Part 31
Na enigen tyd zeilens bespeurden wy gene bergen meer nevens de Rivier; maar ten oosten ging ene ry van bergen noordoost, welker zyden ter halver hoogte met hout bedekt zyn. Dog de toppen waren gemeenlyk kaal. Misschien dat van wegen de sterke zonneschyn, de droogte en ’t geweld der winden, die men hier heeft, daar niets wilde voortkomen. [240] Op de oosterzyde was het land meer bebouwd als aan de westelyke, daar ons zelden een huis, maar alleen louter bosschen, schoon het Land vlak was, voorkwamen. Omtrent zes en vyftig Eng. mylen van New York was het land niet zeer hoog, dog overal vol houts, uitgenomen dat hier en daar ene boerdery wierd aangelegd. De hoge bergen, welken wy dezen namiddag verlaten hadden, vertoonden zig nu over de bosschen heen. De Highlands Mountains liepen niet noordelyker aan de ene zyde der Rivier dan aan de andere. Hunne kanten die niet naast de Rivier waren gingen niet loodregt maar gloyende op, zo dat men ze, schoon niet zonder moeite, beklimmen konde.
[Kalk.]
Men brandde kalk op verscheiden’ plaatsen langs de Rivier, waar de grond enigsins verheven was. De Schipper zeide dat men daar enige Eng. mylen ver enen schonen grauwblauwen steen vond waaruit men kalk brandde, dog verder vond men genen kalksteen dan te Albany.
[Dance.]
Wy voeren een klein uitstek lands op den westeroever voorby dat Dance genaamd wierd, omdat, zo als men zeide, de Hollanders zig op die plaats voorheen eens vrolyk gemaakt en gedanst hadden, dog ene menigte Wilden, die met hun gekomen waren, zouden hen allen hebben omgebragt.
Des avonds laat wierpen wy ’t anker, hebbende en wind en ebbe tegen. Men had hier omtrent twaalf vadem waters. Des nagts zagen wy vele ligtende vliegen, die somtyds op het want kwamen zitten.
Den 12. Juni voeren wy voor ty, dog tegen wind, den stroom op. De Rivier was hier een musketschoot wyd. Het land aan beide de zyden was enigsins laag, en bestond uit lage klippen en steenagtige velden, dog was doorgaans met hout bedekt. Het was zo slegt dat zig ’er niemant wilde nederzetten. Enige Eng. mylen bleef het land zo, zonder dat men ene enkelde landhoeve ontdekken kon. Om elf uur voor den middag bereikten wy een klein Eiland midden in de Rivier leggende. Hier is men ten halven wege tusschen New York en Albany. Het land was nevens den stroom laag, en steenagtig. Dog verder op zag men met hout bewassen bergen, vooral aan de westzyde der Rivier, en nog verder weg keken de zogenaamde Blauwe Bergen over de eersten heen. Tegen den middag wierd het stil, dus wy weinig vorderden. Het land was hier, vooral tegens ’t oosten, wel bebouwd, dog het scheen zeer [Strasburg.] zandig te zyn. Een der vlekken, die hier lagen, heette Strasburg, het wierd van vele Duitschers bewoond. Westwaards zag men hier en daar enige nieuw ontgonnen akkers. De Blauwe Bergen waren hier van daan zeer duidelyk te zien. Zy staken door de wolken door, en keken boven alle de anderen heen. De stroom was voor Strasburg ene Eng. myl breed.
Men gebruikte hier tot tindel een geel zwam [241], dat op de Ahornbomen wast. Dat van den roodbloemigen Ahorn [242] wordt voor het beste gehouden. Na dat agtte men het meest ’t welk van den Suikerahorn [243] komt.
[Campen Rheinbeck.]
Een weinig van Strasburg legt ene plaats Campen Rheinbeck genoemd. Het is van de Rivier af, en wordt van vele Duitschers bewoond, die ’er ene kerk hebben. Deze stad kan men van de Rivier niet zien.
Om twee uur na den middag begon het uit het zuiden te wayen, zo dat wy goeden wind hadden. Wy zagen fraye akkers, wel gebouwde hoeven en schone boomgaarden. Op den westelyken oever was het land ook enigsins hoog, dog nog meest met hout bedekt, alleen vertoonde zig hier en daar, dog schaarsch, ene landhoeve. De Rivier liep lynregt noordwaards, zo dat wy ’er geen einde van zien konden. Zy was op de meeste plaatsen ene Eng. myl breed.
De wind was ons den gantschen nagt gunstig, zo dat ik gene gelegenheid had naar de gesteldheid des lands onderzoek te doen. Den 13. des morgens om vyf uur waren wy, zo als men ons berigtte, maar negen Eng. mylen van Albany. Het land was laag aan beide de oevers, en geheel byna met hout bewassen, uitgenomen dat hier ene kleine boerdery is aangelegd. Aan de Rivier lagen natte, met rietgras [244] bewassene weiden, en dezen maakten verscheiden kleine Eilandtjes uit. Wy zagen gene bergen. Wy haastten ons naar Albany en hadden aan weerskanten meest lage landen, die egter, hoe nader wy by Albany kwamen, des te beter bebouwd waren.
Men had hier het gebruik van hoistapels onder daken te zetten, die men kan laten ryzen en dalen. [245] De huizen die men van tyd tot tyd zag, waren ten dele van steen, ten dele van hout. De Rivier was zelden breder dan een snaphaanschoot, en had verscheiden’ zandbanken, zo dat men het vaarwater diende te kennen. Eindelyk kwamen wy ’s morgens [Albany.] om agt uur gelukkig te Albany aan.
[Jagten.]
Alle de Jagten, die tusschen New York en Albany varen, horen in de laatste dier plaatsen t’huis. Zy gaan zo lang het water open is gestadig over en weer. Van Albany vervoeren zy voornamelyk planken, en ander timmerhout, meel, erwten, en pelteryen, die men van de Wilden koopt, of die ’er de Franschen in ’t geheim naar toe brengen. Zy keren byna ledig terug, uitgenomen dat zy enige koopwaren, waarvan de Rum de voornaamste is, medenemen. Deze laatste waar kunnen de Ingezetenen van Albany niet ontberen, dewyl zy daar door de ogen der Wilden zo weten te verblinden, dat dezen hun de pelteryen naar goeddunken schatten laten. Deze Jagten zyn tamelyk groot, hebben goede kajuiten, zo dat men daar zeer gemakkelyk in is. Zy zyn gemeenlyk van rood cederen, of van wit eiken hout. Dikwyls is de bodem van witten eik, de zyden van roden ceder, omdat het laatste hout veel langer onverrot blyft dan het eiken. Dog dewyl het cederen hout ligt barst als het ergens tegens sloot, en de Hudson op vele plaatsen vol is van zandbanken en klippen, waarop de kiel somtyds raakt, zo kiest men liefst eikenhout voor den bodem, dewyl het weker is en niet zo ligt splyt. En daar de kiel onder water is staat zy niet zeer bloot aan verrotting.
[Kanoos.]
De Kanoos, die deze Jagten by zig hebben, zyn uit een enkeld stuk houts gemaakt, dat uitgehold is. Zy zyn van voren en van agteren puntig, dikwyls drie of vier vadem lang, en zo breed als de dikte van den stam het toeliet. De roeyers zitten niet onder ’t roeyen, maar voor en agter staat een man met ene korte riem in de hand, waarmede zy het vaartuig doen voortgaan. Ieder jagt heeft ’er twee. De Kanoos die te Albany gemaakt worden zyn meest van wit dennenhout. Zy kunnen agt of twaalf jaren duren, vooral als zy van buiten met een mengsel van teer, vet en verw bestreken zyn. Te Albany heeft men geen ander hout dat ’er goed toe is dan het witte dennenhout; maar te New York maakt men ze uit rood cederen hout. Gemeenlyk zyn ’er gene banken in, maar men moet op den grond zitten, want als ’er banken in waren zoude men in gevaar zyn van omteslaan, indien men het evenwigt niet wel bewaarde.
[Battoes.]
Battoes [246] noemden de Engelschen een ander soort van schuiten, die men in Albany veel gebruikt. Zy zyn van witte dennen of vuren planken gemaakt. De bodem is plat, om des te beter over ondieptens voorttekomen; de einden zyn puntig en wat hoger als in het midden. Men zit ’er in, en roeit ze gelyk wy onze boten doen. Zy zyn vry lang, somtyds drie en somtyds vier vadem. Het boord is altyd loodregt, en van twintig duim tot twee voet hoog, en de breedte in het midden is omtrent twee ellen. Men bedient zig hier van dezelven voornamelyk om koopwaren naar de Wilden te voeren, in geval de stromen vaarbaar genoeg zyn, en men de schuiten niet een stuk wegs over land dragen moet, want de schuiten die uit den bast van bomen gemaakt zyn barsten te ligt als zy stoten, en de Kanoos laden niet veel en slaan te ligt om. Ik zag hier genen van dat soort van schuiten als men gewoonlyk in Europa gebruikt.
[Koude.]
De koude doet te Albany veeltyds grote schade. In den zomer gaat ’er nauwlyks ene maand voorby die niet enige nagten geeft dat het vriest. De lente komt hier zeer laat; het vriest dikwyls des nagts in April en Mai, waardoor de bloeisems veel lyden. Men vreesde dit jaar deswegens zeer voor de appelen. Zelfs vriezen wel de bloeisems der eiken in de bosschen dood. In den herfst houden de warme dagen en nagten lang aan. Tegens het einde van September begint het des nagts gemeenlyk te vriezen, dog vooral in October. Van ’t begin of ten minsten het midden van November af tot in Maart of April [247] moet men het vee in de stallen houden, en met hoi voeden.
[Weder in den Zomer.]
In den zomer blaast de wind meest uit het zuiden, en brengt grote droogte aan. Nu en dan egter regent het een weinig. Zodra ’er regen komt loopt de wind noordwest, blyft zo enen dag of twee, en keert dan weer naar zynen hoek. Dit heb ik in dit en het volgende jaar dikwyls ondervonden.
Den 15. Juni zagen wy dat de betuiningen hier gemeenlyk van vuren planken gemaakt waren, die op malkander tusschen vuren palen lagen. Van dit hout had men hier voorraads genoeg, aangezien de menigvuldige bosschen en zaagmolens.
[Appelen.]
De Appelbomen slagen hier zo wel als ergens in Noord Amerika. Men vond boomgaarden by elke boerdery. Men heeft hier enen zeer lekkeren appel, dien men in den herfst als iets zeldzaams naar New York en elders verzent. Ik heb te Aobo uit de pitten van dezen appel verscheiden bomen gefokt, die zeer wel zyn voortgekomen, en onze winters verduren kunnen. Dog zy hebben nog gene vrugten gegeven. Men maakt hier ook Cyder uit de appelen. Ook slagen hier allerlei Karssenbomen vry wel, dog niet de Perenbomen. Dog zoude dit niet toeteschryven zyn aan gebrek van zorg voor de zelven, aangezien men in Pensylvanie goede peren vindt?
[Persiken.]
Persikenbomen heeft men hier dikwyls geplant, dog zy zyn niet wel geslaagd, het geen men deels aan den grond, deels en voornamelyk aan enen zekeren worm toeschreef, die in den grond zit en de wortelen afbyt. Misschien doet ’er ook wel de felle vorst veel toe.
Buiten dezen had men hier gene andere tamme vrugtbomen. Hennip en vlas zait men zo veel als men tot het gebruik van noden heeft. [Mais.] Dog de Mais wort hier sterk geteeld. Een losse grond wordt ’er het best voorgehouden. In klei kwam zy niet voort. Zy heeft hier twee honderd voor een gegeven. Men hield derhalven dit graan voor een der voordeligsten, te meer daar het weder opkomt al vriest het in ’t voorjaar dood. Voorbeelden zyn ’er voor handen, dat de plant tot tweemaal toe bevrozen geweest zynde egter enen voortreffelyken oogst gegeven heeft. Ook kan zy beter tegens de droogte dan de Weit. Het grootste soort van Mais wordt in September ryp.
[Weit.]
De Weit wordt hier ook met voordeel gebouwd. Zy wordt gerekend twaalf voor een te geven; indien men maar tien voor een krygt is men kwalyk voldaan. Somtyds geeft de oogst twintig voor een. De Landlieden [Landlieden.] in Albany zyn ten dele Hollanders, ten dele Duitschers. De laatsten hebben verscheiden’ grote dorpen, en zayen veel Weit, die naar Albany en van daar naar New York vervoerd wordt. Uitgenomen de Weit die by Sopus, anders King’s Town, gewonnen wordt, is die tusschen New York en Albany valt de beste van geheel Noord Amerika. Men eet hier niet dan weiten brood. Te New York wordt de Albanische Weit wat duurder dan andere betaald.
Rogge wordt hier ook, dog niet veel, gezaid. Garst wordt ’er weinig geteeld, omdat men Weit genoeg heeft om ’er mout van te maken. Maar omstreeks New York zag ik grote velden met Garst. Haver wordt hier maar zo veel gezaid als men voor de paarden nodig heeft.
Erwten worden hier veel gezaid. Zy slagen zeer wel, en worden jaarlyks vele tonnen van naar New York gevoerd. Men is hier lang van den schadelyken erwtworm vry gebleven, dog sedert weinige jaren heeft hy zig hier ook in de erwten begonnen te doen bespeuren, en grote schade aan dezelven toetebrengen, die voorheen hier in overvloed gewonnen, en vooral voor het gebruik der zeevarenden met groot voordeel verkoft wierden. Voordezen liet men te King’s Town en in New York erwten van Albany komen om te zayen, en dezen waren het eerste jaar meest vry van de wormen, dog het twede kwamen die ’er al in, zo dat zy oneetbaar waren. Enigen zyn hier gewoon van, als de erwten onder ’t koken hard blyven, wat asch in den pot te goyen; dog of dit gezond en aangenaam is weet ik niet.
[Potatoes.]
De meeste menschen plantten Potatoes. Sommigen bewaarden ze in asch in plaats van in zand. In Ierland zyn vele lieden gewoon in den herfst de Potatoes in den oven een weinig te drogen, om ze des te beter te doen duren. Dog dan deugen zy niet om geplant te worden.
De Bermudische Potatoes [248] zyn hier ook redelyk wel geslaagd. De Hommelvogel wordt hier, dog zeldzaam, gevonden.
[Daken.]
Men maakt hier de Dakberden van wit dennenhout, het welk men al zo goed en duurzaam agt als dat van den Cupressus thyoides. Zulk een [Witte Dennen.] dak kon het, zeide men, wel veertig jaren houden. Deze Witte Dennen wassen hier veel op dezelve gronden als onze gemene Dennen. Dog in het benedenste gedeelte van New York en in Pensylvanie heb ik ’er geen ontmoet. Men voert velen van deze planken van Albany naar New York, van waar zy naar buitenslands verzonden worden.
[Wyngaarden.]
Wilde Wyngaarden wiessen in overvloed in de bosschen en op de steile oever der rivieren, waar men ze vooral in ongelooflyke menigtens vond, zo dat zy dikwyls de bomen op de welken zy gekropen waren door hunne zwaarte buigen deden. Men eet de druiven als zy wat bevroren zyn, want anders zyn zy zuur.
[Muggen.]
Muggen vindt men schrikkelyk veel in de grote bosschen en woestenyen die tusschen Albany en Kanada leggen. De Reizigers worden ’er deerlyk van geplaagd. Om zig tegens dit ongedierte te wapenen besmeren sommigen hunne aanzigten met boter of vet. De zware hette maakt ook het dragen van laarzen lastig, dog men doet wel papier onder de koussen. Anderen bedekken het gehele hoofd in grote kappen, en hebben floers voor de ogen. Des nagts slaapt men in tenten, als ’er gelegenheid is die medetevoeren, en buiten dezelven, aan den ingang, maakt men grote vuren om de muggen door den rook te verdryven.
[Bruinvisschen.]
De Bruinvisschen komen zelden hoger de Hudson op dan men zout water heeft; dog daar nemen de Steuren hunne plaats in. Egter is ’er wel een enkelde Bruinvisch tot by Albany gezien. Zelfs wierd ’er gezegd dat een Walvisch eens tot by die Stad den stroom was opgezwommen.
[Ligtgevende vliegen.]
Ligtgevende Vliegen, [249] van ’t zelve soort als men in Pensylvanie heeft, ziet men hier iederen nagt in menigte. Zy vlogen overal in de Stad, zelfs kwamen zy in de huizen. De Engelschen noemen ze Vuurvliegen. [250]
[Bomen die te Albany niet groeyen.]
Verscheiden’ bomen die in Pensylvanie zeer gemeen zyn worden hier niet gevonden, als de Beverboom, de Nyssa aquatica, de Liquadambar Styraciflua, de Persimon, de Tulpenboom, de Zwarte Walnoot, de Moeraseik, de Cercis Canadensis, de Robinia pseudacacia, de Gleditsia triacanthos, de Annona muricata, de Celtis Occidentalis, en ene menigte van struikgewassen. De meer noordelyke legging der plaats, de strekking van het Blauwe Gebergte, de loop der rivieren, die allen zuidwaards naar zee stromen, waardoor de zaden der planten wel van hier zuidwaards, dog niet van ’t zuiden herwaards gevoerd worden, zyn voomamelyk oorzaak dat men hier vele gewassen te vergeefs zoekt die in Pensylvanie gevonden worden.
[Een Eilandtje beschreven.]
Den 9. Juni ging ik het Eiland bezigtigen dat in de Revier omtrent ene Eng. myl beneden de Stad legt. Het is omtrent ene van die mylen lang en een vierde van dezelve breed. Het is byna geheel met koorn bezaid, en behoort enen enigen eigenaar, wien ook twee kleine Eilanden daarnevens leggende toebehoren. Men zag hier geen hout behalven enige bomen, die rondom den oever stonden, welken, als ware het, ene hoge haag maakten. De Roodbloemige Ahorn wies hier menigvuldig. Zyn blad is van onderen als verzilverd, het welk door den wind opgeligt wordende den boom van verre ’er doet uitzien als met witte bloemen bedekt. De Waterbeuk wies zeer hoog, en is hier een van de bomen die de sterkste schaduw geven; De zogenaamde Waterpopulier [251] was hier de gemeenste van allen, kwam zeer wel aan het water voort, en bereikte de hoogte van onze zwaarste populieren. Hy geeft ene uitmuntende schaduw. Op de oevers is hy een der nuttigste bomen, dewyl zyne wortels den grond vast maken, en in staat stellen den slag van ’t water te wederstaan. Dit nut brengen hier ook de Waterbeuken en de Olmen voort. De wilde Pruimbomen stonden hier ook in menigte, en waren vol van onrype vrugten. Ook vond men den Sumach overvloedig. Het zelve kan men van de wilde Wyngaarden zeggen. De druiven, zeide men, wierden zeer laat ryp, schoon zy thans vry groot waren. De Amerikaansche Olm maakte hier en daar grote hagen. De grond van het Eiland was ene vette tuinaarde met zand vermengd, en wierd het meest tot maisplanteryen gebruikt. Ook waren ’er grote velden met Potatoes. Het gantsche Eiland was voor honderd pond New Yorksch geld verhuurd. De Huurder deed weer kleine stukken aan anderen ter huur over, die ’er moeskruiden teelden. De Porcelein wies hier overvloedig, en zag ’er wel uit.
[Eb en vloed.]
De eb en vloed gaat ongevaar agt of tien Eng. mylen in de Hudson boven Albany, dus wel honderd zes en vyftig Eng. mylen ver van zee. Dog in ’t voorjaar als de sneuw smelt bespeurt men hier wegens het afkomende water genen vloed; maar ene gedurige ebbe. Het zelve gebeurt ook des zomers by zware en aanhoudende regens.
[De koude.]
De koude wordt hier in ’t algemeen voor zeer gestreng gehouden. Het ys wordt in de Hudson drie of vier voet dik. Den 22. Maart O. S. was men met zes paarden over ’t ys gereden. Somtyds gaat het eerst in ’t laatst dier maand los, en dan voeren somtyds de schollen gehele huizen met zig weg. Het water is in dien tyd zeer hoog, dewyl het ys beneden zeer dikwyls dammen maakt. Somtyds was het dan drie vadem hoger gestegen dan in den zomer gewoonlyk is. De grond bevriest hier dikwyls ter diepte van drie tot vyf voeten. Om den 5. November legt men hier de Jagten op, en in ’t laatst van Maan of het begin van April beginnen zy weder naar New York te varen. Men wist hier niets van kacchels, en de schoorstenen waren zo wyd dat men ’er met paard en slede door zoude kunnen ryden.
[Water.]
Het putwater was om dezen tyd in vele putten in de Stad zeer koud, dog het smaakte wat zuuragtig, het geen niet aangenaam was. Het nauwer onderzoekende vond ik ’er vele kleine Insekten in, waarschynlyk Monoculi. Zy waren van twee tot vier meetkundige lynen lang, zeer smal en bleek van kleur. De kop was zwart en dikker als het overige lyf, en omtrent zo groot als een kleine speldekop. De staart was in twee delen gespleten, en elke arm van denzelven eindigde met een klein zwart kogeltje. Als zy zwommen maakten zy kromme lynen, byna gelyk jonge Kikvorschen. Ik goot wat van dit water in ene kom, en deed daar omtrent een vierde van zo veel Rums by, dog dit hinderde de diertjes niet in ’t zwemmen. Dus zoude men de punch van dit water bereid zeer sterk moeten maken, wilde men ze doden. Schoon de menschen die dit water dagelyks dronken geen ongemak ’er van hadden, dunkt my egter dat het voor iemant die ’er niet aan gewoon is niet zeer gezond kan zyn. Ik was enige malen gedwongen my met water te behelpen waarin ik die diertjes duidelyk bespeurde, dog byna elke reis voelde ik enen dag of twee daaraan iets in myn’ keel, als zat ’er ene erwt in, en dit duurde wel ene gehele week. Dit ondervond ik dit en het volgende jaar te Albany en op enige andere plaatsen. Jungstrom kreeg ’er ene zware pyn van in de borst en een gevoel als zat ’er een gezwel. Of dit nu van deze Insekten of iets anders kwam kan ik niet zeggen, dog ik vermydde sedert zo veel ik kon van zulk water te drinken. Ik heb deze Monoculi dikwyls in het yskoude water dat uit de putten geschept was hier te lande gevonden. Wie weet hoe vele ziektens, die wy niet nauwkeurig genoeg onderzoeken, van zulk water veroorzaakt worden? Zeer dikwyls heb ik ene menigte van Insekten in water gevonden, ’t welk men om deszelfs helderheid hooglyk roemde. Hier was byna by elke boerdery een put. Dog voor de thee, om te brouwen en te wasschen, verkoos men het rivierwater. Dit is gemeenlyk troebel en des zomers zeer warm, dog men laat het bezinken en bekoelen.
Wy waren by enen Geweermaker gehuisvest, die ons zeide dat de beste smidskolen hier te lande uit den Zwarten Den gebrand werden. Die van den Beuk volgden daarop. Het beste hout voor de snaphanen was dat van den wilden Kerssenboom, en daarna dat van den Roden Ahorn. Ander hout gebruikte hy niet. Het Zwarte Walnotenhout zoude wel uitmuntend zyn tot dat gebruik, dog het viel hier niet.
[Albany.]
Albany is na New York de voornaamste of ten minsten de rykste Stad van de Provincie van New York. Zy legt schuinsch tegens enen heuvel, digt aan den westeroever der Hudson. Men rekent van hier tot New York honderdzesenveertig Eng. mylen. De Stad legt in de lengte langs de Rivier, die hier van ’t noordnoordoosten naar ’t zuidzuidwesten stroomt. De hoge bergen, die westwaards boven de stad leggen, bepalen het gezigt naar dien kant. ’Er zyn twee kerken, ene Hollandsche en ene Engelsche. De eerste legt wat van den oever af, aan de oostzyde der markt. Zy is van steen, hebbende enen toren en ene klok daarin. Een Predikant doet hier des zondags twee leerredenen. De Engelsche kerk staat wat hoger op den heuvel aan het westereinde van de markt, onder de vesting. Zy is ook van steen, dog zonder toren. Hier werd geen Godsdienst gedaan, dewyl ’er geen Predikant was, en alle de Ingezetenen Hollandsch verstonden. Anders krygt de Predikant dezer kerk honderd ponden uit Engeland ’s jaars. Het Stadhuis staat wat ten zuiden der Hollandsche kerk, vlak aan de Rivier, en is een frai stenen gebouw van drie verdiepingen. Het heeft enen kleinen toren, ene klok, en boven op enen vergulden kloot een weerwyzer.
[Huizen.]
De Huizen in de stad zyn tamelyk goed, ten dele van steen, en gemeenlyk met berden gedekt, die van wit dennenhout zyn. Enigen waren met pannen voorzien, die men uit Holland had doen komen, dewyl men van gedagte was dat de klei hier te lande niet goed was om ’er pannen van te maken. De meeste huizen waren op de ouderwetsche wys gebouwd, enige weinigen maar uitgezonderd. Velen waren op dezelve wys getimmerd als de huizen te Nieuw Brunswyk, namelyk zo dat de muren aan de straat van steen, maar de anderen van planken waren. De muren waren van buiten niet gepleisterd, en men zag de blote stenen. Dit vindt men zo in alle de Noord Amerikaansche steden, die ik gezien heb, en egter doet de lugt geen kwaad aan de muren. De pypen der dakgoten steken tot op ’t midden der straat uit, waardoor de muren van den drop bevryd waren; dog dit maakte by regen de menschen op de straten schrikkelyk nat. De straatdeuren zyn gemeenlyk in het midden der huizen, en aan beide de zyden der stoep zyn banken, waar de menschen by goed weder den gehelen dag op zitten, vooral als zy buiten de zon zyn. Voornamelyk vond men des avonds de menschen van beiderlei geslagt op de stoepen, het welk de voorbygangers dwong byna altyd met den hoed in de hand te lopen. De straten zyn breed, en gedeeltelyk geplaveid. Op sommige plaatsen staan bomen op de zyden. De straten die in de langte lopen zyn evenwydig met de Rivier, en de dwarsstraten snyden ze met regte hoeken. De straat tusschen de twee kerken is vyfmaal zo breed als de anderen, en verstrekt voor ene markt. Voor ’t overige zyn hier de straten niet zeer zuiver, dewyl des zomers overal het vee des nagts voor de huizen blyft staan. Men heeft hier gene stadsdeuren, maar opene doorgangen om in de stad te komen. Hier zyn twee zogenaamde marktplaatsen, waar het land volk enige malen ter week zyne waren komt veilen.