Reis door Noord Amerika

Part 29

Chapter 294,196 wordsPublic domain

De Rogge stond meest zeer dun en slegt, het welk grotendeels van de onagtzame wys van bouwen, en van de magerheid der akkers, die zelden of noit gemist worden, komt. Als men een stuk lands, dat enige honderden van jaren een woud geweest is, en daar ook gemeenlyk ene dikke tuinaarde legt, om te bebouwen genomen heeft, zo gaat men daarmede voort zo lang het iets dragen wil, en als het ophoudt iets voorttebrengen laat men het onbebouwd leggen, en neemt een ander stuk woest land, waar op nog ene vrugtbare aarde is. Zulk ene wys van landbouw kan maar enigen tyd geoeffend worden, en zy moet voor het toekomende zeer kwade gevolgen na zig slepen, die een ieder ligt voorzien kan. Dog enige weinigen gingen wat beter met hun land om. De Engelschen hebben het in den landbouw verder dan enig ander volk gebragt. Dog de vrugtbare bovenkorst, die zy, by hunne aankomst hier te lande, op enen grond die altyd met zwaar geboomte was bedekt geweest vonden, heeft hen tot onagtzame akkerlieden gemaakt. Het is bekend dat de Wilden van onheuglyke tyden af dit land bewoond hebben, en dat zy byna geen land bebouwden, dog alleen van de jagt en vischvangst leefden. ’T is waar, zy plantten Mais, sommige soorten van bonen en kawoerden; dog al het land dat een enkeld huisgezin toen bepootte was nauwlyks zo veel als nu een Boer om kool en rapen voor zyn gezin te telen neemt. Dus konden zy nauwlyks ene maand van hunnen land- en tuinbouw bestaan. Gemeenlyk zyn ook de kleine dorpen der Wilden twee of drie Zweedsche mylen van malkander af gelegen. Hieruit kan men opmaken hoe weinig gronds zy voorheen bebouwd hebben. Al het overige lieten zy in rust, en met geboomte overwassen. En al namen zy na het uitputten van het ene kleine stuk lands een nieuw, zo wilde dit in vergelyking van de bystere uitgestrektheid des lands niets zeggen. Dus kon zig de vrugtbare aarde door het jaarlyksch afvallen van het blad zeer sterk vermeerderen. Dit was oorzaak dat de Europers hier enen zo schonen en vrugtbaren grond vonden, die in vele euwen niet was uitgemergeld geworden, en de aarde tusschen ’t geboomte was zo lugtig als de best bearbeide tuinaarde. Zy hadden maar de bomen om te hakken, ze op malkanderen te leggen, en enigermate het afgevallene blad wegteherken, om ten eersten het land zonder grote moeite omteploegen en te bezayen, waarop een uitmunde oogst volgde. Deze gemakkelyke wys van landbouwen heeft de Europers bekoord om den landbouw der Wilden natevolgen, namelyk van een land zo lang het zonder bemistiging enigsins vrugtbaar blyft te gebruiken, en wanneer het uitgemergeld is het woest te laten leggen, en een nieuw stuk lands te ontginnen. Dit maakt hier den landbouw en de kennis van denzelven zo gering, dat men van de Engelschen, de Zweden, de Duitschers, of de Hollanders hier te lande in dit opzigt niets anders leren kan, dan ten hunnen koste uit hunne zorgeloosheid het nadeel van dezelve optemaken. In een woord, en koornlanden, en weilanden, en houtgewas, en veeteelt, alles wordt hier even onagtzamelyk behandeld, zo dat men hier de in dit stuk der Huishouding zo beroemde Engelschen niet vinden zoude. Nauwlyks kunnen wy in Zweden en Finland met het hout onverstandiger handelen dan men hier doet. Men ziet maar op de tegenwoordige winst, en denkt niet om het toekomende. Het vee wordt dagelyks met werken afgemat, en neemt van wege gebrek aan voeder gedurig in grootte af. Ik heb verscheiden’ kruiden op myne reizen waargenomen die de paarden en ossen boven alle anderen kozen, welken niet alleen in ’t wild wiessen, maar ook op zeer magere plaatsen zeer wel voortkwamen. Dog de Ingezetenen wisten dezelven niet ten hunnen nutte aantewenden, zynde zeer onkundig in de Natuurlyke Historie, welke ook hier te lande, gelyk in vele andere gewesten, van velen voor een nutteloos tydverdryf wordt aangezien. Ik ben door de ondervinding verzekerd, dat ik door middel dezer wetenschap binnen weinig jaren in staat zoude zyn den magersten en dorsten grond, waar ene koe nauwlyks den kost zoude kunnen vinden, in de vetste en beste weiden te verkeren, daar grote kudden een genoegzaam voeder vinden en vet geweid zouden kunnen worden. Ik sta toe, dat deze voordelige gewassen niet overal, nog op het land van elk, gevonden wierden, maar ieder, die slegts enig inzigt in de kennis der Natuur heeft, zoude dezelven gemakkelyk van de plaatsen daar zy vallen kunnen halen. Ik was verwonderd als ik de Boeren over de slegtheid der weiden hoorde klagen; dog ik merkte te gelyk op hoe lui en nalatig zy waren, en wat voortreffelyke kruiden dikwyls op den eigenen grond van deze lieden wiessen, die slegts een weinig hulp van zo enen onverschilligen Heer vorderden. Ik vond overal de wysheid en goedheid van den groten Schepper, dog niet de kennis en den lust om die behoorlyk aantewenden. Hoe gelukkig is de Landman niet die zyne voordelen kent!

Tot deze uitweiding heeft my de hier te lande zo zeer veronagtzaamde landbouw gebragt. Ik heb ook gedeeltelyk de oorzaak willen aanwyzen, waarom men in deze Reisbeschryving zo weinig zaken aantreft die tot volmaking der Huishouding betrekkelyk zyn. Egter ontken ik niet dat ik hier en daar enen enkelden bekwamen Huishouder heb aangetroffen; dog zy waren dun gezaid.

[Roofvogels.]

Roofvogels, die op hoenders en ander gevogelte azen, vindt men hier in menigte, en byna nog meer dan in Zweden. Zy genieten hier ene grote vryheid, kunnende uit de zware bosschen den hoenders onverwagt op ’t lyf vallen. Des nagts is het makke gevogelte niet buiten gevaar voor de Nagtuilen, waarvan ’er hier velen zyn. Zy onthouden zig merendeels in de moerassen, maken des nagts een akelig geluid, en overvallen van daar de hoenders, die gemeenlyk in de Appel-, en Perenbomen zitten te slapen. Maar sedert men hier de bosschen zo sterk afhouwt, wordt den Roofvogels hunne vryheid niet weinig benomen.

[Herten.]

Men vindt hier in de zware bosschen vele Herten. Zy schynen van het zelve soort te zyn als onze Europischen. Een Engelschman had ’er een dat tam was. Het is opmerkelyk dat zo wild deze dieren ook in de bosschen zyn, daar zy zig voornamelyk in de Cedermoerassen ophouden, zy, als men ze jong krygt, zo mak worden, dat zy zelfs by onbekende menschen komen. De makke hinde die ik zag was donker bruin, uitgenomen van onder op den buik en op ’t onderste van den staart, daar zy wit was. De oren waren grauw. De snoet was smal. Voor ’t overige was het gehele lichaam bevallig. De hairen waren digt dog kort. De staart kwam omtrent tot het gewrigt van de knie. Aan het gewrigt der beide agtervoeten zat binnenwaards een knobbel. Zy had een schelletje om den hals, op dat men ze in de bosschen voor ene makke kennen en niet schieten zoude. Zy liep overal heen waar zy wilde, en kon over de hoogste heiningen springen, zo dat men haar niet wel zou hebben kunnen opsluiten. Somtyds liep zy ver het bosch in, en bleef wel enen nagt of twee uit, dog kwam naderhand weder, gelyk ander vee, te huis. Als zy uit het bosch weder kwam wierd zy somwylen van wilde herten vergezeld, vooral in den bronstyd; zo dat de eigenaar door haar gelegenheid kreeg van digt by zyn huis verscheiden wilde bokken menen te schieten. Nu was zy met jong. Zy had enen sterken reuk, zag haar dikwyls den kop om hoog in den wind houden en naar den kant keren van waar de wind kwam, schoon men nog niemant op den weg vernam, en de menschen eerst een uur later te voorschyn kwamen. Zodra de wilde Herten menschen ruiken, gaan zy aan ’t lopen. In den winter wierd zy met hoi en koorn gevoed; dog des zomers ging zy in het bosch den kost zoeken, en at gras en andere kruiden. De man, wien zy toekwam en die ’er meerder mak gemaakt had, zeide dat hy de hinden te Philadelphia verkoft, van waar zy als iets zeldzaams naar andere plaatsen verzonden werden. Hy had voor het stuk vyfentwintig, dertig, tot veertig schellingen toe, naar dat hy enen koper vond, gekregen. De wilde Herten aten des zomers gras en andere kruiden, dog des winters, als zulks niet te vinden is, de toppen der takken. Reeds heb ik aangemerkt dat zy zonder gevaar van den Lepelboom eten kunnen. In den langen en harden winter, die van den 19. December 1740. tot den 13. Maart 1741. O. S. duurde, waarin ook zeer veel sneuw viel, vond men op vele plaatsen de Herten in de sneuw dood leggen, vooral meer binnenlands waar de sneuw dieper lag. Of dit nu kwam om dat zy niet uit de diepe sneuw hadden weten te komen, of van de koude, of by gebrek van voeder, weet men niet. Zo verhalen ook oude lieden, dat, toen hier in ’t jaar 1705. die zware en buitengewone sneuw viel die in de Almanakken van dit Land als iets zonderlings aangetekend staat, en die meer dan anderhalve Zweedsche el diep lag, ’er ene zeer grote menigte Herten werden dood gevonden, dewyl zy door de diepe sneuw niet door konden. Ook vond men toen vele vogels dood leggen. Te Matsong kwam een Hert by het vee in den stal, at mede van het hoi, en was zo door den honger benauwd, dat het tam wierd en niet weder weg liep. Het bleef sedert, even als een huisdier, by het huis. Alle bejaarde lieden getuigden dat ’er in hunne kindschheid hier veel meer Herten dan nu voor handen waren. Het was toen niet zeldzaam ’er dertig of veertig by malkander te zien. De reden van deze vermindering is de groter bevolking van het Land. Dog verder landwaards in, waar nog zware bosschen en woestenyen zyn, vindt men ’er nog veel. Onder de vyanden der Herten zyn de Lynxen, [232] die men hier vindt, en de zelven zyn als de Zweedsche Wolflynxen. Dezen klouteren op enen boom, en als ’er een Hert onder heen komt, springen zy ’er op, houden zig ’er wel op vast, byten het een gat in ’t lyf, zuigen ’er het bloed uit, en verlaten het niet voor dat zy het omgebragt hebben.

[Gaten in den grond.]

Men zag verscheiden’ holen in den grond, zo wel op hoogtens als op velden en braaklanden. Zy waren rond, en merendeels zo groot dat men ’er een vinger of den duim in steken kon. Zy liepen meest loodregt in de aarde, en waren ten dele van Mistkevers, ten dele van grote Aardwormen. Daar de paarden hunne mist hadden laten vallen, al was het zelfs op enen harden grond, hadden de Mistkevers daar onder diepe gaten gemaakt, zo dat ’er een grote hoop aarde nevens lag. Van deze gaten bedienden zig naderhand andere Insekten, als krekels en anderen, want, als men enigen van deze holen opgroef, vond men ’er gemeenlyk een of meerder jongen van deze Insekten in, die nog niet volkomen hunne regte gestalte bekomen hadden.

[Vertrek van Rakoon.]

Den 19. Mai des morgens verliet ik Rakoon, om myne reis noordwaards te vervolgen. In ’t eerst was myn oogmerk al in April op reis te gaan, dog ik vond dat om meer dan ene reden onraadzaam. Daar waren toen nog gene bladeren aan de bomen, en nauwlyks vertoonden zig enige bloeisems. Ik wist niet wat gewassen hier in de lente voortkwamen, want die planten welken in den herfst zig vertonen zyn geheel onderscheiden van die de lente oplevert. Van de Zweden had ik dezen winter wel het gebruik, zo in het Huishouden als in de Geneeskonst, van vele planten vernomen, welken zy onbekende namen gaven, dog zy konden ze my niet wyzen, alzo zy nog niet voortgekomen waren. En uit hunne gebrekkelyke beschryvingen kon ik zelfs niet raden welke planten en kruiden zy meenden. Indien ik dan zo vroeg vertrokken was, zoude ik van dat alles niets behoorlyk geweten hebben. Om deze reden agtte ik het beter myn vertrek wat uittestellen, te meer dewyl ik tyds genoeg had om myne reis naar ’t Noorden aantenemen.

[Zwarte Slangen.]

Nevens den weg lag ene van die Slangen welken Zwarte Slangen geheten worden. [233] Wy sloegen ze dood, en vonden ze drie Zweedsche ellen lang. Dit is de gemene grootte der volwassenen; dog zy zyn zeer dun. De dikste die ik gezien heb was op de dikste plaats van haar lichaam nauwlyks drie duimen. De slang is van boven zwart, waarom zy Zwarte Slang geheten wordt, glad en glinsterend; de buik is witagtig trekkende naar het blauwe, insgelyks glinsterend en glad. Onder de kin is de Slang wit en ook glad. Daar kunnen wel verscheidenheden van zyn. Ene, zynde negentien duim lang, had honderdzesentagtig buik- [234] en tweeënnegentig halve staartschilden. [235] Ene andere van negentien duim had honderdvierentagtig schilden op den buik, en maar vierenzestig halve schilden op den staart. Misschien is deze voorheen wel een deel van den staart kwyt geraakt, en het eind weder geheeld. [236].

[Talrykheid.]

Het Land is hier vol van deze Zwarte Slangen. Zy behoren tot dat soort ’t welk in de lente te voorschyn komt, en zig al vroeg vertoont als het warm wordt. Dog als ’er dan ene koude invalt zo bevriezen zy zodanig dat zy geheel styf worden, en zo op de aarde, en somtyds wel op het ys, leggen blyven. Men heeft ze in dezen staat wel voor het vuur gelegd daar zy dan na enigen tyd weder bykwamen. Het is wel gebeurd dat zy om nieuwe jaar, als men dan enige warme dagen had, te voorschyn kwamen, dog gemeenlyk is haar dit noodlottig. De gewone tyd van hare verschyning is het einde van Maart.

[Gezwindheid.]

Deze Slang is de gezwindste van allen die men hier vindt, want zy loopt zo schielyk voort dat een hond ze nauwlyks kan inhalen. Dus is het een mensch, dat zy vervolgt, onmogelyk haar te ontkomen. Dog een geluk is het dat hare beet nog vergiftig nog gevaarlyk is. Vele menschen zyn van haar gebeten geworden, die ’er geen zwaarder ongemak van gehad hebben dan indien zy zig met een mes hadden gekwetst. De wonde blyft maar enigen tyd pynlyk. Zy doet geen kwaad dan in de lente, wanneer zy paart. Als men ze dan enigsins verhindert, wordt zy toornig, en vervolgt de menschen uit alle hare kragten. Ontmoet zy dan iemant die bang voor haar is, zo brengt zy hem in grote verlegenheid. Ik heb ’er gekend die by zulk ene gelegenheid zig geheel buiten adem gelopen hadden, alzo de Slang hen, gelyk een pyl, had nagezet. Dog heeft men moeds genoeg zig met enen stok te weer te stellen, zo zal zy zelve ligt de vlugt nemen. Somwylen egter is zy zo stout dat zy op een mensch aanvalt en niet eerder wykt voor dat zy enen goeden slag gekregen heeft. Men verzekert in ’t algemeen dat als zy iemant inhaalt die voor haar lopen gaat, zy zig om zyne benen slingert, zo dat hy niet meer lopen kan maar vallen moet, waar na zy hem enige malen in het been of elders anders byt, en dan haren weg vervolgt. Ik zal hier twee vertellingen invoegen die dit bevestigen. Dr. Colden berigtte my, toen ik te New York was, dat hy in de lente van 1748. op zyn Landgoed verscheiden arbeidslieden gehad had, waaronder een was die onlangs uit Europa was overgekomen, en dus niet veel van de eigenschappen dezer Slang wist. De anderen, ene grote Zwarte Slang bezig ziende met te paren, hadden den nieuweling overgehaald om ’er naartoe te gaan en ze te doden. Deze wilde dit ook doen; dog zodra hy by de Slangen kwam, zagen zy hem, en het mannetje, vertoornd van in zyn vermaak gestoord te worden, vloog als een pyl op den man aan. Deze, nietminder dan zulk ene moedigheid van de Slang verwagtende, verschrikte zodanig dat hy den stok wegsmeet, en uit al zyn magt het op den loop zette. De Slang vervolgde hem, haalde hem in, wond zig om zyne benen, zo dat de man ter aarde viel, en byna van schrik zyn verstand verloor. Hy geraakte niet eerder van de Slang los, voor dat hy ten laatsten het besluit genomen had van zyn mes te nemen, en ze op twee of drie plaatsen doortesnyden. De anderen zagen dit spel al lacchende aan, zonder hem te hulp te komen. Te Albany wierd my van verscheiden lieden een voorval verhaald, dat ener jonge Juffrouw gebeurd was, die des zomers met enige andere meisjes buiten de Stad ging wandelen, en enen zwarten slaaf by zig had. Zy was wat op den grond gaan zitten, terwyl de anderen heromliepen, toen ’er ene Zwarte Slang, in hare liefkozingen gestoord, op haar af kwam, haar onder de rokken kroop, zig om haar lyf sloeg, zo dat zy, en uit schrik en door het klemmen van de Slang om haar lichaam, ter aarde viel en buiten westen geraakte. De slaaf loopt toe, en haar indien toestand ziende, zo ligt hy, misschien vermoedende wat ’er gebeurd was, of misschien om een middel te gebruiken, het welk sommigen aanwenden ten einde een mensch dat in onmagt legt weder tot zig te brengen, hare rokken op, en vond daar ene Slang, die zig om het lyf zyner Juffrouw zo digt als mogelyk was geslingerd had. Hy was niet in staat de Slang los te krygen zonder ze doortesnyden, waarop het meisje weer by zig zelve kwam. Dog dewyl de slaaf haar by die gelegenheid van zo naby bekeken had, konde zy hem in ’t vervolg niet meer voor hare ogen dulden, en verviel in ene uitterende ziekte, waaraan zy overleed. Op andere tyden van het jaar is de Slang meer geneigd om weg te lopen dan om op de menschen los te gaan. Dog egter zeiden velen dat zy ook nog diep in den zomer, en als zy niet meer in haren tyd is om te paren, menschen en vooral kinderen die bang zyn, en die zy ziet dat voor haar gaan lopen, zal nazetten. Zelfs zeiden velen ondervonden te hebben, dat men ze bewegen kan om iemant natelopen, met namelyk haar te goyen, en ’t dan op een lopen te zetten. Ik kan dit niet wel in twyffel trekken, daar zo vele geloofwaardige lieden het my getuigden; dog my heeft het noit willen gelukken, schoon ik het altyd, als ik ’er gelegenheid toe had, beproefd heb. Of zy my voor enen arglistigen bedrieger aangezien heeft, of wat anders hiervan de oorzaak geweest is, weet ik niet. Maar zy ging altyd voor my mee alle magt, gelyk een pyl, op de vlugt.

[Toverkragt.]

Men schreef hier te lande dezer Slange in ’t algemeen het vermogen toe van vogels en eekhoorns te betoveren, gelyk ik reeds aangemerkt heb. Ik weet niet wat ik hiervan denken zal. Zelf heb ik het noit gezien, dog ik heb meer dan twintig menschen, en onder dezen zeer geloofwaardige lieden, de zaak als uit enen mond, schoon zy zelfs op ver van malkander gelegen plaatsen woonagtig waren, horen getuigen. Zy verzekerden my op hunne eer dat zy het met eigen ogen gezien hadden, en sommigen was dit zelfs meer dan eens gebeurd. Maar men moet aanmerken dat ’er ene grote menigte vogels en eekhoorns zig in de bosschen onthouden waar de Slangen zyn, dus het dezen niet bezwaarlyk valt enen van dezelven enen dodelyken hap te geven, waarvan zy niet ten eersten sterven, en dat de Slang onder den boom, waarop het diertje zyne toevlugt genomen heeft, blyft wagten, tot dat het of van het vergift of van de pynen door de beet veroorzaakt gedwongen worde nader by haar te komen. Hot benauwde geschreuw, dat de vogel of de eekhoorn maakt, kan door het vergift of de pyn veroorzaakt worden. Dog hiertegen zoude men kunnen inbrengen, dat de beet der Zwarte Slang niet vergiftig is, en dat als de Slang zo ver gekomen was van een dier te byten zy het ligt zou kunnen vasthouden zonder het op enen boom te laten ontkomen, of anders zou zy volgens hare gewoonte zig schielyk om het zelve kunnen slingeren, en het, gelyk zy somtyds wel met de hoenders leeft, dooddrukken of verstikken. Dog het voomaamste dat tegen de zo even opgegevene verklaring wordt ingebragt is, dat die geloofwaardige lieden, van de welken ik dit verhaal ontvangen heb, allen heilig verklaarden, dat wanneer men, zo als de arme vogel of eekhoorn op het punt stond van zig in den mond zyns vyands te moeten smyten, de Slang onverwagt dood sloeg, met een het nare gejammer van het betoverde diertje ophield, en de vogel, als ware hy uit een net ontsnapt, weg vloog. Enigen zeiden, dat wanneer de Slang maar een ogenblik genoodzaakt wordt hare ogen van den vogel of den eekhoorn aftekeren, het dier in vryheid geraakt, en weg vlugt. Waarom doen zy dit nu op dat tydstip en niet eerder? Waren zy reeds van te voren door de Slang vergiftigd of gewond, hoe konde het doden der Slang zelf hen van het vergift of de gekregene wonde verlossen? [237] Het schynt dan dat de op het dier gevestigde ogen der Slang het als betoverd of gekluisterd houden. Dog het ene en andere moet ongerymd en onbegrypelyk schynen, schoon het van vele zeer geloofwaardige lieden bevestigd, en hier te lande zo algemeen geloofd wordt, dat men zig zoude doen uitlacchen indien men ’er enigen twyffel omtrent tonen wilde. Ik late anderen deze zaak nauwkeuriger uitpluizen.

De Slang byt de kleine vorschen doodt en verslindt ze. Wanneer zy vogeleyeren vindt, maakt zy ’er een gat in, en zuigt die uit. Als de hennen op de eyeren zitten, en zy in ’t nest komt, windt zy zig om derzelver lyf, en drukt ze dood, waarna zy de eyeren ledigt. De Heer Bartram had deze Slang zeer dikwyls op de hoogste bomen zien kruipen, om naar eyeren te zoeken, en als zy weder uit den boom afkwam ging zy altyd met den kop voor aan naar beneden. Een Zweed verhaalde my dat hy eens ene dezer Slangen gezien had, die den kop van ene kip geheel in haren bek genomen en zig in een ogenblik om haar lyf geslingerd had, zo dat zy ze zoude dood gedrukt hebben, was hy de hen niet te hulpe gekomen met de Slang te doden. Het hoen was naderhand weder volkomen frisch en gezond.

Van melk houdt deze slang zeer veel, zo dat, als zy eens den weg naar enen melkkelder gevonden heeft, het bezwaarlyk is ze daaruit te weren. Men had gezien, gelyk verhaald wierd, dat zy met de kinderen de melk uit het zelve kommetje gegeten had, zonder de kinderen te byten, schoon die haar met de lepel op den kop sloegen als zy te gulzig was. Ik heb ze noit horen piepen. Zy weet zig meer als op de helft van haar lichaam om hoog opteregten, om herom te zien. Zy verwisselt jaarlyks van vel, het welk men voor zeer goed tegens de kramp houdt, als men het altyd aan het lyf draagt.

De Rogge begon thans te bloeyen.

[Verscheidenheid van gewassen op kleine afstanden van malkander, en van aarde.]

Ik heb dikwyls op myne reis met verwondering gezien welk een onderscheid ’er is tusschen de planten en de aarde van de ene zyde ener beek en die welken op de andere zyde derzelver beek gevonden worden, somtyds zelfs al is die beek niet groter dan dat men ’er over huppelen kan. Dit deed my telkens als ik ene wat grote beek of rivier ontmoette verwagten nieuwe planten te zien. De zaden kunnen met den stroom van verre af zyn nedergevoerd. Ook was zelfs de aarde niet zelden van ene geheel andere natuur dan aan de overzyde ener beek, zo dat zy aan de ene zyde dikwyls zeer vet en vrugtbaar, en aan de andere dor en mager is. Ene rivier kan een nog groter onderscheid maken. Zo zien wy wat een onderscheid ’er is tusschen New Jersey en Pensylvanie, twee landschappen alleen maar door de Dellaware van malkander gescheiden. In Pensylvanie bestaat de grond uit ene losse aarde, met zand en klei vermengd, die zeer vrugtbaar is; in New Jersey vindt men meest enen drogen, zandigen, en, enige plaatsen alleenlyk uitgenomen, onvrugtbaren grond. Zelden treft men daar stenen, veel minder nog bergen aan. In Pensylvanie ziet men zelden enen Dennenboom; in New Jersey vindt men ’er gantsche bosschen van.

[Philadelphia.]

Des avonds kwam ik te Philadelphia aan.

[Krekels.]

Den 22. Mai begonnen de by de Engelschen zo genaamde Locusts, een soort van Krekels, voor den dag te komen. Zodra hunne vleugels droog waren vingen zy hun gezang aan, zo dat men in de bosschen meende zyn gehoor te zullen verliezen. Dit jaar was ’er ene schrikkelyke menigte van. In de verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy voor het jaar 1756. heb ik een omstandig narigt van hunne eigenschappen en levenswys gegeven, werwaards ik den Lezer wyze.

[De Tulpenboom.]

De Tulpenboom stond den 25. Mai in vollen bloei. Het was zeer aangenaam bomen zo zwaar als onze Eiken met bloemen bedekt te zien die onzen Tulpen zeer veel geleken, schoon de reuk niet zeer lieflyk was.

[Kevers.]