"Nummer Elf"

Part 7

Chapter 74,094 wordsPublic domain

Nu had hij een lief steenen huis, klein maar goed onderhouden, het maakte een allergunstigste uitzondering op de meeste indische huizen; voor een smakeloos „erf” had het een lief tuintje, door vroegere bewoners europeesch aangelegd; er waren nergens scheuren of barsten in de muren; zelfs geen wonden van afgebrokkelde stukken kalk; er zat verf, goede, glimmende grijze verf op de balken en het verder houtwerk; er was aan de deuren behoorlijke sluiting; zelfs de latjes der jaloeziën waren in orde en men kon zonder geweld te plegen de ramen sluiten van binnen. Dit wonderlijk huisje had hij erg goedkoop gehuurd, omdat er pas ’n oude juffrouw in was gestorven, en aspirant-huurders zich niet voordeden, niet omdat zij bijgeloovig waren, in ’t geheel niet! maar omdat het zoo „griezelig” was.

Dáárboven was hij verheven. Een vrouw kon voor hem niets afkeerwekkends hebben, had hij lachend gezegd; ook niet als zij oud was, en in dat geval het allerminst na haar dood.

Yps was met hem meegegaan; zij had geen semi-europeesche begrippen, maar echt inlandsche.

„Tra perdoeli,” had ze gezegd met een onverschilligen halven draai harer heupen van links naar rechts, toen Vermey, om naderhand geen soesah te hebben, haar verteld had, dat die oude juffrouw in het aardige huisje dood was gegaan. Wat kon het haar schelen? Een mensch sterft, als het zijn tijd is, had ze van haar moeder geleerd, en dat geloofde zij ook. Ze was er zelfs erg meê in haar schik. Tobat! had ze verwonderd uitgeroepen. „Lekker hier! Alles mooi, ja!” En toen ze in de slaapkamer kwam, en zag dat George een groot ouderwetsch houten ledikant had gekocht en daar een rooden hemel op had laten maken met verguld, toen werd ze heelemaal verteederd, en zich als ’n kat dicht tegen hem aanvleiend, zei ze met van genoegen en trots schitterende oogen: „Zoo enak, Sors!”

In dat huisje nu, leefde Vermey zonder grooter ongenoegen dan hij altijd had gedaan met een of andere „huishoudster”; vroeger ging hij veel uit naar de „kroeg”, en dan volgden er nogal eens nachtelijke uitstapjes met vrienden, van wie de kampongs gewaagden; toen wist hij ook wel dat zijn „huisgenooten” zooals hij ze met zekere ironische deftigheid noemde, hem achtereenvolgens bedrogen; maar het kon hem niet schelen; hijzelf was ook niet eenkennig, en... als ’t maar buiten hem omging.

Doch in dat opzicht veranderde hij zeer. De sociëteit werd minder aantrekkelijk. Hij ging er nog wel heen, ’n paar malen in de week, maar het was eigenlijk nog slechts half van harte; want de eigenlijke liefhebberij was eruit; finaal eruit, en hij ging meer om zich eens te vertoonen, dan om het genoegen te zoeken, dat vroeger zijn doel was. Met den dag werd hij meer verkikkerd op Yps; zij had hem heelemaal onder de plak gekregen, sedert hij haar betrapt had en flagrant délit; het was of zijn hartstocht voor deze driekwart-inlandsche jonge vrouw met haar fraaie, veerkrachtige vormen en de slangachtige bewegingen harer slanke figuur, met haar koolzwarte oogen en schitterend witte tanden zich eigenlijk pas recht deed gelden nadat hij een ander bij haar had aangetroffen! met een soort van wilde woede, vlamde die hartstocht op, telkens, als hij dacht aan dat incident; dan werkte zijn verbeeldingskracht, die in normalen toestand verflauwde en verzwakte, weêr met jeugdig vuur, en het was of hij Yps, nu hij haar niet om haar bedrog op straat had gezet, om datzelfde bedrog te liever had.—

Terwijl hij op zijn bureau zat, en zijn administratie voerde, keurig en accuraat, dacht hij in ’t geheel niet aan dat alles; hij was bij zijn werk, heelemaal; het werd al laat, en hij moest om zonder kunstlicht te zien, zijn gouden lorgnet opzetten.

„Wat is er?” vroeg hij barsch, toen iemand hem aan den arm stootte.

’t Was de omgekeerde Pieterse, die zachtjes sprak, en liep als op vilten zoolen, maar zooveel te sterker gesticuleerde.

„Kom eens mee meneer! Ze zijn weêr beneden.”

„Och, wat kan het mij schelen!”

„U kan alles zien door het gaatje.”

Het maakte hem toch nieuwsgierig; nu, hij wilde wel ’reis kijken, hoe dat in zijn werk ging. Oók zachtjes op de teenen loopend, volgde hij den klerk die in een hoek een oude krant op den grond openvouwde, waarop Vermey knielde, wat hem pijn deed; door het gaatje zag hij, als hij recht naar beneden keek, binnen een bepaalden cirkel, die zich een weinig uitbreidde in de richting tegenovergesteld aan die van den stand van zijn oog en dan evenveel inkromp aan de daarmeê gelijke zijde; zoo heen en weêr draaiend met zijn hoofd trachtte hij te zien, wat zijn chef deed daar beneden in het pakhuis met dien inlandschen mandoer.

Het was waar, wat Esreteip had gezegd: ze scharrelden in wijnkisten; wat ze eigenlijk deden kon hij niet zien; daarvoor was het kijkgat te klein en het licht beneden, dat bovendien op den grond stond, te flauw. Maar zooveel merkte hij wel, dat het niet in den haak was.

„Ik kan niet zien wat ze eigenlijk doen,” zei hij opstaande.

Een inlander trok zich achter het schutsel terug, aan het andere einde in het halfduister vertrek. Toen allen naar huis waren, en ook de chef op het punt stond heen te gaan, kwam die inlander bij den mandoer en sprak met hem. En de mandoer sprak met den chef, en samen keken ze bij het licht eener bougie naar het gaatje.

Bleek en vloekend ging de chef terug. Het had hem zeer aangegrepen. Zoo iets had hij nooit gedacht! Zulke brutale smeerlappen! Die durfden hem beloeren, hèm!

Den volgenden dag woei er een orkaan van ongenoegen door het kantoor.

Nauwelijks zat Vermey achter zijn lessenaar, of zijn chef vroeg hem naar een loopend werkje, dat zoo nu en dan bij gelegenheid werd bijgehouden, maar op dit oogenblik niet gereed was.

„Waarom houd-je dat niet geregeld bij?”

„Het is nooit gebeurd. Het wordt zoo eens of tweemaal in de maand bijgeschreven, als er niets beters te doen is.”

„Ja, dat kan me niet schelen, maar het zijn slordigheden, die niet te pas komen. ’t Moet dadelijk in orde gemaakt worden!”

De chef wierp het boek neêr met een harden slag, draaide Vermey den rug toe en ging naar zijn eigen kamer.—George, bleek van kwaadheid, keek hem na met hoog opgetrokken wenkbrauwen.

„Ik geloof dat die van morgen met het verkeerde been uit bed is gestapt,” zei hij in het algemeen, en legde het boek op zij om het in den loop van den dag bij te schrijven.

Maar een kwartier later kwam zijn chef met groote drukte en beweging weer terug.

„Is het klaar?”

„Klaar, wel neen! Ik heb mijn gewone werk dat af moet, en dat ding kan toch dáár wel op wachten.”

„Dat staat u niet te beoordeelen,” zei z’n chef met gemaakte kalmte en, het „je” en „jij” vermijdend, heel beleefd. „Ik had u opgedragen, dat te doen, en daaraan hadt u dadelijk gevolg moeten geven.”

„Maar meneer....”

„Er valt niet bij te redeneeren, meneer. U hadt het moeten doen, zeg ik u. Nu gelast ik u het dadelijk te doen en zonder praatjes.”

„Praatjes!” zei Vermey met nijdigen spot. „Alsof ik praatjes maak!”

Maar hij begon, zijn liniaal over de schrijftafel gooiend, hard schuivend met zijn stoel en smijtend met boeken en papieren, aan het bewuste werkje.

Geen uur daarna werd hij geroepen. Er was een kleine fout in een rente-berekening. Het stuk werd hem als ’t ware toegeworpen.

„Daar is alweer zoo’n stommiteit.”

„Dat hebt u me gister al laten zien.”

„Laat maar overschrijven. Het is een schande!”

Vermey haalde de schouders op met een diep: Hè hè! en ging de kamer uit.

Zoo ging het voort den ganschen dag. Het heele kantoor raakte den kop kwijt. Het was een aaneenschakeling van standjes, die de chef gaf aan Vermey, en die van dezen terugwerkten op zijn ondergeschikten.

’s Middags tegen vijf uren had George een kleur als vuur van woede en agitatie.

Rrring! daar ging de bel weer, en hij werd voor de zooveelste maal binnen geroepen. In zichzelven vloekend ging hij; ’t was natuurlijk weer een standje om ’n kleinigheid. Het was de laatste druppel.

„Dat is hier op die manier niet uit te houden,” zei hij.

„Neen, dat vind ik ook. Er gebeuren hier zooveel onaangename dingen, dat...”

„Wat woudt u zeggen?” vroeg Vermey thans plotseling heel bedaard.

„Dat het beter is een andere betrekking te zoeken.”

De employé was bleek geworden; het viel hem wel ’n beetje als de donder op het lijf! zijn handen trilden, en een oogenblik bekroop den chef een heel onaangenaam gevoel, toen hij dien pootigen jongen kerel zoo naast zijn lessenaar zag staan.

„Ik zal je drie maanden tractement laten uitbetalen... en op mijn aanbeveling....”

Maar nu barstte Vermey los.

„Uw aanbeveling?” riep hij, zonder zich in ’t minst te geneeren. „Uw aanbeveling!” en hij kraste met den achterlap van zijn schoen over den grond. „Dat geef ik om Uw aanbeveling.”

Het was zulk een toon van geringschatting en een manuaal van verachting, dat de andere er doodsbleek onder werd. Zoo iets was hij niet gewoon. Hij, president van dit, directie-lid van dat, mede-bestuurder van zus, commissaris van zoo, hij werd en petit comité steeds bewonderd en ééns in het jaar openbaar in couranten en verslagen.

„Ik verzoek u fatsoenlijk en niet brutaal te zijn.”

„Mag ik mijn tractement verzoeken?” vroeg Vermey zich kalm houdend.

De chef, om hem zoo spoedig mogelijk weg te hebben, haalde zelf het geld van den kassier en schreef zwijgend een quitantie, die de ander even zwijgend onderteekende.

„En nu zal ik je eens wat zeggen,” zei Vermey, terwijl hij het geld in z’n zak stak. „Je bent ’n verdomde ploert. Wat je toeleg is geweest, sedert van ochtend weet ik, en waarom die zoo was, is me ook duidelijk. Maar één ding zeg ik je: onthoud den dag van heden. We spreken mekaar nog nader, en dan.... rira bien qui rira le dernier!”

Met afgewend gezicht, kijkend uit het venster en met de vingers trommelend op den lessenaar, scheen de andere niet te luisteren.

„Als u klaar bent, kunt u gaan,” zei hij in schijn rustig en uit de hoogte.

Vermey ging; in de deur keek hij hem nog even aan, en zei smalend: „Tot ziens!”

Op straat was het hem alsof alles was veranderd, en de geheele wereld er vreemd uitzag in een schel, valsch licht. Daar stond hij weêr zonder betrekking, wel met een aardigen duit in den zak, momenteel, maar overigens zonder iets.

Hij ging ineens door naar huis, opgewonden nog en boos; stilletjes razend en tierend, en bij zichzelf herhalend, wat hij hem nog had kunnen zeggen, wat hij hem nog had moeten toevoegen en wat hij hem ongetwijfeld onder den neus zou duwen, als hij nog op ’t kantoor stond in plaats langs den weg te loopen. En de mosterd van dezen gram, schoon na den maaltijd komend, prikkelde hem tot nieuwe woede.

Yps trok er zich niets van aan. Toen hij haar alles had verteld, gaf zij alle maleische scheldwoorden, te harer beschikking, ten beste aan het adres van den chef, die George had weggejaagd. Voor het overige, dacht ze, moest deze maar wat anders zoeken; zij kon zich niet voorstellen, dat dit moeilijker was, dan voor een huisjongen een anderen dienst te krijgen. Hij zei daar niets op. Wat moest hij zeggen? Er viel met zoo’n schepsel niet te redeneeren!

Doch hij gevoelde, dat het ditmaal heel moeilijk zou gaan, nu hij een machtigen en doodelijken vijand had, die wel zou maken, dat elk kantoor ter plaatse voor hem gesloten bleef. Er zou weinig anders voor hem opzitten, dan heengaan, de plaats verlaten, en elders een betrekking zoeken. En dat moest drommels vlug gebeuren ook, want de drie maanden tractement zouden anders heel gauw op zijn.

Terwijl hij in de voorgalerij alleen zat, z’n kop thee drinkend, en pikerend over ’t geen hem te doen stond, kwam de omgekeerde Pieterse het erf op, met ’n slimmen lach op z’n donker gezicht.

„Wel?” vroeg Vermey. „Wat heb je aan de hand?”

„Ik heb mijn ontslag.”

„Zoo, heeft hij jou ook den bons gegeven?”

„Neen meneer; ik heb mijn ontslag gevraagd. Ik zag wel wat het was gister.”

„Dat is nog zoo dom niet. En wat zei hij?”

„Hij was woedend, dat kon ik wel merken.”

„En?”

„Ik zal wel ’n ander baantje zoeken. Zoo erg heb ik het kantoor niet noodig. Ik verhuur dos-a-dos; mijn vrouw handelt in batik,—soedah, ik moet wàt doen!”

Gelukkige kerel! dacht Vermey; die had zooveel snaren op zijn boog, dat er wel een springen kon!

„Maar hoe zou hij het te weten zijn gekomen?”

„Door Samidin. Maar die krijgt van avond een pak! Ik zal mijn broers op hem afsturen.”

„Je broers?”

„Ja ziet u meneer, zij zijn inlanders. Toen mijn vader dood was, is mijn moeder weêr getrouwd met een Javaan. Daar zijn die jongens van; zij wonen bij mij; ik ben het hoofd van het gezin!”

„O, zoo! dat heb ik niet geweten.”

„Die Samidin heeft achter het schutsel gestaan, toen u door het gaatje keek; hij heeft het aan den mandoer verteld, en die weer aan meneer. Maar hij zal een rammeling hebben, daar kan hij op aan!”

Vermey moest erom lachen, zoo verkneuterde Esreteip zich in het pak slaag, dat voor dien inlander, die hem verraden had, was weggelegd; dat liet hem nu zoo onverschillig!

„Wat gaat u doen, meneer?” vroeg de bezoeker.

„Dat weet ik nog niet.”

Verrast keek Vermey hem aan.

„Hoe dat zoo?”

„Ach, meneer! hij zal u overal zwart maken en u belasteren hier op de plaats. Geloof mij, hier is niets meer voor u. Maar ik zal hem wel krijgen!”

Het was, meende George, hoogst opmerkelijk, zoo goed als die soort van menschen hun medemenschen wisten te beoordeelen in het minder goede.

Toen hij den volgenden dag ’s avonds de courant las schrikte hij. Daar stond een bericht over een..... moord. De inlander Samidin, bediende op dit en dat kantoor, was door andere inlanders aangevallen, en zóó met knuppels geslagen, dat hij voor dood was blijven liggen. De ronde die hem vond, bracht hem naar het stadsverband, waar hij in den nacht overleed, zonder tot bewustzijn te zijn gekomen. Daders onbekend.

De chef van het kantoor had den mandoer laten roepen, en vertelde dezen, wat in de courant stond; de mandoer knikte; hij wist het al.

„Het zijn de broers van meneer Esreteip,” zei hij.

„Ik zou maar daarover zwijgen. Zorg liever, dat je ’s avonds niet dan gewapend uitgaat.”

„Dat is niet noodig, meneer. Men zal mij geen letsel doen, en u ook niet.”

„Ik zou er maar niet te veel op vertrouwen.”

„Zooals meneer verlangt.”

En Vermey, angstig, zei den volgenden dag toen Esreteip bij hem kwam, met zijn vloek:

„Dat is ’n mooi zaakje!”

„Wat meneer?”

„Houd je nu maar niet zoo dom, zeg! Je weet heel goed, dat ze Samidin gemold hebben.”

„Dat heb ik gehoord, meneer. Maar mijn broers weten van niets; die heb ik er nog niet eens over gesproken. Het is toevallig, maar nu hoeft het niet meer. Ik wil nou voor de aardigheid maar eens weten, wat er in die kisten zit.”

TIENDE HOOFDSTUK.

HOE GEORGE AAN TWEEHONDERD GULDEN KWAM.

Jan Voirey zat vermoeid in den trein; hij was de eenige reiziger in den spoorweg-coupé, en lag languit op een bank; hij had de fabrieken eens rondgereisd, en gesproken met dezen en genen. Van een groote fabriek had hij afgezien, daar was geen plaats voor hier! Het eenige wat kon bestaan, was een reparatie-werkplaats maar daarin had hij weinig lust. Men kon enkele onderdeelen dan óók maken om versletene te vervangen; meer niet.

Zijn tocht naar het oosten was nutteloos tijdverlies geweest. Telkens geeuwde hij van verveling, keek dan eens het raampje uit naar buiten, ergerde zich aan den aanblik van het land, dat zich uitstrekte in de brandende zon, de eentonige rijstvelden, nu en dan afgewisseld door sombere djatti-bosschen, en water dat door breede spleten in den grond wegholde, over steenen en tusschen steenen door, maar onbevaarbaar en dus in zijn oog niet de moeite waard. Dat was dan, dacht de drie-kwart Amerikaan, het beroemde Java! Hij had er alles gevonden, anders dan volgens zijn begrippen goed was. Zelfs de fabrieken hinderden hem, als, nu er niet gemalen werd, levenlooze inrichtingen. Dat was geen land, waar hij thuis hoorde met zijn sterk ontwikkeld idee van business en nog eens business. Het beste zou zijn, dat hij maar spoedig zijn biezen pakte, dacht hij.

Hij was voor een portierraampje gaan zitten met den elleboog op den rand en de groote beenderige hand, waaruit werklust sprak en energie in het kort borstelig haar. En zijn heldere grijze oogen keken naar buiten, kalm rustig prozaïesch; hij zag niet naar de schoone lijnen van het blauw gebergte aan den horizon, noch naar de zachte nuanceeringen van geel tot groen der te veld staande padi, noch naar de boschjes van donker geboomte daartusschen als het ware neêrgeworpen of de eenzame waringin, oprijzend uit het lage rijstveld als een machtig alleenheerscher onder de lage massa.

Voirey keek van den hoogen spoorweg-dijk omlaag naar de meestbewoonde streek, die hem met iederen slag der machine, voorbij „tjoepte.”

Een stuk wildernis, een ravijn, sawahs, een desa; sawahs, een ravijn, een stuk wildernis, een desa, enz., uren achtereen. Hij had wel eens gehoord van de ideale „welvarende” desa; hij glimlachte met minachting en haalde in zijn eentje de schouders op. Daar hadt je er weêr een! Vuile, rieten stulpen zonder vloer op den kleigrond en driekwart naakte bewoners, zonder iets noemenswaardigs voor hun gerief of comfort. En dat was dan op ’n handjevol uitzonderingen na, het type der een-en-twintig millioen menschen... Het was om te lachen, vond hij. Wie durfde toch die wezens, in zijn oog nog aapachtiger dan een tamme roodhuid, menschen noemen? Nu ja, zij gaven door woorden te kennen wat ze bedoelden, en ze bebouwden den grond. Maar geen zweem van eigen zucht naar ontwikkeling; dat had hij nu gemerkt. Zij lieten zich voor de rest maar leven, zoo goed en zoo kwaad het gaan wilde. Na eeuwen zouden ze nog precies wezen zooals ze nu zijn: geboren worden, padi planten, zich vermenigvuldigen en sterven. Zelfs waren ze niet in staat een vak dat ze geleerd hadden, goed in de hand te houden. In de steden vond men schoenmakers, die werkten naar modellen; doch naarmate zij voort imiteerden ging het werk achteruit, tot op het laatst ’t model daaruit bijna niet meer kenbaar was.

Neen, dat was geen volk! Dat was een millioenenmassa, waarop een groote vloek rustte. Het hollandsche gouvernement had ten slotte gelijk met dien troep te laten werken en van dat werk te profiteeren; dat was het eenige waar hij goed voor was.

Voor een halte hield de trein stil. Een trein, noemen ze dat! had Voirey al telkens bij zichzelf herhaald; ze mochten wel zeggen een ouderwetsche diligence. Maar dat kwam net goed bij elkaar! In zoo’n land, met zulke bewoners, kon men geen betere overheerschers hebben dan de flegmatieke, langzame Hollanders. Op het perronnetje stond een zestal inlanders, dicht opeen, schoon er wel plaats was voor vier-en-twintig.

De scherpe blik van den veramerikaanschten ingenieur ging met minachting over het vrij havelooze zestal met hun ongekamde haarbossen boven uit hun omgeknoopte hoofddoeken; met hun door het sirih-kauwen vuile en misvormde monden; met hun uniforme ronde, domme oogen in vermoeide gezichten zonder uitdrukking en die slechts verscheidenheid ontleenden aan verschil in vorm en meer of minder bruin.

Neen, in zoo’n land was geen plaats voor menschen van zijn slag, zelfs niet onder de Europeanen. Hij had op fabrieken gelogeerd, en met zijn groote werktuigkundige kennis hier en daar wenken voor verbeteringen gegeven. De menschen waren royaal genoeg en wilden hem zelfs betalen, wat hij niet verkoos. Men was hem zeer dankbaar; men overstelpte hem met vriendelijke attentie’s; men drong er op aan, dat hij blijven zou op Java, waar hij veel geld zou verdienen alleen door het invoeren zijner methoden tot besparing van brandstof en vermindering van slijtage,—maar hij wilde niet; dat was immers in ’t geheel zijn bedoeling niet! Doch overigens waren het geen menschen, met wie hij verder kwam; zij konden heele avonden en halve nachten zitten kaartspelen en verschrikkelijk veel tijd zoek maken met wat hij „niemendal” noemde. Er waren er zelfs bij, die zich met allerlei beunhazerij inlieten op wijsgeerig en wetenschappelijk gebied.... zie, dat begreep hij niet. Een fabrikant was, naar zijn meening, ook niets anders; hij was de man van zaken, met ijver en ondernemingsgeest; die veel geld gaf voor iets, dat in het resultaat belangrijke voordeelen voor zijn zaak kon afwerpen, die „iets” toepaste, maar zich verder niet in den oorsprong ervan verdiepte, overtuigd, dat dit toch slechts een werken was zonder onderlaag.

„Wel?” vroeg Lena toen hij thuis kwam nieuwsgierig.

Hij trok den neus op.

„’t Is hier een akelig land, Leentje.”

„Wel dat is in het geheel niet waar,” zei ze. „’t Is hier een heel goed land.”

„Laat ik er maar geen namen voor zoeken.”

„Och heer, ik weet wel Jan, wat je bedoelt: apenland, niet waar? Die uitdrukking ken ik.”

„Onjuist is ze waarachtig niet.”

„Dat is ze wel. Bij menschen die, zooals jij, ’t land eens doorvliegen en zich dan een opinie daarover aanmatigen, is dat nog zoo erg niet.”

„Merci! Ik moet zeggen hij is zeer ad rem!”

„Van jou kan ik het nog aanhooren, omdat je maar oppervlakkig oordeelt en niet beter weet. Ik kan het je ook niet zeggen, wat het is; het goede in dit land moet men ondervinden, langzamerhand; juist dáárom is het zoo gemakkelijk te loochenen.”

„Ik heb in dat „langzamerhand” geen zin, Leentje.”

„Dat is jouw zaak, Jan. Ik hoop niet dat je me voor zoo aartsdom aanziet....”

„Wel neen, zeker niet. Het tegendeel is waar.”

„Dan moet je me gelooven, als ik je zeg, dat het een goed land is en een goed volk ook. God Jan, zoo’n goed volk!”

Hij zag dat zij tranen in haar oogen kreeg en keek haar aan met groote verwondering. Zij trok hem meê uit de binnen- naar de voorgalerij en wees op een veertigtal inlanders, die bij troepjes achter elkaar langs den weg liepen.

„Die menschen,” zei ze, „hebben geen werk. De koffie-ondernemingen hier vijftien paal vandaan zijn gesloten om de bladziekte; uren moeten ze ’s morgens loopen naar de stad om te zien of ze bij de kooplui en voor de toko’s een daggeldje van veertig cent of zoo kunnen verdienen met het sjouwen van balen en kisten den heelen dag. Maar daar zijn er zeker geen tien, die het gelukt dat werk te vinden. En daar komen ze nu terug tegen den avond, en uren moeten ze weêr loopen voor ze thuis zijn. De meesten hebben den heelen dag niet gegeten. Ze verdeelen het verdiende geld onder elkaar; ook die geen werk vond, krijgt zijn aandeel om rijst te koopen voor zijn vrouw en kinderen. Is dan dat volk bij jullie in Amerika zooveel meer mensch, wanneer het als er geen werk is, raast en tiert als een losgelaten bende bezetenen en met moord en doodslag dreigt?”

Voirey zette zijn lorgnet op en keek aandachtig naar de voorbijgaande inlanders.

„Ja,” zei hij, „ik geloof dat het volk bij ons meer mensch is.”

Zij keek hem met verwonderde oogen aan.

„Het is misschien heel aandoenlijk zoo’n lijdzaamheid aan den dag te leggen, als de inlander doet, maar wij redeneeren niet over zulke dingen met meisjes-gevoel.”

„Misschien doe je beter te zeggen: zonder gevoel.”

Hij lachte.

„Och, zóó gevoelloos zijn we niet. Wij helpen elkaar altijd, als we kunnen, in het ongeluk. Maar wij hebben een hekel aan al wat huichelachtig en sentimenteel is.”

„Ik zie niets daarvan in de wijze waarop die arme menschen hun lot dragen.”

„Dat komt van het bederf der oude maatschappij. Zulk volk zou zijn kinderen van honger zien sterven en er bij blijven toekijken, zuchtend dat God het zoo gewild heeft.”

„Maar wat moeten ze dan doen, Jan?”

„Zich verzetten, stelen, inbreken....”

„Goeje God, Jan, ben je heelemaal krankzinnig!”

Weer lachte hij luid.

„Het zou onplezierig wezen voor je, hè? Nu is het hier erg rustig, nu de kerels met hun eigen hongerige buiken en die van hun vrouwen en kinderen genoegen nemen. Anders zouden ze wel eens hier kunnen komen en nemen uit je goedang, wat ze te kort kwamen.”

„Ik geloof,” zei Lena met een verschrikt gezicht, „dat je een sociaal-democraat bent.”