Reis door Noord Amerika

Part 30

Chapter 304,020 wordsPublic domain

Een hoornloze olyfkleurige Kever, hebbende de randen en de naden der deksels van de vleugels zwart, en het lyf bruin, zat op de bloemen van den Tulpenboom, Ik kon niet te weten komen of zy het zaadmeel der bloemen verzamelden dan of zy daar om te paren waren. Dieper in den zomer, als de Moerbezien ryp waren, zag ik dezen Kever diepe gaten in dezelven maken, ’t zy om ze te eten, ’t zy om ’er eyeren in te leggen. Ook vond men naderhand dat zy veelvuldig op de bladeren der Magnolia glauca zaten.

[Vrugten.]

De Aardbezien waren thans op de hoogtens ryp, en het Landvolk bragt de Karssen al volkomen goed in de Stad, egter waren ze nog niet overvloedig. Hieruit kan men evenwel van de Lugtstreek des Lands oordelen.

[Een Travado.]

Den 26. Mai had men hier enen storm, Travado of Travat gewoonlyk genoemd. Des avonds om tien uren, zynde de lugt zeer klaar, kwam ’er uit het Zuidwesten ene zwarte wolk met een zeker gesuis. Anders werd ’er geen wind bespeurd. Wy konden egter de aankomst van deze wolk uit het gesuis en het geraas dat de bomen maakten, en het welk hoe langer hoe nader by kwam, van verre bespeuren. Toen zy by ons kwam brak ’er een geweldige storm uit, die, in de streek waarin hy voortging, zware heiningen omver wierp, ze een goed stuks wegs met zig voerde, en zware bomen ter neder smeet. Daarop volgde een tamelyk sterke regen, waardoor de storm verdween, en alles weder, stil wierd. Zulke Travado’s komen hier dikwyls des zomers en brengen dit voordeel aan dat zy de lugt zeer bekoelen. Dog egter doen zy ook grote schade. Merendeels worden zy van zwaren donder en blixem vergezeld. Zodra als het onweder voorby is wordt de lugt weder zo helder als van te voren.

[De Beverboom.]

De Magnolia glauca stond den 28. Mai in vollen bloei. De bloemen gaven enen lieflyken geur van zig, die des avonds vooral in de bosschen den reiziger of wandelaar zeer verkwikte. Toen wat later de wilde wyngaarden bloeiden was derzelver reuk niet minder aangenaam. Nog waren ’er verscheiden’ andere bloemen die de lugt met hare lieflyke uitwaassemingen vervulden.

[De Kalmia.]

De Smalbladerige Kalmia bloeide thans meest overal. Zy wast gemeenlyk op zandige heiden, of andere magere gronden, waar weinig gewassen voort willen. In Pensylvanie, maar nog meer in New Jersey en in New York, is zy tamelyk gemeen, dog minder in Kanada. Zy blyft den winter over groen. Zy versiert als zy in bloei staat het kreupelbosch niet weinig. De bloemen zyn van een schoon purper, dog onder in hebben zy eenen kring van donker purper, en binnen in dien kring is de bloem ligt grauw. De bloemen zitten in bosjes rondom den steel gelyk als kronen, zo dat ’er de steel als ene opgeschikte piramide uitziet. De Engelschen noemen deze plant Dwarf Laurel. Zy is, gelyk hare Zuster de Breedbladerige Kalmia, voor schapen en ander klein vee vergiftig. Of zy het groter vee ook zo nadelig is kan ik niet zeggen. Buiten het vermaak dat hare bloemen den ogen verschaffen schryft men haar geen ander nut toe.

De Breedbladerige Kalmia stond ook in haren besten luister, en dong met hare Zuster om den voorrang in schoonheid. Dog gene van beiden kan zig, gelyk de Magnolia, op den lieflyken geur, dien zy geven, verheffen. Met zulk ene spaarzaamheid en zulk een overleg deelt de alwyze Schepper zyne gaven uit. Geen wezen ontvangt alles te gelyk, en elk ontvangt zyn deel.

[Hernhutters.]

In Mai waren een groot getal Hernhutters uit Europa te New York overgekomen, die twee bekeerde Groenlanders met zig bragten. De zig hier ophoudende Broeders zonden terstonds enigen van hun uit om ze te verwelkomen. Onder dezen waren twee bekeerden uit de Wilden in Noord Amerika, en twee die van Suriname gekomen waren. Deze drie soorten van uit de Heidenen bekeerde Hernhutters bevonden zig t’zamen te New York. Ik zelf had gene gelegenheid ze te zien; dog zulken die ze gezien hadden meenden zeer duidelyk opgemerkt te hebben, dat deze drie onderscheiden’ volken, uit hoe verre van malkander gelegen’ oorden zy ook gekomen waren, nogthans in wezenstrekken en gestalte zeer veel naar malkander geleken, alleen waren de Groenlanders wat kleinder. En hieruit wilden zy opmaken, dat deze drie volken van den zelven stamvader uit Noach’s geslagt voortgekomen waren. Hoe ver hunne mening gegrond was kan ik niet zeggen.

[Karssen.]

Den 30. Mai waren de rype Karssen al vry gemeen en goedkoop.

[Jams.]

Jams is de naam van een soort van wortelen, die men in de warmste delen van Amerika sterk teelt om ze te eten, gelyk men hier met de Potatoes doet. Ik proefde ze dien dag het eerst aan het huis van den Heer Franklin. Men had nog niet beproefd ze hier te planten, dog zy waren uit de West Indien gekomen, en dus zyn zy hier iets zeldzaams. Zy zyn wit, en smaken byna als de Potatoes, dog kwalyk zo wel, zo dat ik het der moeite niet waardig agten zoude ze hier te poten, als zy al wilden voortkomen. Dit is de Dioscorea alata.

[Kaas.]

Men maakt hier veel Kaas, dog zo goed niet als in Engeland, hoewel sommigen van oordeel zyn dat de Pensylvanische Kaas oud geworden zynde de Engelsche niet wyken zoude. Ook kwam het my voor dat verscheiden’ soorten van Kaas hier te lande gemaakt al zo goed als de Engelschen waren. Een man van Boston in Nieuw Engeland berigtte dat sommigen daar uitmuntende Kaas wisten te maken, en dat hun geheim daarin bestond van zorg te dragen dat de koeyen op gene landen weiden waar het water brak is, want in dat geval zou de kaas zo goed niet zyn. Dog dit vereischt nader onderzoek.

[Vertrek van Philadelphia.]

Den 31. omtrent den middag nam ik de reis van Philadelphia in een klein Jagt aan, dat gestadig als de Dellaware open is tusschen Philadelphia en Trenton heen en weder vaart. Wy zeilden den stroom met schoon weder en goeden wind op. Wy zagen enige Steuren van tyd tot tyd wel enen vadem hoog uit het water opspringen. Dit duurde tot dat wy digt by Trenton waren, daar wy de Dellaware verlieten. Het land was aan de zyde van Pensylvanie laag, dog op die van New Jersey was het wat verhevener, zynde de zandige oever steil dog niet zeer hoog. Aan beide de zyden zag men hoog geboomte, welks bladen ’s winters afvallen.

[Het weder.]

Het weder was gedurende de gantsche maand van Mai, als het niet regende, zo gesteld, dat het des voormiddags stil was, en ’s namiddags een weinig, en somtyds wat sterker, begon te wayen. Ook was het des voormiddags helder, dog na den middag betrok de lugt gemeenlyk een weinig dog zonder regen.

[De oevers.]

De oever der Rivier was nu hoog dan laag. Hier en daar zag men in de bosschen enige kleine huizen, en nu en dan een enkeld matig stenen huis. De Rivier werd hoe langer hoe smalder. Om drie uren na den middag zeilden wy Burlington voorby.

[Burlington.]

Burlington, de Hoofdstad en de verblyfplaats van den Gouverneur van New Jersey, is ene kleine plaats, twintig Eng. mylen van Philadelphia op den ooster oever der Dellaware. De huizen waren merendeels van steen, dog stonden ver van malkander. De Stad heeft ene voordelige legging, dewyl ’er Schepen van ene vry aanzienlyke grootte komen kunnen. Dog Philadelphia is haar een hinderpaal om haren handel uittebreiden, want de eigenaars dier plaats hebben haar zeer grote voorregten geschonken waardoor zy zo zeer toegenomen is dat zy alle andere Steden den handel onttrekt. Het huis van den Gouverneur is niet groot dog van steen, en staat digt by de Rivier. Het is het eerste gebouw in de Stad dat men van Philadelphia komende in ’t oog krygt. Omtrent het vloeden en ebben der Dellaware, het welk men tot by Trenton gewaar wordt, is aan te merken, dat als by volle maan het water by Kaap Hinlopen, by voorbeeld, ten negen uren voor den middag het hoogst is, men het hoogste water op de Rivier by Chester om een uur en tien minuten na den middag heeft, en te Philadelphia om twee uur en tien minuten. Deze waarnemingen heb ik van den Heer Evans.

[Oevers.]

De Oevers aan den kant van New Jersy waren merendeels hoog en steil, en bestonden uit een steenkleurig zand, dog aan de overzyde was de grond ene zwartagtige vette aarde met glimmer vermengd. Op de zyde van New Jersey zag men nu en dan enen Dennenboom, dog zelden op de andere, uitgenomen op enige weinige plaatsen, daar zy toevallig uit New Jersey waren overgebragt.

Tegens den avond, als het omtrent een uur geëbt had, en het zeer stil was, konden wy het niet verder brengen, en moesten ’t anker omtrent zeven Eng. mylen beneden Trenton vallen laten. Hier lagen wy den gantschen nagt. De bosschen waren vol van ligt gevende vliegen, die in menigte gelyk vonken tusschen de bomen, en somtyds dwars over de Rivier vlogen. In de poelen maakten de Bulkikkers een verschrikkelyk geweld, en somtyds schenen ’er meer dan honderd te gelyk het op een brullen te zetten. Ook hoorde men den Whipperiwill overal.

[Voortreis.]

[Trenton.]

Den 1. Juni zetteden wy onze reis voort. De Dellaware was hier zeer smal, en de oevers waren van dezelve gesteldheid als die wy den voorgaanden dag zagen voor dat wy Burlington bereikten. Des morgens om agt uur kwamen wy te Trenton aan. Den volgenden dag vertrokken wy van daar met den gemenen wagen. De velden waren meest met weit, rogge, mais, haver, hennip en vlas bezaid. Op verscheiden’ plaatsen vonden wy grote stukken met hennip. Kastanjebomen vonden wy in vry grote menigte. Zy wiessen dikwyls op zeer slegte gronden, die egter niet te droog nog te nat waren. Men zeide dat ’er vele Tulpenbomen in de bosschen waren, dog wy zagen ’er genen op den weg. Den aangenomen geur der in de moerassen wassende Magnolia’s rook men reeds van verre, eer men zelfs den boom kon zien.

[De Phlox glaberrima, en andere bloemen.]

De Phlox glaberrima stond hier en daar vry talryk in de bosschen; hare rode bloemen gaven een schoon aanzien. Zy wies hier in de zelve gronden als in Europa de Lychnis viscaria en de Lychnis dioica. De Phlox maculata groeide veel op natte plaatsen, en was vol van schone, rode, welruikende bloemen. Zy stond op zulke gronden daar by ons de Lychnis flos cuculi groeit. Als men by deze bloemen de Bartsia coccinea, de Lobelia cardinalis, en de Monarda didyma voegt, heeft men de bloemen die ongetwyfeld de schoonste rode kleuren tonen.

De Sassafrasbomen waren overvloedig digt by de heiningen van tuinen en boomgaarden.

De huizen die wy voorby reden waren meest van hout. Op ene plaats was men bezig een huis te bouwen welks muren alleen van klei waren, uit de welke men hier ook de bakovens maakt.

[Boekweit.]

De Boekweit had zig hier op vele plaatsen in ’t wild voortgeplant. Wy zagen ’er den gehelen dag enkelde planten van in de bosschen en op de velden, dog altyd digt by de wegen; waaruit men kan opmaken dat zy hier uit verstroide zaden is voortgekomen.

[Nieuw Brunswyk.]

Des avonds laat kwamen wy te Nieuw Brunswyk aan. Den 3. Juni gingen wy met een Jagt naar New York de Rivier af. Deze had in ’t begin tamelyk hoge en steile oevers van den roden steen, dien ik al beschreven heb. Hier en daar stond ene Landhoeve, en wat verder zag men digt aan de Rivier grote koornlanden en weiden. Wy moesten in het zeilen de tekens volgen van in den grond gestokene takken met bladeren daaraan, welken den weg aanwezen dien men houden moest om de ondieptens te vermyden. Eindelyk kwamen wy in zee, en zagen zuidwaards heen niets dan dezelve; dog aan de linkerhand hielden wy altyd het vaste land in ’t gezigt. Aan den mond der Rivier gekomen zynde konden wy kiezen of wy buiten om het Staten Eiland heen, dan tusschen het zelve en ’t vaste land door zeilen wilden. Wy rigtten ons naar weer en wind, en zeilden buiten om, dewyl het schoon weder was, daar men by storm binnen door zeilt; en schoon wy twee uren bleven vast zitten, arbeidden wy ons nogthans weder los, en kwamen [De Stad New York.] des avonds om negen uren te New York aan, welke Stad ik al beschreven heb.

[Wyngaarden.]

Den 4. Juni vond ik hier in de tuinen Wyngaarden, die uit Europa gekomen waren. Zy droegen jaarlyks vele zeer goede druiven. Als de winter gestreng is bevriezen zy dikwyls tot aan den grond toe, maar met de lente botten ’er nieuwe scheuten uit.

[Aardbessen.]

De Aardbessen, werden nu dagelyks menigvuldig te koop geveild. Een jonge Engelschman uit Jamaika berigtte dat daar gene Aardbezien groeiden. De Slangen zyn zeer op deze vrugt gesteld; dog zy zyn zo goed niet als die in Zweden en Finland vallen.

[Klaver.]

Buiten de Stad was hier en daar op de hoogtens Klaver gezaid. Men was ten dele bezig met het afmayen der velden; sommigen waren reeds gemaid, en de klaver lag op hopen om weggevoerd te worden.

[Karssenbomen.]

Aan den weg tusschen Philadelphia en Brunswyk vindt men vele Karssenbomen op de Landhoeven; dog verder waren zy vry zeldzaam. Maar in New York voorby Staten Eiland vond ik ze weder menigvuldiger. Dog daar waren hier zo vele verscheidenheden niet van als in Pensylvanie. Ik zag hier weinig van de zwarte zoete, dog meest van de zure rode karssen. Men mogt op reis in de boomgaarden zo vele karssen eten als men wilde, mits men de takken niet aan stukken brake. Tusschen Brunswyk en Staten Eiland vond men vele Appelboomgaarden.

[Visch.]

Den 6. Juni hoorde ik verscheiden lieden van jaren verzekeren dat de visch hier sedert korten tyd merkelyk was verminderd.

[Rum.]

De Rum, een soort van brandewyn die uit suikerriet gemaakt wordt, en hier sterk in ’t gebruik is, wordt voor gezonder gehouden dan brandewyn, die uit koorn gestookt wordt. Om dit te bevestigen zeide men, dat zy een stuk varsch vleesch in Rum en een ander stuk in brandewyn gelegd, en in beiden enige maanden gelaten hadden, waarna dat ’t welk in Rum gelegen had ’er zeer wel en gaaf, dog het ander geheel doorvreten en vol gaten uitgezien had. Dog deze proef schynt my niet van de juisten te wezen. De Major Roderfort verhaalde, dat, toen hy op den krygstogt naar Kanada was, hy bemerkt had dat de Soldaten wanneer zy enigen tyd lang brandewyn zopen stierven, dog dat de Rum hun geen kwaad gedaan had, schoon zy ze dagelyks enen langen tyd gebruikt hadden. [238]

[Long Island.]

Long Island is de naam van een Eiland leggende vlak over de Stad New York in zee. Het noordelyker deel is veel vrugtbaarder dan het zuidelyker. Voorheen heeft ’er ene grote menigte van Wilden op gewoond; ook vindt men ’er nog ettelyken van, dog zy verminderen jaarlyks, vermits zy ’t Eiland allengskens verlaten. Het zuider deel is wel het dorste; dog de wyze Schepper heeft die onvrugtbaarheid door ene verbazende menigte van oesters, kreeften, krabben, allerleien visch, en velerhande zeevogels vergoed, die men daar veel overvloediger aantreft dan aan het noorder eind. Dit is de oorzaak ook waarom de Wilden zig aan het zuider gedeelte het meest onthielden, dewyl zy voomamelyk van oesters en andere zeevoortbrengsels leefden. Nog kan men by ebbe in korten tyd ene gantsche kar vol oesters laden, die een enkelde vloed op ’t strand gesmeten heeft. Overal op het Eiland vindt men ene grote menigte van allerlei schalen, die de Wilden voorheen daar gestroid hebben. Deze schalen gebruikt men nu om ’t land te misten. Het zuidelykste deel van ’t Eiland wordt meest tot weiland, het andere tot koornakkers gebezigd. Men wil dat in ’t laatst genoemde deel de winter langer aanhoudt, en de sneuw langer leggen blyft. De menschen zyn hier zeer vrugtbaar, lang en sterk.

[Vertrek.]

Den 10. Juni om den middag verlieten wy New York, en zeilden met weinig winds de Rivier Hudson naar Albany op. Wy zagen zeer vele Schuiten, die van New York naar huis keerden, waar zy eetwaren en andere goederen te koop gebragt hadden, die daar, wegens de menigte van Ingezetenen en den sterken handel, wel gewild zyn. De Rivier liep hier van ’t noorden naar ’t zuiden. Zy had enige hoge uitstekken van land. Hare breedte zal aan den mond vyf vierden van ene Eng. myl wezen. Sommige Bruinvisschen speelden op het water. In ’t begin was de oever aan de oostelyke zyde, dat is die van New York, hoog en steil, dog aan de andere gloyende en met hout bedekt. Egter zag men aan weerskanten landhoeven en koornakkers. De steile oevers bestonden uit ene steenkleurige aarde. Ook sommige kleine klippen van grauwen steen vertoonden zig hier en daar. Omtrent tien of twaalf mylen van New York kreeg het land aan den westelyken oever ene geheel andere gedaante, want daar vertoonden zig hoge bergen, loodregt steil tegens den stroom aan. Somtyds stak een hoek uit in ’t water als ware het van een bolwerk. De bergen waren met klein eiken- en ander hout bewassen. Vele grote en kleine stenen lagen aan den kant, zynde van boven neder gevallen. Deze bergen duurden enige Eng. mylen lang. Dog aan de ooster zyde was het land merendeels hoog, somtyds geschakeerd met bergen en vallyen, die meest met blad verwisselend geboomte bewassen waren. Ook zag men hier en daar landhoeven. Op de heuvels lagen enige losse stenen. Wy zagen overal Bruinvisschen, en op ene plaats enige Steuren [239]. Wat hoger op vonden wy den oostelyken oever sterk bebouwd, en wy zagen vele schone landhoeven, omringd van boomgaarden en akkers, zo ver het gezigt reiken kon. Omtrent twee en twintig Eng. mylen van New York verlieten ons de hoge bergen, en maakten als ware het enen rug dwars door ’t land van ’t oosten naar het westen. Ook veranderde de westelyke oever, bestaande voorts uit vallyen en kleine bergjes. Het land was hier byna niet bewoond. De oostelyke zyde egter bleef even bekoorlyk van gedaante. Na ene wyl in ’t donker gezeild te hebben, wierpen wy ’t anker, des te meer dewyl het sterk begon te ebben. Wy bleven hier den gantschen nagt leggen.

Den 11. des morgens vervolgden wy onze reis met den vloed. Wy zeilden voorby de Highland Mountains, die oostelyk van ons lagen. Zy bestonden uit grauwe rotsen, waren hoog en vry steil, en met blad verwisselende bomen, Dennen en rode Ceders bedekt. Aan de wester zyde was het land vol van klippen, dog die de hoogte niet hadden van de bergen aan den anderen kant. Wy konden niet wel de toppen dier bergen beschouwen, dewyl zy met enen dikken nevel omgeven waren. Ook zag men gene landhoeven, vermits het land te vol klippen was. De afstand van dit gebergte van New York rekende men op zesendertig Eng. mylen.

Enige mylen verder hadden wy nog heuvels en klippen aan de westelyke zyde, en aan de oostelyke ene verwisseling van groter en kleinder bergen en dalen, bedekt met geboomte. Schoon de bergen digt aan de Rivier niet hoog waren, wierden zy allengskens hoger en hoger, hoe verder zy landwaards in kwamen. Daarna vertoonde zig niets dan zeer hoge ronde bergen en dalen, die beiden met hout bewassen waren. De dalen zelven waren eigenlyk niets dan lage klippen en rotsen, die op vele plaatsen nevens de Rivier loodregt steil afgingen. De breedte van den stroom bedroeg gemeenlyk een musketschoot, dog somtyds wel twee of drie. Verscheiden soorten van visschen sprongen in ’t water. Om tien uren voor den middag ging de wind leggen, en wy waren genoodzaakt de riemen te gebruiken. Op ene plaats aan den wester oever zagen wy een rood geschilderd houten huis, en men zeide dat een weinig hoger op een zaagmolen stond. Buiten dit zagen wy dezen voormiddag nog huis nog bouwland.

Het water der Rivier was hier niet ziltig meer. Dog men zeide dat het somwylen by enen zuidwesten wind nog veel hoger brak blyft. Ook scheen hier het water donkerder dan meer naar beneden.

[De oorsprong der Rivieren.]

Het is ene zware, zo niet ondoenlyke zaak, den oorsprong der Rivieren in ’t algemeen te verklaren. Enigen kunnen wel uit ene verzameling van water ontstaan zyn, dat door enen zwaren regen of ander toeval vergaderd is geworden, en de kanten der verzamelplaats overtreden is, of zig op ene andere wys enen doorgang gemaakt en zynen loop naar den kant genomen heeft, waar het den minsten wederstand ontmoette. Dit is veelligt de oorzaak waarom zo vele Rivieren, zelfs langs vlaktens zo krom lopen. Egter schynt het dat sommigen haren oorsprong in de schepping zelve hebben, en dat de alwyze Schepper toen reeds den weg die derzelver wateren nemen zouden aangewezen heeft, want het is niet waarschynlyk dat zy alleen uit enen toevalligen overloop van wateren ontstaan zyn. Onder deze laatste soort van Rivieren mogen wy de Hudson wel rekenen. Haar loop, hare oevers, alles moest verwondering in my verwekken. Zy begint een goed stuk boven Albany, en loopt lynregt van ’t noorden naar het zuiden tot by New York. Dit is ene langte van ten minsten honderd en zestig Eng. mylen; want de kleine bogten die zy somtyds maakt hebben haast niets te beduiden. Op sommige plaatsen tusschen New York en Albany zyn ryen van bergen, lopende oost en west, en, het geen zonderling is, deze bergen lopen zonder afsnydingen voort tot dat zy aan de Hudson sluiten, die ze plotsling afsnydt, zo dat hunne kanten loodregt steil tegens de Rivier staan. Dus is hier ene opening zo breed als de Rivier. Dog aan de overzyde vangen de bergen weder aan, en lopen verder westwaards. Het geen nog aanmerking verdient is, dat de Rivier te die opening al zo diep, zo niet dieper is, als op andere plaatsen. Het is wonderlyk te zien hoe loodregt de kanten der bergen tegens den stroom zyn. En het schynt, dat indien de Voorzienigheid deze opening niet gemaakt had, al het land meer naar boven altyd onder water zou gestaan hebben, dewyl dit gebergte, gelyk een dam, het aflopen van het water zou belet hebben. Waarom gaat nu deze Rivier zo lang in ene lynregte streek voort? Waarom leggen deze doortogten tusschen de bergen onder dezelve middaglyn? Waarom zyn ’er Watervallen digt by die doortogten, of ten minsten ondieptens met steenagtige gronden?

Wy wierden nu hoe langer hoe meerder verschrikkelyke hoge en steile bergen aan beide de oevers gewaar, die op het maken van enig geluid enen sterken weerklank gaven. Hoe hoog en steil deze bergen ook wezen mogten, waren zy egter met laag hout bewassen. Van hier konden wy, ver noordwaards van ons, de zogenaamde Blauwe Bergen zien. Ook scheen het land verder op tamelyk bebouwd en min bergagtig te zyn.

De Schipper vertelde dat men in enen dezer bergen aan de westzyde der Rivier dikwyls des nagts een ligt zag, ’t welk het volk voor enen Karbonkelsteen hield.

De laatste dezer hoge ten westen leggende bergen wordt Butterhill genoemd. Het land werd verder op vlakker; ook begon men meer landhoeven en akkers tusschen de hoogtens te ontdekken. Eer wy deze bergen te boven waren liep ons de wind tegen, zo dat wy laveren moesten, het welk zeer langzaam in zyn werk ging, alzo de Rivier hier niet boven een snaphaanschoot breed was. Eindelyk en wind en ebbe tegen krygende, wierpen wy het anker, waarop wy aan land traden om te zien wat daar merkwaardigs mogt te vinden wezen.

Sassafras- en Kastanjebomen wiessen hier veel, ook hier en daar een Tulpenboom. Ook stonden hier enige breedbladerige Kalmias in bloei, dog de bloemen waren wit.

Kort na den middag begon het uit het zuidwesten te wayen, dus ligtten wy het anker. Wy hadden juist stil gelegen op de plaats daar het steile gebergte eindigt. Het bestond uit grauwen rots, en op den kant van ’t water lagen vele kleine stenen. Zo dra wy de bergen verlaten hadden wierd het land vryer, vlakker en wat verheven. Ook wierd de Rivier byna ene Eng. myl breed.