Opa en Ineke

Part 3

Chapter 34,203 wordsPublic domain

„Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar steken kan en muizen vangen. Misschien was hij op den duur wel tam geworden, maar buiten in de bosschen hebben ze toch een veel prettiger leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen kon zijn! Vroeger toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in mijn leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier bent, mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar een groote spin, zoodat de fonkelende waterdruppels hoog opspatten.

„Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke verschrikt en lachend tegelijk.

„O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu langzamerhand maar omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed en wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog net verkleeden en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de beide meisjes de plaats weer op, waar ze hun kousen en schoenen hadden achtergelaten.

„Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t water en gaan zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze beenen schijnen. Je zult eens zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever op, reikte Ineke een hand en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar in ’t gras uit.

„O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed over haar oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich stoven.

„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze lui.

Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte.

„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk overeind, maar Freda antwoordde:

„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver af.”

Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag.

„We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze zeker krijgen zou en dan.... de repetitie.

„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer.

„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van uit de serre het tweetal zag aankomen.

„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht, dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn drooggewreven.

Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel.

„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,” wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had meegemaakt.

„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende.

„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.”

„’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven, maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke.

„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,” zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen.

„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn atlas, want die kan er niet in.”

„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd.

„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel gauw de voornaamste dingen op.”

„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!”

Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders ophalend, naar de telefoon, die juist belde.

„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even, Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel.

Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had.

En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen ’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed. ’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf, stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet lang wachten liet gelukkig.

Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder ’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei met sommen, die niet wilden uitkomen....

⁂

Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig, dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest was!.....

Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na.

De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst, hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende, had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een „min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa, die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld!

Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er geen koudje aan de lucht was.

„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West, zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan.

Ineke bloosde tot achter haar ooren.

„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes.

„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes, zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen antwoordde:

„Heel graag, Opa!”

„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?”

Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen schuld zóó zou moeten teleurstellen!

Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal over stuur raakte ze.

„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen.

„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa troonde Ineke zacht mee naar buiten.

Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school en van de ongeluks-repetitie.

Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel begreep.

„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,” vroeg Opa, toen Ineke zweeg.

„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige, maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!”

„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar de Heikamp.”

„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen.

„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord leeg en ging toen gedwee rusten.

Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet.

„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook ’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?”

Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles uitlegde, aan Ineke’s ouders....

Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met duidelijke letters onder geschreven:

„Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te bevorderen.

C. J. P. HOOGSTRA, Hoofd-onderwijzer.”

„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk.

„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt, omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen.

Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje er aan gemaakt had.

UIT LOGEEREN.

Hè, wat was dat?

Was ’t nou al morgen?

Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje.

Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!

Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de konijnen.

Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen....

Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:

„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”

En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap gevallen.

Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!

’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:

„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”

„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.

Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel neerploften.

„Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte lachend, niet in staat een woord te zeggen.

„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze wat bekomen waren.

„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later waren ze beneden. Allebei tegelijk!

In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en kleine, gele roosjes.

„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje, die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep den fijnen geur in te ademen.

„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.

„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken brood, strooi dat maar voor de vogels.”

Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander dreven.

De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.

„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie van mij, als u nu van Dolf hebt!”

„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.”

„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.”

„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende kibbelpartij door te zeggen:

„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”

„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet eens praten.”

„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje.

Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar ’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.

En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem en Tante Lida doorbracht.

Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in ’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.

Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje wist geen raad....

Zóó was ’t gebeurd.