Part 2
Weer stoort een kloppen aan de deur hun gesprek.
«Wat is dat nou weer?» roept de jonge man kregelig.
Weer vertoont zich de hospita, met hetzelfde humeurige gezicht van te voren.
«Juffrouw, daar is een meneer, die vraagt naar meneer Hensen, of die ook hier is.»
Frans kijkt eerst Marta en dan de huisjuffrouw verwonderd aan.
«Die ben ik,» zegt hij ontstemd. «Ik heet ten minste Jensen, juffrouw. Dat wist u trouwens. Hoe zag die meneer eruit? Heeft hij geen kaartje afgegeven?»
De aangesprokene wendt zich half tot Frans, en antwoordt met kleurlooze stem, eigenlijk tot Marta sprekend.
«Nee. ’t Is een heer met een zwarte baard. Een beetje grijs. Draagt een bril.... of lorniët, of hoe heet zoo’n ding? Hij heeft een hooge hoed op.»
Daar, nou weet je ’t, schijnen haar oogen erbij te voegen.
Frans schrikt.
«Heeft u gezegd, dat ik er was?»
De hospita blijft in een houding alsof ze tot Marta spreekt.
«Hoe kon ik dat nou zegge?» geeft ze terug. «Ik heb gezegd, dat ik ’s kijke zou, maar dat ik van niks wis. Die meneer zei, dat meneer Hensen hier moes wezen.»
Dit laatste is onmiskenbaar tot de jonge man gericht.
Frans kijkt weer vragend naar zijn vriendin. Er is onrust in haar trekken: ze heeft blijkbaar begrepen, wie de bezoeker is. Hij tracht haar met een bedekt gebaar te kennen te geven, dat ze hem niet toelaten kan, in geen geval. Doch Marta let daar niet op. Ze snijdt hem het woord af, als hij wat zeggen wil, en beveelt kort en beslist:
«Juffrouw, laat meneer bovenkomen.»
De hospita glijdt zwijgend de kamer uit.
«Maar Marta!» roept Frans opgewonden, als ze nauwelijks de deur gesloten heeft. «Wil je nu mijn vader hier binnenlaten? ’t Is mijn vader, ik weet het zeker.... Je vat toch, dat hij niets goeds in ’t zin kan hebben.»
«Dat kan me niet schelen. Dacht je soms, dat ik me schaamde, jou hier te ontvangen? Ik ben hier op mijn kamer, en ik ontvang hier wie ik wil.»
’t Besliste en kalme in Marta’s toon maakt de ander eenigszins verlegen.
«Je hebt gelijk, je hebt gelijk,» zegt hij zenuwachtig. «Maar... je weet hoe mijn vader is. Ik heb je dat immers al zoo vaak verteld.»
«Als hij me hier beleedigt... Nou ja, maar dat zal hij niet doen. Och, ik kan mijn woord wel doen, als ’t noodig is...» Ze glimlacht even.
Wat is ze mooi! denkt Frans. En wat is ze flink!
«Dat begrijp ik,» antwoordt hij minder zenuwachtig. «Hoor eens, dat zou ik niet toelaten, hoor, Marta. Mijn vader jou beleedigen! ’t Is alleen, dat ik...»
Een eenigszins driftige tik op de deur doet hem afbreken. Op Marta’s «Binnen!» komt de verwachte de kamer in.
HOOFDSTUK II.
Er is iets bruusks in zijn beweging, in de haast waarmee Mr. Jensen de deur weer achter zich sluit. Toch verraadt zijn houding verlegenheid. Hij buigt op onhandige wijze voor Marta, en geeft daarna zijn zoon een blik vol toorn.
«Mejuffrouw ... U is immers Juffrouw Van Zee?» vraagt Jensen zenuwachtig, en brengt ook de linkerhand aan zijn hooge hoed, die hij in de rechter hield.
Marta, die evenals Frans is opgestaan, maakt een stijve buiging terug. Frans doet een stap vooruit.
«Jawel, dit is de kamer van Juffrouw Van Zee» antwoordt hij stroef. «Wat komt u hier doen?»
Vader en zoon kijken elkaar recht in de oogen. De eerste zoekt in drift-uiting afleiding voor zijn ongemakkelijkheid.
«Dat raakt je niet,» roept hij uit. «Ik kom jou vragen wat jij hier doet.» Tevens werpt hij een eigenaardige blik op Marta en in de kamer om zich heen.
«Niets, wat u reden zou kunnen geven, om mij een verwijt te doen ... of Juffrouw Van Zee te komen lastig vallen.»
Marta heeft dit tooneel zwijgend gadegeslagen; maar acht thans het oogenblik gekomen, om zich te verwijderen. Ze doet een stap naar de deur, kalm en waardig. Ze is opvallend bleek.
«U zal me niet kwalijk nemen ...», zegt ze tot Frans’ vader.
Doch Frans weerhoudt haar.
«Waar denk je aan?» roept hij opgewonden. «Mijn vader heeft me hier niets te zeggen—mag me niets zeggen!—wat jij niet zou mogen hooren ...» De toegesprokene blijft aarzelend staan.
«Wil u dan gaan zitten, Mijnheer?» zegt ze met weifeling in haar toon.
«Dank u», is ’t antwoord. «Ik kom alleen maar zeggen, dat ik jou, Frans, verbied, om buiten mijn weten bezoeken te brengen aan ... intieme betrekkingen aan te knoopen met ...»
«Wat zegt u, vader? Ik ben hier bij een vriendin, die ik hoogacht. Ik verwacht hetzelfde van u. Overigens ...»
«Ho, mijn baasje, daarover zullen we nog wel eens onder vier oogen praten. Maar ik zeg je bij deze, dat er aan deze vriendschap een einde moet komen. Versta je me goed? Daar zàl een eind aan komen. En dit is de laatste maal, dat ik je hier duld... Al moest ik je met de politie hier vandaan laten halen.»
Zich meer en meer opwindend stapt Jensen onderwijl in de kamer op en neer. Hevig ontroerd gaat Marta onwillekeurig bij haar jonge vriend staan. Ze vreest ’t ergste: zoo kan ze zich tusschen de vertoornde mannen in plaatsen, wanneer ’t noodig mocht wezen....
«Mijnheer!» roept ze, nauwelijks in staat een woord te brengen.
«Vader, weet wat u zegt» zegt Frans dreigend. «Ik zou anders de eerbied wel eens kunnen vergeten, die ik u schuldig ben.»
«Zie zoo, dreigementen,» geeft de vader ietwat kalmer terug. «’t Is best, best. Ik zal gaan. Ik heb je gezegd waar ’t op stond. Ik verwacht, dat je naar mijn woorden zult handelen.» Dan zich tot Marta keerend, en met opzettelijk overdreven beleefdheid in toon en gebaar:
«Ik heb de bizondere eer, u te groeten, Juffrouw Van Zee. Tot weerziens, Frans.» Met een lichte buiging en een ironisch lachje op zijn dunne lippen verlaat hij, thans met volle zelfbeheersching, de jongelieden.
Deze blijven nog een oogenblik als verbijsterd staan. Dan barst Frans uit:
«Zoó’n... oh! ik zou een scheldwoord kunnen gebruiken. ’t Is mijn vader, maar ik zou hem te lijf kunnen gaan!»
Marta is onderwijl op een stoel neergezegen en ondersteunt het hoofd in de eene hand.
«Ik zal hem afleeren, hier jou te komen hoonen,» gaat de ander voort. «Ik ga dadelijk...»
«Je gaat niets,» roept Marta opziende. «Je blijft hier. Ik moet met je spreken...»
«Och wat! Wat valt hier nog te spreken?»
Driftig stapt hij op en neer.
«Hij heeft jou beleedigd en mij door jou. Of voel je dat niet? Wil je hem soms nog verontschuldigen?»
«Nee, Frans. Ik voel ’t maar al te zeer. Ik lijd eronder. En toch...»
De jonge man treedt onwillekeurig op Marta toe: de toon van innige smart, die in haar laatste woorden klonk, heeft hem diep getroffen.
«En toch wàt?» roept hij heftig, terwijl hij haar aankijkt. «Ik zal hem leeren, je te eerbiedigen. Ik zal....» Weer wil hij heen.
«Als je eenige vriendschap voor mij hebt, blijf dan tot je mij aangehoord hebt...»
Frans blijft verwonderd staan: wat moet die zonderlinge plechtige toon? Hij grijpt een stoel en gaat onwillig zitten.
«Nu, wat heb je dan? Maak ’t kort, als-je-belieft: ik brand van verlangen, om... die man eens de heele waarheid te zeggen. De heele waarheid tegen al zijn monsterachtige vermoedens in. Tegen al de laster van de wereld.»
Als Marta nog niets zegt, gaat hij heftig voort.
«Jij zoo rein en zoo hoogstaand...»
Het jonge meisje ziet hem bedroefd aan. Er is een vochtige glans in haar mooie groote oogen. Dan slaat ze de blik neer en blijft zwijgen.
«Daar!» hervat de ander nog hartstochtelijker. «’t Is misschien leelijk, dat ik ’t zoo zeg; ik heb nog nooit voor een vrouw dat respect gehad, die innige oprechte hoogachting als voor jou, Marta. Zelfs voor mijn moeder niet. Nee, heusch niet. Mijn moeder is een goed zwak wezentje. Ik voel medelijden met haar. Voor jou heb ik bewondering.»
«En toch vrees ik... dat je niet meer zoo zult spreken, als.... je weet.... als je alles weet.» Weer treft Frans de diep droeve toon van haar stem. Ze houdt de oogen afgewend en blikt droomerig vóor zich uit.
«Alles wat?» roept haar vriend een en al verbazing. «Ik weet alles. Jouw ziel is helder en doorschijnend als kristal. Ik ken je door en door, al ken ik je pas zes maanden.—Dit is nu ’t einde van deze heerlijke dag.» De laatste woorden komen er haast schreiend uit.
«Als ’t maar niet het einde van onze heele vriendschap is... Je vader heeft in zeker opzicht gelijk... De schijn is heelemaal tegen me.» Als Frans haar in de rede wil vallen, belet ze hem dit:
«Nee, laat me uitspreken... Ik vermoed wat hij gedaan heeft! Hij heeft inlichtingen ingewonnen aan een van die laster-instellingen, die ze detective-bureau’s noemen. Hij weet, dat je hier veel komt. En mijn verleden...»
Haar stem stokt in haar keel. Bij al wat ze gezegd heeft, is ze in dezelfde houding, met starende neergeslagen blik blijven zitten. Frans is opgesprongen.
«Jouw verleden? ’t Verleden van een lief rein verstandig meisje! Dat steeds werkzaam is geweest, steeds haar plicht gedaan heeft...»
De ander voelt dat de jonge man haar aanziet; fier heft ze ’t hoofd op en geeft hem de blik terug.
«Dat heb ik», zegt ze, «Maar toch... De inlichtingen, die je vader gekregen heeft... mogen lasterlijk ingekleed zijn... Toch zullen ze wel een grond van waarheid hebben.»
Weer wendt ze ’t hoofd af, en hervat haar staren.
«Marta, ik begrijp er nu niets meer van» roept Frans.
«Och, je zult me heel gauw begrijpen.» Ze zwijgt even, als om al haar moed te verzamelen. Dan, terwijl ze de jonge man droevig, maar vastberaden aanziet, gaat ze voort:
«Nu dan, Frans: mijn verleden is in de oogen van de wereld slecht... Ik heb een kind.» Ze heeft hem even recht aangekeken, vol fiere oprechtheid. Haar woorden klinken dof, maar duidelijk en met iets bitters en uitdagends erin, dat Frans overstelpt.
«Marta, je bent krankzinnig!» roept hij buiten zich zelf, en op Marta toetredend.
Deze blijft de blik afwenden.
«’t Is zoo, zooals ik ’t je zeg.» Die toon laat geen twijfel. De jonge man valt op zijn stoel neer.
«O Marta, dat is vreeselijk!» roept hij. «Dat is monsterachtig! Jij die ik verafgoodde, die ik liefhad als ’t levende voorbeeld van al wat hoogstond, zou jij...? Dat kàn niet. Dat is onmogelijk. Zeg me, dat het onmogelijk is! Marta, ontruk me niet de heerlijkste illuzie van mijn leven, verbrijzel mijn God niet met éen slag..» En in krampachtig snikken uitbarstend, verbergt hij het gelaat tusschen de handen.
De jonge vrouw slaat hem eenige oogenblikken gade, doch zonder verwondering:
«Heb ik ’t niet gezegd?» antwoordt ze ten slotte bitter en op doffe toon. «Jij bent al net als de rest: net als die wreede wereld, die me in haar domheid veroordeelt. Daarom heb ik deze verklaring altijd uitgesteld, altijd weer verschoven. Waartoe zou die dienen?» Ze zwijgt even en laat ’t hoofd zakken.
«Ik vreesde zoo voor je minachting... Ik had zoo’n behoefte aan je vriendschap. Aan je liefde, Frans... Och, ik had het niet zoo ver mogen laten komen... Ik wil geen liefde meer. Ik ben bang geworden voor liefde.»
Strak staren Marta’s oogen vooruit, als keken ze de matte klanklooze woorden na, die daar vergleden waren in de mist van haar smart.
De ander is inmiddels weer opgestaan, doet een paar stappen in de kamer, met vertrokken gelaat, de handen woelend in zijn zakken. Dan blijft hij achter Marta’s stoel staan, en als zijn vriendin, die het hoofd wat schuin achterover houdt, de groote droeve oogen naar hem opslaat, roept Frans op wanhopige toon:
«Och, Marta, geef me de hoogachting terug, die ik voor je had! Hoe kan ik nu nog achting voelen? Voor een meisje dat in zoo’n betrekking geleefd heeft?»
Kalm ziet ze hem in de oogen; toch trilt haar stem, als ze antwoordt.
«Ik heb mezelf niets te verwijten. Niets, hoor je dat?»
«Maar Marta! Noem je ’t dan niets, als een meisje zonder getrouwd te zijn, zich aan een man geeft... een kind van hem heeft?»
«Nee, dat noem ik niets. Niets slechts ten minste. In mijn geval waarlijk niet.»
«’t Is verschrikkelijk. En de man die me zoover gebracht heeft, verfoei ik uit de grond van mijn hart. En ’t verdriet dat ik gehad heb en nòg heb is meer dan menigeen zou hebben kunnen dragen, Frans.... Ik heb geleden, deze drie jaren van mijn jonge leven. Ik heb hellepijn doorgestaan....»
Allengs is de toon van haar stem anders geworden. Haar koonen gloeien en haar oogen hebben alle matheid verloren. De wanhopige houding van Frans en de oprechte deernis, die ze op zijn trekken leest, wekken beurtelings verteedering en pijn in haar gemoed.
«Maar hoe kòn je, jij met je hooge idealen, met je prachtige beginselen...?» hervat Frans met heftig handgebaar.
«Juist dàt was mijn lijden... Ik had hem lief... zooals ik.... jou nu liefheb, Frans.»
Als verdwaasd en nauwelijks wetend wat hij zegt, roept Frans daarop:
«Had je ’m lief?»
«Och, waartoe meer? Ik voelde me gedrongen, je alles te zeggen. Ik had me al drie maanden ingehouden. Ik dorst niet. Laf.... zal je zeggen. Maar aan de andere kant, welk recht had jij eigenlijk om mijn verleden te kennen? Was ik aan jou verantwoording schuldig? Ik zou immers door zoo te denken onze vriendschap te hoog aangeslagen hebben. ’t Zou geen vriendschap meer geweest zijn: tusschen man en vrouw, die beiden jong zijn, is trouwens geen vriendschap mogelijk zonder liefde. En ik wou geen liefde.... Die had me te veel doen lijden.» Ze zwijgt even, hijgend. Dan op kalmer toon:
«Kom, Frans, ga nu maar heen. Keer jij naar je wereld terug en vergeet mij. Veroordeel me niet te hard. Ik weet dat je niet anders kunt: je bent nu eenmaal in die vooroordeelen opgevoed. Nee, nee.... Hier heb je mijn hand: ik ben niet boos, hoor. Laten we als vrienden scheiden....»
De ander is verbijsterd.
«Och God, ik kàn niet, ik kàn niet van je scheiden!» roept hij hartstochtelijk. Hij treedt op haar toe en neemt haar hand in de zijne.
«Wat zeg je van vooroordeelen? Noem jij huwelijk en zedelijkheid vooroordeelen? Och, verklaar je.... Ik voel, dat ik als een kind vóor je sta. Ik weet niet, wat ik zeggen of denken moet. Ik weet niets, niets, dan alleen dat er iets in me is, dat me dwingt, niet zoo van je weg te gaan. Vertel me alles. Alles, alles, hoor je, in de kleinste bizonderheden. Ik wil alles weten. Ik zal je niet veroordeelen, als.... mijn hart het me niet zegt. Maar laat me niet in die duisternis rondwaren. Ik lijd er zoo vreeselijk onder, Marta.»
De jonge vrouw heeft voor ’t uiterlijk al haar kalmte en zelfbeheersching herwonnen, al kookt en bruist ook alles in haar.
«Goed, Frans,» antwoordt ze met een zucht. «Ga dan weer zitten. Ik zal je alles vertellen zooals ’t gegaan is.»
HOOFDSTUK III.
Er was geen spoor van verlegenheid in Marta’s houding, toen ze zich ertoe zette, de droeve roman van haar leven te vertellen. Er was alleen smart en moedeloosheid op haar trekken te lezen, en beide gevoelens spraken ook uit de opslag van haar oogen, telkens wanneer ze die op haar vriend richtte, en uit de matte schier gebaarlooze wijze, waarop ze haar woorden vóor zich uit deed klinken. Ze zat op haar lessenaar-stoel, met de rechterhand haar kin steunend, overleunend naar die kant, terwijl de andere hand in haar schoot rustte, het sprekende mooie donkere lokkenhoofdje ietwat voorover, zoodat het wit der oogen in hun staren zichtbaar was, en de kleine voeten over elkaar met de hielen op de grond. Om Frans aan te zien, moest ze nauw merkbaar het hoofd opheffen: want de jonge man zat bij de deur schuin tegenover haar, waar hij willekeurig op de eenige leuningstoel in ’t vertrek was neergevallen. In zijn rusteloos veranderen van houding vormde hij een schril contrast met de roerloosheid van Marta. Alleen zijn oogen bleven volharden in een lange groote begeerige blik, waarmee hij haar woorden wegslurpte van haar lippen.
«Je weet, ik ben uit Weerloo in Limburg,» begint Marta. «Ik heb daar mijn heele kindertijd doorgebracht. Tot mijn achttiende jaar. Ik ben wees, dat weet je ook, en ik kreeg mijn opvoeding van een oom van moederszijde. Die was indertijd rector van een gymnasium geweest, en had zich voor de goedkoopte in Limburg gevestigd. Ik ben dus zelf nooit op een gymnasium geweest, ofschoon ik in de rechten studeeren moest.»
«In de rechten?» roept Frans.
«Ja in de rechten.» Dit met een flauwe glimlach. «Dat was mijn illuzie. Ik begreep spoedig—ik was heel vroeg rijp—door de gesprekken van mijn oom, dat de rechtspositie van de vrouw—ook in ons land—nog erbarmelijk veel te wenschen overliet. Ik wou zijn idealen helpen verwezenlijken. Ik wou ’t mijne doen, al wat ik kon, om in die rechtstoestand verbetering te brengen.... Mijn oom was een dweper op zijn manier—al hield hij er geen eigenlijke godsdienst op na—en ik ging geheel in hem op.... Hij leerde me Latijn en Grieksch, en alles wat ik verder noodig had voor mijn staatsexamen, om aan de universiteit te komen. En nog heel wat daarbij.... O die avonden! Zondags vooral—als er een enkele huisvriend bij ons was: wat redeneerden we dan druk over alles! Onder onze kennissen, huisvrienden liever, hoorde een jonge man. ’t Doet er niet toe, hoe hij heet....» Een zware zucht en enkele oogenblikken van zwijgen volgen.
Frans verandert voor de zooveelste maal van houding, en martelt de vingers van zijn linkerhand in de rechter.
«Die hoorde tot de vurigste volgelingen van mijn oom. Of deed ten minste zoo: ik weet nu, hoe voos en hol zijn ziel was.... Maar hoe kon ik dat toèn weten—ik was zoo onervaren. Zoo jong. Ik geloofde blindelings in hem.»
«Arme lieveling!» roept Frans hartstochtelijk, en slaakt een kreunende zucht.
«Nu, hij was mijn vriend. En—ik hield van hem... heel veel. Toen we samen naar de universiteit gingen—hij had in Maastricht het gymnasium afgeloopen—toen bekende hij me zijn liefde. Zijn liefde!.... Ik weet nu wat het was....»
«Ellendeling,» bromt Frans. Dan, op andere toon: «was dat hier, in Amsterdam?»
«Nee, in Luik. Ik ontdekte toen pas, dat ik al lang van hem hield. Ik stelde hem enorm hoog. Hij kon zoo edel en overtuigend spreken: ik kende niemand welsprekender dan hij. Hij had ook een paar gedichten gemaakt. Die vond ik heel mooi. Och, toen, nie’waar? Op zoo’n plaatsje.... Hij en mijn oom waren er mijn liefste vrienden; want hij kwam telkens over. Zijn ouders woonden op de plaats. De meeste menschen op ’t plaatsje hadden een hekel aan mijn oom. Zijn ouders ook waren eigenlijk tegen onze omgang. Je begrijpt: mijn oom was vrijdenker, en dan in zoo’n land! En oom stak het ook al niet onder stoelen of banken.... Zijn ouders, die van.... van mijn vriend, kende ik nauwelijks: hij beweerde altijd, dat hij thuis ruzie had om zijn vriendschap met mij en «de godloochenaar,» zooals ze mijn oom op ’t plaatsje noemden. Nu jà, ik begon mijn studie in Luik. Met heel veel opgewektheid. Mijn vriend werd mijn man....»
«Je man!! Ben je dan getrouwd geweest of nog misschien?»
«Zeker, maar niet in de gewone opvatting van ’t woord! De.... persoon in kwestie had «vrijzinnige» denkbeelden, en daar hoorde ook toe, dat het huwelijk een zaak is, die uitsluitend afhankelijk moet wezen van de man en de vrouw die elkaar liefhebben.»
«Jawel, vrije liefde!»
«Zooals je wil.... Maar ik geloofde in hem. Ik was het volmaakt met hem eens. En mijn oom dacht er net zoo over.»
«Nu nòg, Marta, denk jij er nu nòg zoo over?»
«O zeker. Beginselen en inzichten zijn bij mij niet verwerpelijk geworden, omdat een kwakzalver ze misbruikt heeft. Mijn brave vriend wàs zoo’n kwakzalver. Hij hield van frazen. Meende niets, niets van al wat hij zoo mooi wist te beweren.... Nu goed: we brachten in praktijk wat we beiden dachten. Ondanks de vooroordeelen van de wereld. We stoorden ons aan niets.»—Hier zweeg ze even en zuchtte weer diep. Dan weer droomerig als te voren: «We waren heel gelukkig. Een paar maanden. Heel gelukkig. Tot dat ik.... zwanger werd. Toen liet hij me in de steek....» Marta stokt en snikt nauw hoorbaar. Zich dadelijk vermannend gaat ze voort. «Ik heb niet veel gedaan, om hem tot andere gedachten te brengen. Ik deed éen poging—éen enkele—om hem te wijzen op zijn mede-verantwoordelijkheid voor ons kind. Daarvoor alleen. Ik had toen al een walg van hem..... Maar ’t was om ons kind: ik woû niet, dat het een paria zou worden.»
«En weigerde de... kerel ervoor te zorgen?»
«Och, dat was niet het voornaamste. Ik leef nu zuinig. Omdat ik in mijn heele studietijd niet meer dan vierduizend gulden mag opmaken. Ik hoû dan wat over, om mijn praktijk als arts te beginnen. Ik had genoeg voor ’t kind en mezelf. Maar ik wou, dat het kind zijn naam droeg, al verfoeide ik die ook....»
«Jawel.... En je veranderde dus van studie?»
«Och ja, ik moest weg uit Luik, uit mijn heele omgeving, uit de plaats waar ik zulke ellenden geleden had.... Ik ben toen naar hier gekomen, en met de studie van de medicijnen begonnen.»
«En je kind?» vroeg Frans aarzelend. «Dat is dus nu zoowat twee jaren oud..... waar is dat?»
«Dat heb ik uitbesteed, ergens tusschen hier en Utrecht.... O, bij beste luitjes. Ze zorgen goed voor hem. ’t Is een jongen.»
«Is het.... een gezond kind? En is ’t lief en houdt het van je?»
Op deze eenvoudige vragen op hartelijk belangstellende toon uitgesproken, wordt het Marta te vol in haar gemoed. Opstaande barst ze in schreien uit, en gaat voorover op de sofa liggen. Dan, terwijl haar heele lichaam schokt, stoot ze eruit:
«’t Is een schat! Ik hoû van hem.... hartstochtelijk veel.... Ik vind het vreeselijk.... dat ik niet altijd.... altijd bij hem kan zijn.... Ik vlas op later.... Later neem ik hem bij me.... Wat kan me de wereld dan schelen? En de jonge is ook... dol op mij... Hij schreeuwt... schreeuwt gewoon van de pret, als hij me ziet aankomen....» Haar hoofd tegen de leuning van de sofa gedrukt schreit ze eenige oogenblikken heftig.
Frans gaat bij haar staan, kijkt met diepe meewarigheid naar dat beeld van echt lijden. Dan zegt hij zacht, om iets te zeggen:
«Ga je hem geregeld opzoeken?»
Marta blijft in dezelfde houding liggen.
«Ja....» stamelt ze «eens in de veertien dagen.... Overmorgen moet ik weer naar hem toe.... Och die arme arme lieveling!»
Weer zwijgt Frans, in gedachten, in tweestrijd.
«Lijkt hij op.... zijn vader?» vraagt hij met een hooge kleur, en tevergeefs worstelend met zijn afkeer bij het uitspreken van ’t laatste woord.
«Nee, God dank... niets. ’t Is precies mijn vader.»
Ze heeft zich weer opgericht, zoekt zenuwachtig naar haar zakdoek, die ze eindelijk vindt.
«Hij lijkt dus op jou?» zegt Frans gretig.
«Ja, dat zeggen ze.» Ze zwijgt even en wischt zich de oogen af.
Frans haalt een zak-flakonnetje met eau-de-cologne voor den dag, uit zijn vestzakje, en reikt het haar zwijgend over. Ze bet zich het voorhoofd, en richt zich op.
«Vreemd, he,» gaat ze iets kalmer voort, nog met wat tranen in haar stem, «dat ik zoo van hem hoû?» Hier kijkt ze Frans vol aan. «En dat terwijl het toch zijn kind is....»
HOOFDSTUK IV.
Gedurende dit korte tooneel, dat wellicht in niet langer dan een kwartier tusschen die twee menschen afgespeeld was, had er in Frans een merkwaardige verandering plaats. In zijn overigens zoo vlak, zoo gebeurtenis-arm bestaan van rijkeluis-zoontje vormde deze korte spanne tijds een oase van krachtig zelfbewust leven, zooals hij dat te voren nooit gekend had. Hij had een vaag besef, dat hij nu aan een keerpunt gekomen was: een heerlijke jonge geestdrift doortintelde hem. Hij wilde handelen, man zijn. En al ’t goede, dat in hem sluimerde, was opgestaan en woelde in hem op, drong tot uiting.
Met een ruk stond hij van de stoel op, waar hij de laatste oogenblikken met gebogen hoofd gezeten had, en zette zich naast zijn vriendin op de sofa.
«Ik weet nu alles, Marta,» zegt hij met een blik vol teederheid op haar. «Ik begrijp je. Dat kind kan immers niet helpen, dat het die man tot vader heeft. En ’t zal behoefte genoeg krijgen aan je liefde.... Later....»
Marta brengt de zakdoek weer aan haar oogen.
«Ja,» stamelt ze met afgewend hoofd. «O, die gedachte maakt me soms radeloos: dat die wreede wereld hem later zal laten boeten voor onze daad.»
«Zijn daad, bedoel je.»