Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 2

Chapter 23,580 wordsPublic domain

En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, déze is het nu juist, welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de lezer aan zich-zelf ontrukt, bóven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet heeft gedaan. Zijn boekje is--eerste tekortkoming--_geen kunst_, en--tweede tekortkoming--mist alle _overgave_, alle _enthousiasme_. Het is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van _kunst_ zijn zij waardeloos. [p.18] Want evenals diamant slechts door diamant zóó gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt, zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren schrijver zal vinden, maar--onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel, en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de conversatie te pas zullen komen, maar diens _ziel_?... Doch schrijf nu, geen twintig duizend woorden, maar slechts één zin, waarin uw innigst doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een _licht_ springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt _ontroerd_, d.w.z. zij is door ù _gegroeid_.... Zulk een schrijver is G.K. Chesterton: een groot _kunstenaar_, die met _liefde_ en overgave over een grootere schrijft.

Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het eerste: _Charles Dickens_, waarvan juist weder een nieuwe druk verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl het de _geheele_ Dickens-figuur behandelt; het tweede: _Appreciations and Critisisms of the Works of Ch. Dickens_ is--precies wat de titel het zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede betreft mij er toe beperken, u de lezing _ten zeerste_ aan te bevelen. Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u niet kan toonen. _Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten althans geen_ [p.19] _slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan_.

Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het feit, dat--afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste--het denken van den Hollandschen criticus _denken blijft_ en dat van den Engelschen bijna overal zich _plastisch ver-beeldt_, d.i. _kunst_ wordt. Ziehier eerst één voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener wijsgeerige gedachte bij Chesterton:

For religion all men are equal, as all pennies are equal, because the only value in any of them is that they bear the image of the king.

En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:

(Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen _viel de slag_ van het bankroet, werd vader Dickens in de Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in zijn tiende jaar.

En nu Chesterton:

He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to make a name, nor did he merely aspire to these things; the great number of them he also expected. He regarded himself as a child of good position just about to enter on a life of good luck. He thought his home and family a very good spring-board or jumping-off place from which to fling himself to the positions which he desired to reach. And almost as he was about to spring _the whole structure broke under him and he and all that belonged to him disappeared into a darkness far below_.

Dàt is _beelden_. Dat is _innerlijk zien_.--Beide auteurs vinden het tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit, ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:

Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.

[p.20] Chesterton voelt 't even diep, máár _ver-beeldt_ tevens zijn diep gevoel:

Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained to pray.

Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:

Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie men geenszins onverschillig aan kan zien.

Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen open-geweerlicht in dit:

The modern "Shocker" at its very best is an _interlude in life._ But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people talked _as if real life were itself the interlude between one issue of "Pickwick" and another_.

Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de _Christmas-Tales_ hebben:

Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van hulsttakken ruikt.

En droomt ge u comfortabel weg in de _zeer geslaagde_ stemmingsweergave van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:

... his Christmas sentiment. It has cosiness, _that is the comfort that depends upon a discomfort surrounding it_. It has a sympathy with the poor, and especially with the entravagance of the poor; with what may be called the temporary wealth of the poor. It has the sentiment of the hearth, that is _the sentiment of the open fire being the red heart of the room_. That open fire is the veritable flame of England, _still kept burning in the midst of a mean civilisation of stoves_.

[p.21] De typische uitbeelding door Dickens van den _fog_, door Coenen als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft Chesterton aanleiding tot deze m.i. _allerprachtigste_ fantasie:

... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a real significance. We have in our great cities abolished the clean and sane darkness of the country. _We have outlawed night and sent her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires against her return_. We have made a new cosmos, and as a consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and most justly, we have made our own darkness. _Just as every lamp is a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall._ If it were not for this mystic accident we should never see darkness, and he who has never seen darkness has never seen the sun.

Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze _beiden te lezen_. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze waarheid gevoeld.)

This life of grey studies and half tones, the absence of which you regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of heroes and villains is life _as it is lived_. The life a man knows best is exactly the life he finds most full of fierce certainties and battles between good and ill--_his own_. O yes, the life we do not care about may easily be a psychological comedy. Other people's lives may easily be human documents. But a man's own life is always a melodrama.

Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het paradoxale òm het paradoxale, de geestigheid òm de geestigheid; ik voel wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap, [p.22] zich niet het _il a les défauts de ses qualités_ te binnen bracht, en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht vinden--hij vergeet dat ik het alibi van.... den _kunstenaar_ Coenen bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb _kunnen_ bejegenen: hij was niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den _kunstgevoelige_....

Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben, noem ik de _Nineteenth Century_ met _Charles Dickens_ by Darrell Figgis; _Elsevier's Maandschrift_, waarin, nevens het reeds behandelde Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel _De oudste prenten voor Dickens_ gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:

Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel kwaads uitbroedde.... enz.

Dezelfde vangt in _De Ploeg_ een rijk geïllustreerd artikel over _Dickens en zijn voornaamste illustratoren_ aan, dat in Maart vervolgd zal worden.--Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen hebben, onbesproken uit--collegiale égards: naast een Onsterfelijke schijnen de levenden dood....--

19 Febr. 1912.

* * * * *

BRIEVEN OVER LITERATUUR

II.[p.23]

Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben, dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij door het lezen van _shilling-shockers_ voor te bereiden op het ambt van literair criticus, dat ik nu bekleed--en zoo ge deze opleiding ietwat vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging; weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we allen [p.24] trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!--nu, ik herinner mij dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken en een van 't gezelschap--het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn geweest--in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent, en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot--ik mij met een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon, als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden bloementuin....

Ook herinner ik mij--en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan _woorden_ aan een _zilversnoer_? Ja zeker, als de bescheidenheid--gelijk hier--[p.25] en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden, is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele onwaarheden--ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een zoogenaamden _Polk_, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was, ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt, dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!

Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat zich afwenden van eigen tijd, dat is _niet_ voornaam, en dat trekken van het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde--dan moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook: als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang, allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.

[VAN OORDT: NAGELATEN WERK]

Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en--ik mag dit van een doode immers wel zeggen:--ge hadt zijn gelaat slechts behoeven aan te zien, om te weten, [p.26] dat hij ook een groot mènsch was. Als een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen, treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid, die _dreigend_ is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt, dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over--u-zelf. Het was ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal _kunst_, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk tronend in de zielsdiepten. En dit _Nagelaten Werk,_ dat nu voor mij ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij hier.--Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.

In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave geschreven opstel zegt de _Gids_-criticus, de heer Scharten, dat de heer Van Oordt een _middeleeuwsche ziel_ had en dat een, in het _Nagelaten Werk_ opgenomen, stuk als _Een Pleiziervaart_, dat fijntjes humoristisch het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers verzeild, naïef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk een stuk, bij langer leven van den [p.27] schrijver uitzondering zou gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken _Roman-Begin_ en _Fragment uit Floris de Zwarte_ dezen beoordeelaar gelijk te geven. Maar ook niet anders dan _oppervlakkig beschouwd_. Want zoo 't mij geoorloofd zij--en hier wensch ik u de beloofde opheldering te geven--tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het middeleeuwsche--en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene --zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan--gelijk wel, al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen--; dáárdoor verhinderd het leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want--en moge dit mijne beweringen ondersteunen:--_een vurig sociaal-demokraat als Van Oordt was_, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een _vurig sociaal-demokraat_ kan _onmogelijk_ een geest bezitten, die hem zich precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een begraven verleden te evoqueeren, _dat aan sociale rechtvaardigheid niet rijker was_. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar [p.28] hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem een rijke en groote. Toch--laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door oprecht te zijn--niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst--zoowel van stoffelijke als geestelijke momenten--mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde _Een Pleiziervaart_ als _In de Kroeg_--het verhaal van een dronkemansruzie--en _Een Liefde in Limburg_ te lezen, om te merken, dat, wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen--niet bewust, maar instinctief--in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit _Nagelaten Werk_, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen in dit:

En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar _tot een burgerlijke versiering de zonnestralen_[3] langs mottige vitrage gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der kameromgeving.

[p.29] En welk een opperste genialiteit in deze beelding:

Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een geestdriftige stijging, _en als hij op sprong staat zich over te geven aan den val der gindsche daling_, glimt hij in de zon als een lint van gele japansche zijde.