Om het recht der liefde

Part 6

Chapter 64,062 wordsPublic domain

«Ik weet heel goed wat ik doe», antwoordt Frans, nu weer naast haar staande. «Ik ben volkomen kalm, dat ziet u wel. En ’t is ook niet zoo plotseling. Ik zeg u, mijn weggaan uit dit huis is alleen verhaast door wat er gebeurd is. Ik zou ’t tòch niet lang meer uitgehouden hebben. Ik wil niet langer door mijn vader onderhouden worden. Iedere hap eten, die ik hier in mijn mond steek, is me als medeplichtigheid aan roof, moeder: ik voel me, alsof ik het afneem van arme en ongelukkige menschen. Ja, ja, moeder, ik weet wel, dat onze rijkdom oorspronkelijk van u afkomstig is... Val me niet in de rede. Ik weet ook, dat Meester Jensen een van de groote advokaten hier in de stad is. Een van de beste voor «netelige» zaken.. Nee, moeder, die weelde hier in huis maakt me benauwd. Ik zal leven van de arbeid van mijn handen, van mijn geest, van eerlijke arbeid, moeder. En al ben ik niet vroom, ik zal toepassen wat u me geleerd heeft: bid en werk, al vat ik dat bidden anders op dan u. Bidden is voor mij gelooven in de onfeilbaarheid van mijn geweten en de kracht van mijn wil, als die ’t goede beoogt: mij van het bewustzijn daarvan doordringen, dat is voor mij bidden. En zulk een gebed wordt verhoord.»

Mevrouw Jensen staart haar zoon een paar sekonden met verbazing en meewarigheid aan: ze kende haar jongen zoo niet. Wat ’n vloed van woorden, wat ’n hartstocht! En zulke denkbeelden: die waren niet van hem, die kònden niet van hem zijn! O, wat ’n onheil had die vrouw over hem, over haar gebracht; ze had hem heelemaal behekst, van de wijs gebracht met haar godslasterlijke ideeën!

«Frans, wees toch niet zoo dwaas!» roept ze nog steeds schreiend. «Je slaat door, je weet niet wat je zegt...» Dan, na even zwijgen en op heel andere toon, angstig: «Wil je nu, nu dadelijk weg? En... vannacht dan? Heb je zelfs wel geld, om een week te leven?»

Haar waterige oogen blikken hem hulpeloos aan.

«Och, Carolien, geef je toch geen moeite», valt Jensen in, die onderwijl met een gezicht erbij gestaan heeft, als vond hij zichzelf een held van lankmoedigheid. «Laat hem gaan: hij zal wel met hangende pootjes terugkomen. ’t Zal een goeie les voor hem wezen. Let op mijn woorden: hij komt terug. Laat hem maar’s wat armoei lijden: best voor hem.»

Frans verwaardigt zich niet, hier iets op te zeggen: hij kijkt alleen even over zijn schouder: van die kant kan niets nieuws hem deren!

«Nu, moeder,» hervat hij «maak u niet ongerust, hoor. Ik geloof vast aan ons wederzien. Later! Geld heb ik niet noodig. Ik heb nog vrienden ook...»

«En vriendinnen, ha, ha!» kan Jensen zich niet weerhouden uit te roepen.

Frans noch zijn moeder letten op deze woorden. Hij heeft haar hand gegrepen.

«Ga... je nou heusch... heen... heen?» snikt Mevrouw Jensen. «Och, jongen, bedenk je toch vóor het te laat is!»

De jonge man valt haar in de armen.

«Nu, dag, lieve moedertje. Ik blijf bij mijn besluit. Ik kan niet anders. Ik zal altijd met liefde aan u blijven denken.» Een kus. «Tot we elkaar weerzien.» Frans kust haar nog eens met groote haast overdreven hartelijkheid. «Dag, moedertje, sterkte, hoor. Ik weet, dat u ook aan mij zal denken: lief, zooals u altijd voor me geweest is.» Zijn oogen worden vochtig. «Vaarwel, moeder.» En hij kust haar nog eens, terwijl hij haar blijft omhelzen. De oude vrouw laat zich alles sprakeloos en als versuft welgevallen. Een paar maal poogt ze haar zoon te liefkoozen, maar de groote aandoening verlamt haar.

«Kom, ga je nu?» vraagt Jensen op eens, zijn wrevel luchtend. «Dit fraaie tooneel heeft nu al lang genoeg geduurd. Goeie reis!»

Frans kust nog eens zijn moeder, richt zich op, en gaat schijnbaar kalm naar de deur. Dan kijkt hij nog eens om.

«Ik zal u schrijven, moeder», roept hij haar toe, en gaat de kamer uit.

Nauw is de deur achter hem gesloten, of mevrouw Jensen staat op, en doet aarzelend en weifelend een paar stappen, als wilde ze hem achterna gaan. Dan richt ze zich naar de sofa, en gaat daar, heftig snikkend en met haar zakdoek werkend, op zitten. Haar kapsel is door ’t een en ander aan de eene zijde losgeraakt en een bosje sluike spichtige grauwe haren warrelen haar over slaap en wang. Het schreien heeft haar oogranden vuurrood gemaakt, en haar heele gezicht heeft iets gloeierigs, dat de vervallenheid der trekken misschien nog sterker doet uitkomen. Wie dit gelaat en deze povere gestalte samen zag met het bloeiende nog zoo jongdoende uiterlijk van Mr. Jensen, en de flauwe glimlach kon waarnemen, waarmee de laatste het in zijn oogen eenigszins komisch misbaar van zijn vrouw waarnam, kon de indruk niet ontgaan, dat die twee menschen als echtgenooten zeker ver vaneen stonden: dat ze sinds lang bij elkaar, niet met elkaar moesten leven....

«Nou, dat heeft hij ’m geleverd, hé, dat zoontje van je?» zegt Jensen en treedt op de schreiende toe. Er is een bedoeling van goedigheid in de toon van zijn stem.

«Ontzaggelijk veel aanleg voor komediant....» De ander slaat de oogen op.

«Och, Jensen» kermt ze «je moet niet zoo hard zijn.... je bent veel te hard tegen die arme jongen geweest... Als hij nu ’s... as hij nu ’s... werkelijk wegbleef?»

«Ha, ha, ha! Ik geloof er niets van.»

«Zou je denken?» Weer kijkt ze hulpeloos op, haar oogen zwemmend in tranen.

«Och, hij komt terug», antwoordt Jensen zoetsappig. «Hij komt terug. Droog nu maar je tranen. Geloof me toch. ’t Is allemaal bombarie, larie. Laat hem een paar maanden uitblijven.... Als hij genoeg van die meid heeft, komt hij stellig weer terug. En dan.... in dit geval, nu onze vrind ook voor zoo’n jengel van een kind te zorgen heeft, zal hij er wel gauw genoeg van krijgen. Hij komt terug. Let op mijn woorden.» Hij legt zijn hand op haar schouder. «Kom, kom, Carolien! Kom, wees nu wijs.»

De ander vermant zich en staat op.

«Ik kan hem niet zoo laten gaan», zegt ze vol onrust. «Ik moet in alle geval voor zijn goed zorgen. Hij is naar zijn kamer gegaan: pakt zeker zijn boeltje bijeen....»

Met haar ietwat moeilijke schommelgang richt ze zich naar de deur. Jensen haalt de schouders op.

Als zij ’t vertrek uit is, kijkt de achtergeblevene even in de richting, waar ze verdwenen is en meesmuilt. Dan draait hij met de linkerhand aan zijn knevel, vertrekt zijn mond weer in een lachplooi en schudt een paar maal het hoofd. Daarna werpt hij zich met een bruuske beweging op de sofa, slaat zijn linker been over het rechter, en haalt zijn sigarenkoker voor den dag.

«Ziezoo», mompelt hij, en steekt langzaam een sigaar op. Peinzend staart hij de eerste wolkjes na.

«Verd.... jongen» denkt hij «wat heeft-ie me daar een oogenblik van streek gebracht! Wat ’n dolle aanstellerij! En om zoo iets. Nu, toen ik jong was....» In de blauwe rook-spiralen van zijn havana doemen aangename herinneringsbeelden vóor Jensen’s geest op: hij ziet ze vóor zich, de vele blondjes en bruintjes, de slankjes en molligjes, die zijn gunst mochten erlangen.

«Toen ik jong was» peinst hij weer in de oude gedachte-stroom, «trok ik me zoo’n liefdesgeschiedenis nooit zoo aan.... Hij kan trouwens doen wat hij wil: hij mag ophoepelen voor mijn part. En als hij terugkomt, opgepast. Een mooie gelegenheid, om Carolien weer geheel op mijn hand te krijgen.» Jensen slaat nu ’t rechterbeen over het linker, en fronst de wenkbrauwen, terwijl hij een paar sterke trekken aan zijn sigaar doet.

Ja, hij moet die jongen alles vergeven, zeker. Hij is wel dom geweest, zich zoo te laten bang maken. Dat zaakje zal veel mooier afloopen dan hij een oogenblik gedacht heelt... Maar hoe kwam die bliksemsche jongen toch aan wat hij van hem wist?...

Och, Carolien zou er toch niets van gelooven, al zag ze ’t met haar eigen oogen...

Hij richt zich even hoog op waar hij zit, en werpt met zelfvoldoening een blik in de spiegel, tegenover hem aan de andere kant van de tafel.

Weer volkomen in gemoeds-evenwicht blaast hij juist genoegelijk rookwolkjes vóor zich uit, als de deur weer opengaat en zijn vrouw binnen komt loopen.

«Hij is al weg!» jammert ze. «Och God, hij schijnt al vooruit zijn koffertje gepakt te hebben. Hij had misschien... zoo iets verwacht... Ik kan ten minste nergens zijn koffertje zien. En Jacob zegt, dat hij, zooëven met een koffertje of zoo iets in de hand de voordeur uitgegaan is.»

In hernieuwd schreien uitbarstend valt ze op een stoel neer.

«Kom, vrouw», zegt Jensen gemoedelijk troostend, «maak je niet zoo naar. De jongen verdient het niet...»

Hij staat op en gaat bij haar staan, nadat hij zijn sigaar op tafel op een aschbakje gelegd heeft.

De ander blijft jammeren.

«Ik zeg je, Jensen, hij komt... hij komt niet meer terug... Hij komt niet meer terug...»

«Dwaasheid.»

«En als hij ’s terugkwam... als hij ’s tot inkeer kwam,... zou je... zou jij hem dan alles kunnen vergeven? Hij heeft je zoo beleedigd..» De betraande oogen kijken even op, om dadelijk weer het schreien te hervatten.

Jensen heeft zijn beste parade-toon, als hij grootmoedig antwoordt:

«Of ik hem àlles vergeven zou? Wèl, natuurlijk! Ik denk er nauwelijks meer over. ’t Is immers alles jeugdige overmoed... Opbruising van ’t jonge bloed.»

«Meen je dat, Jensen?»

«Wel, zeker. Daar, mijn hand erop.»

Ze neemt die mat aan, kijkt hem dankbaar aan.

«Is ’t nu goed? Kom, ga nu maar naar je kamer, en neem wat rust. Je zult spoedig van hem hooren. Ik heb nog zaken af te doen.... Kom, Carolien.» Hij doet bizonder hartelijk, legt zijn eene hand op haar schouder, en laat haar met zachte drang opstaan.

«Och Jensen, wat ben je goed, wat ben je goed!» stamelt ze en met wankelende stap verlaat ze weer het vertrek, om naar haar slaapkamer te sukkelen.

Als ze weg is, neemt Jensen weer zijn sigaar op.

HOOFDSTUK IX.

Toen Frans het ouderlijke huis in zijn groote opwinding verliet, wist hij eigenlijk niet recht, wat zijn naaste toekomst-plannen waren. Hij mocht niet langer samenwonen met zijn vader en moest met Marta een «nieuw leven» beginnen, dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was, maar tusschen die beide levens-stadiën lag een overgangstijdperk, dat besefte hij volkomen, en juist hierin zat voor hem de moeilijkheid.

In zijn overspannen geestes-toestand leek hem dat anders: dat zou wel terechtkomen, meende hij: als hij maar eerst weg was, weg uit die drukkende beklemmende atmosfeer bij zijn vader thuis!

Vaag begrijpend, dat hij wat kleeren en geld noodig zou hebben «voor de eerste tijd», had hij al ’t lijfgoed bij elkaar gescharreld dat voor ’t grijpen en vinden lag in zijn kamer, en al het geldswaardige en in geld omzetbare dat hij meedragen kon bijeengepakt. Zoo had hij nog een zomerpak, een paar schoenen en eenige verschooningen uit zijn kleerkast in zijn koffertje overgebracht; en afzonderlijk daarbij, vluchtig in een papiertje gepakt: een brillianten das-speld—een geschenkje van zijn moeder toen hij achttien jaar was geworden, dat hij niet meer droeg, omdat hij ’t wat opzichtig vond—verder een oud zilveren horloge—op stal gezet sinds hij in ’t bezit was van een gouden opvolger—en eindelijk een kleine verzameling gouden en zilveren munten en penningen, nog uit zijn jongenstijd—toen een ware schat, nu nog een aardig sommetje vertegenwoordigend.

De heele pakkerij had enkele minuten geduurd. Het laatste voorwerp, dat in ’t koffertje ging, was ’t portret van zijn moeder. Dit haalde hij uit zijn studeerkamertje, waar ’t in een rond lijstje aan de muur hing. Uit dit vertrek hoefde hij verder niets mee te nemen. Buiten dat portret was daar niets te vinden, waar zijn hart aan hechtte, behalve dan zijn boeken. En die mee te nemen, daar was immers geen denken aan!

Bij ’t afnemen van zijn moeders beeltenis dacht hij even aan de inhoud der laadjes van zijn schrijftafel... och, dat kon alles blijven: wat gaf hij om het pakje briefjes van Klaartje, en dat kiekje van haar! Kalverliefde! Zijn moeder zou daar wel voor zorgen, en hij liet de sleutels zitten. Er was niets van Marta: ze had hem immers nooit geschreven, en een portret bezat hij niet eens van haar.

’t Afscheid aan ’t oord, waar hij gewoonlijk maar zoo’n klein deel van zijn tijd doorbracht, waar hij veel minder droomde van zijn liefde dan in ’t vertrek daarnaast, zijn slaapkamer, kon hem dus niet zwaar vallen.

En hij was spoedig op straat, koffertje in de linkerhand, zijn paraplu erop gebonden, zomerjas om, ondanks de vrij warme avond, en zijn wandelstok in de rechter.

Waarheen nu? Naar een hotel? Daar had hij al heel weinig zin in. Geroezemoes en drukte vond hij in zijn gemoedstoestand afschuwelijk. En dan: Amsterdam was per slot van zaken zoo groot niet, en ’t zou uitlekken, dat de «jonge Meneer Jensen weggeloopen» was. Nee, hij moest de stad uit, hoe eer hoe liever. Tegenover Marta was dat ook beter. Hij was bang voor zichzelf: zou hij anders wel sterk genoeg zijn, om haar nog een tijdlang te vermijden? En dat moest toch. Een eigenaardige schuchterheid weerhield hem, om haar dadelijk op de hoogte te stellen van ’t gebeurde, ondanks zijn afspraak en hoezeer zijn hart ook naar haar trok. Hij moest haar allengs voorbereiden. Eerst schrijven bijvoorbeeld. En dan uit een andere stad, ja, hij moest naar Leiden, naar Frederik... Die kon hem wel logeeren. Dat was een idee!

Frans bedacht zich, dat hij in de zes maanden van zijn kennismaking met Marta, zijn vriend Frederik Van Elst geen enkele maal geschreven had, ook niet in antwoord op diens drie zoo echt joviale hartelijke brieven. In de laatste had hij schertsenderwijs met «vergetelheid» gedreigd, als Frans hardnekkig bleef «negeeren». En toen Frederik eenige dagen later te Amsterdam over was geweest als gedelegeerde van ’t Leidsch studenten-corps had Frans de gelegenheid laten voorbijgaan, om hem eens te ontmoeten; want toen de Leidsche student zijn oude schoolkameraad ’s middags op zijn eigen kwartier kwam opzoeken, liet Frans zich excuseeren: een college dat hij onmogelijk verzuimen kon... Ja, hij dacht er nu met schaamte aan. Toch moest hij even lachen. ’t Was wel fijn uitgedrukt, ofschoon... ’t was een heel bizonder «collegium». En, al wist hij heel goed, dat

tres faciunt collegium

voor dit geval had hij duo volkomen voldoende gevonden, en de tweede van die beiden was niet de professor geweest, die op bedoelde middag zijn wetenschap aan zijn jongeren mededeelde...

Toch zou Frederik hem met vreugde inhalen. O, zeker. ’t Was een beste kerel, die Frits. En hij zou rekening houden met de heel bizondere omstandigheden. Ja, ja, Frits was de eenige, aan wie hij alles haarfijn zou kunnen vertellen. O, hij voelde behoefte daaraan. Dat zou hem opbeuren, nieuwe kracht geven, om voort te gaan op zijn eenmaal ingeslagen weg. Frits zou hem immers begrijpen, Frits zou ’t toejuichen, dat hij gevlucht was uit zijn vaders huis, als hij alles wist. Misschien kende hij Marta wel—althans van naam—want hij studeerde immers ook in de medicijnen. Hij «zat nu voor zijn doctoraal».

Stellig, naar Frits moest hij. Hij zou hem vragen, eenige dagen bij hem te mogen logeeren. Dan zou hij verder zien.

Met deze gedachten vervuld wandelde hij door Amsterdams avondstraten: Leidsche straat, Koningsplein, Heiligen-weg. En voordat hij ’t wist, herinnerde het gedrang—’t was Zaterdag—hem eraan, dat hij in de smalle Kalverstraat was aangekomen. Hij keek op zijn horloge: vijf minuten voor half negen: nog juist tijd, om aan ’t hoofdkantoor een telegram te bezorgen. Hij moest Frits toch even bericht zenden... En dan dadelijk naar de trein: de paardetram van de Dam zou hem nog juist vóor ’t vertrek van de trein aan ’t Centraalstation brengen.

Frans reisde derde klas. Dat was de derde keer in zijn leven, dat hij anders dan eerste gereisd had; de beide vorige keeren vielen in zijn jongenstijd, toen hij met een heel gezelschap kameraden van school eenige wagen-afdeelingen gevuld had. Nu was ’t volkomen vrije keuze. Hij was immers een nieuw leven begonnen, had gebroken met alle overbodige weelde, onder ’t volk wou hij zich bewegen, als een werkman!

Hij was immers zelf een werkman, wilde een arbeider zijn, die eerlijk zijn kost verdient. Nu wel nog niet, maar dan toch spoedig, heel spoedig. En voorloopig wilde hij zich wennen aan zijn nieuwe levens-opvattingen.

Hij zette zich in een hoek. Naast hem vleide zich een reuzinne-gestalte neer met breede rokzwaai: een Zandvoortsche vischvrouw. Haar ontzaggelijke mand, waarin zeer blijkbaar visch gehuist had, zette ze tusschen haar en hem op de bank neer. Weldra bereikte de uitwaseming van de mand Frans’ neusgaten. Wat gaf hij er om! Was die vrouw niet een eerlijke arbeidster, een braaf werkmensch, zooals hij er ook een wezen zou, al was ’t dan op ander gebied? En de visscher tegenover hem met zijn groote klompen, die hij telkens verzette, zoodat Frans zijn «molières» ieder keer voor platdrukken moest behoeden, met zijn stinkstok, die hem in ’t gelaat mengelingen van tabak- en vischgeur deed zweven?

Ook een eerlijk broodverdiener. Dat kon hij hem aanzien. ’t Stond te lezen in zijn stoere lichaamsbouw en in zijn heldere trouwe blauwe oogen. En de twee Joodsche handelsreizigers, weldra in druk gesprek, ook al rookend, dat het een aard had; waren dat ook geen nijveren, duizendmaal eerlijker dan zoo menige mooidoende Christen, die hij in zijn stand kende? De kerels namen ’t er eens van; ze rookten een sigaartje na hun vermoeiende dag, en vermaakten zich met een onschuldig praatje. Frans maakte de verrassende ontdekking, dat hij zich aangenaam voelde in dat gezelschap. Voor ’t eerst van zijn leven.

Toch sloot hij na een poosje de oogen, en gaf zich aan zijn gedachten over.

Toen hij te Leiden vlak vóor de woning van Frederik Van Elst stond bedacht hij voor ’t eerst, dat het wel wat laat was....

Nou ja, Frits had zijn telegram....

«Juffrouw, meneer van Elst thuis?»

«Nee, meneer.»

«Zoo? Heeft meneer mijn telegram niet ontvangen?»

«O is uwes meneer Jensen uit Amsterdam?»

Frans trippelde van ongeduld.

«Ja» zei Frans kortaf.

«O, komt uwes dan binnen. Meneer heit gezeid, u zou maar op meneer wachte. Meneer is seffens thuis.»

«Zoo,» bromde Frans, ging de gang in, en de trap op.

«U weet de weg?» De juffrouw verdween, om de lamp aan te steken.

Jawel, hij was er kort vóor zijn eerste ontmoeting met Marta nog geweest: de kamer op de eerste verdieping vóor aan de gracht.

De jonge man trad binnen, keek eens rond. Weinig veranderd: dezelfde eenvoudige studentekamer met de oude mahonie-houten meubels, de gaskroon, de ontzaggelijke canapé, met zwart leeren zitting en dito stoelen, de schrijftafel met de studeerlamp erop; de boekenplanken met de groene gordijnen en het Minerva-beeld. Daarover een breed rood lint met insigne. In een hoek het geraamte, zooals bij iedere «medicus», onder het sergekleed, en dan de flesschen met griezeligheden op sterk water. Frans keek er met een bizondere blik naar, deze keer. Hij dacht aan zijn stormachtige middag op een andere studentekamer.

Hij vleide zich in een der banale zwart-glanzende vouwstoelen bij het raam, met het onvermijdelijke sluimer-kussentje; keek nog eens rond, uit pure verveling. Wat ’n ongezellige inrichting, dacht hij. Anders bij Marta! Wat ’n platen, daar aan die wand! Hoe kon Frits ze dulden! Vreemd dat hij daar vroeger nooit zoo op gelet had... De eene stelde een dwepende juffrouw aan een blauw meer voor, de andere daartegenover een vrijend paartje in een bootje, ook al op een meer bij maanlicht. Wat ’n huilerige weeë gevoelerigheid van de ouwe doos! Van de «schilderijen» dwaalde Frans’ blik naar het gebloemde rood-en-groene behang. Afzichtelijk! En die spiegel met al de kaartjes, programs, portretten zelfs... Hoe onoogelijk! En dan die staande klok met het vergulde amortje met boog en pijl, en de stolp daaroverheen, de vergulde kandelabertjes aan weerskanten. Onuitstaanbaar alledaagsch plat prozaïsch zot! Geen gezelligheid, geen smaak... nergens een spoor.

«He» zei Frans en stond op met een trek van ergernis op zijn gezicht: hier kun je ook duidelijk zien, dat de ziel ontbreekt, dacht hij. De ziel! Dat is de lieve vrouw, die... Arme Frits: een moeder of zuster had hij niet, en overigens zou ’t nog wel ’t zelfde met hem zijn als voor een half jaar. Frits dacht heel diepzinnig over de vrouwen, kon er heel ernstig over «hannesen» hij mocht «de vrouw in abstracto» wel, maar in werkelijkheid meed hij ze liever. De exemplaren, die je zoo zag, waren meestal «niet veel zaaks.» Zoo’n enkele, nou ja... Och nee, hij hield er zich liever niet mee op...

Frans glimlachte, terwijl hij het groene gordijn der boekenkast met een rukje opzij schoof, en afgetrokken naar de titels der rijen boeken keek. Och, die Frits hield zich groot... Schuwheid en schuchterheid altemaal, verborgen onder een schijn van geringschatting; een vertoon van ruw cynisme... De ware zou voor hem ook nog wel’s komen; dan zou je’s zien, hoe de man veranderde. Zoo’n kerel, met zoo’n hart als goud, zoo door-en-door goed en warmvoelend, in zijn binnenste zoo innig liefde-behoevend... die kòn immers op den duur niet buiten vrouwelijke invloed leven! Och, hij kende hem zooveel jaren, en nog altijd die komische ruwheids-aanstellerij. Hoe menig keer had Frans er hem om uitgelachen. En dan die tegenstrijdigheid nu en dan, je moest zoo’n brief ’s van hem lezen, zooals de laatste bijvoorbeeld...

Frans nam onwillekeurig een boek in de hand. Een atlas van huidziekten... gekleurd! Sloeg ’t met een klap weer dicht, zette het weer weg. Kinderachtig eigenlijk. Marta moest toch ook diezelfde dingen bestudeeren. En wat was die studie anders dan een vorm van hooge menschenliefde... Hij nam een ander boek, een heel dik boek ditmaal, ook met illustraties. Hij bladerde erin. Keek eens naar de titel—«Geburtshilfe»—en bladerde nog eens. Bleef lezen en was weldra verdiept; terwijl hij staan bleef bij de kast. Vreemde, nooit gekende aandoeningen doorhuiverden hem. Hij dacht aan een jonge vrouw en haar lijden in de eenzaamheid, de ellende harer verlatenheid bij al haar lichamelijke smart. En hij zag haar vóor zich, zooals hij haar die middag op haar kamer had gezien, in haar wondere berusting, haar frissche levensmoed. «O, Marta!» mompelde hij onwillekeurig, en hij voelde zijn oogen vochtig worden.

Hij las verder, met kloppend hart. Zijn wangen gloeiden, zijn vingers omklemden de band van ’t boek met krampachtige vastheid. Zoo, staande, bleef hij lezen, de eene bladzijde na de andere, onweerstaanbaar geboeid, gekluisterd door ’t onderwerp in zijn koel-bezadigde uiteenzetting, overmand door ontzag voor ’t mysterie der geboorte.

«Zoo!» klonk opeens een vrij ruwe, maar vroolijk heldere stem. «Ben jij aan de studie?»

Verschrikt en als verdwaasd keek Frans op. ’t Was Frederik. Haastig zette hij ’t boek weg.

«Och,» antwoordde hij een beetje verlegen «ik heb uit verveling maar een van je boeken opgenomen.»

«Je scheen er nogal in verdiept. Wel, wel, je hebt je dus niet te erg verveeld.» De vrienden schudden elkaar de hand.

De gastheer nam zijn late gast nauwkeurig op, keek hem strak aan.

«Ga daar zitten. Je hebt me zeker niet kwalijk genomen, dat ik je zoo ontvangen heb?»

Frans schudde lachend het hoofd, zette zich bij de tafel. Frederik bleef staan.

«Zeg’s, is er wat bizonders met jou? Zeker wel... Maar je zult misschien moê en dorstig zijn. Wat gebruiken? Een glas wijn, bier of wat anders?»

«Och nee, dank je... Of... jawel, geef me maar wat wijn en water... Je hebt mijn telegram dus behoorlijk ontvangen?»

«Nou ja, natuurlijk... Zoo erg behoorlijk anders niet.»

De jonge medicus scharrelde in zijn buffet, bracht het noodige te voorschijn, en zette het op de tafel. Onderwijl wierp hij een steelsche blik naar zijn vriend.

«Zoo,» zei Frans «wat laat, he? Och, maar kerel, ’t is ook zoo’n bizonder geval.»

«Zal wel.»

«Ja, dat is ’t: ik was je anders niet zoo lastig gevallen.»

«Och, dat nou niet. Je bent welkom, natuurlijk. Wij zijn zulke ouwe vrinden.. Maar zeg, wat is er nou eigenlijk? Je ziet er zoo vreemd uit, zoo miserabel, zou ik haast zeggen.»

Frans nam een teug wijn en water, lette er niet op, dat de ander niet meedronk.

«Een beroerd geval ook, Frits: eenig in mijn leven.»

«Verliefd?»