Om het recht der liefde

Part 4

Chapter 44,075 wordsPublic domain

«Jongen, wees toch bedàard!» roept zijn moeder verschrikt, «wind je toch niet zoo op.»

De jonge man gaat met een zucht weer zitten.

«Maar waarom gelooft u me dan toch niet?» roept hij terneergeslagen. «Ik zeg u, ze deed haar bekentenis vrijwillig, geheel vrijwillig! En ze had me met weinig moeite kunnen wijsmaken wat ze woû!»

«Je vader en ik zijn er ook nog, jongen.»

«Ik zou u niet geloofd hebben. Ik zou niemand geloofd hebben, als er iets tegen haar gezegd werd. Ik vereer haar, ik stel haar hoog. Hoog, moeder, verstaat u dat? Heel hoog.»

De ander maakt een gebaar van kwazie-berusting, en verschuift even in haar stoel, met een beweging, als wilde ze zeggen, dat ze er nu niets meer van hooren wil.

«Jawel, dat weten we», zegt ze met haar gelaat weer geheel van Frans afgewend.

«Maar als ik haar dan hoogstel, moeder», gaat de laatste voort, «waarom zou ik... zou ik haar dan niet mogen trouwen?»

«Och...»

Mevrouw Jensen bewaart haar afgewende houding.

«Nou, zeg nou...» houdt Frans aan.

«Ik wil niets meer zeggen. Je zult wel tot andere gedachten komen.»

Haar lustelooze onwillige toon prikkelt hem, doch hij houdt zich in: beseffend, dat alleen kalme overreding op zulk een houding eenige vat kan hebben.

«Ik zeg u, dat ik volkomen kalm ben», zegt hij, zich verschikkend op zijn stoel, de handen ineenleggend en de beenen over elkaar slaande, terwijl zijn toon veel vriendelijker klinkt.

«Een kalmte wel! dat moet ik zeggen!» gemelijkt de ander door, en haalt de schouders op.

«Nou ja, ik weet alles wat ik zeg», antwoordt de jonge man onverdroten. «Ik vraag u nu vriendelijk, ik smeek u, moeder, om me bedaard aan te hooren. Wil u dat? Mag ik u mijn heele opvatting van de zaak eens blootleggen? Als ik weet, dat u ’t met me eens is»—Mevrouw Jensen maakt een korzelig ongeduldig gebaar met arm en schouder—«dan voel ik me zooveel sterker...»

«Om in je eigenzinnige opvattingen te volharden.»

Nog steeds blijft het gelaat van de spreekster van de ander afgekeerd.

«Als u me overtuigen kan, dat ik ongelijk heb», gaat Frans met dezelfde bedaardheid voort, «zal ik me gewonnen geven. Is dat dan goed? Mag ik nu spreken?»

«Nu, ik ben benieuwd,.. Er zal wat moois komen.»

«Goed dan. Gelooft u aan beginselen?»

Mevrouw Jensen haalt de schouders op. De ander hervat:

«Die zijn bij u gegrond op uw godsdienstige overtuiging, is dat niet zoo?»

Voor ’t eerst kijkt de oude dame weer op, met verwondering in haar blik, steeds met de uitdrukking van gewilde wrevel erop, die op Frans, ware hij anders gestemd, stellig een komische indruk zou gemaakt hebben.

«Nou, ja, wat zou dat!» zegt ze met een schouderschokje.

«Gelooft u ook,» spreekt haar zoon geduldig verder, «dat ieder zalig kan worden op zijn eigen manier, naar zijn eigen inzichten?»

«Ja.... jawel, ofschoon.... ieder geloof toch niet hetzelfde is.»

«Nu goed, in hoofdzaak geeft u me dus toe. Nu, als dat dan zoo is, neemt u dan aan, dat ook Marta overtuigingen had? Of liever: wil u de mogelijkheid wel aannemen, dat zij ze had en heeft?»

«Jawel, nou ja.... je bedoelt, dat ze er godsdienstige overtuigingen op na houdt?....»

«Godsdienstige.... nee, overtuigingen, heilige overtuigingen in ’t algemeen? Beginselen waarnaar men leeft, waarnaar men goed en kwaad beoordeelt?»

«Nou ja, ga verder. Als je dat godsdienst noemt...»

«Nee moeder—» en weer verliest zijn stem een oogenblik haar kalmte, maar hij herstelt zich onmiddellijk. «Ik noem dat alleen heilige overtuigingen. U gelooft toch met mij, dat ook een «vrijdenker» een goed mensch kan wezen?»

«Een vrijdenker? Een godloochenaar, wil je zeggen?»

Er is een klank van innige afschuw in Mevrouw Jensen’s stem, als ze dit zegt. Ze kijkt weer stroef vóor zich.

«Nee, moeder,» gaat de ander met ingehouden ergernis voort. «Ik bedoel iemand, die geheel vrij van elk opgedrongen dogma, zijn eigen denkbeelden heeft over zedelijkheid en verantwoordelijkheid; iemand, die zijn geweten als eenige God vereert en gehoorzaamt.»

’t Is of de jonge man een vaag besef heeft van ’t rhetorische van zijn woorden. Toch is hij er tevreden over, al verschuift hij even op zijn stoel, als iemand die verlegen is met de fraaiheid van zijn taal: hij heeft het immers zoo—in die vorm—zoo vaak gehoord en gelezen. Ook uit Marta’s mond...

Mevrouw Jensen haalt weer haar schouders op.

«Mooie frazen!» zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. «Maar ga je gang...»

«Nu, Marta heeft zulke beginselen», hervat de jonge man. «En tot die beginselen behoort, dat het huwelijk een gewetenszaak is tusschen man en vrouw, die dat huwelijk willen aangaan.»

«Tweemaal twee is vier.»

«Nee, moeder, ik vat hier huwelijk op als samenleving van man en vrouw met gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de kinderen, die ze samen krijgen.»

«Jawel, vrije liefde...»

Er klinkt grenzelooze minachting in de toon, waarop deze woorden uitgesproken worden. Doch Frans blijft onverstoord.—hij vecht immers voor ’t recht van zijn liefde—en hij vervolgt kalm:

«Marta vond voor zoo’n huwelijk het eenig vereischte: de vrije keus van de twee betrokkenen, zonder bemoeienis van iemand anders.»

«Ja maar...»

«Laat me uitspreken, moeder. Marta had die opvatting van haar oom geleerd, dat was een man, die ze hoog vereerde, een man van onberispelijk leven, iemand die haar steeds lief gehad heeft. Ze geloofde in die man. Ze kende niemand, wiens gezag ze in de hoogste levenskwesties hooger stelde. Vindt u het dan leelijk of afkeurenswaardig, dat ze hem geloofde, dat ze zelf heilig vertrouwde op wat hij haar leerde?»

«Nee maar... ik begrijp niet wat...»

«U zàl me wel begrijpen. Nu, dat wat ik zei vooropgesteld, zal u het wel even aannemelijk vinden, dat ze een jonge man, die ze goed kende, die een huisvriend was bij haar oom, net zoo vertrouwde, toen die beweerde dezelfde denkbeelden aan te hangen. En toen die van haar de toepassing vroeg van die denkbeelden...»

«Goed, ze had met hem kunnen trouwen.» De voetbeweging, die de oude dame maakt, heeft veel van een ongeduldig stampje. «Dat heeft ze zeker niet gedaan, omdat er wat tegen was.»

«Maar, moeder, ik zeg u, dat er niets, hoegenaamd niets tegen was. Haar oom hield van die man. Zij had geld, al was ’t niet veel. Die man kon ook behoorlijk bestaan. Ze hielden van elkaar, of ten minste zij hield oprecht van hem, en hij betuigde zijn liefde.»

«Dan hàd ze immers kunnen trouwen!»

«En dan ontrouw worden aan de beginselen, die ze had? Die ze als heilig beschouwde? Bemoeienis van anderen met zulke intieme zielsaangelegenheden beschouwde ze als heiligschennis. Begrijpt u dat dan niet?»

«Wat ’n godslastering!»

Mevrouw Jensen heft de handen op van haar schoot. De ander verliest weer zijn zelfbedwang.

«Maar, moeder», roept hij heftig, «ze geloofde dat vast, even vast als u aan uw geloof hecht! Deed ze dan kwaad door die man te volgen, en zich aan hem te geven?»

«Ja, wis en drie deed ze dat», antwoordt de moeder, nu met eenige stemverheffing, en hem weer aankijkend met opgetrokken wenkbrauwen.

«Wat woû jij beweren, dat het iemand zoo maar vrijstaat, alle beginselen van zedeleer en godsdienst eventjes ondersteboven te halen, en te handelen zoo... als niemand anders doet? Jij kon me evengoed vertellen, dat ze tegen alle andere menschen in, het voor goed hield, om haar evenmensch te vermoorden, als die bij voorbeeld rijk was en haar zijn geld niet geven woû.»

Met blijkbare voldoening zet de magere gestalte zich weer recht, en kijkt weer vóor zich met nog een nageluidje en een lipvertrekking.

Frans haalt zijn schouders op; toch is hij bedaard, als hij hervat:

«Dat is benadeelen van een ander, moeder. Marta kon met wat ze deed alleen zichzelf benadeelen, als het verkeerde gevolgen had...»

«En de kinderen dan, als ze die kreeg? En de maatschappij door haar voorbeeld?»

«Haar kinderen, daar zou ze voor gezorgd hebben. En hij had dat òok moeten doen. Hij heeft ’t niet gedaan, dat kon zij toch niet helpen! En de maatschappij! Zou u, moeder, heilige overtuigingen opgeven, omdat de wereld u er om veroordeelen zou?»

«Nee, maar ik kan me niet denken, dat die er zouden kunnen zijn.»

«Och kom! Zoo iets komt immers dikwijls voor: ik bedoel minachting van de wereld, omdat men zijn plicht doet. Ze hebben Christus ook gesmaad en gehoond, omdat...»

«Zwijg, Frans, ik wìl die godslasterlijke vergelijkingen van je niet aanhooren. Ik zeg je: ze had moèten trouwen, daar blijf ik bij. ’t Huwelijk is een goddelijke instelling: de huwelijken worden in de hemel gesloten...»

Heftig valt de jonge man weer uit:

«Als dat zoo is, laten de menschen er dan afblijven! En als ze in de hemel gesloten worden, dan hoeft een dominee of pastoor, of een ambtenaar van de burgerlijke stand er zich niet mee in te laten.»

Mevrouw Jensen maakt een klein gebaar van wrevel met de rechterhand, maar zwijgt.

«Maar we dwalen af», gaat de ander voort. «Ik woû u alleen aantoonen, dat Marta geen schuld heeft gehad. De eenige schuldige is die ploert, de bedrieger, de verleider, die haar om de tuin geleid heeft!»

Mevrouw Jensen slaat de oogen even naar Frans op, en er is iets van meewarigheid in haar stem, als ze vraagt:

«Heeft die haar dan in de steek gelaten?»

«Ja, toen ze zwanger was», zegt hij dof. Hij maakt een driftig gebaar met gebalde vuist, en slaat somber de blik neer.

«En ’t kind?»

«Daar zorgt zij nu alleen voor. O, u moest ’s weten, hoe innig ze dat kind liefheeft.»

«Een jongen?»

«Ja. Ik heb ’t portret gezien: een alleraardigst kind, een snoes van een jongen. Hij is nu twee jaar oud.»

De innig ontroerde toon van Frans’ stem, doet zijn moeder eigenaardig aan. Ze kijkt hem nu strak aan, worstelend met haar gevoel.

«’t Lijkt wel, of jij ook van dat kind houdt», zegt ze.

De oogen van Frans worden vochtig.

«Ja, moeder ... en toch heb ik het nog nooit gezien. O, ik heb zoo’n innig medelijden met die arme Marta! En als u ’s wist, hoe ze werkt, hoe ze nu al bij de professoren hoog staat aangeschreven. Ze heeft een prijsvraag beantwoord. Is met goud bekroond.»

Frans voelt zich meer en meer op dreef. Zoo zal hij ’t misschien nog winnen, denkt hij hoopvol hij ziet hoe verteederd zijn moeder is.

«Ja, dat’s waar», zegt ze, nu op echt goedhartige toon en bijna geheel bijgedraaid, «daar heb ik niets dan goeds van gehoord. Je vader moest daar voor uitkomen: dat stond ook in de informaties, die we gekregen hebben.»

Frans grijpt verrukt zijn moeders hand.

«O moeder, ik wou, dat u haar kende», roept hij uit. «Zoo’n voorbeeld van plichtsbetrachting, van kieschheid...»

Mevrouw Jensen is even stil, neemt de blijde trekken van haar zoon—van wie ze zooveel houdt!—met zichtbaar welgevallen op. Dan zegt ze opeens met aandrang:

«Jongen, zeg me nu ’s oprecht: heeft er ooit wat tusschen jelui... bestaan? Vader hield dat voor zeker...»

«Nooit, hoor», geeft de ander met groote beslistheid terug.

«Niet het minste! Ik vind het heel leelijk van vader, om u zoo iets op de mouw te spelden. Als ik u vertel, dat ik haar gisteren voor ’t eerst gezegd heb, dat ik haar liefheb!»

«’t Eerste woord van liefde heeft zij ook pas gisteren uitgesproken. Evenals ik, moeder. We zijn met elkaar omgegaan als broer en zuster.»

Ze antwoordt niet dadelijk, maar kijkt hem vol in de oogen.

«Is dat heusch waar, Frans?»

«Op mijn woord, moeder!»

Neen, in zulk een oprechte oogopslag kan geen spoor van leugen schuilen, denkt de oude vrouw: Och, ’t is toch in de grond zoon goeie beste jongen...

«En wil ze nu met je trouwen?» vraagt de moeder ten slotte.

«Ja, nu: ik heb haar overgehaald. Haar overtuigd, dat het mijn geluk was, dat het geluk van haar kind ervan afhing. Toen is ze eindelijk gezwicht.»

«Dat klinkt ongelooflijk, Frans. Jij haar overgehaald?»

«’t Is zooals ik ’t u zeg. Ze was zich volkomen bewust van al ’t gewaagde, dat er voor mij in zulk een verbintenis was.»

«En haar beginselen over... vrije liefde?»

«Die heeft ze nog. Maar ze wil om haar kind in een gewoon huwelijk toestemmen.»

Weer zwijgt Frans’ moeder even. Dan wat minder vriendelijk dan te voren, aarzelend en met iets van teruggekeerd wantrouwen:

«Wil ze dan ook protestant worden?»

Frans bedwingt een gevoel van ergernis.

«Daar hebben we niet over gesproken, moeder» antwoordt hij schijnbaar volkomen kalm. «Maar waartoe zou dat dienen? Ik... ik geef daar niets om!»

«Frans, Frans, hoe durf je zoo iets te zeggen?» valt zijn moeder uit. «Ik geef daar wel om, jongen. Ik geef daar veel om.... Maar, och, wat praat ik eigenlijk? ’t Is net of ik aan de mogelijkheid denk... ’t Is allemaal onmogelijk. Allemaal, Frans. Er kan toch niets van komen.»

«En u begon me al hoop te geven!» roept de jonge man.

Zijn moeders omzwenken slaat hem weer op eens neer. Doch hij heeft voor ’t oogenblik geen gelegenheid, verder zijn zaak te bepleiten; want er wordt geklopt. De oude vrouw slaakt een zucht van verlichting: zoo komt er wellicht een einde aan hun pijnlijk gesprek. Ze voelt zich overstelpt, ontdaan, moe.

«Binnen!» roept ze.

HOOFDSTUK VII.

«Daar is Dientje met de thee» hervat Mevrouw Jensen.

«O» zegt de ander gemelijk.

Een oude dienstbode, stemmig bleek en verflenst als haar meesteres, maar heel wat lijviger dan deze, komt geruischloos binnen. In haar handen draagt ze een groot blad met de «theeboel», waaraan ze een kolossale theemuts laat neerbengelen. Met de grootste bedaardheid zet ze het een en ander op de groote eikenhouten tafel, en dan de theemuts op de trekpot. Daarna zegt ze zacht, bijna fluisterend, alsof ze bang was, iemand wakker te maken, en zeer zelfvoldaan:

«Mevrouw, hier is de thee. Ik heb ze maar vast gezet, weet u.» Ze kijkt nog even, verzet een kopje, geeft een tikje aan de theemuts. Haar meesteres ziet even op.

«Meneer heb me gezegd, dat ie z’n thee op z’n studeerkamer woû hebbe», hervat de gedienstige. «Zal ik maar een koppie inschenke?» Dralend blijft ze staan.

«Goed, Dientje, ga je gang.»

De oude dienstbode schenkt een groote porseleinen kop—«Meneer’s» kop—vol, doet er met afgemeten wel-overdachte stille bewegingen suiker en melk in, en wil dan met de kop thee heengaan.

«Nee, Dientje,» valt Mevrouw in «je kunt gaan: ik zal de thee zelf wel aan Meneer brengen.»

Dientje blijft nog dralen.

«O ja,» zegt ze «dat’s waar ook: Meneer heb me ook gezegd, dat ik de jonge meneer moest roepe.» Even een moederlijke blik naar Frans: er is wat gaande, hoor—dat weet ze zoo vast «as ies». «Of de jonge meneer op de studeerkamer woû komme.»

De bedoelde trekt zijn schouders op, en geeft een teeken aan zijn moeder.

«Goed, Dientje, je kunt gaan», zegt de laatste.

De oude dienstbode verdwijnt, niet zonder een meewarig hoofdschudden.

«Daar heb je ’t al: vader wil me spreken!» roept de jonge man, als de deur achter Dientje dicht gegaan is.

«Ik dacht al, dat het mis was», antwoordt zijn moeder. «Als hij zijn thee op zijn studeerkamer wil hebben, weet ik al hoe laat het is.»

«Ja maar, moeder, ik kan nu niet gaan! Ik wil vader nu nog niet over die zaak spreken. Ik ben met u nog niet klaar...»

Mevrouw Jensen zucht diep.

«Och jongen, wat heb je nu toch nog te zeggen? Ik weet immers alles!»

«Nee, moeder, u heeft me nog lang niet laten uitspreken. En dan: ik zal me niet kunnen inhouden. Vader is zoo heftig: hij is dadelijk klaar met zijn beleedigingen. En dat kan ik niet uitstaan, moeder. Nu niet, in Gods naam nu niet!»

«Goed, ik zal ’t hem zeggen. Goed, hoor, ik ga naar hem toe.»

«Als ’t u belieft, moeder!... Morgen zal ik bedaarder wezen. Morgen...»

Mevrouw Jensen staat op en neemt de volgeschonken kop van de tafel.

«Goed, goed, ik zal mijn best doen. Ofschoon...»

Zonder uit te spreken gaat ze de kamer uit.

Frans staat van zijn stoel op, en begint heen en weer te stappen, nu en dan stilstaande, met hangend hoofd en de handen in zijn broekzakken.

«Wat zal ’t geven?» denkt hij in arren moede. «Ik moet eraan gelooven. Die goeie moeder! Die maakt zich nog altijd illuzies met vader, denkt nog altijd dat ze wat op hem uitwerken kan... Ellendige geschiedenis! Toch moet ik zien, dat ik kalm blijf, er hangt voor mij zooveel van af. En mijn tanden laten zien... ’t Is mijn vader, anders zou ik hem wel anders trakteeren. Die arme moeder laat zich altijd overdonderen. Als ze die man behoorlijk aanpakte, als ze niet zoo gedwee was, zou hij wel in zijn schulp kruipen... Ook een huwelijksleven dat van mijn ouders!»

Onwillekeurig valt zijn oog op de portretten van beiden, in olieverf, nog uit de eerste tijden van hun huwelijk. Het zachte, vertrouwelijke gelaat zijner moeder, en het zoetsappige mooi-doenerige gezicht van haar echtgenoot daartegenover, doen hem thans de oogen afwenden, als deed het vereenigen dier twee beeltenissen in zijn blik hem zeer.

«Hemel, als dat «heilige banden» zijn», peinst hij, «dan drukken ze wel zwaar.... op mijn moeder ten minste! En geven een erbarmelijk beetje zegen aan beiden!....»

Een gerucht van stemmen in de gang, die langs de huiskamer loopt, stoort hem even in zijn onrustige gedachten. Hij luistert, en hoort heftig redetwisten. Vooral de stem van zijn vader hoort hij erboven uit.

«Daar heb je ’t al!» mompelt hij, en zet zich weer op zijn vorige plaats, kwazi onverschillig, maar vol bange voorgevoelens, ondanks de inspanning, die hij zich geeft, om zich schrap te zetten tegen al wat er dreigt.

De heer Jensen treedt bruusk binnen, onmiddellijk gevolgd door mevrouw, die zwijgend naar haar plaats bij de theeboel gaat. Nauw in de kamer wendt de eerste zich tot zijn zoon:

«Wat hoor ik, Frans, dat je weigert bij me te komen?»

Mevrouw Jensen, die, met haar rug naar haar man, bezig is op zenuwachtige wijze kopjes te verzetten en met lepeltjes te rinkelen, draait zich om.

«Och, dat heeft-i niet gezegd, Jensen,» zegt ze klagerig.

«Nee, vader,» valt de beschuldigde zelf in «ik had alleen verzocht, of u ons gesprek tot morgen woû uitstellen. Ik voel me wat van streek vandaag....»

In Frans’ toon klinkt duidelijk iets van zelfbedwang, om niet onvriendelijk te wezen.

«Zoo», antwoordt zijn vader na een oogenblik zwijgen, nog steeds bij de deur en in staande houding. «Geen wonder, waarachtig! Maar je zult het nòg wel meer worden, dat beloof ik je.»

Er is iets sarrend scherps en kalms in zijn woorden.

Frans, die zich niet verroerd heeft, kijkt voor ’t eerst zijn vader aan: wantrouwig van terzijde.

«Wil u dan....?» begint hij. Maar de ander laat hem niet uitspreken.

«Ik wil jou leeren je vader te dwarsboomen» roept Jensen iets minder gemaakt-kalm. «Je vertikt het om bij me te komen. Dan kom ik hier. Maar hooren zul je wat ik te zeggen heb. Ik had het je moeder willen besparen; maar laat ze er nu maar bij zijn.... ’t Is eigenlijk wel goed, dat ze ’s alles hoort.»

Frans haalt de schouders op; bijna onmerkbaar, zoodat het Jensen ontgaat. Deze neemt een stoel, en zet zich bij zijn zoon aan de tafel, met de beenen over elkaar. Vergeefs tracht hij diens blik te vangen: Frans kijkt vóor zich met gefronste wenkbrauwen, somber en in zichzelf gekeerd.

Mevrouw Jensen voelt blijkbaar de electriciteit, die er in de lucht staat ontwikkeld te worden: ze is onrustig als een meeuw vóor de storm.

«Zal ik je nog een kop thee inschenken, Jensen?.... en jij Frans, wil jij ook een kopje?» Ze weet nauwelijks wat ze zegt, is opgestaan en dribbelt en schokkelt nu langs het theeblad, laat een lepeltje vallen. Jensen, die er vlak bij zit, laat het haar met een zware zucht oprapen.

«Och, laat die thee maar,» zegt hij knorrig, «’t thee-uurtje wordt me hier nogal smakelijk gemaakt. Jij ook al met dat gezeur over Frans! Ik waarschuw je nu: geen woord tusschenbeide.» Hij kijkt scherp naar zijn vrouw, die hem de blik niet terug durft te geven. «Frans en ik hebben hier wat af te handelen, anders niemand. Jij luistert, nie’waar?»

«Och moeder, laat u ons maar alleen,» zegt Frans meewarig en met verbeten ergernis.

«Geen kwestie van,» valt Jensen in «Je blijft hier, erbij. Hier, ga hier zitten.» Hij wijst naar de sofa aan de andere kant van de tafel.

Frans kijkt zijn vader met opgetrokken wenkbrauwen aan.

Mevrouw Jensen gehoorzaamt makjes, zonder een woord; weer zwaar zuchtend. Haar echtgenoot wendt zich tot de mismoedige gestalte naast hem.

«Ziezoo. Laat me nu’s hooren, veelbelovende zoon. Verklaar je nu’s.»

«Ik heb niets te verklaren, vader», antwoordt de toegesprokene dof en zonder opkijken. «U had mij iets te zeggen....»

«Best. Je ziet: ik ben meegaand genoeg. En toch zul je me nu’s moeten uitleggen, wat die vriendschap»—hier een schamper lachje—«met die juffrouw Van Zee beteekent.»

Frans slaat de blik op, hard koud en onverschrokken.

«Die beteekent, dat ik juffrouw Van Zee hoogacht en liefheb, vader», zegt hij met groote ernst.

Frans’ oogen hinderen Jensen, en hij tracht zijn ongemakkelijkheid onder een glimlachje te verbergen. Zijn toon wordt iets spottender.

«Jawel, dat heb ik zoo begrepen. Jawel. En nu wil je’r zeker trouwen, niet?»

«Dat is mijn wensch, vader, zeker. Dat is mijn vurigste wensch.» De woorden komen er met eenige ontroering uit.

«En daarvoor reken je dan zeker op mijn medewerking en goedkeuring?» hervat Jensen.

«Uw toon geeft me weinig hoop op iets daarvan. Toch wil ik u niet ontkennen, dat uw toestemming tot dat huwelijk me heel veel waard is.»

Frans verschuift op zijn stoel, maakt een schraapgeluidje met zijn keel, en verzet zijn voeten op ’t tapijt.

«Jawel» gaat de andere spreker voort «ze is je zooveel waard als ik je mee zou geven met je trouwen.»

Tegen ’t sarrend bedaarde van zijn vaders toon geeft Frans kalmte terug, hoeveel zelfbeheersching het hem ook kost. ’t Is om Marta, om Marta! Zijn hart bonst.

«Dat is lang niet het voornaamste, vader», zegt hij toch met ietwat trillende stem.

«Zoo, wat dan? Woû je beweren, dat je om ’t andere nog iets gaf? Je bent meerderjarig! Als je je nog iets aan mijn oordeel gestoord hadt, zou je die fraaie vriendschap»—weer die spottende nadruk—«niet zes maanden voor mij verborgen gehouden hebben.»

«Dat weet u wel precies. Ik kòn u daarover niet spreken. Ik zou maar onaangenaamheden met u gekregen hebben: u is dadelijk zoo heftig. En dan ook: ik woû niet, dat u leelijke veronderstellingen zou gaan maken over onze omgang.»

«O juist. Dus je wil daarmee zeggen, dat die omgang onberispelijk was.»

«Zonder twijfel. En dat was-ie.»

Weer die koude rustige blik van Frans.

Jensen slaat met de hand op zijn rechterknie.

«En dat met zoo iemand!» roept hij gemaakt vroolijk. «Nee maar! Ha, ha, ha!»

Bevend antwoordt Frans, worstelend met zijn toorn:

«Vader, ik verzoek u dringend, me niet te kwetsen met uw spot. Als u mijn woorden niet gelooft, hoef ik verder niets meer te zeggen.» Meteen wendt hij zich half om, van zijn vader af.

Jensen acht het geraden, wat bij te draaien, en zijn toon wat minder scherp makend, antwoordt hij:

«Je hebt gelijk: ik zal niet meer lachen.—We zullen nu ’s aannemen, dat je met die vriendin van je steeds op voet van zuivere vriendschap bent omgegaan...»

«Dat moet u aannemen, vader!» roept Frans, zeer driftig.

«Ik neem aan wat ik verkies. Of woû je soms, dat ik bij jou in de leer ging, om menschenkennis op te doen?»

«Waar ’t iemand geldt, die ik ken en u niet, zeker. Ik zeg u, dat er tusschen Juffrouw Van Zee en mij niets, hoegenaamd niets bestaan heeft wat haar of mij tot een verwijt zou kunnen strekken.»

«Nu goed, best. Je zult me dan toch toegeven, dat haar verleden er niet naar is, om je hooge gedachten van haar te geven?»

De vraag, zoo schamper gesteld, brengt de jonge man een oogenblik in verlegenheid. Jensen ziet het met welgevallen.

«Nou?» vraagt hij met een glimlach, die Frans onuitstaanbaar vindt, als deze niet dadelijk antwoordt.

«Wat... weet u dan van haar?» brengt Frans uit.

Jensen leunt achterover in zijn stoel, en terwijl hij met de eene hand zijn gouden horloge-ketting spelend heen en weer beweegt en de andere tegen zijn kin houdt, zegt hij losweg en telkens afbrekend: