Om het recht der liefde

Part 7

Chapter 74,027 wordsPublic domain

Frederik ging eindelijk ook zitten, stak een sigaar op, keek Frans weer strak aan. Deze haalde de schouders op, lachte bitterzoetjes:

«Dacht ik ’t niet? Je schrijft zoo zes maanden lang niet, negeert me dood-gewoon. En dan ineens zoo’n nachtelijke overval... Maar vóor we verder gaan: blijf je hier logeeren, ik bedoel hier bij mij?»

«Ja, liefst wel. Als ’t kan ten minste...»

«Alles kan. Ik zal ’t even de juffrouw zeggen; ik zal zien, dat ik ’t ’m lever.»

Frederik ging even de kamer uit, vond ’t wat laat om te schellen. Toen hij terugkwam, zat zijn gast met de eene hand onder het hoofd.

«In orde, hoor. Ik snap ’t best: je bent liever niet onder vreemden, he?»

«Nee.»

«Kom, vertel nou ’s op. Lucht je hart! Is ’t heel naar?»

«O, kerel...»

De jonge medicus zette zich tot luisteren.

Daar kwam ’t heele verhaal van zijn vriends wedervaren op de afgeloopen dag, bij stukken en brokken, hartstochtelijk en onsamenhangend; in korte, vaak afgebroken zinnen, naïef-oprecht en soms teeder als de biecht van een heel jong meisje, nu en dan wild als de klacht van een ijlende koortslijder.

De ander luisterde aandachtig, knikte alleen af en toe, of gaf een enkel «hm» van instemming of begrijpen, met een kleine wenkbrauw-rijzing of lipvertrekking.

«Daar, nou weet je alles,» eindigde Frans zijn verhaal En hij keek Frits in ’t leuke ronde kale blozende gezicht.

De laatste bleef nog enkele sekonden zwijgen, kneep even de kleine oogen met de witte wenkbrauwen bijna dicht, en liet daarna de huid van zijn vrij hoog voorhoofd met de witte wenkbrauwen en het kort gehouden witte rattekop-haar een schuifbeweging naar boven maken. Toen gingen de wenkbrauwen nòg iets op, de snorlooze lippen drukten zich heel vast op-een.

«Ezel!» klonk het kortaf en strak.

Het bedrukte gezicht van Frans met de vragende uitdrukking in mond en oogen, vormde een typisch tegenbeeld met de iet of wat clown-achtige tronie van zijn vriend.

«Ja, een voorbeeldelooze ezel, een stomme «feutus», of eigenlijk een zeekwal—want die heeft geen hersens—en laat zich door het eerste het beste stroominkje in ’t water maar losweeken en meedrijven.»

Frits was opgestaan en liep met zijn sigaar tusschen de tanden geklemd, scheef in zijn mond, door de kamer.

«Zoo» zei de ander, toen hij begon te bekomen van zijn verbazing.

«Jij bent...»

«Zwijg... Kom je om raad bij me, of hoe heb ik ’t met je?»

«Ja, goed» mokte Frans.

«Luister dan. Je gaat nou naar bed en morgen as de bl.... naar je vader terug. En heel in de vorm je excuus maken.»

«Onmogelijk!»

«Wat wou je dan? Heb ik nou geen gelijk, als ik je hersen-capaciteit gelijk nul stel? Zeker naar Marta?»

«Och, natuurlijk niet!»

«Op je zelf gaan wonen, ergens in Amsterdam?»

«Of in ’t buitenland.»

«Je hebt zeker geld genoeg.»

«Nou ja, een half jaar zal ik ’t wel kunnen uithouden.»

«En dan?»

«Dan kan ik werken...»

«Ha, ha, ha, jij werken! Wat? Schrijven zeker?»

«Waarom niet?»

«O ja, dat’s waar, ik heb wel eens een stukje van je gezien in onze Minerva en je Amsterdamsche Studenten-almanak. Niet zonder talent. Hm, jawel.»

«Ik kan me oefenen. Aan een redactie van een blad...»

«ja, ja, zeker, aan zoo’n blad kun je in ons land na een jaar of tien, vijftien soms een behoorlijk inkomen verdienen. En in ’t buitenland sta je verkeerd met je taal. In ons land is schrijverskunst al heel laag aangeslagen: de staat doet er niets voor... Kijk ’s naar zoo’n Rijksmuseum. En de andere kunsten. En het publiek? Dat maalt immers wat om «vaderlandsche» letteren.»

«Ik verlang geen rijkdom. En later heb ik toch mijn erfdeel.»

«Je zeurt, vriend Frans. Je vertelt me, dat je ’t een half jaar kunt volhouden. Daarna begint je ellende; want ik voorspel je, je kunt niet van je pen leven, behoorlijk tenminste niet. Zeker niet getrouwd. En dan... Nee, laat me uitspreken. En dan trouw je toch, natuurlijk. En ’t slot van de geschiedenis is, dat je... dat Marta jou onderhoudt.»

Frits was vlak vóor zijn vriend blijven staan, keek hem strak in de oogen.

«Dat zou ik nooit dulden, dat snap je toch ook wel.»

«Dulden, dulden... maar als je eenmaal samenbent... Nee, baasje: doe wat ik je geraden heb. En zie de kat uit de boom. Haast heb je immers niet...»

«Onmogelijk,» mompelde de ander, die ondanks zijn verzet de logica van Frits ongemakkelijk vond.

«Je moet het zelf weten.»

«Ik kan niet langer thuis zijn.»

«Nou ja, slaap er maar ’s over. Je bent moe en overspannen: je moet naar bed. Slaap nu maar een gat in de dag morgen. En dan kun je nog zien. Goeie nacht, hoor. Ik ga naar kooi. Zal ik jou je slaapgelegenheid wijzen?»

Frans liet zich leiden, mak als een lammetje. Hij had nog nooit te voren zoo goed—zoo onprettig—gevoeld, dat Frits met zijn twee jaar meerderheid in leeftijd, ook verstandelijk zijn meerdere was.

Na een tien-urige rust, waarin zijn jeugdig frisch gestel alle schade ingehaald had, nam Frans afscheid van zijn gastheer. Hij liet deze in het onzekere aangaande zijn eerste plannen.

Weer te Amsterdam besloot hij even bij Marta aan te gaan. ’t Was toch beter, haar alles te vertellen. Zeker, natuurlijk: hij moest haar zelf alles meedeelen. En zij was immers verstandig, zou hem sterken in zijn voornemens.

Hij gaf zijn koffertje af in een klein hotel, waar hij een kamer nam, en stapte op de tram, die hem naar de straat zou brengen, waar Marta woonde.

Ze was niet thuis: uit de stad, zei de huisjuffrouw, die hem nauwelijks te woord wilde staan. Waarheen wist ze niet.

Frans begreep gauw, dat Marta haar kind was gaan opzoeken. Wat zou hij daar zelf graag heengaan, haar daar gadeslaan in haar omgang met dat kind! ’t Was een onmogelijkheid, voor ’t oogenblik ten minste; want blijkbaar hield zij ’t voor iedereen geheim, waar ze de kleine jongen in de kost gedaan had.

Mistroostig bracht Frans eenige uren in zijn hotel door met het lezen van kranten. ’s Avonds om een uur of acht zond hij een kruier met een briefje, waarin hij haar een ontmoeting bij Kras voorstelde.

Een half uur vóor de afgesproken tijd stapte Frans de welbekende ingang van Krasnapolski binnen. Een gegons van stemmen en voetgeschuifel, getik van vorken en lepels, geklik en gestoot van flesschen glazen en borden klonk door de groote ruimte der eetzaal met het hooge glazen dak en de weelderige plant-versieringen. De lucht was nog bezwangerd met een eigenaardig weezoet-zurig mengsel van etensgeuren en uitwasemingen van wijn, bier en andere dranken. Kelners met helder-witte voorschoten liepen af en aan met hun bladen, flesschen en glazen, handig sturend door de rijen gedekte en ongedekte tafeltjes en de daartusschen wemelende menschendrukte. Aan enkele tafeltjes zat men nog te eten of onder een glas wijn na te praten, aan de meeste werd slechts gedronken of een gelegenheids-lekkernijtje verorberd. Eerzame «kleine luiden»—man, vrouw en eenig kroost, deden zich te goed aan de beroemde pannekoeken van Kras, vader ernstig beschermend, moeder goedig vollemaan-achtig, kinderen stralend van uitgaans-vreugde.

Frans keek met afgetrokken blik naar al dit leven om hem heen, terwijl hij aan een tafeltje dicht bij de ingang plaats nam. Hij dacht aan de keeren, dat hij met Marta daar in diezelfde zaal gegeten had: daar schuin aan de overkant dicht bij de doorgang naar de zoogenaamde «Wintertuin» achterin.

Zondagavond was hij er nog nooit geweest. ’t Was er wat erg «balsemiek» roezemoezig: zou hij wel blijven, als Marta kwam, of dan ergens anders heengaan?

Telkens keek hij naar voren. Marta was erg stipt, ze zou wel niet lang meer uitblijven. He, nog tien minuten: ging zijn horloge niet goed? Wonderlijk: hij verbeeldde zich, daar al zoo’n heele poos te zijn!

Daar zag hij een dame zonder geleide, met lichte bloeze, stroohoedje... of hoorde die vent bij haar, met die hooge hoed en dat zotte zondagsgezicht? Och ja, hoe kon hij zoo dom zijn! Maar er drongen ook zooveel menschen tegelijk naar binnen op dat oogenblik, en hij keek door de glazen deur, die telkens open en toe zwaaide. Onwillekeurig moest hij lachen: dat Marta! Hoofd en bovenlijf deden aan haar denken—in de verte!—maar die gang, die voeten!

Daar was ze dan toch werkelijk: hij kon haar duidelijk waarnemen, ze was alleen in de gang.

De glazen deur werd opengestooten en vlug, rank en bevallig stapte het kleine vrouwtje de groote zaal in. Frans deed, of hij haar niet zag: hij woû ’s opletten, of ze hem dadelijk zou opmerken. En hij verborg zich achter een krant, tersluiks erlangs kijkend, om haar niet uit het oog te verliezen, als ze hem voorbij mocht loopen. Wat zag ze er lief uit! Wat keken haar levendige oogen helder en opgeruimd, wat stond die lichtpaarse bloeze met die donkerbruine voetvrije rok haar keurig!

Met vlugge stapjes liep Marta de doorloop in, die langs Frans’ tafel leidde, week hier en daar uit, met harmonisch lijfbeweeg. Ze zag hem niet! Of deed ze zoo, de schalk? Reeds was ze een paar pas voorbij zijn plaats.

Hij sprong op, stapte haar achterna, had haar weldra ingehaald.

«Marta!» riep hij halfluid, om de menschen, stootte haar even aan. En zij, alsof ze schrok:

«Wel Frans!» Ze keken elkaar aan, en bij de ontmoeting hunner blikken blonk er een hartelijke lach in beider oogen.

Een oogenblik later zaten ze samen aan een tafeltje in ’t achterste zaalgedeelte, in ’t oude hoekje, dat gelukkig vrij was. Wat waren ze blij elkaar terug te zien, en veilig eenzaam, ondanks ’t zondagsche geroezemoes der Kras-bezoekers om hen heen!

’t Was zulk een genot, elkaar weer te zien! Beiden zagen er goed uit, en voelden ’t jonge leven moedig en hoopvol in zich bruisen. Frans dacht niet meer aan bezwaren. Hij vertelde ’t gebeurde. De manier was heel anders dan bij zijn vriend Frits.

Marta’s hart popelde: o, ze begreep ’t heel goed, hij kon nu niet meer terug. Haar verlangen, haar dorsten naar geluk na die jaren van harts-verweezing, overstemde alle verstandelijkheid.

Ze spraken beiden zacht, bijna fluisterend. Zij knikte telkens, met stralende oogen hem aanziende. Of ze zei: «Ja.. zeker.» En toen Frans uitgesproken had, greep hij haar hand, naast het tafeltje, bijna eronder.

«Ik kan niet langer zonder jou leven, Marta,» zei hij zacht.

Een kelner kwam op hen af. Frans liet Marta’s hand los, bestelde haastig wat.

«Twee koffie... Jij ook immers, Marta?»

Zij knikte.

«Hoe is t met.... waar je geweest ben vandaag?»

Marta kleurde.

«O best... Hij maakt ’t heel goed.... Ik had behoefte hem te zien na.... onze verklaring.»

Frans keek haar zwijgend aan.

«Ik woû hem in ons geluk laten deelen, Frans. Ja, lach jij maar. Ik heb dat op mijn manier wel gedaan gekregen....»

«We moeten zoo spoedig mogelijk weg,» zei de jonge man.

«Alle drie....»

Marta knikte, zielsgelukkig.

«Ik zal werken, hard werken. En we zullen er wel komen.»

O ja zeker: daar was ze niet bang voor. Haar praktische kijk op ’t leven deed haar twijfelen aan de groote verwachtingen van haar vriend. Hij zou in de eerste tijd niet veel verdienen.... Maar wat zou dat nòg! Zij had genoeg, al was ’t niet veel. Gaf hij haar niet zijn steun, zijn bescherming als man, zijn edele toewijding aan hun beider belangen, aan de hare en die van haar ongelukkig kind? Opende hij haar niet een toekomst van geluk?

Ze was vrouw en ze was jong....

HOOFDSTUK X.

Weer zaten ze met hun beiden aan éen tafeltje, ditmaal was het in de veranda van een vrij groot hotel in een Duitsche universiteits-stad. Ze hadden tien uur sporen achter de rug. Waren beiden vermoeid. De heele maaltijd over had het gesprek gekwijnd. Beiden waren vol van gemoed, op nooit gekende wijze ontroerd door ’t besef van hun daad: deze intrede in hun gemeenschapsleven. Hun huwelijk.

Frans zat achterover in zijn stoel, die hij een beetje achteruit geschoven had, nog met zijn servet op schoot, en staarde naar buiten. ’t Was acht uur, en de schaduwen begonnen te vallen over het geboomte en struikgewas in ’t stille tuintje vóor hem. Een poeierig rozig licht deed rechts op de achtergrond tegen de tuinmuur het glas der kassen vurig tintelen, en wierp een sprank van goudgloed op de groote zwart-glazen bol op het middelste bloembed.

Zij waren de eenige gasten, die nog in de veranda zaten. Van binnen, uit de groote eetzaal, klonk piano-muziek, een wals, en nu en dan ertusschen gegons van pratende menschen, overgeblevenen van de «ronde tafel». Frans en Marta hadden de stilte gezocht, hadden beiden ook geen lust gehad, toilet te maken, en, na zich wat opgeknapt te hebben, hun luchtige reiskleeding aangehouden.

Marta waagde een elleboog op tafel, steunde het teekenachtig kopje op de eene hand.

«Waarom rook je niet, Frans?» vroeg ze opeens opkijkend.

«Och.... ik heb geen trek.» Hij bleef naar buiten staren en zag niet, dat Marta even kleurde.

«Slaapt de kleine vent rustig?» vroeg Frans na eenige oogenblikken.

«O, als een roos.»

«Zal ik ’s even gaan kijken?»

«Jij?»

«Ja zeker, waarom niet? Hij slaapt zoo alléen....»

«Nou ja, daar is hij aan gewend! En hij vond ’t wat aardig, zoo’n mooi kamertje te krijgen....»

«’t Is alles zoo nieuw en vreemd voor hem.... En hij slaapt in zoo’n groot bed.»

De jonge man was al opgestaan, blij dat hij een voorwendsel had, al maakte hij zichzelf wijs, dat het louter belangstelling was voor zijn pleegkind.

Hij wendde zich nog even tot Marta:

«Blijf jij hier zitten? Ga je niet naar binnen?»

«Nee, nee.... ik wacht hier wel op je.»

Ze kijkt hem lachend na. Dan, naar de tuin gekeerd, tuurt ze in de avondvredigheid. De wals binnen klinkt nu zacht en slepend. Ze kende hem: ’t was de zoogenaamde «valse mélancolique» van Chopin. Goed gespeeld, heel goed.... Is ’t een man die daar speelt?.... O nee, ’t moet een vrouw wezen: die zoo echt vrouwelijke muziek kan alleen door een vrouw zóo innig gespeeld worden.... waar had ze die wals toch ’t laatst gehoord? O ja, in ’t Concertgebouw in Amsterdam.... die avond, dat ze Frans ook gezien had, een maand zoowat na hun eerste ontmoeting. Ze hadden elkaar toen even gegroet, heel uit de verte.... O ja, dat was die Fransche pianist... Heerlijk, heerlijk.... Deze speelt ook bizonder goed.... Ze geeft zich geheel aan de weemoedsbekoring der tonen. Opeens voelt ze een hand op haar schouder, kijkt verrast op, als ontwakend.

«Kom, Marta, ga jij nu maar rusten. De kleine slaapt lekker: hij zal wel moe geweest zijn, arm kereltje! Maar jij zult het ook zijn. Ga je nu?»

Ze blijft even besluiteloos.

«Ja, wat dunkt je? Maar.... ben jij dan niet moe?»

Weer kleurt ze. Frans ziet ’t.

«Nou ja.... een beetje. Ik ben sterk.... kan ertegen!»

«Ben ik dan soms zoo’n poppetje? Dat is ook wat!»

«Nee, maar je hebt slaap, dat zie ik aan je oogen.»

«Och kom!»

«Zie je wel? Je gaapt al.»

Werkelijk houdt Marta even de hand vóor de mond.

«Je hebt gelijk» zegt ze. En er vliegt een trekje over haar gelaat, zooals Frans het zoo goed kende: het lichtglansje van innige vriendelijkheid, dat haar gansche gezichtje opklaarde, als ’t een oogenblik te voren wat stroef en strak gestaan had. Ze had een van die vrouwentypen, welke door zoo’n gemoeds-uitstralinkje plotseling veel vermooien, als toonde zich dan opeens hun ware lieve innerlijkheid ten volle.

Ze staat op, lacht weer, zegt een mislukt grapje:

«Je bent mijn man, en ik moet gehoorzamen...» Daarna blijft ze nog dralen.

«Tot straks.... ik kom later wel. Rust jij maar. Daar staan wipstoelen. Ik ga naar de muziek luisteren.» Hij wees naar een ander deel der veranda. «Ik ga nog wat «klimaatschieten», zooals ze in Indië zeggen. Ik heb nog heelemaal geen slaap, heusch. ’t Is ook nog veel te vroeg.»

Hij kijkt op zijn horloge. Zij staat vlak bij hem, zwijgend. Hij trekt haar naar zich toe, en kust haar innig.

«Over een paar uurtjes... als je rustig slaapt, kom ik ook. Ik zal geen leven maken.»

Ze kijkt hem aan, met haar stralende vriendelijkheid.

«Naächt!» zegt ze zacht, en verdwijnt door de deur in de veranda, die naar de gang leidt.

Frans slenterde naar een der wipstoelen in ’t andere deel der veranda. Daar ging hij zitten, strekte zich behagelijk uit.

Hij verbeeldde zich, dat hij trek in een kop thee had, en riep om een kelner. Toen de man het bestelde bracht, was hij vergeten, dat hij erom gevraagd had. Hij dronk een teug, en liet de rest staan, spreidde de handen met de vingers over elkaar, en leunde weer achterover. Wat voelde hij zich vreemd te moede! En toch, dat was immers geluk, ’t groote geluk dat nu gekomen was? Hij had ’t aanvaard met zijn gansche hart: hij aanbad immers Marta. En ’t besef, dat hij haar verlost had uit een leven van gemoedsverkerkering, dat deed zijn boezem zwellen van zoete zelfvoldoening en teederheid... Vier dagen van opgewonden, druk beredderen en plannen maken waren ’t geweest, die laatste, die ze samen nog te Amsterdam hadden doorgebracht; des daags de straten afloopend, om bestellingen te doen, steeds samen; of samen naar de kostmenschen van de kleine jongen buiten, bij elkaar de maaltijden gebruikend bij Kras, en alleen ’s nachts gescheiden, Frans in zijn hotel, zij op haar kamer... Marta was opeens veel spraakzamer geworden, veel opgewekter, en de jonge man sloeg die verandering gade met een deelname aan haar gevoelens, die hij alleen liet blijken door een blik, een liefkoozing of een warmer toon in zijn woorden. Hij had in stilte gejubeld over deze vrijmaking van twee menschen, deze herleving, die immers óok zijn wedergeboorte was.

Maar aan dat alles dacht Frans nu niet met klaarte.

De bonte wisseling van indrukken en aandoeningen der laatste dagen ging thans vervaagd en verdoezeld opnieuw zijn geest voorbij, zonder orde of evenmaat. ’t Kon hem niet schelen, nee, hij wilde het zoo: hij wilde zich dompelen in die weelde als de half-ontwaakte, die genotvol terugzinkt in een droom, waarvan hij de bizonderheden flauw beseft, waarvan hij alleen ’t heerlijke voelt.

Zoo dommelend en droomend zat Frans met half-dichtgeknepen oogen, soms opturend naar de mooie heldere zomerhemel, waar de sterren zich begonnen te vertoonen.

Frans was anders geen droomer. Er was nu ook iets anders, dat hem dreef tot deze voor hem zoo ongewone mijmerij, heel iets anders dan de lust tot overpeinzing van zijn nieuw geluk. Hij voelde een groote schuchterheid. Hij, vroeger de losse, vroolijke student, nooit verlegen, ja overmoedig-vrij of onverschillig in ’t gezelschap van fatsoenlijke vrouwen of meisjes, en «door de wol geverfd» wat de omgang met de andere soort betrof, hij was nu schuchter, haast bang voor het eerste nachtelijk samenzijn met zijn vriendin. Zijn eenige ware vriendin, zij wier intiemste gedachten en gevoelens hij meende te kennen! Nu zijn vrouw...

Afschuw en walg hadden hem altijd weerhouden, om, gelijk menigeen van zijn kennissen onder de studenten, minnehandel te zoeken van veilen aard. Zelfs in zijn meest opgewonden «fuif-stemming,» wanneer de wijn hem overigens van de wijs gebracht had,—en soms op de meest dubbelzinnige oorden van verstrooiing of vermaak—bleef Frans in dat eene dezelfde. En ook in de grootste kalmte, er over redeneerend met zijn vrienden—op naïef-hoogernstige, wijsneuzige manier, zooals jonge studenten kunnen doen—had hij steeds woorden van ergernis en afkeuring voor afdwalingen op bedoeld gebied. Nu en dan onder vrienden «vroolijk zijn»—zoo eens in de maand dronken zijn, «lijk» zelfs een enkele keer—nu ja, wat zou dat! Voor een jongmensch, een student! Onze nationale toegeeflijkheid op dit punt deelde Frans, met de afkeuring voor die andere zwakheid van jonge mannen. Ook hij vond onkuischheid tien maal erger dan onmatigheid. En hij meende ’t.

Frans was dus, hoe «ontgroend» ook in zijn verhouding tot de vrouw, maagdelijk als een jongmeisje, al mocht men hem dan in zijn tijd vóor de kennismaking met Marta vergelijken met een «demi-vierge» van Marcel Prévort.

Hij had ondanks die ingewijdheid nooit begrepen, waarin dan toch die hoogere levenservaring en wijsheid van sommige zijner kennissen bestonden, wanneer ze om hun scharrelavontuurtjes daarop in zijn bijzijn pochten: zij kenden de liefde! Jawel, hij begreep nu vaag, dat, als zij hem met recht groen mochten noemen op dat gebied, zij volkomen vreemdeling moesten wezen in ’t land van geheimenis waar hij nu binnentrad....

Frans had een heele poos in zijn wipstoel liggen mijmeren, toen het ophouden der pianomuziek binnen, hem als onwillekeurig naar zijn horloge deed grijpen. Half twaalf! Hij keek eens rond: geen sterveling om hem heen, en achter hem in de groote zaal was nog maar éen gaslamp aangelaten. Hij stond op. Kom, hij moest nu ook maar naar bed. Marta sliep zeker al rustig....

Door de half duistere veranda stapte hij, de twee glazen deuren voorbij, naar de deur der gang, die toegang gaf tot de breede trap.

Hun kamer was op de eerste verdieping, no 3. Bijna geruischloos ging hij naar boven, langzaam, met gebogen hoofd, als telde hij bedachtzaam iedere schrede op de flauw verlichte mollige looper. Zijn hart bonsde, toen hij op ’t eerste portaal vlak vóor de deur stond met het zwarte cijfer op ’t wit-emailen plaatje. Daarbij, op de vloer, stonden twee kleine schoenen, die van Marta. Zot, dat hij zoo beefde! Dat hij er niet eens aan gedacht had, dat Marta de deur wel kon gesloten hebben... Hij sloeg zijn hand aan de kruk. Nee, eerst zijn schoenen uitdoen. Hij draaide de knop om, zoo zacht als hij kon. Gelukkig, het slot was er niet op. Hij ging binnen, op zijn teenen, sloot de deur weer heel voorzichtig. Toen keek hij rond.

In het zachte wazige schijnsel der gaslamp, die half neergedraaid was, zag de kamer er droomerig-vredig uit: frissche lichtkleurig-overtrokken stoeltjes, twee ledikanten met ouderwetsche frisch-getinte lit-d’ange-gordijnen—gele parketvloer, grijsblauw behang, waarop een paar fleurige aquarellen in ronde lijsten, aan weerskanten van een groote glazen deur, die op een balkon uitkwam, en waarover een donkerblauwe drapeering en daaronder lichtere valgordijnen; vlak tegenover de glazen deuren, rechts van de binnentredende, en dus tegen de wand tusschen de beide bedden, een sierlijke waschtafel met marmeren blad, aan de eene kant daarvan een kolossale verstelbare spiegel op een standaard, en aan de andere een spiegelkast. De gaslamp juist in ’t midden, overstolpt met blauwig matglas.

Van de plek, waar de jonge man stond, kon hij in ’t eene bed zien. Dat was blijkbaar onaangeroerd. Hij luistert aandachtig: een geregelde ademhaling ruischt uit het andere bed, bij welks voeteneind hij staat. Zacht schijnsel van licht valt door de dunne gordijnen en maakt die half-doorzichtig. De streeling van een fijne geur van vrouwelijke toilet-weelde doet hem nu eerst aan, doet hem sterker ademhalen. Met iets als een zucht treedt hij vooruit, en komt zoo in de ruimte tusschen de ledikanten: hij wil haar even zien, zooals ze daar rust, wil haar dan goeden nacht kussen met een lange liefkoozende blik. En dan terug, om zich vlug en geruischloos uit te kleeden achter zijn bed, en zich kalmpjes te rusten te leggen...

Als hij vóor Marta’s bed is gekomen, blijft hij staan. Daar ligt ze met het zwarte lokkenkopje tegen ’t witte kussen, het halve bovenlijf boven ’t dek, de rechterhand er boven over.

Ze houdt het gelaat naar hem toegekeerd, de oogleden met de lange zwarte gesloten wimpers, een flauwe glimlach op de dunne fijne lippen, met het doezel-lijntje van donshaartjes erop. Wat ziet ze er lief uit, en ongewoon in die omlijsting van wolkig witte kant in ’t wazig blauwe schemerlicht, in ’t groote witte bed!..

Onweerstaanbaar aangetrokken komt Frans zachtkens een schrede nader. Hij wil zich vooroverbuigen en haar hand, die op het dek ligt, even aanraken met zijn lippen. Daar zal ze wel niet van wakker worden...

Marta slaat de oogen op en lacht.

«Dwaze jongen! Dacht je dat ik sliep? Nu, op deze avond?»

Een oogenblik staat hij verbluft, als verbijsterd, gevangen door de zoete macht dier lieve stem, de innigheid van die blik.

Dan overweldigt hem een groote teederheidsdrang. En zijn lippen zoeken haar mond.

HOOFDSTUK XI.