Part 2
„Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie nog net zoo prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over den koffer en begon Ineke’s goed uit te pakken.
„Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in ’t kastje onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet je straks maar zelf op je tafeltje schikken en je schoolboeken en schriften leg ik hier zoolang op den stoel bij je bed. Die kan je dan zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.”
„Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel slaperig en juffrouw Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer, bewoog zich muisstil door ’t vertrekje tot alles was opgeborgen.... Nog voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en toen Opa om drie uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een half uurtje, heelemaal opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam.
„Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood kleurtje en een schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw je melk, dan krijg je van Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor ’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa en Ineke togen er op uit.
Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje, de vrouw van Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was met zijn drie-jarig zoontje in den moestuin bezig. Keesje, een aardig, blond manneke met een blozend appelen-gezichtje en vervaarlijk kromme beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch al dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de aardbeien uit de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen stonden. En Andries vond ’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe spinazie en postelein er uitzagen.
„O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen hadden, boven op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich.
„Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t nou tòch te druk met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe is al heelemaal in orde,” en Andries rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem volgden heelemaal achter in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren aangelegd. In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes, margrieten, primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t midden droeg een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in den zomer zouden bloeien, juist als ze met de vacantie over waren.
Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte de mooiste viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn knoopsgat en toen gingen ze samen op weg, achtervolgd door Bello en Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek van „Eiken-rode” zagen uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde naar ’t dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs de mooie, nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De familie Wilminck woonde nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch, dat er een meisje en een jongen van haar leeftijd waren. Freda en Hans heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer Van West gezegd, dat ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen. Ineke zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t dorp tot haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd had. Wiesje van den dominé was wel drie jaar ouder en met Greta en Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school, kon Freda niet al te best overweg.
’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo heette dokter Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den voor-tuin op ’t grasveld zagen zitten. Meneer Van West groette en ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen en een hoog, schel stemmetje riep:
„Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze even meekomen, dan kunnen we vast kennismaken!”
En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde meisje met de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte haar, haar meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van West volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw Wilminck liep haar onverwachte gasten tegemoet, duizend verontschuldigingen makend over het „ongepaste” optreden van haar dochtertje.
„Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw kleindochter kennis te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat ze bij Freda in de klas komt te zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend.
„Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei Ineke, mevrouw een hand gevend en vervolgens handen schuddend met den dokter en met Hans, Freda’s jongere broertje, dat net zulke donkere oogen had.
„En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me. Ik vind ’t leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen middag heb ik al naar je zitten uitkijken,” en Freda trok Ineke naast zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter voor meneer Van West een grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello en Fokkie in op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond.
„’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even geduld hebt, zet ik nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts even tijd te hebben:
„Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur aan tafel zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We kunnen maar eventjes. Een ander maal héél graag.”
„Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke hier op visite komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de koekjestrommel voorhield.
„Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden bij, maar hun vader sprak bedarend:
„Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld, dat Ineke pas een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar school gaat en ’s middags een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog niet te veel mag vermoeien.”
„Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West.
„O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en bij ons blijven eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan wel voor, dat ze niet te laat thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als ’t mooi weer is theedrinken en neemt zelf u kleindochtertje weer mee,” stelde mevrouw voor.
„Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend: „Nu Ien, wat denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?”
„O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid, want ze had er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg aardig en hun ouders waren zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich al heelemaal op haar gemak voelde en toen ze een oogenblik later met Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal had omgekeerd om Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot meneer Van West:
„’t Is net, of ik ze al veel langer ken!”
„Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier, want zoo heelemaal zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op „Eiken-rode” een saaie partij voor je worden op den duur.”
„O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch altijd mijn beste kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s groote hand.
⁂
Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer geweest, zoolang Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo gezond uit, dat ’t een lust was. Heelemaal bruingebrand door de zon en daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes groote glazen melk, die ze nog steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje was afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot Ineke’s groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde zijn dochtertje bijna niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit.
„En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je overgaan?” was een van zijn eerste vragen.
„O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu ben ik heelemaal gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite, maar met taal en aardrijkskunde was ik vóór en met Fransch ben ik nu heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester Hoogstra geeft heel prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat zijn leerlingetje zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze zoo voortging.
Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen en als belooning zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk, die ze met de huisnaaister gemaakt had, een groote doos pralines, die Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen middag soldaat maakte. Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags kwamen ze geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw Doortje wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen zand lagen, de stoelen schots en scheef door de beneden-kamers zwierden en er telkens glaasjes limonade of kopjes thee omvielen. Mevrouw Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke was er versteld van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten nu letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze haar jurk, dan kreeg ze niet eens een standje.
„Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur zoo goed mogelijk door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer vroolijk met haar verstelde jurk rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms vreeselijk ongehoorzaam, maar toch mochten de meeste menschen haar, omdat ze zoo eerlijk en goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van lezen, net als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda daarentegen vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens, waar je tòch niets aan hadt,” en maakte liever keukelkunsten aan rek en ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder loopen dan alle jongens uit haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben wilde, fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar fiets den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen verschrikt voor haar op zij stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren en zat, als ze bij Ineke op visite kwam, geregeld met Fokkie en Bello op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje, die er maar niets meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!”
De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd duidelijk blijken, dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond Freda „’t leukste kind, dat ze kende.”
„Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles geeft ze weg en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van meester Hoogstra. Kijk eens, deze grappige, glazen penhouder met dat vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k Wou ’m eerst heelemaal niet hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang, tot ik ’t deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde Ineke op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje, met haar groote, donkere oogen graag lijden mocht en altijd partij voor haar trok, als Juf iets minder aardigs van haar zei. Freda, op haar beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem soms voor de grap ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls in angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter nog niet voorgekomen en beloofde Freda telkens:
„O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks schelen. ’t Is een spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen als jij zegt, dat hij ’t naar vindt, als ik onaardig tegen haar ben. Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat ik ook zoo’n grootvader had.”
En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de menschen van hem hielden, had beweerd:
„Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier heb, niet zooveel meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een ronden rug en een suf hoofd van kreeg.”
„Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch nooit gebeurd zijn!”
Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal heerlijk, doch de twee kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook, waren toch een heele aanwinst voor elkaar. Meneer Van West zei wel eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over weg zouden kunnen dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat ’t schoolwerk er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week twee maal een les niet kende en van de vijf sommen, die ze voor huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter niet geprezen hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester Hoogstra niet gesproken had, dacht Ineke, die eigenlijk heelemaal niet tegen een prijsje kon, want sinds de doos met pralines, die Moeder stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan laten komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan. Maar, o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf bekennen wilde, merkte ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best deed, dadelijk achter raakte met die halve schooldagen. Ze maakte zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had gehad en dat die wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet en die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen meester Hoogstra haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en hoofdschuddend zei, terwijl hij haar sommenschrift teruggaf:
„Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!”
Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich vast voorgenomen. Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst mee aan ’t eind van de maand, want anders zou Opa er verdriet van hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de moeilijke sommen nog eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel goed doorheen slaan.
Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen Freda onverwachts binnenstapte:
„Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries tegen. Hij gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op de volle kar, als Opa ’t goed vindt.”
„We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!”
„Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je aardbeien opeten, Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf, geeft u Freda ook maar een portie,” zei meneer Van West met een knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van de heerlijke vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries aan ’t hooien was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een poosje in een groote hoop hooi midden in de wei gingen liggen tot ze geheel was opgeladen. Toen hielp Andries de beide meisjes vlug naar boven klimmen.
„’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast Freda uitstrekte, maar Andries zei:
„Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over gespannen heb, anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.”
Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht slechts langzaam trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar „Eiken-rode” terug ging. Toch was ’t heerlijk en zouden de vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad hebben, als de tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de repetitie van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst echter dadelijk voor:
„Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren? ’k Heb mijn atlas in ’t spreekkamertje liggen.”
Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje.
„Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal ’t vanavond of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.”
„En weet je de som van die Kilogrammen en Hectogrammen nog goed? Die vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol.
„O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel niet. Zeur niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben. Dáár is je vrije Woensdagmiddag toch voor,” en ze vervolgde, met een arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat we moesten doen?”
„Nou, wat dan?”
„Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes beginnen, maakt de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik een plek, die gewoon bláúw ziet van de vergeet-mij-nietjes. In de boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k heb er een paar dagen geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met ons beidjes een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk, om eens echt te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook geen enkele bloem wist, die zóó lekker ruikt als kamperfoelie!”
„Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,” aarzelde Ineke.
„Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. Heusch, zoo’n repetitie is zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen. Je komt er best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je morgen een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat doe ik ook altijd. Kom, ga nou mee!”
En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit de vestibule haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang achtereen blootshoofds door de brandende zon te loopen, zooals Freda, die alleen Zondags een hoed droeg. Juist kwam Juf met een stapel schoon servetgoed de trap af.
„Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér uit, Ineke, en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor morgen!”
„O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk.
„’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan.
„Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht is ’t bedtijd vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie en gisteren en eergisteren ook niet. Als je daar ’t handje mee licht, moet je ’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng.
Ineke mompelde iets onverstaanbaars.
„Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar naaikrans en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden. Goed begrepen?”
„Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond te wachten.
De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote warmte, want des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t onder de hooge olmen veel koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei, waar heel aan ’t einde de beek haar bocht maakte.
„Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus. „Freda, hoe houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!”
„O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de beek zijn, doen we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door ’t water loopen. Zóó komen we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.”
„Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke grif toe, en zoo gauw ze aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden tusschen de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun schoenen en kousen uit te trekken.
„Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop bij de boschjes zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je je voeten aan bezeert. Leg je kousen en schoenen maar naast de mijne, dan doen we ze straks hier weer aan en hoeven er niet aldoor mee rond te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen mensch. Ziezoo, daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen oever in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom Ien, geef me maar ’n hand,” en ze hielp Ineke, die ’t toch wel een beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik zal wel voorop gaan! Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de bocht je rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in. Verderop is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult niet verdrinken,” plaagde Freda.
„Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,” verzekerde Ineke, die na de eerste stappen in de beek geheel op dreef raakte en vol vertrouwen waadde ze achter Freda aan, door de diepe plaatsen.
’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de lage boschjes aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied zongen. De een antwoordde telkens den ander. „Je zult ze niet veel meer horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,” fluisterde Freda, en de beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten ijlings naar de kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een paar prachtige blauwe libellen dartelden voor hen uit.
Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der oeverkanten een plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond.
„Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat zijn ze groot! Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.”
„Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit kamperfoelie en daar wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar luchtje, maar ’t zijn zulke mooie bloemen. Ik doe er toch een paar in mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk, dat je ’t vieze luchtje haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet hebben.
„Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte doovenetels afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit de struiken boven haar hoofd wegsprong.
Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee.
„Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. „Er zijn hier een hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels overeind, toen Hans hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat hij ons niet steken kon, en ’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel van melk houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar hij bleef als een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden morgen, toen we ’t zij-hokje van ’t groote kippenhok opendeden, was meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We denken, dat hij zich onder ’t hok doorgegraven heeft.”
„Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg Ineke, maar Freda beweerde er niet rouwig om te zijn.