elders te zullen vinden, zo ervoer ik het tegendeel. Ik was genoodzaakt alles veel duurder dan op enige andere plaats hier te lande te betalen, behalven dat men hier zeer ondienstvaardig was. Tot het minste moest men ze door geld bewegen. Zodra ik op het land in een huis kwam, en iets kopen of verzoeken moest, kon ik wiskundig zeker zeggen of de menschen van dit of van een ander bloed waren. Zo was het met de meesten gesteld. Evenwel vond men ’er enigen die in dienstvaardigheid en eerlykheid voor niemant ter wereld behoefden te wyken; dog hun getal was het kleinste. Zo als het my voorkomt is het dus met de Albanezen toegegaan. Toen dit Land door de Hollanders bevolkt wierd, heeft men ’er, behalven enige brave lieden, vele schoyers, van de welken men het Vaderland zuiveren wilde, naar toe gezonden, en dezelven naar enen oord geschikt die aan de Wilden paalde, nogthans zo dat enige eerlyke huisgezinnen zig wel hebben laten overreden om met hun te gaan, om ze enigermate in teugel te houden. Anders weet ik gene reden uittedenken waarom dit volk van de andere brave Hollanders, die in de beneden delen van New York wonen, zo verbasterd zyn kan. De laatstgenoemden zyn vriendelyk, gedienstig, redelyk in ’t eischen van geld, en opregt; en schoon zy zelden veel pligtplegingen maken kan men egter op hun woord rekenen, en zy menen het wel.
Onder anderen hebben de Albanezen zig zo gehaat gemaakt door hun gedrag by den vorigen oorlog met de Franschen [253] gehouden. In ’t begin van den kryg staken de Franschen de Wilden op om de inwoonders van Nieuw Engeland aantetasten, het welk zy getrouw uitvoerden, alles vermoordende en plunderende; en ondertusschen hielden zig de Albanezen onzydig, en bleven enen sterken handel met de Wilden dryven. Het zilver en ander goed dat de Wilden in Nieuw Engeland geroofd hadden bragten zy te Albany te koop, het welk niet alleen de Ingezetenen daar opkoften, al zagen zy de namen der eigenaars op het zilver gegraveerd, maar zy moedigden ook de Wilden aan om wakker in ’t roven voorttegaan, belovende hen wel te betalen voor het geen zy zouden geroofd hebben. Dit namen de Engelschen naderhand zo op als hadden zy de Wilden opgezet om hunne broeders en landslieden in Nieuw Engeland om hals te brengen. Men kwam dit zelfs in Nieuw Engeland van de Wilden te horen, en het verwekte enen geweldigen haat tegens de Albanezen, en die van Nieuw Engeland driegden van, als ’er weder een nieuwe oorlog ontdaan mogt, te beginnen met het verwoesten van Albany en het omgelegen land. En zo Albany in dezen kryg wordt aangetast, [254] zal men zien hoe weinig bereid de Ingezetenen der andere Provincien zyn zullen om die plaats bytespringen. Egter haten de Albanezen de Engelschen nog meer dan zy zelven van hun gehaat worden. Deze haat heeft van den tyd der verovering van het Land door de Engelschen af plaats gehad, als hadden zy onder de Hollandsche regering groter voordelen dan nu kunnen genieten, want in een zeker opzigt genieten zy nog groter voorregten dan de Engelschen zelven.
[Huishouding.]
In hunne huizen en maaltyden zyn zy veel spaarzamer dan de Engelschen. Zelden komt ’er meer op tafel dan ’er opgaat, en dikwyls niet genoeg. Ook krygt men hier niet zo veel punch. De vrouwen zyn gemeenlyk goede huishoudsters; zy staan vroeg op en gaan laat naar bed, en zyn buitensporig zindelyk op de vloeren. Dezen worden verscheiden’ malen in de week geschrobd, en zaterdag ’s avonds geschiedt dit vast. In huis waren zy zindelyk gekleed dog niet opgeschikt. De kinderen leerde men Hollandsch en Engelsch spreken. De dienstboden bestonden hier meest uit Zwarten. Vele manspersonen droegen hun eigen hair, dog kort om ’t hoofd afgesneden, zonder hairbeurs of staart, want dit wierd voor een teken gehouden dat men een Franschman was. Toen ik uit Kanada hier weder terug kwam en ene hairbeurs droeg, riepen my de kinderen op straat na, Franschman! Franschman! zelfs trokken enigen my by de beurs.
In eten, drinken, en kleding ging men hier zeer van de Engelsche gebruiken af. Op ’t ontbyt nam men hier gemeenlyk thee, meest zonder melk. Voor dertig of veertig jaren kende men hier dien drank niet, en toen ontbeet men met enen boterham en wat melks. By de thee eet men boterhammen met gerookt vleesch. De huisvader bidt gemeenlyk hard op voor den maaltyd. Koffi wordt hier niet gebruikt. Om zeven of agt uur is de gewone tyd om te ontbyten. Het middagmaal bestaat meest uit zoete melk met brood, en somtyds wat suiker, ook wel uit gekookt of gebraden vleesch. Ook eet men veeltyds bry, die vry zuur smaakt, dog egter niet kwaad is. Alle middagen komt ’er een grote schotel met salade op tafel, die met veel azyn, en weinig, of geen olie, wordt toegemaakt. Het avondmaal is gemeenlyk boter en brood, met zoete melk met brokken van brood. De boter is zeer sterk gezouten. Somtyds drinkt men dan ook wel chokolade. Kaas wierd op vele plaatsen zo wel by het ontbyt als op het middagmaal gegeten, maar niet als in Engeland gesneden of in stukken, dog geschraapt. De drank is gemeenlyk dun bier of water.
Te Albany houden de Gouverneurs van New York dikwyls mondgesprekken met de Wilden der Vyf volken der Iroquoizen, [255] vooral als het op enen kryg met de Franschen aankomt. Somtyds handelt men wel ook over de bekering der Wilden tot het Christendom. Dog dat de Engelschen omtrent dit stuk zo zorgvuldig niet zyn als de Franschen, en zo bekwame zendelingen niet gebruiken, kan men onder anderen zien uit het antwoord dat een der Sachems den Gouverneur Hunter by zulk een mondeling gesprek gaf. Na dat de Gouverneur uit naam der Koningin Anna den Amerikanen een deel klederen en andere dingen geschonken had, die hun wel gevielen, wilde hy ze nog verder van de genegenheid der Koningin overtuigen, en zeide, dat “hunne goede Moeder de Koningin hun niet alleen zo edelmoedig met zo kostbare klederen voor hunne lichamen beschonken had, maar zy wilde ook hunne zielen met de prediking van ’t Euangelium voeden, ten welken einde men enige Predikers gezonden had om hen te onderrigten.” Dog kwalyk had de Gouverneur dit gezegd, als een der oudste Sachems opstond en zeide, dat “hy uit naam van alle zyne Landsgenoten zyne genadige Moeder en Koningin voor de schone klederen, die zy hun gezonden had, bedankte, dog wat de Predikers betrof, voorheen waren ’er verscheiden’ geweest,” welken hy by naam noemde, “die in plaats van hun enen hemelschen Godsdienst te prediken, hun geleerd hadden te zuipen, te bedriegen, en in onenigheid te leven.” Hierop bad hy den Gouverneur zyne Predikers en enen hoop andere Europers, die zig onder hun ophielden, terugteroepen; want “voor dezelver aankomst waren de Wilden een eerlyk, nugter, en onschuldig volk geweest, dog nu hadden zy ze meest allen tot schelmen gemaakt. Voorheen hadden zy God gevreesd, nu geloofden zy nauwlyks dat ’er een God was. Indien de Gouverneur iets voor hun doen wilde, moest hy liever hun twee of drie smids toezenden om hun het yzer te leren smeden.” De Gouverneur kon zig hier niet van lacchen onthouden. Hier kan men de woorden van Paulus toepasselyk maken: De naam Gods wordt om uwen wil gelasterd onder de Heidenen. [256]
[Vertrek van Albany.]
Den 21. Juni des avonds om vyf uur gingen wy van Albany naar Kanada op reis. Wy hadden twee lieden by ons die ons tot de eerste Fransche plaats, Fort St. Frederic, by de Engelschen Crownpoint genaamd, geleiden moesten. Wy betaalden hun voor hunne moeite aan elk vyf ponden, en zy hadden vry eten en drinken. Die dezen vastgestelden prys niet geven wil moet alleen reizen. Wy moesten ons met ene Kano behelpen, dewyl ’er gene andere schuiten te krygen waren. Maar dewyl ’er langs de westzyde der Hudson een zeer goede weg liep, lieten wy onze geleiders met de Kano varen, en gingen op het land daarnevens, om het zelve zo wel als alle natuurlyke zeldzaamheden nauwkeurig te bezien. Het is lastig met deze Kanoos te reizen voor hen die ze roeyen of voortstoten moeten, want men staat over eind, een voor en een agter in met een riem in de hand, waarmede men het vaartuig moet voortroeyen of schuiven. Gemeenlyk houden zy zig digt aan land, daar zy met de riemen grond peilen en de Kano voortduwen kunnen. De roeyers kunnen in deze schuiten noit gaan zitten om te roeyen.
Wy hielden ons den gantschen avond aan den oever, die hoog was, en digt by ’t water met het zelve geboomte was bewassen als men op het Eiland by Albany vindt. Op de oosterzyde der Rivier is het land onbebouwd, met hout bewassen, en schuinsch aflopende; dog aan de westzyde vlak, bebouwd en meest met koorn bezaid. De akkers hadden gene gruppen, schoon het scheen dat die ’er wel nodig waren. Hier kon men duidelyk zien dat de Rivier voorheen breder was geweest, want op de akkers was de grond omtrent enen steenworp van ’t water hellende, welke helling met het zelve evenwydig liep. Dit gaf genoeg te kennen dat de akkers tot daar de grond begon te hellen voorheen tot den bodem der Rivier hadden behoord en dat de helling den oever uit gemaakt had. Behalven dat vond men op dezelven velen van die mosselschelpen die hier menigvuldig op den oever lagen, en die de Inwoonders niet gewoon zyn op de akkers te voeren of tot iets te gebruiken. Of deze verandering nu gekomen is om dat het water in de Rivier verminderd is, of dat het de aarde aan de kanten der Rivier aangespoeld heeft, kan ik niet zeggen.
[Koornakkers.]
De koornlanden waren hier allen zeer gelyk geploegd, even als in Upland in Zweden gebruiklyk is. Sommigen waren met bruine, anderen met witte Weit bezaid. Ook zagen wy hier grote vlaslanden, die nu begonnen te bloeyen. Op sommigen stond het vlas tamelyk wel, dog op anderen slegt. De heftige en aanhoudende droogte, die hier het gantsche voorjaar geduurd had, had op de hoge plaatsen al het gras en de planten verzengd, zo dat buiten het Wollenkruid ’er niets groens over was, dog dit gewas zag ik op de droogste gronden en de bergen groeyen, daar het de hette der zonne en de geweldige droogte trotseerde. Schoon evenwel ’er geen gras of iets anders voor het vee over was; wilde het nogthans het Wollenkruid niet aanroeren. Op sommige plaatsen waren erwten gezaid, dog de mostaardplanten [257] hadden ze byna geheel verstikt. De grond was meest ene dikke schone tuinaarde.
[Wyngaarden.]
De wilde Wyngaarden bedekten de hoogtens nevens den stroom overal waar zy kaal waren, en daar bomen stonden klouterden zy ’er op, en dat zo sterk dat zy de takken derzelver buigen deden. Daar waren al grote druiven aan. Wy zagen ’er veel van zo lang wy de Hudson volgden, zo op de oevers als op kleine Eilandtjes in het water.
Hierendaar zagen wy Maisdieven met witte ruggen in het hout vliegen. Zy zongen lieflyk, en waren kleinder dan de zwarten van hun soort. Wy zagen dezen het eerst by New York.
Wy vonden enen Waterbeuk omgehouwen leggen, die over ’t kruis drie Zweedsche ellen dik was.
[Eilandtjes.]
Wy zagen heden en de volgende dagen hier en daar enige Eilandtjes in de Rivier, waarvan de grootsten bebouwd waren.
[Landsdouw.]
Het land was vyf Eng. mylen ver, die wy dezen dag al wandelende afleiden, vlak, en uit zuivere aarde bestaande. Ik vond niet enen steen. De Roodbloemige Ahorn, de Waterbeuk, de Waterpopulier, de wilde Pruimboom, de Sumach, de Olm, de wilde Wyngaard, en twee soorten van Willigen, waren de bomen die wy enige dagen aan den oever zagen. De Aspergies groeiden hier en daar in ’t wild.
Wy namen onzen intrek zes mylen van Albany by enen Boer. Aan de westzyde der Rivier zagen wy verscheiden’ Landhoeven, van menschen bewoond die afstamden van de oude Hollanders, en welken zig van den landbouw geneerden. Omtrent ene Eng. myl boven de plaats waar wy den nagt doorbragten houd de eb en vloed in de Hudson op. In de Rivier vindt men velerlei soorten van visch.
[Schuren.]
De Schuren waren meest allen op zyn Hollandsch gebouwd, en waren vry groot. Somtyds bestonden de huizen op de hoeven maar uit een vertrek nevens ene schuur.
Den 22. des morgens volgde ik onzen Wegwyzer om den hogen Waterval, die de Rivier Mohawk [258] by Kohoes maakt, eer zy in de Hudson valt, te bezigtigen. Het land is Vlak tot by den Val, alwaar het wat heuvelagtig is. Het hout was op de meeste plaatsen weggehakt, en het land bebouwd. Hier en daar zag men ene fraye Landhoeve.
[Waterval van Kohoes.]
De Waterval van Kohoes is een der grootsten van Noord Amerika. Boven en beneden denzelven bestaan de kanten en de bodem der Rivier uit louter rots. De Rivier is hier omtrent negenhonderd Eng. voeten breed. By den Val legt ene klip dwars tegens den stroom, die overal even hoog is, en als enen muur in de Rivier maakt. De klip is aan de benedenzyde niet loodregt neergaande, dog steekt enen vadem of twee uit. De hoogte der klip waarover ’t water rolt scheen my op ’t oog tien of twaalf vadem te zyn; en de Ingenieur Evans, die dezelve meetkundig gemeten had, had ze twaalf en enen halven vadem, of vyfenzeventig voeten breed gevonden. Thans was ’er weinig waters op de Rivier, zo dat het maar op twee plaatsen over de klip heen liep. Het had door ’t vallen onder in de rots diepe gaten gemaakt, hier en daar twee of drie vadem diep. Onder den Val was de bodem der Rivier nu geheel droog, zo dat het water in het midden enen weg van twee vadem in de breedte, en enen vadem, of iets meer, diep, gemaakt had, schoon die bodem, gelyk gezegd is, geheel uit rots bestaat. Beneden den Val zag men verscheiden’ holen in de rots door het water gemaakt, volkomen gelyk de zogenaamde Bergketels of Reuzenpotten in Zweden. Zy waren van verschillende grootte. Ligt is het te begrypen dat deze Waterval een schrikkelyk geluid veroorzaken moet, wanneer de Rivier vol waters is, en het van meer dan zeventig voeten hoog neerstort. Wy hadden nu den heldersten zonneschyn, zonder dat ’er ene wolk aan den hemel te bespeuren ware, ook was het zeer stil, en egter was ’er by den Val, daar nu zo weinig water over nederstortte, een soort van nevel als van enen stofregen, ontstaande uit waterdroppels, die onder ’t vallen van het overige water afgescheiden, en door den wind herom gevoerd worden. Zodra men omtrent op enen musketschoot den Val nadert, van den kant waar de wind naar toe wait, voelt men zyne klederen nat worden als ware men in den regen. In de holtens die het water by den Val gemaakt had hielden zich verscheiden soorten van visch op; en enige menschen zaten daar met den angel te visschen. De klippen bestonden hier uit den zelven zwarten steen, waaruit alle de bergen omstreeks Albany bestonden. Deze steen, aan de lugt bloot gesteld zynde, is geneigd in kleine horizontale schyfjes te schilferen.
[Tuinen.]
Ik zag een soort van betuiningen, diergelyken ik nog niet gezien had, die gene palen hadden, bestaande uit dwarsbalken waarop anderen in de lengte rustten. Deze betuiningen waren meer dan twee ellen hoog, en vorderden enen groten voorraad van hout. Indien men de balken gespleten had, zoude men uit het zelve hout veel meerder heiningen hebben kunnen maken.
[Vervolg der reis.]
Omtrent den middag vervolgden wy onzen togt met de Kano de Rivier op. Zy wierd een weinig boven de plaats van ons nagtverblyf zo ondiep, dat de riemen telkens op den grond sloegen, hebbende dikwyls niet de diepte van ene el waters. De oever en het bed der Rivier bestonden nu uit zand en kleine stenen. Egter hadden de roeyers werks genoeg om ons tegen den stroom op te arbeiden, zo sterk ging die naar beneden. De oever was vol van heuvels van aarde, en op sommige plaatsen zeer hoog en steil. Het land was gedeeltelyk met hout bedekt, en gedeeltelyk bebouwd. De breedte der Rivier bedroeg gemeenlyk twee snaphaanschoten.
[Steuren.]
Men vindt vele Steuren in de Rivier. Wy zagen ze den gantschen dag, dog inzonderheid tegens den avond, uit het water om hoog springen. Wy wierden onderrigt dat men hier des winters gene Steuren vernam, en dat zy tegens dien tyd naar zee zwommen, kerende met het voorjaar weder op de Rivier. Zy houden zig liever in ondiep dan in diep water op; ook zagen wy ze nergens zo uit het water omhoog springen als waar de stroom ondiep was. Hun voedsel bestaat meest uit een soort van watergras, [259] dat op sommige plaatsen der Rivier veel wast. De magen dezer visschen vindt men ’er gemeenlyk vol van. De Wilden en de hier woonagtige Hollanders vangen deze Steuren. Alle nagten vernamen wy verscheiden’ schuiten, die oppasten om ze te harpoeneren. De toortsen die zy by deze visschery gebruiken nemen zy het liefst van de Zwarte Dennenbomen. En, schoon het nu de tyd van het jaar was dat de nagten het kortst zyn, waren zy egter in ene zo zuidelyk gelegene plaats zo donker als by ons in Augustus. Op verscheiden’ plaatsen zagen wy dien en de volgende dagen vele dode Steuren, die gewond zynde ontsnapt, en daarna gestorven waren. Zy gaven enen onverdraaglyken stank van zig.
[Amerikaansch Vrouwspersoon.]