Part 3
«Nu ja, ik bedoel ons trotseeren van de openbare meening, van de gewone gangbare zedeleer.» Ze zwijgt even. «Je weet nu alles, he?» En ze werpt een schuchtere blik op Frans, als verwacht ze met spanning iets uit zijn mond: «Ben je nu tevreden?..... Immers niet. Je kunt me.... niet meer liefhebben... niet meer achten... als te voren.»
Frans grijpt hartstochtelijk haar hand, die ze willoos in de zijne laat.
«Och, Marta,» zegt hij innig. «Vergeef me. Ik heb een openbaring gehad, ik zie nu alles helder in. Ik ben ’t slachtoffer geweest van verblinding. Van dom vooroordeel. Ik heb evenveel achting voor je als ooit te voren—meer misschien, als dat kan.»
De jonge vrouw kijkt verrast op, en drukt hem sprakeloos de hand. Dan brengt ze met moeite uit: «O, Frans...»
«Zeker» hervat hij met groote stelligheid in zijn toon en overtuiging in zijn blik. «Ik ben ’t nu volkomen met je eens. Volkomen, hoor je. Dat je niets gedaan hebt, waarvoor je in je hart, tegenover je geweten, eenige schaamte hebt te voelen. Ik geloof nu met je, dat het huwelijk een zaak is van hart en geweten: de liefde beslist, of twee menschen bij elkaar zullen leven als man en vrouw, niet een trouwing in kerk of stadhuis. Jouw huwelijk is achtenswaardiger—zoo als jij het opvatte en erin geloofde—dan menige verbintenis, die door een priester is ingezegend.»
Dan van toon veranderend, gaat hij met groote vleiing in stem en blik voort:
«Alles is weer als te voren tusschen ons, niet waar, Marta?»
De ander schudt het hoofd, en antwoordt droef, maar gelaten:
«Och, Frans, hoe graag zou ik dat willen!»
«Maar dat is immers zoo. We kunnen immers nog gelukkig zijn samen.» Zijn stem dringt, smeekt haast.
«Wij? Nooit..... Laten we ons samentreffen en onze vriendschap—onuitgesproken liefde zoo lang!—als een zonnige epizode uit ons leven beschouwen. Die nu voorbij is.....»
Ondanks de groote inspanning, die Marta zich geeft om zich goed te houden, wordt het gevoel haar hier weder te machtig. En ze geeft vrij spel aan haar tranen. Doch ’t is maar even. Als ze haar zakdoek van ’t gelaat neemt, staat er weer een glimlach op.
«Dat’s voor goed voorbij, Frans. Maar toch: ’t was een heerlijke tijd voor mij. Ik zal er altijd met dankbaarheid aan terugdenken. De herinnering»—ze stokt even—«zal me kracht geven in mijn latere strijd.» En ze staart vóor zich uit.
Frans is vóor haar op zijn knieën gevallen en vat haar hand. Een vage angst geeft aan zijn stem slechts zwakke overreding.
Ze glimlacht flauwtjes, als ze ’t hoofd opricht en hem aankijkt, neerblikkend in zijn kinderlijk oprechte oogopslag.
«Ik ben niet somber en mismoedig... Ik zie alleen wat onvermijdelijk is. Wij kunnen niet samenleven...»
«Waarom niet? Hoû je niet genoeg van me? Hoû je van mij minder... dan van die... man?»
«Och, Frans! Juist omdat ik je zoo liefheb, kan ik zoo’n offer niet van je aannemen.»
«Offer! als ik mijn geluk daarin zie!»
«Och, dat zeg je nu. Wie waarborgt me, dat je altijd zoo zult blijven denken? Kun jij instaan voor je hart, dat het niet eenmaal zwichten zal voor je verstand?...»
«Foei, Marta, hoû je me voor zoo wankelmoedig? Geloof je zoo weinig in mijn kracht?»
«De wereld, Frans...»
«Och wat! Jij bent mijn wereld. Met jouw liefde heb ik moed en kracht voor alles. Ik spuw op die wereld, als ik weet dat jij me lief hebt en hoogacht.»
«Ik geloof immers in je oprechtheid, Frans.»
«Nu, wat wil je dan meer?» Er is allengs meer vastheid in zijn toon gekomen. «Kom, Marta» hervat hij weer geheel op dreef. «Laat me welgemoed van je heengaan. Ik wil met mijn vader een afdoend gesprek hebben. Zoo spoedig mogelijk... Laat alles weer bij ’t oude zijn tusschen ons...»
Op Frans’ dringend vragende blik wendt de jonge vrouw haar oogen af. Ze zwijgt even, weer peinzend vóor zich uit starend.
«Je vader!» antwoordt ze dan, als sprak ze tot zichzelf. «Geloof je, dat die ooit zijn toestemming zou geven?»
Heftig valt Frans uit.
«Als ik hem vóor ’t feit stel, dat mijn wil vaststaat, dat mijn besluit onherroepelijk is?... En dan... als hij weigert... doe ik toch mijn zin: ik ben immers meerderjarig! Dat vergat de man zooeven in zijn drift, toen hij van de politie sprak.»
Weer kijken Marta’s mooie donkere oogen recht in de zijne. ’t Is of ze even aarzelt, maar de kleine flikkering in haar blik wijkt onmiddellijk weer. En op dezelfde toon van welmeenende medevoelende, maar berustende verstandigheid, antwoordt ze zacht:
«Maar wat doe je zonder hem? Hij kan je immers dwingen zoolang je nog van hem afhankelijk bent?»
«Nou ja, daar heb ik maling aan,» zegt Frans met een fiere rukbeweging van zijn hoofd. «Ik zal mijn eigen brood wel kunnen verdienen. Als ik maar wil. Voor jou erbij, als ’t moest.»
Marta kijkt meewarig, maar ongeloovig.
«Nee, Frans, je zou zijn toestemming moeten hebben. Je vader geeft die nooit.»
«Dat zie ik nog niet in. Mijn moeder is er ook nog.»
Er is weinig overtuiging in die woorden, al tracht de spreker ze erin te leggen. Hij voelt de mislukking van zijn pogen, om zijn vriendin erin te doen gelooven. Als deze dan ook opmerkt:
«Je hebt me zelf verteld, dat die zoo weinig invloed op je vader had», antwoordt hij kregelig en in ’t wilde weg:
«Nou ja, in zulke dingen.»
«Juist in zulke dingen» geeft Marta terug. «Je weet, wat een man van de vormen, van ’t goed fatsoen je vader is. Hij is immers een deftig man.»
«Ja, God beter ’t... Lid van de Kerkeraad.. kristelijk in alles, behalve zijn gedrag thuis, tegenover moeder en mij.... en nog een enkele kleinigheid.»
Frans heeft zich opgericht en is weer naast Marta gaan zitten. Deze glimlacht om zijn uitval Dan zegt ze na korte weifeling:
«Je weet, er is een groote zaak, waarin je je moeder ook stellig niet aan je zijde zult hebben. Je zegt me, dat ze vroom is?»
«Ja. De arme vrouw zoekt daarin de eenige troost tegen al haar leed thuis.»
«Nu! En ik ben een Jodin!»
Frans maakt een gebaar van ergernis.
«Maar, Marta, wat ’n onzin is dat nu! Jij bent een Jodin zooals ik een Germaan. Wat doet dat er nu toe?»
«Voor jou niet. Maar voor menschen als je ouders...»
«Een man als mijn vader heeft nogal recht van praten.»
«’t Is hier niet de vraag, wat recht is. Hij zal eenvoudig weigeren, en je moeder zal ’t van haar kant vreeselijk vinden, dat je met een Jodin wil trouwen... die ook nog «zoo’n geschiedenis» achter de rug heeft...» Ze zwijgt even. Dan met een zucht: «Och nee, Frans, er is nergens hoop voor ons... Kom, je moet hier vandaan. Laat me alleen. Ik heb behoefte om tot mezelf te komen. ’t Is alles zoo opeens gekomen...»
’t Stroeve van Marta’s toon waarmee ze haar groote ontroering tracht te verbergen, doet de jonge man zeer pijnlijk aan.
Van de sofa opstaande, roept hij vol angst:
«Dus je stoot me van je af?»
Haar heldere oprechte blik is weer vol op hem gericht.
«Frans!» zegt ze zacht verwijtend. «Wees nu een man. Ik heb je immers uitgelegd, dat het niet kan.... al.... al breekt mijn hart er ook onder...»
«Je wilt niet in mijn liefde gelooven!» antwoordt Frans hartstochtelijk. «Je durft de kracht van mijn liefde niet beproeven.» Mistroostig doet hij een paar schreden de kamer in.
«Nee Frans,» geeft Marta bedaard terug, «dat is me te gewaagd. Versta me wel: voor jou bedoel ik. Ik zal van je blijven houden. De wereld staat toch al vijandig tegenover me, en de liefde voor jou kan door die wereld niet meer aan ’t wankelen gebracht worden. Maar jij: je moet nog alles van de wereld ontvangen. Je heele toekomst.»
«Dat ben jij voor me, Marta,» zegt de jonge man met groote innigheid, terwijl hij recht vóor haar blijft staan. En haast smeekend vervolgt hij: «Och, Marta, wees niet zoo hard. Ik zal nooit berouw hebben over mijn liefde voor je. We zullen steun vinden aan elkaar.»
De ander schudt droevig het hoofd:
«Een huwelijk in de gewone zin van ’t woord is onmogelijk. En iets anders is even onmogelijk: je zou er je heele toekomst mee breken.» Ze wendt zuchtend het hoofd af.
«Dus je weigert beslist?» hervat Frans, schier wanhopig.
Marta ziet hem vol droefheid aan.
«Ja Frans,» zegt ze nochtans kalm. «’t Kan niet anders.»
’t Berustende en afdoende in haar toon en houding grijpen de jonge man zoodanig aan, dat hij zich op een stoel laat vallen en daar krampachtig begint te snikken.
«Je houdt niet van me! Je houdt niet van me!» roept hij bitter en heftig.
Marta is opgestaan en komt naar hem toe. Dan legt ze hem de hand op de schouder, en zegt met lieve streeling in haar klankrijke altstem:
«Och Frans, wat zou ik je dolgraag gelukkig maken.»
De schreiende slaat de oogen op, met een glans van blijde hoop in de blik.
«Maar doe ’t dan... doe ’t dan,» dringt hij heftig. «Marta, mijn liefste... liefste lieveling.. doe ’t dan!»
Hij grijpt haar hand en drukt die in zijn beide handen. Zijn oogen, groot dringend borend zoeken de hare. Verbijsterd ontwijkt ze zijn blik, antwoordt niet.
De ander gaat woest voort.
«Zeg, je wil wel, is ’t niet?... Je wil wel? Om mij gelukkig te maken?» Steeds blijft hij haar hand vastklemmen, zoodat ze eenigszins tot hem overbuigt.
«Och Frans», stamelt ze eindelijk als willoos.
«Jawel, ik zie ’t: je wil wel!» roept Frans zegevierend.
«’t Is alleen je engelachtige zelfopofferende liefde die je weerhoudt. Maar ik wil geen offer van jou, Marta, versta je me? Evenmin ik van jou. Ik wil niet, dat je je ongelukkig zult voelen—om mij. Dat je alleen zult staan in je strijd tegen de wereld... Ik wil met je zijn, tegen alles en iedereen...»
Droomerig, als luisterend naar een zoete verlokking, hoort Marta zijn woorden aan. Dan, voor ’t eerst hem weer in de oogen ziende, antwoordt ze aarzelend, maar toch met een popeling van vreugde in haar hart:
«Zou je dat willen? Zou je dat kunnen?» Doch opeens van toon veranderend, en zich losmakend van zijn greep, als kwam ze nu eerst recht tot bezinning, herstelt ze zich.
«Och nee, Frans, ’t is onmogelijk, onzinnig: ik mag zoo iets niet aannemen.»
HOOFDSTUK V.
Een oogenblik maakt Marta’s besliste toon indruk; doch de jonge man ziet iets in haar houding, dat zijn hoop staande houdt.
«Marta, in Godsnaam,» smeekt hij, «denk ook aan mijn geluk, als je dan niet aan ’t jouwe wil denken. Stel, dat ik ook erg lijden zou, omdat ik me aan je zijde geschaard had tegen de booze wereld: dacht je dan, dat ik gelukkiger zou wezen, wanneer die booze wereld me van je gescheiden had? Dacht je, dat ooit een andere vrouw me gelukkig zou kunnen maken? Ik zal er nooit nooit zoo een vinden als jij, Marta.»
«Maar Frans... hoe kan je ooit van mijn kind houden?»
Een hooge blos geeft bij de jonge vrouw blijk van de ontroering, die ’t uitspreken dezer gedachte bij haar opwekt. «En dat zou toch moeten,» hervat ze met een lief-verlegen lach, «ook voor mijn geluk.»
«Maar waarom niet!» roept de ander hartstochtelijk.
«Ik zal van hem houden, omdat het jouw kind is, Marta. Ik hoû nu al van hem. Laat me zijn portret zien... Heb je een portret van hem?»
Er flitst iets blijs in Marta’s oogen.
«Ik draag zijn portretje altijd hier in een medaljon.» En ze wijst op haar boezem.
«O ja, dat medaljon, dat je me nooit wou laten openmaken.»
«Natuurlijk niet...»
Ze haalt het voor den dag, en neemt het van haar hals af.
«Hier is ’t», zegt ze met een streeling in haar stem.
«Kom even op de sofa,» antwoordt Frans, het medaljon aannemend, en haar meetroonend. Ze zetten zich naast elkaar en bekijken samen het portretje. Eenige oogenblikken zegt geen van beiden een woord. Dan verbreekt Frans de stilte.
«Een heerlijke jongen...» zegt hij vol warme innigheid.
«Nie’ waar?» klinkt het gretig terug. «Arme snoes...» En als ze dit zegt, moet ze even een traan wegpinken.
Frans gaat heftig voort:
«En zou ik van die jongen niet kunnen houden? Ik zeg je, ik hoû nu al van hem, en nu ik zijn lief bakkesje gezien heb, nog meer.» Weer kijkt hij met aandacht naar het kinderkopje. «Hij lijkt op jou, dezelfde donkere oogen, dezelfde fijne trekken.»
Het medaljon naar zich toe trekkend, beziet hij het nog eens alleen, met liefkoozende blikken.
«Daar, ik kus je jongen», roept hij uit «als belofte, dat ik een vader voor hem wezen zal. Arm kereltje!»
Marta valt hem schreiend om de hals.
«O Frans,» zegt ze ontroerd, «als ’t ’s waar was.... als dat ’s kon... Laat me denken.»
Ze maakt zich van hem los, en hervat met diepen ernst in haar toon:
«’t Is alles zoo overstelpend. Zoo overweldigend, ’t Zou zoo heerlijk, zoo zalig zijn..» Dan verzinkt ze in gepeins.
Met iets droomerigs, als sprak ze weer tot zichzelve, herneemt Marta na enkele oogenblikken:
«Wat zou ik me sterk voelen... want ik voel me niet meer zoo sterk als te voren—Och, ik ben een vrouw als alle anderen—Wat heb ik mezelf misleid en gemeend, dat ik buiten liefde leven kon! Dat ik kracht genoeg putten kon uit... mijn zuiver geweten; uit mijn studie, mijn mooie toekomst-droomen en idealen!—En toch gezwicht...»
«Woû je ’t dan anders hebben?» valt Frans in, «Neem de zaken zooals ze zijn, Marta. En beslis nu. Ik moet je antwoord hebben, voordat ik mijn vader spreek. De overtuiging, dat wij beiden onwrikbaar vast aaneengesloten staan, zal me als een borstwering zijn tegen zijn aanvallen.»
Als Marta blijft zwijgen, gaat hij dringender voort:
«Geef me je woord, Marta... wil je, dat ik, hoe dan ook, je vriend zal worden voor je heele leven, voor jou en je kind? ’t Kind zal zelfs nooit weten, dat ik zijn vader niet ben, zoolang dat niet noodig is.»
Nog steeds zonder te antwoorden neemt de jonge vrouw het medaljon uit Frans’ handen, en hangt het zich weer om, na nog even een blik op ’t portretje van haar kind te hebben geslagen. Dan zit ze enkele oogenblikken in gedachten, geroerd tot in ’t diepst van haar ziel, met neergeslagen oogen. Op eens slaat ze de blik op, en zegt vastberaden:
«Ik wil, Frans.» En ze vleit zich weer tegen hem aan en kust hem. De ander slaat zijn arm om haar heen, geeft haar een innige kus terug, en dan, haar een eindje van zich af houdend en haar diep in de oogen ziende, zegt hij:
«En geloof je nu ook, dat ik je hoogschat evenals vroeger?»
«Natuurlijk, Frans.»
«En hoû je nu ook een heel klein beetje van mij... afgescheiden van alles... eenvoudig omdat ik ben wie ik ben?»
«Niet een heel klein beetje, maar veel, oneindig veel.» En als ze dit zegt, verbergt ze blozend haar hoofd aan zijn schouder.
«En zal je je nu weer sterk voelen?» hervat Frans, na een oogenblik van zalig zwijgend opgaan in de weelde zijner aandoeningen. «Zul je weer de vroegere flinke verstandige Marta wezen, die vrij en frank met opgeheven hoofd haar weg door ’t leven gaat?»
Ze kijkt hem aan met een blik van oprecht vertrouwen.
«Ja, Frans,» antwoordt ze. «Met jou wel.» Dan zwijgen beiden, elk verzonken in eigen gepeins.
«Hoe heet onze jongen?» vraagt Frans op-eens.
De ander kijkt aangenaam verrast op.
«Bram...» antwoordt ze «Abraham... naar mijn vader. Een leelijke naam, he?»
«Nee, waarom? Maar—dat heb ik je nog niet gevraagd, hoe denkt je oom over die... zaak?»
Marta’s trekken versomberen merkbaar.
«O, ellendig,» zegt ze met een zucht. «Ik heb geheel met hem gebroken. Met allen trouwens.»
«En ik dacht, dat je oom dezelfde denkbeelden had als jij, of liever: jij hebt immers al je denkbeelden over liefde en zedelijkheid van hem. Je hebt niet anders gedaan dan die idees in toepassing brengen.»
«Ja...» antwoordt Marta droevig. «En dat is ook zoo’n vreeselijke gedachte voor me. Mijn oom, die ik zoo vereerde.., die ik nog vereer.., ze hebben hem opgestookt. Ik weet wel wie... Hij denkt, dat ik ontrouw ben geworden aan mijn hooge beginselen. Hij wil me niet meer zien...»
De aandoening is haar te machtig en ze barst weer in schreien uit; haar gezicht verbergend in versmoord snikken.
«Kom, Marta», tracht de jonge man te troosten. «Dat komt terecht: ik zal hem wel weten te overtuigen. Als hij ziet, dat ik in je geloof, hoe kan hij je dan nog blijven veroordeelen?»
Ze ziet hem aan en droogt haar tranen.
«Goed, Frans», zegt ze zacht. «Dank, mijn beste jongen. Maar laat me nu alleen. Ik heb rust noodig... En jij», gaat ze vol vriendelijke bezorgdheid voort «ga jij nu niet dadelijk je vader spreken. Kom ook zelf eerst wat tot bedaren. Stel je gesprek met hem tot morgen uit.»
«Goed», antwoordt de jonge man, opstaande «als ik je daarmee genoegen kan doen.»
Hij richt zich naar een stoel, waar zijn hoed op ligt, en neemt deze in de hand. Marta is inmiddels ook opgestaan.
«Daarvoor niet alleen», zegt ze bij de deur, «ook om de zaak zelf. Je zult jezelf nu niet voldoende meester zijn. Je hebt kalmte noodig... heel noodig...»
«Goed, goed, ik zal ’t doen, hoor. Morgen breng ik je bericht.»
«Hoe laat?»
«Morgen na de koffie. Om twee uur. Tot ziens dan, lieveling.» Hij kust haar. «Hou jij je nu ook kalm. En denk eens lief aan me.»
Ze knikt hem toe als antwoord, als hij al op de gang is.
HOOFDSTUK VI.
In ’t schemerdonker zat mevrouw Jensen in haar huiskamer bij de tafel, een groot hol vertrek met groote stijve meubels en zware gordijnen, deftig en ongezellig. ’t Was daar haar gewone plekje jaar in jaar uit; haar stoel met de hooge leuning stond altijd daar, ’s winters dicht bij de open haard. Ondanks haar nauw meer dan middelbare leeftijd had ze reeds echte oudvrouwtjes-gewoonten en eigenaardigheden. Haar uiterlijk was daarmee geheel in overeenstemming: het vele thuishokken had haar een was-achtig gele tint gegeven, en haar voorhoofd vertoonde reeds rimpels. Haar ouderwetsch kapsel, links en rechts neervallend langs haar slapen, de strakke stemmig zwarte japon zonder eenig sieraad, de lange magere knokige vingers—steeds met een «werkje,» wanneer ze zat—en eindelijk de uitdrukking van droefgeestigheid en matte berusting op haar gelaat met de afgemetenheid van haar bewegingen—’t gaf alles bijeen een indruk van vroege ouderdom, van een vrouw wier denken en voelen vóor hun tijd verdord waren, ingeschrompeld tot enkele manie-achtige vooroordeelen en neigingen.
Zoo mogelijk, kijken mevrouw Jensen’s oogen nog iets droefgeestiger dan anders: zelfs ligt er iets hards in haar gewoonlijk zoo zachte, «uitgewischte» trekken: er is blijkbaar iets, dat haar ontstemt.
Als haar zoon Frans binnenkomt, slaat ze dan ook maar even haar oogen van haar borduurwerkje op; fronst haar wenkbrauwen en kijkt weer vóor zich.
«Moeder, is u daar nog?» zegt de binnentredende eenigszins aarzelend:
«Ja, jongen, wat woû je?» Mevrouw Jensen blijft vóor zich kijken. Een zeer ongewoon verschijnsel, bij zijn komst!
«Och, niets bizonders, moeder.... luister u ’s even....»
Frans neemt een stoel, en zet zich tegenover haar. Zijn moeder verandert haar houding niet; maar geeft hem ditmaal een onverschillig vluchtige blik, en haar vingers bewegen zich iets vlugger.
«Wat heb je?» zegt ze kwazi zonder belangstelling.
«Och, dat begrijpt u toch wel: die zaak van zooëven.... aan tafel...., u weet wel. Ik heb zoo’n verdriet....»
«Kom jongen, zet dat uit je hoofd. Ik heb er al genoeg over moeten hooren....»
«U? Heeft vader er u over gesproken?»
«O, meer dan me lief was.»
Mevrouw Jensen legt met een zucht haar borduurwerk neer, en zet zich met een gemelijk gezicht, om hem aan te hooren.
«En aan tafel zei hij zoo weinig!» hervat Frans. «Wat hij me te zeggen heeft, bewaart hij zeker voor later.»
«Ik weet ’t niet, Frans. Ik weet wèl, dat hij vreeselijk tegen je te keer gegaan is; vóor het eten, voordat je thuis kwam. Ik denk, dat hij je straks wel op zijn studeerkamer zal laten roepen.»
«Hij denkt zeker, dat ik op mijn kamer zit te werken. Ik kan nogal werken! Mijn kop loopt me om. En nu wil hij me straks kapittelen! Moeder, ik wor’ gek—ik bega een ongeluk aan hem, als hij me weer zoo beleedigt als vanmiddag op de kamer van.... Marta, van juffrouw Van Zee. Ik had zoo graag tot morgen gewacht, u eerst lang en breed over de zaak gesproken.»
«Och jongen», roept de oude dame, hem aanziend, en haar stem klinkt nòg temeriger en klagender dan anders, «wees toch niet zoo balsturig, en niet zoo driftig. Ik moèt je vader gelijk geven. En jij moet je ook weten in te houden. Je hebt ongelijk, Frans, je hebt heusch groot ongelijk!»
«U ook al!» antwoordt haar zoon korzelig, en staat meteen van zijn stoel op. Dan gaat hij vlak vóor haar staan, en zegt:
«Dus u vindt, dat ik... Marta moet opgeven?»
«Frans, ik woû, dat je die naam niet meer uitsprak, in mijn bijzijn ten minste niet!»
«Moeder, waarom niet, als ik u vragen mag?»
’t Kost de jonge man blijkbaar inspanning, om zich in te houden: zijn stem klinkt luider en heftiger dan hij zelf wìl.
«Een mooie vraag», zegt mevrouw Jensen eenigszins ontsteld.
«Och, och, m’n jongen, wat ben je verblind! Ze heeft je wel heelemaal ingepalmd!»
Frans gaat een stap achteruit.
«Ingepalmd!» roept hij heftig. «Och, moeder, u kent haar niet!»
«Genoeg van wat ik gehoord heb.»
«Van vader!»
«Is ’t dan niet waar wat hij zegt?»
De jonge man zoekt even naar zijn woorden:
«Nee», zegt hij iet of wat verlegen «dat wil zeggen.... ten minste niet zoo.... niet zoo als vader ’t uitlegt.»
Hij gaat weer zitten, en slaat de beenen over elkaar, plukkend aan zijn opkomend snorretje.
«Er is maar éen uitlegging voor een redelijk denkend mensch», gaat de ander voort, «voor een kristen....»
«Moeder, zeg nu niet voor een kristen: voor een edeldenkend mensch wil u zeggen. Nu, die denkt erover net als ik.»
Mevrouw Jensen slaat de handen ineen, en de oogen ten hemel.
«Als jij!» roept ze klagend. «Jij vindt, dat een edeldenkend mensch er geen bezwaar in moet zien, te trouwen met een gevallen meisje!?»
«Dat zèg ik niet, moeder!» hervat de jonge man heftig.
«En een Jodin bovendien!» gaat ze temerig voort. «Met een ongehuwde moeder!»
«Evengoed getrouwd als u, moeder!»
«Frans, als je zoo begint, zwijg ik verder liever.»
Hij bedwingt zich, en antwoordt minder heftig:
«Och moeder, als u wist, hoe u me met uw woorden pijnigt.... hoe u me martelt....»
Mevrouw Jensen voelt zich getroffen door de toon van echte smart, die uit de woorden van haar zoon klinkt.
«Kom, je overdrijft», hervat ze goedhartig. «Ik beoog immers je bestwil. Wat heb je nu eigenlijk vóor? Woû je trouwen met een meisje—met een vrouw, laat me liever zeggen—waar geen fatsoenlijk mensch achting meer voor kan hebben? Dat ze een Jodin is, laat ik nog daar. Als het een fatsoenlijk meisje was.... maar nu.... och jongen, je bent zoo onnoozel, zoo onervaren: je hebt je heelemaal laten inpalmen.»
Frans bruist weer op.
«Nog eens dat ellendige woord! Maar moeder waarvoor zou ze dat nu juist doen? Ik ken haar... ik ken haar zes maanden.»
«Dat is juist haar slimmigheid. Ze heeft op je gevoel gewerkt. Ze heeft je eerst voorbereid en aan haar gehecht. Ze aast op je naam en op je geld, zeg ik je.»
«Maar moeder», roept Frans buiten zichzelve, «vindt u dat dan een manier, om mij voor haar in te nemen? Zoo’n bekentenis in alle bizonderheden! en geheel uit haar zelf!»
«Pu! Door je vader in ’t nauw gebracht, en nadat ze jouw dolle idees over vrije liefde kende!»
Mevrouw Jensen’s gelaat is éen-en-al heilige afkeer.
«Dat is niet waar, moeder!» geeft Frans verontwaardigd terug.
«Frans!»
«Ze kende die idees niet, zeg ik u! Ik heb eerst andere gedachten gehad, en die ook uitgesproken. Haar bekentenis heeft me overtuigd, dat ze nog al mijn achting verdiende....»
De oude dame staart haar zoon enkele oogenblikken met groote oogen aan, eer ze antwoordt.
«Gerechte God in den hemel!» roept ze geheel ontdaan. «Een bekentenis, die je afschuw voor haar geven moest!»
«Jezus had geen afschuw van Magdalena, moeder, en dat was een publieke vrouw, moeder.»
Mevrouw Jensen voelt zich zeer ongemakkelijk. Met iets van driftige wrevel antwoordt ze:
«Spot niet, jongen. Haal hier de heilige naam van Christus niet bij. En dan... en dan, is die Marta iets anders?»
Frans slaat met een wanhopig gebaar de beide handen aan ’t voorhoofd, en buigt ietwat voorover.
«O, moeder, je maakt me krankzinnig», zegt hij met een kreunend geluid, en, van zijn stoel opspringend, stampt hij met de eene voet op de grond.