"Nummer Elf"

Part 6

Chapter 63,977 wordsPublic domain

Er werd met de oogen als ’t ware gewogen. „Wat zie jij er goed uit,” „Wat ben je dik geworden,” „Wat heb je ’n hollandsche kleur meegebracht,” dat zweefde zoo kiri-kanan onder het atappen dak van het oude, zwoegende stoomertje, dat die taal al zooveel jaren kende.

Een bruine oude heer zat naast den stillen passagier, vol innige bewondering te kijken naar ’n knap jong ventje, dat bij hem zat, goed gekleed en met ’n bijzonder studentikoos gezicht; wat was die oude heer gelukkig!

„Hij is toch maar mijn jongen,” zei hij tot zijn eenzamen buurman, die goedig ja knikte met ’n cynischen glimlach om z’n mond; het was ’n rare grappenmaker, die „mijn jongen”; daar had hij gedurende de reis zoo ’t een en ander van gehoord en gezien!

Aan den Boom kwam weer de groote hurrie met bagage, die nagezien moest worden, en haastige menschen, verlangend naar huis.

Ook hier was niemand om den eenzame te ontvangen.

„Rijdt u met me mee naar ’t logement?” vroeg de kapitein.

„Dank u. Ik moet eens informeeren.”

„Kan ik u ook van dienst zijn?”

„Misschien. Kent u de familie Bruce?”

„Bruce?” herhaalde de gezagvoerder met den vinger aan het voorhoofd en de oogen dicht, nadenkend; „Bruce? Neen.... ik kan me dien naam niet herinneren. Wat doen ze?”

„Niets, geloof ik. Rentenieren zoo wat.”

De kapitein vroeg het aan een verificateur.

„Welzeker,” zei deze, die haast had, „ik heb juist van ochtend mevrouw Bruce helpen begraven,”—en hij verdween tusschen de menschen om toe te zien op het lossen van het goed.

„Het is toch geen familie van U?” vroeg de kapitein.

„Ja, mevrouw Bruce was mijn tante.”

„Jongens, dat is geen aangename komst in Indië,”—en de kapitein, die als zeeman ’n beetje bijgeloovig was, keek dezen pechvogel met medelijden aan.

„Ik heb haar vroeger nooit gezien.”

„Was ze ziek?”

„Ja, we hebben daar enkele berichten over gehad; ’t was een langdurig lijden.”

„Gaat u er nu nog heen?”

De vreemdeling aarzelde.

„Ik zou maar voorloopig in ’t logement gaan, mijnheer Voirey.”

„Dat zal ’t beste zijn. Nu, dan wil ik wel met u meerijden.”

De gedienstige mandoer van het hotel was er dadelijk om de zorg voor de koffers op zich te nemen.

Jan Voirey snapte geen „koopje” in den gewonen indischen zin van het woord; maar de gezagvoerder dacht het. Hij wist, dat deze passagier ingenieur-werktuigkundige was, en niet geplaatst bij het alleen zaligmakende koloniaal-bestuur, maar uitgekomen voor eigen rekening.

Wel had hij aan boord, naar het zeggen der machinisten, getoond erg knap te zijn in zijn vak, en beweerden sommigen zelfs dat men moeite zou gehad hebben met een zware reparatie gedurende de reis, zonder de goede raadgevingen van den heer Voirey, maar de kapitein wist wel, door een veeljarige ondervinding, dat capaciteit alleen in Indië niet altijd vond, wat zij verdiende; daar hoorden meer en andere eigenschappen bij!

„En wat denkt u nu aan te vangen?” vroeg hij ’s middags in het hotel.

„Dat weet ik nog niet.”

„Het is niet alles hier in de-n-Oost! Er zijn tegenwoordig aardig wat lui à la recherche d’une position.”

De jonge man keek hem glimlachend aan.

„Ik zal hun aantal niet vermeerderen.”

„U zal toch ook aan den gang moeten komen,” zei de kapitein, wantrouwend in de heldere grijze oogen van Voirey kijkend, als stond deze hem voor den gek te houden.

„Niet op die manier. Als ik hier wat doen ga, gebeurt het voor eigen rekening.”

„Het is tegenwoordig heel moeilijk geld bijeen te krijgen voor particuliere zaken.”

„Misschien wil ik het geld van anderen niet eens hebben.”

De kapitein glimlachte met ’n ongeloovig gezicht; hij had geen blagueur gezocht achter dezen ernstigen jongen man; hij bleef ’n oogenblik heen en weer schommelen op z’n wipstoel, met langzaam bewegen van zijn verweerden kop, en turend door de krees naar den stoffigen weg.

„Het is geen kleinigheid hier zaken te doen voor eigen rekening.”

„’t Zal hier wel net wezen als elders.”

„Dat geloof ik niet. Ik vaar al ’n twintig jaar op Indië en heb er in mijn leven rare dingen over gehoord.”

„Het kost veel geld, bedoelt u.”

„Och, dat bedoel ik nog zoozeer niet. Zaken oprichten kost hier ’n handvol geld,.... maar ik bedoel.... Bent u b.v. een neef van den gouverneur-generaal?”

„Toevallig niet.”

„Hebt u ook ooms in den Raad van Indië?”

„Neen,” zei Voirey, „die heb ik niet.”

„U zult toch allicht ’n tante hebben, die met ’n directeur van een departement is getrouwd?”

„Ook dat niet.”

„Of voor ’t minst geparenteerd wezen aan een of meer residenten of hoofdambtenaren te Batavia?”

„Niets, niemendal, commandant! Mijn eenige bloedverwante was mevrouw Bruce, en die is dood. Maar wat wilt u met dat alles zeggen?”

„Kijk eens, mijn waarde heer: ik weet het niet, zie je, maar ik heb zoo wel eens hooren beweren, door menschen van ondervinding en die het ten minste konden weten, dat men om hier particuliere industrie te kunnen drijven, steun moet hebben door bloedverwantschap. Dan krijgt men alles gedaan, ook het onzinnigste; heeft men die niet, dan wordt men stelselmatig tegengewerkt en krijgt niets gedaan, ook niet het billijkste.”

„Dat zal wel overdreven zijn.”

„Best mogelijk! Ik zei het u immers, ik weet het niet; ik heb het maar van hooren zeggen; lieg ik, dan doe ik het in commissie; maar die committenten, daarvoor sta ik in, waren menschen van ondervinding.”

„En daar zou men dus met slagen, als.... Permitteer me commandant, dat ik uw mannen van ondervinding houd voor het genre: indische mopperaars.”

„Het is mogelijk. Ik zal het u niet opdringen.”

„Misschien ga ik over een maand of wat weer terug. Ik ben aan niets of niemand gebonden. Ik zal eens rond zien hier en daar, en als ik denk dat een machinefabriek op kleiner of groote schaal hier lukken zou...”

„Maar mijn beste heer, dat kost kapitalen.”

„Ik zeg u, dat dit het bezwaar niet is.”

„Meent u dat in ernst?” vroeg de kapitein, thans half en half teruggekomen van zijn eerste gedachte, dat het maar bluf was.

„Natuurlijk! Ik maak nooit aardigheden over zulke zaken. Maar zooals ik zei: ik weet in het geheel nog niet wat ik doen zal.”

„Maak u in elk geval eerst vrienden. Zoek de hoogste connecties, die gij bereiken kunt.”

Doch de ingenieur schudde onwillig het hoofd; zijn vooruit gestoken lippen en gefronste wenkbrauwen teekenden scherpen weerzin.

„Als ik er langs dien weg zou moeten komen, dan bedank ik er voor.”

„Ik mag lijden, dat u het zonder dien weg af kunt; maar...?”

„Wat wou u vragen?”

„Och niets! u zult zeggen, en terecht, dat ik me bemoei met eens anders zaken.”

„Welnu,” zei Voirey. „Ik zie niet in, dat dit zoo erg is; het zou ’n rare wereld zijn, als de menschen zich in ’t geheel niet met elkaârs zaken wilden inlaten.”

„Dat is waar;” en zeer ernstig tegenover deze wereldwijsheid, die bij hem „pakte”, herhaalde de kapitein; „dat is wel waar; het zou er al heel beroerd uitzien.”

„Vraag dus maar op, commandant.”

„Waarom wilt u nu juist uw geld naar Indië brengen?”

„Ik begrijp de vraag niet; vooral niet van uw kant.”

„Nu ja, wij zijn natuurlijk blij, als er leven en vertier is; hoe meer hoe liever.”

„En ik zie niet in, waarom ik daar niet wat zou toe willen bijdragen, in plaats van het onder vreemden blijven zoeken. Daar heb ik zoolang onder gezworven! En in Holland zelf wil ik niet wezen; dat is me te benauwd.”

De kapitein sprak er niet verder over. Hij had met dezen passagier al eens meer gepraat; er was één onderwerp, waarover zij het nooit eens konden worden; de zeeman had een groote liefde en vereering voor het „dierbaar plekje”; de ingenieur sprak er altijd met de grootste geringschatting over. Op dat terrein liepen ze elkaar mis.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE ONTVANGST BIJ DE BRUCE’S.

’s Avonds kleedde zich Voirey, nam een wagen en reed naar de Bruce’s.

Het was donker voor. De oude heer liep heen en weêr in zijn kamer en zuchtte. Welk een soesah! ’t Was om er gek van te worden! Wat zat hem die Weeskamer dwars! Die maalde hem aan het hoofd over inventarissen en andere paperassen, en dááraan was hij geheel ontwend. Hij werd bleek van schrik, als hij iemand het erf zag opkomen met een portefeuille onder den arm. „Dat is er zeker weêr een van de Weeskamer,” dacht hij dan; het denkbeeld occupeerde hem zoo sterk, dat hij den dood van zijn vrouw er geheel door vergat. En dat alles, zoo redeneerde zijn onvergankelijk egoïsme, voor niemendal. Want hijzelf was weêr gewoon teruggebracht tot zijn pensioentje; geen duit kreeg hij, en nu mocht hij het werk doen! Een ware schande!

Leentje was boven op haar moeders kamer. Zij had een kast opengemaakt en snuffelde er zoo’n beetje in. En terwijl ze keek in oude, geel geworden stukjes papier, in geheimzinnige pakjes, tusschen sachets zonder geur, en zilveren doosjes zonder glans, met fijne haarvlokjes hier en eerst gewisselde kindertandjes dáár,—was het of haar ’n beeld van het goed en eenzaam leven harer moeder langs de oogen gleed; het leven vol liefde; zorg en opoffering voor haar huisgezin en haar kinderen; het leven, zoo goed geweest, en onder zoo’n schrikkelijk lijden geëindigd! Nu en dan, terwijl ze bezig was een haar bekend of onbekend souvenir onder het schijnsel der lamp te bekijken, schrikte ze plotseling op; dan kreeg haar de macht der gewoonte, en was het voor haar gehoor ’n oogenblik alsof door de kamer nog het klagend, fluitend geluid zweefde van de steunende ademhaling harer moeder.

Beneden in de achtergalerij leerden de kinderen hun les voor school, alsof er niets was gebeurd. Nu en dan babbelden zij over de begrafenis; ze hadden verschil over het aantal rijtuigen, en zij zouden er om gevochten hebben, als ze hadden gedurfd. Nu durfden ze niet, maar keken elkaar aan met woedende blikken, en trapten elkaar stilletjes onder de tafel met hun bloote voeten.

De groote jongens zaten in het kleine galerijtje voor het paviljoen, dat ze bewoonden, samen, in het donker in nachtbroek en kabaai, de voeten hoog op het hekje, een pijp te rooken.

Zij bespraken wat hun te doen stond, zij hielden in ’t geheel niet van hun vader. Sedert zij zelf een tractement verdienden op hun kantoren, en dat met goedige eerlijkheid trouw aan Lena verantwoordden, was hun afkeer van den vader toegenomen. Ze kwamen wel niet tegen hem in opstand, maar ze behandelden hem met de grootste onverschilligheid en wisselden haast geen woord met hem. Doch onder elkaar praatten zij over hem en ze waren reeds zóóver, dat ze hem dan aanduidden met den hoogst oneerbiedigen naam van „opvreter.” Zij hielden nu een ernstige discussie, zachtjes, de stoelen dicht bij elkaar; en ze kwamen tot de slotsom, dat ze bij den opvreter niet wilden blijven. Maar Leen dan? Daar zwegen ze op: ze wilden het voor elkaar niet weten; ze waren nooit heel lief voor Lena, er was geen zweem van vertoon of aanstellerij, integendeel. Doch de gedachte aan haar verdreef toch ineens alle plannen voor een vrije levenswijze in de naaste toekomst.

De bediende had bij Bruce aan de deur getikt; er was tamoe.

„Zijn het dames?”

„Neen, een heer alleen.”

„Is het een bekende heer?”

„Neen een vreemde meneer, met ’n zwarte jas aan.”

Een naar gevoel overviel Bruce; wie weet of dat weer niet zoo’n beroerde kerel van de Weeskamer was! Dat dreigde zijn cauchemar te worden.

Maar een van de kinderen, die iets had gehoord, was naar naar voren geloopen en bracht nu een kaartje met „Jan Voirey, ingenieur” er op.

Stil bekeek Bruce het. Hij vertrouwde het niet. Iedereen kan wel ’t woord „ingenieur” op ’n kaartje laten drukken; hij, oud-ambtenaar, erkende geen ingenieurs, dan die behoorlijk van Regeeringswege waren aangesteld. De rest was maar larie. Wat kan me die vent schelen. Het was er waarschijnlijk een die kwam om te halen; daarvoor toch alleen kwam iedereen naar de-n-Oost.

„Laat maar ’n lamp aansteken,” zei hij zuchtend, en ging terug in zijn kamer om zich te kleeden. Doch hij bedacht zich. Waarom zooveel complimenten tegenover een neef van de vrouw, die hem niet eens haar vermogen of een deel daarvan had nagelaten? Bij die gedachte smeet hij met kracht zijn schoonen witten pantalon weer in de kast, en zijn gekreukte kabaja wat recht trekkend ging hij naar voren.

„Je bent ’n neef van mijn overleden vrouw, hè?” zei Bruce op een toon alsof hij dat kwalijk nam.

„Ja. Ik kom hier onder ongunstige omstandigheden.”

Daar heb je het gedonder al! dacht Bruce die, nu hij er zoo kaal was afgekomen, aan niets kon denken dan aan geld; en knorrig zei hij, met ’n onbeleefde halve omwending en driftig, ’n beetje stotterend:

„Ja, hoor eens; u moet me niet kwalijk nemen, maar ik kan daar niets aan doen.”

„Neen, dat begrijp ik,” zei Voirey, verbaasd, niet wetend wat die onvriendelijke uitval beduiden moest.

„Als je dat dan maar begrijpt. Het is hier ook niet alles!”

Maar dat begreep de ingenieur nu weer niet.

„Hoe bedoelt u dat?” vroeg hij.

„Me dunkt, dat het nogal duidelijk is; ik houd er niet van de menschen te doen gelooven, dat ze van ons iets te wachten hebben.”

Voirey begon nu te begrijpen; hij lachte weer stilletjes op zijn bijzondere manier, zijn mond van den eenen kant naar den anderen trekkend als stond hij wijn te proeven als een keurder van het vak.

„Ik had gedacht,” zei hij, „dat u me uit de verlegenheid zoudt kunnen helpen.”

„Daar is geen quaestie van. Waarom ben je niet in Holland gebleven of in Amerika?... Je hadt ergens anders wel een betrekking kunnen zoeken. Je hebt zeker gedacht, dat het hier de „zoete inval” was.”

„Ja, dat dacht ik zoo.”

Daar stond Bruce gek van te kijken. In elke richting was er boven zekere grens iets, waardoor hij overbluft werd. Deze verregaande onbeschaamdheid zette hem schaakmat, en hij was blij, dat Lena in de voorgalerij kwam om hem te verlossen van een tête à tête met dien jongen man, wiens blinkende staalgrijze oogen hem nog zenuwachtiger maakten.

„M’n dochter Lena,” zei hij voorstellend. „Meneer Voirey, een neef van wijlen mama.”

Zij reikte hem de hand.

„Welkom in Indië, neef. Het is erg treurig dat ma u niet meer heeft kunnen zien.”

„Ik had er op gehoopt, maar ik wist, dat tante ernstig ziek was.”

„Blijf niet staan hier! Waar is uw goed?”

„In het logement.”

„Waarom?”

„Wel het is heel eenvoudig,” zei Bruce net alsof het ’n aardigheid was, „waar iemand logeert, daar is zijn goed.”

„Ik ben van ochtend aangekomen,” antwoordde Voirey, „en ik hoorde aan den Boom, dat tante gister was overleden. Heeft ze veel geleden?”

„Verschrikkelijk! Je kunt me gerust gelooven Jan—ik zal maar Jan zeggen,” interrompeerde zij zich, ’n beetje verlegen over zooveel familiariteit, bij zoo weinig bekendheid—„dat ik dikwijls God gebeden heb haar te verlossen; haar dood is een verlossing geweest, ik was daar zoo diep van overtuigd.....”

„Je hebt haar zeker opgepast?” vroeg Voirey met deelneming in z’n stem, toen Lena in haar tranen bleef steken.

Zij knikte met het hoofd.

„Maanden lang. Ik ben blij, dat ik haar niet aan vreemden heb overgelaten; ik weet dat het haar aan geen zorg heeft ontbroken.”

Jan Voirey troostte haar; zij spraken samen over de overledene, alsof zij oude bekenden waren; hij wist van zijn vader bijzonderheden uit de jeugd harer moeder, die zij ook wist, geheel of ten deele; zij behoorden tot één familie, dat stond vast; dat bleek uit alles; ook de jongens kwamen naar voren, vriendelijk en met ingenomenheid voor dezen neef, die net heette als mama had geheeten; die op hen allemaal geleek alsof hij ’n broer was, en die ’n ingenieurstitel op z’n kaartje had staan. En Bruce zelf, woedend inwendig, nu en dan zijn forsche gestalte oprichtend en zijn bakkebaarden strijkend, wierp om geen gek figuur te maken er nu en dan een woordje tusschen, zonder dat daar eigenlijk notitie van werd genomen.

„Je komt toch zeker bij ons logeeren?” vroeg tot zijn ergernis, Lena haar neef.

„Dat is niet mogelijk,” zei Bruce. „Het staat niet voor het publiek, als er geen vrouw des huizes is.”

Lena haalde de schouders op en zei snel:

„Nonsense, pa. In het paviljoen is nog een heel goeie kamer; ik zal die in orde laten maken. Daar kan neef Jan best logeeren.”

„Dank je wel,” zei deze. „Het is heel vriendelijk, maar ik zal er geen gebruik van maken.”

„Maar waarom niet?”

„Heusch niet! Het is beter, dat ik in het logement blijf.”

Bruce dacht een oogenblik na. Het scheen, dat deze neef een onbeschaamde berenmaker was. Dat bezat geen sous, verkeerde in „treurige” omstandigheden, zooals hij zelf had verklaard, en bleef „maar liever” in het logement!

„Mama zou het niet gewild hebben. Je bent de eenige bloedverwant, dien we ooit in Indië hebben gekend.”

„Weet je,” zei Voirey, thans op zijn beurt een beetje verlegen. „Ik wil het wel doen, maar onder een voorwaarde. Ik ben lang in Amerika geweest, en daar zijn we zakelijk openhartig. Uit oom’s woorden heb ik opgemaakt, dat.... enfin, dat het niet rooskleurig gesteld is met de financiën. Laat mij dan het mijne bijdragen; het hindert mij in ’t geheel niet. Integendeel. Anders zou ik niet kunnen komen.”

Bruce was vuurrood geworden; Lena zoo wit als ’n doek; de broers keken woedend en verlegen.

Met haar scherp voorstellings-vermogen dadelijk begrijpend wat er zoo ongeveer was voorgevallen tusschen die twee, vóór zij erbij was gekomen, voelde zij te gelijk welk een mal figuur haar vader maakte. Zij kon hem daar niet in zoo’n verlegenheid laten zitten.

„Nu, dat zullen we wel vinden!” zei ze snel. „Dat komt vanzelf terecht. Het is dus afgesproken, dat ik morgen de logeerkamer in orde laat maken.”

„Wel zeker,” zei Bruce, zonder precies te weten, wat hij zei. „Wel zeker, dat komt vanzelf in orde.”

Voirey had wel gezien, dat iets niet in den haak was. Het had hem trouwens verwonderd, dat deze stief-oom zoo spoedig, zoo ongevraagd en geheel tegen de regelen van de altijd hoog-geroemde indische gastvrijheid, zijn leege portemonnaie omhoog had gehouden.

„Het zal misschien niet voor lang zijn,” zei hij. „Ik ga heel gauw een reisje maken in de binnenlanden.”

„Natuurlijk,” stemde Bruce toe, „hoe gauwer onder dak, hoe beter.”

„Misschien wel; het zal ervan afhangen.”

„Waarvan?”

„Van de omstandigheden. Vallen die meê, dan blijf ik; zoo niet dan ga ik weer terug.”

„Als je geen betrekking kunt krijgen....”

„Toch niet. Als ik zie, dat er geen plaats is voor ’n machinefabriek.”

„Een fabriek! Wou jij een fabriek oprichten, hier in Indië,” riep Bruce met een spotlach. „Waarschuw me dan, als het een naamlooze vennootschap wordt; dan neem ik er geen aandeelen in.”

„Het zal niet noodig zijn. Als ik het doe, gaat het uit eigen middelen; anders doe ik het niet.”

De jongelui keken hem aan met bewondering; de oude heer glimlachte met op zijn manier een erg slim gezicht.

„Eet je ’n bordje soep mee?”

Maar neef Voirey bedankte en ging naar het hotel terug.

’n Paar dagen nadat hij zijn intrek had genomen in de buiten-logeerkamer der Bruce’s, was het ’n heel praatje op de plaats. Er werd niet weinig overdreven. Een neef van de pas gestorven mevrouw Bruce; onverwacht overgekomen; millionnair; ingenieur van beroep en fabrieken-oprichter uit liefhebberij! Men deed moeite om hem te zien te krijgen. Het regende bezoeken van rouwbeklag, zelfs van families, die men maar heel oppervlakkig kende. Dames en heeren kwamen, gingen zitten, en keken Bruce aan en Lena, eigenlijk niet goed wetend, welke gezichten ze moesten zetten om een deelneming te betuigen die gehuicheld was uit nieuwsgierigheid. Slechts als Voirey kwam en was voorgesteld, ontspon zich een gesprek, waarin men met vragen zoover ging als fatsoenshalve maar mogelijk was, en waarop hij zoo weinig antwoordde, als de beleefdheid veroorloofde. Men vond hem „gesloten.”

„Wil ik je eens wat zeggen?” zei Bruce, toen ze alleen waren, tegen zijn dochter. „Die Jan is een slimme rakker.”

„Waarom?” vroeg ze, weinig gesticht over de qualificatie.

„Hij weet op alles te antwoorden, en toch zegt hij geen woord meer dan hij kwijt wil wezen.”

„Daarin heeft hij groot gelijk.”

„Apropos. Leen, het is toch maar gekheid, hé? Je zult hem niets laten betalen.”

„Zeker niet. Ik heb het hem al aan ’t verstand gebracht van middag. Wat hadt u toch gezegd?”

„Och, zie je, ik was niet in mijn humeur, en ik dacht, dat hij ook al.... zoo’n presentkaasje was.”

Voirey kwam nog even terug uit zijn kamer in de achtergalerij. Bruce zat dwars op de groote eettafel met zijn pijp in den mond, terwijl Lena haar huishoudboekje bijschreef.

„Ik ben bezig mijn koffers te ontpakken, en ik heb nu gevonden, wat ik uit New-York voor je heb meegebracht.”

Hij gaf haar een bruinleeren doos, en zij schrikte toen ze die open deed, zoo fonkelde in het licht der lamp een groote diamant op de sluiting van een fijn bewerkten maar eenvoudigen gouden halsketting haar tegen.

„Is dat voor mij?” vroeg ze met groote verwonderde oogen.

Voirey knikte glimlachend.

„Als het je bevalt. Anders is er wel wat anders te krijgen.”

„Het is te gek,” zei Bruce. „Wat ’n pracht van een steen!”

„Ja,” meende ook Lena. „’t Is zoo’n groot cadeau.”

„Nu, voor het eenige petekind van mijn moeder mag het wel in orde wezen. Als het je erg aanstaat, geef me er dan een zoen voor.”

Met ’n kleur als vuur, deed ze het, terwijl haar vader met den collier om de hand, den steen liet draaien onder het licht en bij elk verschieten der kleuren en lichten bij zichzelf herhaalde.

„’t Is kolossaal, ’t is kolossaal!”

En toen Voirey, die gauw weêr naar zijn half ontpakte koffers ging, weg was, zei hij heel ernstig en niet zonder vrees.

„Berg hem vooral goed op: ik taxeer hem op twee mille.”

Zij ging naar haar kamer met ’n kloppend hart; niet, dat ze zooveel gaf om kostbare sieraden,—dat niet; ze wist zelf niet hoe het kwam, dat ze zoo zenuwachtig was geworden, door dat geschenk. Misschien was het door dien kus. Maar dat kon toch haast niet, dacht ze; hij was immers haar eigen neef. Toch kon ze er niet van slapen, en het was niet onmogelijk, dat ze, toen ze eindelijk insliep, dáárdoor droomde; maar geen aangename droomen; nare benauwde nachtmerrie’s, die haar telkens weer deden wakker schrikken, geagiteerd, met bevende handen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DOOR EEN GAATJE KIJKEN EN DE GEVOLGEN ERVAN.

Ook de diamant, deed in de publieke verbeelding zeer vergroot, de ronde.

’t Was een ware roman; haast ongelooflijk!

’t Zal wel een mop wezen, zei George Vermey, toen hij het wonderlijk verhaal van den millioenen ingenieur hoorde in de sociëteit; maar daartegen protesteerde de heele gemeente zóó sterk en met zooveel verhalen over de enorme credieten, die Voirey bij de agentschappen der banken geopend had, dat Vermey ten slotte alles geloofde, en een innig verdriet voelde over zijn anders nooit diep gevoelde blauwtje. Wie weet, dacht hij, vraagt hij haar niet! Nu, hem zal ze dan wel nemen uit.... liefde. Zoo zijn die nobele, fatsoenlijke meisjes!

Hij zou er graag het zijne van gehad hebben, maar dat was moeilijk. Wel was hij op de begrafenis van mevrouw geweest en had ook Lena gezien en gecondoleerd, en had niemand ook slechts in het minst getoond, dat er aan de oude vriendschappelijke verhouding iets haperde, maar toch kon hij geen familiaar bezoek brengen, en kreeg hij in z’n eentje een kleur als hij eraan dacht.

In het „huisje” woonde Yps niet meer, en hij niet langer in het logement. Hij was, zeker voor de twintigste maal, verhuisd; altijd inboedels koopend en verkoopend, soms op venduties, soms onder de hand, steeds met vermeerdering zijner beren.