Part 4
Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden. Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je gevonden werd, hoe meer eer!
Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen....
Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar wangen werden nog rooder dan de perziken.
Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!
Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?
Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken....
Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten, waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:
„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”
Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem aanzien, dat hij heel ontstemd was.
„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”
„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.
„Nee Oom,” zei ook Wiesje.
Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder acht op haar.
„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.”
„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen, die ’t zóó goed bij ons heeft.”
„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei Oom.
„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.
’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:
„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”
Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest. En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar verstelwerk.
Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan denken, ze kón niet anders.
Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan had.... O, ’t was vreeselijk!
Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder, zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.
Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld.
Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging, hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:
„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”
En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch stemmetje ’t heele verhaal.
Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t kind zoo’n innig berouw toonde.
„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen. Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap.
Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem achterna, de studeerkamer in.
„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen....
Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden zien.
’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte, terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.
Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat Dolf ruw-goedig ineens zei:
„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand.
Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t natuurlijk niet.
Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter gekomen, wie hem die gestuurd heeft.