Om het recht der liefde

Part 5

Chapter 54,155 wordsPublic domain

«Wel, dit. Dat ze van de eerste dag af, dat ze in Luik studeerde een liefdesbetrekking had met een jongmensch van goeden huize—zij zelf is dat niet—dat ze zich door dat jongemensch heeft laten onderhouden—dat ze op een goeien dag van hem weggeloopen is—hm—en, toen ze later merkte»—hier kijkt de spreker in de lucht, over Frans’ hoofd heen—«dat ze in ongezegende omstandigheden was, weer naar hem terugwoû—wat begrijpelijker wijze niet in de smaak viel van haar vroegere vriend,.. Et il y avait de quoi!»

Frans staart zijn vader aan. Het valt hem zelf op, dat hij nog nooit te voren zóó naar zijn vader gekeken heeft. Iedere trek van dat gelaat, hem toch zoo welbekend, schijnt hem nieuw—hatelijk nieuw: het hooge gladde voorhoofd met de ivoren welving daarboven en ’t schrale zorgvuldig gekamde sluike zwarte haar, grijs aan de slapen, de kleine bewegelijke donkere oogen, de dunne donkere wenkbrauwen, de welgedane blozende wangen, de scherpe neus, waarvan de neusvleugels mee schijnen te doen met de opwaartsche spottrek der bovenlip, de vochtig glimmende roode onderlip, de glanzige knevel, nog zwart evenals de goed onderhouden puntbaard, de kleine platte ooren. Een geheel van banale mooiheid, van wereldsche zelfzorg, van mephisto-achtig cynisme...

De vallende schemering bevordert een waarneming van Jensen’s uiterlijk, die ietwat vrij spel laat aan de verbeelding, al zit hij ook naar ’t vensterlicht gekeerd.

Om zich een houding van welberaden bedaardheid te geven, neemt Jensen zijn lorgnet af en begint de glazen achteloos met zijn zakdoek te wrijven.

Een flauwzoete geur walmt de jonge man in de neus.

«Komaan, nu jij,» zegt zijn vader, druk wrijvend.

«Vader, dat is van a tot z leugen en laster» brengt Frans eindelijk uit, met trillende stem, maar ieder woord onderschrappend. Zijn wenkbrauwen zijn strak-gefronst, en in ’t halve duister, dat zijn hoofd verdoezelt, vonken zijn oogen den ander tegen.

«Dat beweer jij», hervat deze kalm «jij die de inlichtingen van haar zelf hebt...»

«Ik kon ze van niemand beter krijgen, vader. Juffrouw Van Zee is de eerlijkheid zelf: ze heeft me vrijwillig alles verteld.»

«Zoo, laat ’s hooren.»

«Dat ze die liefdesbetrekking gehad heeft, is waar, maar die kwam pas aan, toen ze een tijdje student was. Dan was die verhouding in haar oog een huwelijk, even heilig als eenig ander.»

«Dan toch altijd een concubinaat. Hm.»

«In haar opvatting niet, zeg ik u. En ook de man, die met haar ging samenleven beweerde die... opvatting als hooge ernst te beschouwen. Hij is gebleken een bedrieger en wellusteling te wezen. Een egoïst die niet anders zocht dan zijn genoegen.»

Onrustig beweegt Frans zich op zijn stoel. Hij voelt zijn wangen gloeien.

Jensen haalt de schouders op.

«Zooals vanzelf spreekt», zegt hij achteloos, en zet zijn lorgnet weer op.

«Zoo, vindt u dat?» antwoordt Frans met minachtende nadruk. «Ook als die man een huisvriend van haar voogd was—van haar oom? En zij voor die oom een onbeperkte vereering had? Die man had haar zulke idees gegeven.»

«Dat maakt de zaak wel iets anders. Nu ja, maar...»

Frans gaat onverschrokken voort: laat me uitspreken! raast het in hem.

«Toen ze zag, dat ze... moeder zou worden, heeft die «vriend» haar verlaten—de man, die ze als haar echtgenoot beschouwde. En nu onderhoudt ze haar kind zelf. Ze heeft en had eigen middelen, was volstrekt niet afhankelijk van de man met wie... ze leefde.»

«Ze had niets op hem te verhalen: ’t was haar man niet.»

«Maar, vader, een man van eer zal toch niet zoo een meisje in de steek laten, zelfs al had hij nooit van een huwelijk gesproken, in welke zin van ’t woord ook.»

Jensen kijkt weer in de lucht.

«Dat kan eraan liggen,» zegt hij.

Frans verschuift driftig zijn eene voet. Dan, met groote stelligheid en nadruk, als uitdagend, antwoordt hij:

«Een man, die een meisje zwanger maakt, draagt de verantwoordelijkheid voor zijn kind. Anders is ’t een ploert. Ik ken daar geen uitzondering op...»

Jensen wendt even zijn blik naar zijn zoons gelaat, haalt de schouders op en glimlacht spottend. Dan kijkt hij naar zijn vrouw. Deze zit onderwijl met neergeslagen oogen, bleeker dan ooit, zenuwachtig druk te borduren, haar werkje dicht bij de oogen houdend om ’t schaarsche licht.

Terwijl hij de beenen over elkaar slaat en naar de wiebelende punt van zijn eene «molière» staart, hervat de advokaat:

«Over jouw rechts-opvattingen zullen we ’t nu maar ’s niet hebben. Ik vind—en dat is hier de hoofdzaak—dat een vrouw als Juffrouw Van Zee.... geen partij voor jou is, om het zacht te zeggen. In geen geval, al is alles waar wat jij me van haar vertelt.»

«Maar zeg u me nu toch ’s waarom!»

Jensen staat driftig op.

«Waarom? Waarom?» roept hij, «Wel, beroerde jongen, omdat ik ’t niet wil hebben, dat je met een hoer trouwt.»

Mevrouw Jensen kijkt verschrikt eerst naar haar man, dan naar Frans.

«Vader!» barst de laatste uit, eveneens opstaande. «Ik verzoek u dat woord onmiddellijk in te trekken» roept hij dreigend.

«Groote God, dat wordt moord en doodslag!» mompelt zijn moeder huilerig.

«Of?» sart Jensen.

«Of....» hervat Frans woest, met bliksemende oogen, bevend en rood van toorn «.... of ik sla u in uw gezicht!» Meteen brengt hij de rechterhand achteruit.

Mevrouw Jensen springt op, en plaatst zich tusschen de mannen in:

«Frans, hoû je kalm!» jammert ze. «In Gods naam: vergeet niet, dat je je vader vóor je hebt!»

«Goed, moeder, om u.... maar die man maakt me razend.» Dan weer tot de ander zegt hij iets kalmer:

«Blijft u bij wat u gezegd heeft?»

Jensen is onwillekeurig een pas achteruit gegaan.

«Natuurlijk» antwoordt hij. «Maar dit mooie gesprek moet uit zijn. Ga naar je kamer.» En hij wijst naar de deur.

De jonge man let er niet op.

«Vader» zegt hij zich bedwingend, «’t spijt me, dat ik u in mijn drift beleedigd heb. Maar u beleedigt ook het liefste dat ik heb.... Wil u me nog even te woord staan?»

HOOFDSTUK VIII.

Mr. Jensen voelt zich weer volkomen op dreef, na ’t schrikje, dat zijn zoons woest optreden hem op ’t lijf gejaagd heeft. Hij gaat weer kalm zitten, en wijst hem met zijn gewoon deftig-advokaten-gebaar op diens stoel. Frans volgt de wenk op.

Mevrouw Jensen dribbelt nog een oogenblik, weifelend of ze weer haar gewone plaats zal innemen. Dan besluit ze met een zucht voor de sofa, en grijpt weer naar haar werkje.

«Goed, maar dan kort, als je belieft,» zegt Jensen onwillig. «Vader, u gebruikte daar zooeven dat leelijke woord voor een meisje... dat zich in liefde aan een man gegeven heeft.»

«Ja, dat’s zoo de gewone opvatting van dat woord...» Jensen heeft de handen ineengeslagen en speelt met zijn duimen, terwijl hij de oogen op de tafel gericht houdt.

«En dus ook de uwe?» vraagt de ander. «U, die een man van ’t recht is! Nu, dan... dan wil ik u wat zeggen», en Frans’ stem verraadt meer opwinding—«dat ik die opvatting verachtelijk... misselijk vind.»

«Nu is ’t genoeg, dunkt me», antwoordt de advokaat en staat nogmaals op, bedaard strak en koud.

«Nee, nu is ’t niet genoeg», stuift Frans op, «Ik vind een hoer: een vrouw, die om eenige andere reden dan liefde zich aan een man geeft.»

Jensen wil naar de deur. De ander springt overeind. «En ik vind» roept hij uit, «ik vind de man van opvoeding, die een meisje tot vrouw neemt om haar geld, verachtelijker dan de vuilste hoer! Verstaat u dat?»

Ziedend van toorn doet hij een schrede naar zijn vader en treedt hem in de weg.

«God allemachtig!» krijt Mevrouw Jensen, die met haar werkje en al opgevlogen is, en tevergeefs tusschenbeide tracht te komen. «Frans, bedaar toch: vader heeft dat zoo niet gemeend! Om Godswil, Jensen, wees jij dan tenminste kalm. De jongen is buiten zichzelve. Ik heb ’t wel gezegd... ik woû...»

«Hoû’ je mond!» krijgt ze terug. «Ik heb jou gezegd, dat jij je mond zou houden. Ga daar weer op je plaats...»

De terecht-gewezene wil gehoorzamen, doet een schrede, maar blijft dan staan.

Frans slaat met verachtelijke blikken het tooneeltje gade.

«En dat woû mij de les lezen!» mompelt hij.

«Verklaar jij me’s», hervat Jensen weer bedaard, «wat je me daar zooeven zeide—die vergelijking—was dat een toespeling?»

Frans heeft alle schijn van ontzag van zich afgeworpen.

«Wie de schoen past, trekt hem aan! U die zoo’n huwelijk gesloten heeft, wil mij leeren, wat betamelijk is. Die praat me nog van zedelijkheid!»

Jensen houdt zich kranig onder die striemende woorden.

«Zwijg!» roept hij met uitgezette borst en opgeheven hoofd. «’t Is nu uit, he! De kamer uit.»

En na herhaling van zijn deurwijzings-gebaar kruist hij de armen.

Frans doet een paar schreden naar de deur, en blijft daar met de rug erheen gekeerd vlak vóor staan. Dan zegt hij tartend, de oogen op de gestalte vóor hem:

«Ik ga niet voordat ik alles gezegd heb. Trekt u dat woord over Marta in?»

«De kamer uit, zeg ik je.» Volgt een hoofdwijzing naar de deur.

«Dus niet?» bijt Frans hem toe, hijgend van woede.

«Dan zal u hooren wat ik van u weet, waardige vader.»

Jensen schrikt, maar blijft zijn houding bewaren.

«Wat jij van mij weet?» vraagt hij met een lachje.

«Ja, ik heb u in de gaten, mooidoener. Huichelaar! Ik heb u nagegaan, net zoo goed als u mij...»

Dit maakt indruk: de armen van Mr. Jensen dalen uit de veldmaarschalks-positie naar een meer burgerlijke houding. Met beide handen in zijn broekzakken begint hij met zijn sleutels te rammelen.

«Zoo, zoo», zegt hij met een schuine blik naar Frans. «Heb jij me bespionneerd?»

Mevrouw Jensen, die met de eene hand op de rug van de sofa geleund stond, wil weer naar de beide mannen toe gaan.

«Och Frans», zegt ze huilerig, «wat ik je bid-mag: ga nu toch maar heen! Kom.»

Maar de toegesprokene hoort haar niet.

«Nee, vader, dat laat ik aan u over. Ik heb geen detective-bureau noodig gehad, om uw handelingen na te gaan. De oogen zijn me door een toeval open gegaan. Toen begreep ik alles...»

Jensen wendt zich tot zijn vrouw: zoo vermijdt hij tenminste het hinderlijk kijken dier twee woedende oogen.

«Hoor je ’t, Carolien?», zegt hij met een vleugje vriendelijke gemoedelijkheid in zijn toon, «hoe die jongen te keer gaat? Ik geloof, dat hij gek geworden is.» Dan weer dreigend tot Frans:

«Wil je nu heengaan? Of anders....»

Jensen bedenkt zich.

«Carolien, ga jij dan ten minste heen», zegt hij nog gemoedelijker dan te voren, «’t Is een pijnlijk tooneel voor je.»

«Jawel, nu minzaam zijn tegen uw slachtoffer», hervat de jonge man met opgetrokken bovenlip.

«Moeder, hij is bang» gaat hij voort tot de verbijsterde Mevrouw Jensen. «Daarom wil hij u weghebben.»

Jensen tracht hem honend aan te kijken. Ellendige jongen, denkt hij onderwijl: zoo had hij hem nooit gekend! waar zou dat heengaan?

«Nog eens, vader», vervolgt zijn zoon, als de ander zwijgt, «trekt u dat woord in over Marta?»

«Jouw Marta kan voor mijn part naar de bliksem loopen! ’t Kan me niet schelen wat ze is...»

«Trekt u dat woord in, vader? Of anders zeg ik alles wat ik weet... En dat zal nog maar een beetje zijn. Ik ben genoeg op de hoogte met de wet, om te weten, dat ik... uw lot in mijn handen heb op dit oogenblik.»

Mevrouw Jensen houdt het niet meer uit.

«Wat raaskalt die jongen toch?» roept ze. «Frans ben je nu heelemaal van de wijs? Jongen, ga toch de kamer uit.» Haar stem is beverig, en klinkt bizonder hoog en schraal.

«Heilige onnoozelheid!» antwoordt haar zoon, «’t Is om te schreien! Die moeder, die nog in de bres springt voor zoo’n man!»

Mr. Jensen bewaart zijn houding van verontwaardigde fierheid, al is hij wat bleeker dan te voren.

«Wat wil je nu nog?» vraagt hij op een toon, als gaf hij toe aan een onnoozele gril, om der wille van de vrede.

«Intrekking van dat scheldwoord», houdt Frans aan.

Jensen acht het geraden, wat tegemoet te komen: hij heeft wel eens meer met driftige menschen te doen gehad...

«Frans» antwoordt hij bijna vriendelijk, «wil je nu, dat ik... dat meisje voor een fatsoenlijke vrouw verklaar?»

«Voor «fatsoenlijk», dat hoeft niet» zegt de jonge man nog steeds heftig, «voor een eerbare vrouw.»

«Ga daar zitten, en wees bedaard. Carolien, ga jij nu maar de kamer uit: ik zal dat zaakje wel afdoen.»

Frans verroert zich niet.

«Moeder, blijf gerust» hervat hij. Dan tot zijn vader: «Ik ga hier niet weg voordat ik mijn zin heb. Ik kan die nare zoetsappigheid tegen moeder niet uitstaan. En dat na die behandeling van zooëven. Wat ’n man is u toch!» Weer windt hij zich op. «Dat is nu al die jaren al zoo: u mishandelt mijn moeder op alle manieren... nou ja, moreele mishandeling bedoel ik, u brutalizeert en beleedigt haar. U is alleen vriendelijk... wàs alleen vriendelijk, toen uw eigenbelang het meebracht, he... vroeger toen u uw hof nog maakte, toen u als arm meestertje in de rechten moeder trouwen woû. En nu! Toen om uw huwelijk te verzekeren.... nu om ’t zoo te houden als ’t is.»

Frans hijgt, en bijt zich op de lippen. Zijn beide handen martelen op zijn rug de knop van de deur.

«Zwijg, brutale jongen, of ik vergeet me», roept Jensen, en treedt op zijn zoon toe, als wilde hij hem overbluffen.

De ander kijkt hem dreigend aan.

«Probeer ’t ’s, me aan te raken», roept hij. «Ik duld uw mishandelingen niet meer, verstaat u? Ik ben een man, evengoed als u. Ik laat me niet meer bang maken met een pak ransel, als een kleine jongen. ’t Is nu uit met uw schrikbewind hier in huis. U heeft mijn arme moeder genoeg afgejakkerd. Ze is een ander mensch geworden: alle levenslust is er uit. Dat ’s uw werk: u heeft haar van een levenslustig meisje vóor haar tijd tot een half versufte oude vrouw gemaakt. Ze is schuw en in zichzelf gekeerd. Ik heb zelf die verandering in de laatste jaren kunnen nagaan. En nu weet ik hoe u bovendien buitenshuis leeft...»

Mevrouw Jensen brengt de magere handen aan ’t gelaat, en gaat schreiend op een stoel zitten. De beschuldigde tracht vergeefs een uitdrukking van onverschilligheid en onverstoorbaarheid aan te nemen: hij beseft, dat zijn houding veel te wenschen overliet. Die rekel van een jongen! Zoo iets is hem nog nooit overkomen! Zelfs niet met die meineeds-geschiedenis, toen hem ’t vuur zoo na aan de schenen gelegd werd, en hem bijna de toegang tot de balie ontzegd was: hij was toen immers geen oogenblik zijn aplomb kwijt geweest...

De schreiende Mevrouw Jensen verschaft afleiding.

«Frans, zwijg, in Gods naam» jammert ze.

«Nee, moeder, ik zal niet zwijgen. Om u, ’t is om u! De huichelaar moet ontmaskerd worden. Ga van hem scheiden. De man is heelemaal in onze macht. Ik weet genoeg, om u makkelijk van hem af te helpen. Dan kunnen we nog eens gelukkig zijn.» Frans kijkt onderwijl verteederd naar zijn moeder, die daar als een toonbeeld van zielsellende in elkaar gedoken zit te schreien. «En u zal mij mijn geluk niet misgunnen, wel, moeder?» zegt hij innig.

«Och Frans, wat ’n een onzin... wat ’n onzin!» brengt mevrouw Jensen tusschen haar tranen uit. «Hoe kan ik nou meewerken tot zulk een geluk?... Dat is.... dat is geen geluk.... Frans....»

Het voorwerp van ’s jonkmans woede is intusschen hulpeloos op zijn vorige plaats gaan zitten. De andere wending, die ’t gesprek genomen heeft, is hem niet onwelkom: hij besluit af te wachten.

«Och moeder», gaat Frans voort «u zal ’t later anders inzien.»

«Nooit, jongen, nooit», stamelt ze, nog steeds zacht schreiend. «Hoe kun je zoo vergeten, wie je bent?! Denk er toch aan, dat je een eervolle naam draagt.»

«Och wat! Een naam is alleen eervol, als de drager ernaar handelt. Ik zie niet in, waarom mijn naam zoo bizonder eervol zou wezen. Omdat ik de zoon ben van Mr. Jensen?»

«Je bent van een deftige familie, Frans.» Mevrouw Jensen herstelt zich wat. «Je moeder is een freule Van Witstein tot Ravenhorst, vergeet dat toch ook niet. En je vader is een advokaat van naam, ook van een oude heel aanzienlijke familie. Je oom....»

«Moeder, schei’ uit! Wat kan mij die familie schelen? Marta’s vader was een achtbaar man, haar oom—haar voogd—was rector van een gymnasium—een knap man en een man van eer.»

«Maar zij, Frans, zij....»

«Ik kan u daarover niet meer zeggen dan ik al gezegd heb. U zal dat later wel anders inzien. Maar ik wil deze zaak ook eindigen.» En zich ongeduldig weer tot zijn vader wendend, gaat hij voort:

«Ik vraag u nu voor ’t laatst, om uw toestemming voor mijn huwelijk met Marta. Die toestemming zal voor mij ’t zelfde zijn, als dat u haar als eerbaar erkent.»

Jensen heeft tijd gehad, om zich voor verdere tegenweer behoorlijk te bedenken. Komaan, hij moet een andere toon aanslaan, trachten gemoedelijk, ja vaderlijk te spreken.

«Frans, je vraagt me ’t onmogelijke!» zegt hij na een oogenblik zwijgen, als had hij even geweifeld. «Hoe wil je nu, dat ik toe zal stemmen in een huwelijk met een vrouw, die een kind heeft—van een ander! Ga dat nu toch’s zelf bedaard en kalm na: dat zou immers een schande zijn, ook voor mij, en voor je moeder ook. Ik zou me schamen tegenover de menschen. Tegenover mijn cliënten...»

«We zullen naar ’t buitenland gaan, als u dat verlangt.»

«Dan zullen er toch praatjes loopen. Die zullen nadeelig zijn voor mijn naam...»

Frans verbijt zich: hij voelt zijn drift weer opbruisen. «Daar is u bang voor», antwoordt hij scherp. «Dacht u dan dat uw naam zoo onbesproken was... nu?»

«Frans, begin je nou weer?» roept Mevrouw Jensen huilerig. Haar betraande roode oogen kijken haast smeekend.

«Ik kàn mijn toestemming niet geven», antwoordt Mr. Jensen op beslister toon dan te voren. De houding van zijn vrouw heeft hem grootendeels gerust gesteld. Dat hij een oogenblik heeft kunnen twijfelen aan haar blindheid!

«En toch sta ik daarop», zegt Frans even beslist van toon.

De ander der twistenden staat op, en doet weer een stap naar de deur. De jonge man blijft waar hij staat.

«Kom, laat me eruit» roept Jensen. «Dit gesprek verveelt me danig. We zullen elkaar wel nader spreken.»

«Misschien nooit meer,» bromt Frans.

«Wil je daar vandaan gaan?» Jensen heeft zijn oude gezagtoon weer volkomen terug. «Laat me er door, zeg ik je, of ik roep de knecht.» En hij maakt een gebaar, als wilde hij naar de belknop gaan, op eenige schreden daar vandaan.

«Waag dat’s», roept Frans nogmaals opvlammend «dan zeg ik in ’t bijzijn van Jacob, wat voor exemplaar of u is. Ik geef ruchtbaarheid aan de zaak.»

Jensen weet eenige waardigheid te leggen in zijn woorden, als hij daartegen in brengt:

«En de heele wereld zal je ongelijk geven, je veroordeelen. Laat me erdoor, als je belieft.»

«Nee, eerst die toestemming.»

Mevrouw Jensen heeft onderwijl weer haar stoel verlaten.

«Frans» teemt ze, «wees toch niet zoo oneerbiedig tegen je vader. Ga daar vandaan!»

«Oneerbiedig! Als ik u zeg, dat ik ’t laatste greintje eerbied voor die man verloren heb.»

«Frans, Frans, ’t is je vader!»

«Jammer genoeg! Ik erken geen heilig vaderschap of kindschap. Men eert zijn vader niet om het vader-zijn alleen! Daarvoor is geen dankbaarheid verschuldigd. Dankbaarheid zeker voor het genoegen, dat een man gesmaakt heeft, om je te verwekken! Een moeder lijdt nog voor je, ofschoon ze dat ook niet speciaal voor ’t pleizier van ’t kind doet. Als ze ’t zonder lijden de wereld in kon sturen, zou ze ’t zeker doen. Maar dat laat ik nog daar. Er is toch meer natuurlijke band tusschen moeder en kind. Maar een vader, een vader vind ik alleen eerbied waard, als hij zich een goed vader toont, als hij zich een goed opvoeder toont.»

«Maar Frans, je vader heeft toch altijd goed voor je opvoeding gezorgd?»

«Nou ja, voor ’t uiterlijke. Ik heb een door en door fatsoenlijke opvoeding gehad. Met de oudvaderlandsche klappen erbij. Maar de eigenlijke opvoeding—leiding en vorming van mijn jonge ziel, inprenting van mooie beginselen, eerbied en bewondering voor wat mooi en goed is—niets, niets! Niet dàt!» Een knip met duim en middenvinger. «Van u heb ik dat wèl gehad... zooveel als u me geven kon, moeder. Van u hou’ ik, moeder. Van die man niets, al is ’t honderd maal mijn vader. Ik veracht hem.»

Op Jensen’s gelaat verschijnt zijn diplomatische glimlach, die alles kan zeggen: hier lankmoedigheid voor jeugdige overmoed.

«Is ’t je niet mogelijk, zonder beleedigingen te spreken?» vraagt hij wijs-bedaard. «Meen je daarmee soms verder te komen dan door kalm redeneeren?»

«’t Kan me niet schelen. Ik begrijp, dat ik niets meer van u te wachten heb. Ik wil ook niets meer vragen. Niets, verstaat u? En ik zal mijn gang gaan. Ik zal u ook niet voor de rechter halen, en u trachten te dwingen tot toestemming voor een «fatsoenlijk huwelijk.» Maak u maar niet ongerust. Ik zal ’t zonder die toestemming wel doen. En ik zal mijn brood wel verdienen. Al maak ik dan ook zooveel niet als mijn vader, de brave advokaat. Ik zal een arme werkvrouw geen vijf-en-twintig gulden laten betalen voor ’t opmaken van een rekestje, dat haar zoon in de gevangenis noodig heelt, zooals u dat onlangs gedaan heeft. Daar ben ik ook toevallig achter gekomen. Zoo’n deftig advokaatje als u zal ik nooit worden: die laten zich duur betalen, ook door arme stumpers van werkvrouwen! Maar op mijn huwelijk zal zegen rusten, omdat het een huwelijk zal wezen, dat op liefde gegrond is... ’t Zal niet gevloekt wezen als dat van mijn ouders.»

«Frans, laat God je niet straffen voor die taal», roept Mevrouw Jensen in afschuw.

«God zal hèm straffen, als er een God is,» geeft de jonge man terug, «want als die er is, is hij rechtvaardig. Praat me nog van God waar ’t zoo’n huwelijk betreft als van mijn vader. De man heeft niet alleen u getrouwd om uw geld, maar hij heeft zijn godsdienst verloochend op de koop toe: van «fijn» katholiek protestant geworden, om u te krijgen, moeder. Of is dat soms zoo niet?»

«Frans!» roept zijn moeder met jammerende verontwaardiging. «Je weet heel goed, dat dat niet waar is. Ik heb je vader de oogen geopend voor de dwaling van zijn geloof. Hij is even oprecht geloovig als ik, hij gaat even trouw naar de kerk...»

Jensen kijkt onderwijl in de lucht, en speelt weer met zijn horlogeketting.

«Bah! ook al fatsoen, en aanstellerij,» gaat Frans even heftig voort. «Huichelarij, dat is alles. En dat u nog van zóó’n man houdt, moeder! Wat beklaag ik u! Maar de oogen zullen ook u eenmaal opengaan...» Hij zwijgt even, hijgend. «Ik moet weg, moeder,» hervat hij droevig. «Ik kan ’t hier niet langer uithouden. Er moest een eind aan komen. ’t Is nu alleen wat verhaast, maar ’t moest toch. ’t Moest...»

De jonge man treedt op zijn moeder toe en omhelst haar innig. Zij ontvangt de liefkoozing geheel verbijsterd en wezenloos.

Jensen is opgestaan en kijkt met stalen blik naar de twee. Hij snuift even, en er flitst een ironietje om zijn mond neus en oogen. Hij plaatst zich achter zijn stoel en neemt een rustige houding aan, als om kalm ’t tooneeltje daar vóor hem af te laten spelen.

«Om u heb ik verdriet,» hervat Frans, met zijn eene hand op zijn moeders schouder. Deze zoekt afleiding in haar zakdoek, die ze zenuwachtig tegen ’t gelaat drukt. «Om u alleen vind ik het naar, dat ik weg moet. Ik zal u missen. Maar ’t zal niet voor altijd zijn, moedertje.» Hij legt nu ook zijn andere hand op de andere schouder der schreiende. Deze neemt de zakdoek van haar oogen weg, en staart in haar schoot. De jonge man ziet haar vol teederheid aan.

«Niet voor altijd» gaat hij voort, «mijn hart zegt het me. Als u eenmaal van die man af is...»

Mevrouw Jensen begint weer zacht te schreien.

«Och wat ’n onzin, jongen,» stamelt ze. «Maar... ga je nu heusch weg? Dat mag immers niet.. Je zult nog tot bezinning komen. Neem nu toch geen overijld besluit, je zult er... immers.. spijt van hebben...»

«Ik kàn niet, moeder. Ik kàn hier niet langer in huis blijven. Ik kan mijn vader niet meer zien.»

De bedoelde haalt de schouders op, steeds bedaard waarnemend. Dat komediespelletje is merkwaardig sentimenteel, denkt hij: hij was in zijn jonge jaren heel wat nuchterder...

«Maar, Frans, dat is immers gekkewerk» jammert Mevrouw Jensen, en weer komt de zakdoek te pas, om haar snikken te smoren—wat haar heel slecht gelukt. «Van je ouders weg te loopen, met een dolle kop... Dat kùn je niet... meenen... dat kun je niet meenen.»