Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 3

Chapter 33,611 wordsPublic domain

Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in _Een Zeereis_. De verhaalgang zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk een gang en een leven in dat _Fragment uit Floris de Zwarte_. Hoe onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde ontbloeien in _Een Liefde in Limburg_....

En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was--en ik zeg 't u om uw-zelfswil--lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten, allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar--zóó, in de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden, allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....

[SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.]

Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen keer--en ge hebt 't uit den aanvang van dit [p.30] opstel reeds bemerkt--niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats aan den roman _De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche Meren_, door C. en M. Scharten-Antink, _fournisseurs de la cour_. Dezen laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden, maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het--gij zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer vereend heeft, de recensent mag scheiden!--het echtpaar Scharten is het, niet voornamelijk wijl het _de_ erkende romanleverancier van _De Gids_ is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche- woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene seizoen in _Soieries Françaises_, 'n ander in _Inverniciatura Italiana_ handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in _High-life tailor-made Dressing-gowns,_ maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche katoentjes zal "doen"--neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral, omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven, absoluut _hoffähig_ te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af, tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht [p.31] wie de Cavarner landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee machtige vuurstroomen--die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen droom!--Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens [p.32] door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken. Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt. _Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen_. En dat beeld wordt er des te volkomener door en _blijkt zelfs rijk aan een ongezochte symboliek_, als we erop letten dat _de roomsche priester Jacchini de handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is_! Op deze tendenzen der huidige samenleving de hand te hebben [p.33] gelegd, en ongetwijfeld een _in-kunst-herscheppende_ hand, dàt is de _machtige verdienste_ van de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt: tusschen de beide dorpspatriciërs-families _Muzzo_ en _Taddeï, in verband staande_ met de beide andere konflikten--en het dunkt mij goed, met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit werk m.i. miskend is, op dit _verband_ den nadruk te leggen--want de afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert--wat als eervol geldt--en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een Taddeï met een Muzzo trouwt, maar--er is een vierde dramatische botsing, die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat is de levenstragiek van den blinden _Zacharia Banfi_, een _prachtig-gebeelde_ figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt, sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het land terug te winnen.... Luister:

Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar hem een zeemen zakje op de borst hing.

"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire, met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... [p.34] de Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn er honderd ... honderd...."

De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over de binnenplaats....

De anderen, verschrikt, zaten stil.

En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in _Banfi_ op: een van die Duitschers, een broer van dien _Walther_, die op _Banfi's_ "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent _Banfi_ en hij geeft een deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen worden, om _Fulmignano_, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij, waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe kabelspoor en daar laat Walther het grootsche _Kulm_-hotel bouwen, daar zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:

"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man, _die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden_.

Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:

Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke, kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen, die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht verklaarde in een [p.35] zachte opgetogenheid. _Toen hij vóór noch achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren_....

_Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag, naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar Noranco lag_,--_hij zag dat alles in één teeder gewemel van honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze, glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het azuur van den hemel en aan het versche gras der wijngaard-glooiingen,_--_heel dit lente-land, dat hij kende plekje bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in den geest_.--_"Che bellezza," zei hij zacht_.

Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat wij hem zien:

Onbeweeglijk bleef hij zitten.

Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.

Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede, waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan den dood....

O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten en medelijden?

Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld. Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het _Mayertje_, ofschoon uitstekend _doorvoeld_, is niet zóó goed _gebeeld_: de schrijvers hebben hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend, te spottend, [p.36] te humoristisch geworden. Met den _Zoppo_, den uit den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "_'t Mayertje_" te waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt. Zij blijkt dan, dunkt mij, _van zelf_ te symboliseeren het verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende, landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze minnehandels gebruikt _Madame Mayer_ een jong meisje uit het geslacht der _Muzzo's_ als "postillon d'amour," welk kind op een van die boodschaptochten door den "minnaar" van _het Mayertje_ wordt verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen--en is dit niet fraai en goed?--maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om, wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die balken er niet zijn!--En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n "ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: _Wat dit boek zegt_, dat zegt het voortreffelijk--een enkele, in de sfeer van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor eigen vermogens bewijst--maar in _'t verzwijgen_, daar zit 'm het ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren gehoord, [p.37] dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit _niet_ voortkomt uit zekere zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het--en vindt men dit een "insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!--dàn is het: _wijl zij fournisseurs de la cour zijn!_

[LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.]

En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet praten.... Diens _Antiek Toerisme_ verplaatst ons zoowel naar vreemde landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari, een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan. Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij --eerste rangs tooneelmalligheid!--voor eene hem ontrouw geworden en met een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart. Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.--Kijk, als ge nu een boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden--en welke gedachte zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?--hoe komt ge dan bij het betreden van dit Couperus-huis [p.38] bedrogen uit! De gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden, maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene.... Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname.... Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft; meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!

Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb, den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig [p.39] en lief. Die beschrijving van den Witten Nacht is _fraai_ en wij geraken wel in de stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch verleden ... jawel ... máár _de centrale fout van het werk is, dat de menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen_. Er wordt _gespeeld_ met _menschelijkheid_. En de taal is verbijsterend slordig! Het woord _immens_ komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens _Nagelaten Werk_ voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo _reuzig immens_ was" als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan, weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een edeler spel van hem zien? Sla dan _Groot-Nederland_ van Maart[5] op. Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te maken: _het décor is er om de menschen_.... Neen, zéker: de groote Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich voor op een schitterend heroptreden--de kleine Couperus houdt zoolang het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.--

* * * * *

BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.40]

III

Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk.... _Willem Kloos_

Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens--dat is geen mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te dóórvoelen. Want de bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen te begrijpen, maar dan ook volledig, zóó dat zij straalt van waarheid, als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog mensch_jes_ zijn, en van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de verrukkelijke zekerheid lezen, dat dóór en uit hun nog passief, hun nog sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan ware onze spraak van zijn diepste [p.41] accenten en schoonste geluiden beroofd en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den _ziels_-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat denk-voelen ècht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun wóórden rust als op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.

[REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.]