Part 1
OPA EN INEKE
DOOR ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK.
MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN
TWEEDE DRUK
GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN
INHOUD.
Blz. Opa en Ineke 5–64 Uit logeeren 67–80
OPA EN INEKE.
„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen.
„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas.
Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen, telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.”
Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en juichend uitgeroepen:
„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.”
„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!”
Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie, zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr, waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef zitten.
Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed dichttrokken en er geen water meer inliep.
„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra.
Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig, dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op, steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn. Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd:
„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t dorp. Ineke heet ze, nietwaar?”
„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren. Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude worden, hoop ik.”
„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.”
„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig, dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan.
Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon.
„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa, dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag.
„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en meester Hoogstra geen klachten over je hebben?”
„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger. ’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.”
„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!”
„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?”
„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met ’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht.
⁂
Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend!
De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou....
Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te brengen, inplaats van haar man.
Goede raad was duur.
„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van, dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer af-telegrafeeren,” begon meneer Van West.
„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar in de oogen.
„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik je zéker!”
„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.”
„Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t station, komt ze d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er is niks geen kunst aan. Als ze nou nog over moest stappen onderweg!” viel Gijs ook bij.
„En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw.
„Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de jongens zeggen: er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald wordt, en bovendien heeft ze dit reisje al zóó dikwijls met ons gedaan, dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.”
„En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende op de kleine snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel.
„O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens op uit haar servet en glimlachte: „O, als dàt mag!”
„Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n kleine huilebalk! En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West, zijn dochtertje aan een van haar glanzende krullen trekkend. Maar de kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd en voelde zich wat gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze niet veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en Duco naar school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig voor haar hadden opgenomen, hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen, maar dit was toch óók een bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg ging en alléén reisde!
Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke toch wel een heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en vader en moeder met haar instapten.
Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor meneer Tielens ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke ’t per slot toch weer heel leuk en gewichtig ging vinden.
Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t hokje, waar de bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg, heelemaal onder in haar beursje. Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje dadelijk aan Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op „Eiken-rode” bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog een boel kijken als je op reis ging. Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om jezelf te leeren redden, al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen ze eindelijk met haar reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden heer en dame tegenover zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar kenden.
Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm bloemen-verkoopstertje een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje vaststak. Heerlijk rook die roos en zoo feestelijk stond het!
„Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan blijft-ie een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen. Toen werden de portieren gesloten en na een schril gefluit zette de trein zich in beweging.
„Daar ga je, Ien!”
„Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje staande, wuifde met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien kon. Toen zette ze zich in een hoekje en ging prettig zitten uitkijken. Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche, groene weilanden, vol bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe in te grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste sprongen. In een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij was opgezet, en op ’t dak van een boerenhofstede nestelden ooievaars. Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat! Ineke neuriede zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af en toe praatte ze even met haar medereizigers, waarbij nog een dame met een klein kindje gekomen waren, en ze kreeg ulevellen en chocolade, waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend op, vond ze. Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar reismandje vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in haar mantelzak. Ja hoor, alles in orde! Toen zette ze haar grooten stroohoed recht, deed haar handschoen aan en rook eens aan de roos, die er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was zoo benieuwd Opa’s gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte! Hij zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader haar brengen zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar had-je den dorpstoren en daar zag je in de verte tusschen de boomen „Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis toch met die witte muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t kleine station genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen.
„Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de reis? En waar is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van begreep, wierp snel een blik in de coupé, of zijn zoon er soms nog in was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich en lachte:
„Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een telegram, Meneer Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht ik alleen reizen!”
„Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die alleen reist? ’t Is niet te gelooven!”
„’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich weer in beweging zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven, dat hij hem thuisbezorgt?”
„Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis telegrafeeren, hè?”
„Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het telegram: „Goed aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden hadden, verlieten ze ’t station en sloegen den zonnigen landweg in, die regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was warm, maar er woei toch een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed af en liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk op Opa’s voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar rug zakken.
„Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem voorthuppelend, en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te zijn. En dat ik zóó lang blijven mag! Als ’t op den duur maar niet te druk voor u is, zegt Moeder.”
„Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te hebben. Als je nu maar zorgt, dat je in September met dikke, roode wangen naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager geworden. ’t Is niet heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt logeeren, maar vooral om flink aan te sterken,” plaagde Opa.
„O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke.
„Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester Hoogstra ook mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je overgaat na de vacantie?”
„O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade stellig in, heeft de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef midden op den weg stilstaan: „dit heele eind heeft Moes mijn jurk moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden zomer,” en ze wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand borduursel van wel een hand-breedte tusschen gezet was.
„’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde krullen trekkend. „Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien, meiske!”
Maar daar was Ineke niet bang voor.
’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien. Harmen, de besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden.
„Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom ik al an met de pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs ’t voorhoofd.
„Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar aan Sien, dat ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.”
„Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet voorbij.
„Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag jongens, dag brave honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen fox-terrier, die den weg kwamen afgerend en toen als bezetenen om den baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend, dat hooren en zien je verging.
„Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat een stof,” beknorde meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd door Ineke liet aanhalen en toen ineens weer op ’t hek van „Eiken-rode” aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter vast wilde aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd werd, kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te voorschijn en wuifde Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En Ineke zwaaide haar mandje en liep op een drafje naar haar toe:
„Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: ik ben alleen naar hier gekomen!”
„Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er is toch geen zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?”
„O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de roos uit haar knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed van handschoenen, hoed en mantel in de koele, wit-marmeren vestibule. „Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend aan ’t fonteintje.
Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t keukenstoepje, zijn kom koffie zat te drinken.
Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer, grenzende aan de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren aan de tuinzijde wijd-open stonden. Een bouquet heerlijk-geurende lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord. Ze stak er de roos tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen tuintje.”
„O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een kleur van plezier overtoog haar bleek gezichtje.
„’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde Juf en Ineke bekende:
„’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter. En als ik gerust heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en Ineke hapte dapper in haar boterham, want ze had toch honger, al voelde ze zich wat opgewonden en ze moest erg lachen om Bello en Fokkie, die niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden van ’t groote eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien hun uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen.
„Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze liet zich niet onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier dikke boterhammen en een ei en ledigde zonder zuchten haar grooten melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie door geroerd had.
„En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken, dan ga jij maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in orde gemaakt, dat vond Opa gezelliger voor je dan die groote logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de trap opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop dat je er netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t vriendelijk-zonnige vertrekje met het lichte bloembehangsel, de rieten meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant.
Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam zich dan ook voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t balkonnetje, net groot genoeg om er met een stoel en tafeltje te kunnen zitten, bloeiden rose en witte geraniums in bakken en je hadt er een prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige, roodgelakte huisjes van het dorp.
„Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind om hier te zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te hebben uitgedaan, bovenop ’t bed liet ploffen, waarvan Juf eerst zorgvuldig de sprei had opgevouwen.