Part 8
„Dat weet ik niet,” zei hij. „Van staatkundige theorieën en groote woorden heb ik altijd een afschuw gehad. Dat brengt mijn vak mee. Ik zeg alleen, dat een volk geheel of gedeeltelijk berustend in hongerlijden, geen verzameling menschen is, maar een collectie vervloekte wezens, niet anders waard dan galg en rad.”
Voirey had zich voor het eerst opgewonden. Zijn radicalisme klonk door de kalme voorgalerij met de door geen windje bewogen plantjes en de tot rustigheid stemmende dikke pilaren, als een soort heiligschennis. Zijn heele figuur in driftige groote stappen over het marmer op en neer, met de vierkante magere schouders en de weerbarstige steile haren, hoorde daar niet thuis. De avondzon ging lieflijk onder met duizenden lichtspelingen naar alle zijden in de lucht, een kleurenschat vol afwisseling, waaraan geen nuance ontbrak; onder de groote asem-boomen met hun fijn bladwerk en de waringins met hun zelf-draperieën viel de duisternis zacht-grijs schemerend in; en op den weg gingen de donkere figuren der inlanders onhoorbaar zacht in hun bijna naaktheid, moe en hongerig naar huis.
Droomerig had Lena daar ’n oogenblik naar gekeken en toen weer naar haar vreemden neef met zijn huiveringwekkende stem.
„De pendule gaat zes minuten achter,” zei Voirey, op zijn horloge kijkend.
„Ik zal haar van avond gelijk zetten met het schot.”
Hij keek haar medelijdend aan.
„Laat mij dat maar eens doen zonder het schot. Dat is ook zoo typisch hier in Indië, dat schot!”
„Wil je een kop thee?”
„Als het Java is, dan ja.”
„Zie je, Leentje,” ging hij voort met kleine teugjes drinkend, „het is zoo jammer, een volk zoo beroerd te zien, als je nagaat wat het wezen kon. Waarom leggen die lammelingen zich nu niet op wat anders toe, dan die kinderachtige rijstcultuur en nog zoo’n beetje onwaardig goed? Wat goede zaken kan niet de landbouw hier voortbrengen: mooie suiker, uitstekende koffie, prachtige thee, goede tabak, fraaie indigo,—maar dat werpt zich unaniem op rijst en nog eens rijst,—het slechtst loonend product, en laat de rest maar aan vreemden over.”
„Het helpt hun toch niet, Jan. Als ze wat meer deden en geld verdienden, werd het hun toch op de een of andere manier afhandig gemaakt.”
„Juist, omdat.... ze zulke ellendelingen zijn. Zoo draait men in een cirkeltje. Neen, Leentje, je zult mij niet brengen tot ook maar een greintje genegenheid voor die menschen.”
Doch zij gaf het niet op.
„Zij zijn altijd onderdrukt geweest, Jan; eeuwenlang en het ergste onder het bestuur van hun vorsten in vroeger tijd.”
„Dat is een argument,” zei hij na eenig nadenken. „Als de „fut” er zoolang achtereen is uitgehaald, ja.... het is ongelukkig voor een volk, maar het is en blijft een waarheid; elk volk heeft wat het verdient: niets meer, niets minder.”
Zij gaven elkaar geen gelijk; zij hield nu eenmaal van de inlandsche bevolking, die hij minachtte. Maar het deed hem goed iemand te hebben thans om een verstandig woord mee te spreken, want zijn oom.... nu, hij begon haast blij te zijn, dat hij zijn tante niet bij levenden lijve gekend had. Hoe kon een vrouw zoo’n onbeduidenden man nemen en dan nog wel als tweede man! En Lena, die voor het eerst in haar leven zulke barre levensbeschouwingen hoorde, als die van haar neef, wist soms niet, hoe zij het had, maar deed in geen geval van haar eigen denkbeelden afstand.
Als de oude Bruce er bij zat, zweeg hij gewoonlijk en liet het gesprek over zulke dingen maar aan de jongelui over, van tijd tot tijd heel wijs glimlachend, als wist hij van al die zaken veel meer dan hij zeggen wou en dan zij beiden; maar het was niet waar, want hij had daarover nooit nagedacht toen het tijd was om met denken te beginnen, en nu kon hij het niet meer. Maar het verheugde hem erg. Die twee, dacht hij, zouden zeker wel een paar worden, en die waarschijnlijkheid lachte hem zoet-zalig toe. Welk een flinke steun zou hem die schoonzoon-millionnair zijn! Nu reeds was hij hem, Bruce, zoo’n steun! Want de oude heer had zich tot taak gesteld de lekkere sigaren te rooken van zijn neef, en zijn neefs bier en brendy te drinken. Lena was er woedend om, maar daar stoorde hij zich in het geheel niet aan, want, zei hij, het kon beter van een groote stad, dan van een nederig dorpje.
Maar Lena dacht niet aan haar neef als aan een huwelijkscandidaat, noch hij aan haar als een meisje, dat hij wilde vragen. Het denkbeeld kwam zelfs niet bij hem op. Hij hield veel van haar, als van een zuster; hij zou haar met plezier een deel van zijn vermogen hebben afgestaan, als zij dat noodig had gehad, maar daaraan had zij immers geen behoefte; zij had geld.
En ze werd in den laatsten tijd door anderen het hof gemaakt. Ineens was de aandacht op haar gevallen; dat alles had de reputatie van den neef-millionnair gedaan!
Ze zaten in den vooravond met hun drieën bij elkaar en Voirey was aan het woord over zijn reis toen niemand anders dan George Vermey in ’n lange zwarte jas, tiré à quatre épingles, de galerij op kwam. Hij zag ’n beetje bleek; hij groette ’n beetje stijf, maar hij was overigens glimlachend en goedsmoeds.
„Ik kom u goeden dag zeggen,” zei hij.
„Zoo!” zei Bruce, „ga je er van door?”
„Ja, ik moet wel. Ik kan hier nergens ’n positie vinden.”
Lena had medelijden met hem.
„Hoe is het mogelijk?” zei ze om toch iets te zeggen. „Er wordt altijd zoo gevraagd naar geschikte menschen.”
„Och, het is hier minder de quaestie van geschiktheid. Ik ben onmogelijk gemaakt; dat is alles.”
Voirey lachte, stekelig hard.
„Dat kan ik begrijpen,” zei hij. „Dat is, dunkt me, net iets voor ’n land als dit.”
„En hoe is dat in z’n werk gegaan?”
Een oogenblik aarzelde Vermey. Doch, dacht hij, wat deed het er ook toe! Waarom zou hij discreet wezen?
Hij vertelde het met illustratie, natuurlijk. De gewone, droge werkelijkheid was iets, waartoe hij zich niet kon bepalen. Zijn chef was hem voor geweest bij ’t solliciteeren hier en daar; hij had alle andere chefs van kantoren en handelshuizen tegen hem in het harnas gejaagd.
„Het is een gemeene streek,” vond Voirey.
En Bruce bekrachtigde dat door te beweren dat het „verdomd” gemeen was, wat gemeener scheen dan gewoon gemeen.
„Maar in zijn plaats had ik u ook ontslagen,” zei de ingenieur.
Daar keken allen vreemd van op.
„Zeker. Van laster en oude wijven-praatjes heb ik een afkeer. Men doet onder mannen een zaak af, en daarmee uit. Doch een employé moet niet den spion spelen tegenover zijn chefs. Wat zij doen, raakt hem niet. Hij heeft slechts zijn werk te verrichten, en als daarbij niets onbehoorlijks wordt gevorderd, dan heeft hij enkel te doen wat hem wordt opgedragen.”
„Het was de schuld van dien lammen kerel, dien Esreteip,” excuseerde Vermey. „Hij had me nieuwsgierig gemaakt.”
„En waar gaat het nu heen?” vroeg Bruce.
„Ik zal het te Batavia eens probeeren.”
„U hebt nooit iets gedaan aan werktuigkunde of zoo?” vroeg Voirey.
„Neen, dat ligt geheel buiten mijn line of business.”
„Maar u spreekt engelsch naar het schijnt.”
Op dat gebied was Vermey wezenlijk thuis; voor zijn talen stond hij in.
„Ja; fransch en duitsch ook.”
„Zoover heb ik ’t nooit kunnen brengen; fransch vind ik zoo’n gekke taal! Nu, als ’t u te Batavia niet mocht lukken, schrijf me dan maar eens. Mijn familie hier weet altijd mijn adres, en het zal u wel hetzelfde zijn hier op Java te wonen of elders.”
Vermey was erg onderdanig en dankbaar, wat Lena nog meer medelijden met hem krijgen deed. Zij had wel het heele gewicht gevoeld van den superioriteit-toon, die sprak uit de beschermende woorden van Voirey.
Bij het heengaan was zij erg hartelijk tegen George.
„Ik hoop, dat het u goed mag gaan, meneer Vermey; als wij iets voor u kunnen doen, schrijf het dan, ja?”
Hij zag haar met een opwelling van oude donjuannerigheid, diep in de oogen, en zei:
„Dankje, Lena.”
Doch hij had ernstiger zaken te doen en daarvoor wenkte hij Bruce, die ’n eindje met hem meeliep het erf op.
„Zeg, ouwe heer, je moet me zien te lappen. Ik kan er anders waarachtig niet komen.”
„Als ik kon met plezier.”
„Ik moet tweehonderd gulden hebben, hoog noodzakelijk. Anders kan ik onmogelijk weg en ik moet weg; mijn passage is al genomen.”
„Wezenlijk Vermey, ik heb het zelf niet. Waar zou ik het vandaan halen? Maar ik zal voor je probeeren. Morgenochtend zal ik je kabar sturen.”
’s Avonds vertelde Bruce het aan Lena; haar eenmaal opgewekt medelijden kende nu geen grenzen meer. Kasian, zat hij zoo aan lager wal! Dàt was verschrikkelijk. Zij haalde het geld uit haar eigen trommel en gaf het haar vader.
„Breng het hem morgen zelf pa, maar asjeblieft een bewijs op zegel.”
„Vertrouw je me niet?” vroeg hij geraakt.
„Welzeker; maar me dunkt, dat ik dat wel voor ’t minst mag vergen, waar het mijn geld betreft.”
George Vermey had er niet op gerekend. Hij stond ervan te kijken.
„Och,” zei Bruce tegenover hem gaande zitten en gezellig aanschuivend bij een knaapje in de achtergalerij.
„Och, ze is nog zoo kwaad niet.”
Hij was opzettelijk tegen twaalf uren gekomen; vroeger wist men niet wat te gebruiken; tegen de rijsttafel was ’n bittertje geoorloofd.
„Ik ben er verlegen mee,” zei Vermey met ’n kleur op z’n gezicht de bankbiljetten bij zich stekend.
Bruce maakte een zijwaartsche beweging met zijn grijzen krullebol, die zoo iets moest beduiden als: je bent ’n lieve jongen om verlegen te zijn.
„Had je al eens dezen en genen aangepompt?”
„Natuurlijk! Maar heel toevallig zaten ze allen op zwart zaad.”
„Dat is altijd zoo. Als je geld noodig hebt, kun je ’t nooit krijgen; als je ’t niet meer noodig hebt, heeft iedereen het voor je.”
„Jullie waart mijn laatste toevlucht, maar ik had heusch niet gedacht, dat het iets zou baten.”
De oude lachte, dat het kraakte door de lucht in de kleine galerij; hij wreef zijn handen genoeglijk.
„Zal ik je wat zeggen?”
„Ga je gang,” antwoordde George met gelatenheid en achterover leunend in zijn stoel.
Maar de oude antwoordde zoo dadelijk niet; daarvoor was hij aan een veel te ernstige bezigheid; langzaam druppelde hij, de witte wenkbrauwen saamgetrokken en met kennersblik, het bitterextract in een glaasje.
„Je bent ’n stommeling.”
Na deze ontboezeming schonk Bruce er jenever bij; bekeek zijn bittertje met ’n streelenden blik vol genot tegen het licht, dronk het langzaam leeg, bracht zijn mond in een toetje naar voren, knipoogend tegen Vermey, die op- en neêrwippend eenigszins mismoedig nadacht over de groote waarheid, die zoo weinig vleiend was voor zijn geestelijke vermogens.
„Pakt-ie?” vroeg hij haast onwillekeurig toen hij het gezicht zag van den ouden heer.
Bruce knikte genoeglijk.
„Kerel, hij pakt zoo!.... Zie je, dat kan ik nu thuis niet doen zoo’n gezellig paitje drinken. Vooreerst moet het bij Leen altijd fatsoenlijk wezen, en moet ik druppelsgewijze drinken alsof het iets van den apotheker is. En Jan Voirey houdt er niet van; hij kijkt met zijn eigenwijs millionnairs-bakkes naar ’n bittertje of het voor de ganzen is gebrouwen.... Jongens, jongens, Vermey je bent zoo’n stommeling.”
„Ik zou er nog eentje nemen, als ik u was.”
„Wel waarachtig, zal ik dat.... Je hadt het niet zoo dadelijk moeten opvatten als een afwijzing.”
„Ik wou, dat je het maar eens hadt gehoord.”
„Nou ja, daar weet ik alles van.... Maar je hadt geduld moeten hebben. Ze zijn zoo’n beetje sikkeneurig, weet je. Men moet zich niet zoo dadelijk daaraan storen.... De aanhouder wint, zie je, en Vader Cats zei....”
„Dus u denkt, dat als ik nog aanhield?”
„Hè wat? Nog aanhouden? Nou nog?”
„Ja, u zegt zelf....”
’t Was of de oude heer Bruce bevroor, en zijn witte bakkebaarden en haren een portie ijs vormden bij wijze van verband om een versteven gezicht gelegd.
„Dàt wil ik niet zeggen.... ik spreek van toen. Toen was toen en nu is nu.”
„Ik zal te Batavia wel weer ’n betrekking krijgen.”
„Best mogelijk Vermey, maar dat is ’t nog niet. Je.... je bent zoo schrikkelijk hard van hoofd....”
„Toch niet. Ik geloof, dat ik u heel goed begrijp. Die meneer Voirey hè?”
„’n Man met een millioen; geen guldens,—dollars, meneer!”
„Het is te gek.... haar eigen neef?”
Bruce werd kwaad.
„Haar eigen neef? Wat zou dat? Zeg, ben jij nou heelemaal van Lotje....”
Maar Vermey, die intusschen ook ’n bittertje had gedronken, gaf zich niet gewonnen.
„Haar eigen neef,” herhaalde hij den neus optrekkend. „’t Is bloedschande!”
Het was een woord, dat den ouden Bruce razend maakte van woede; zijn oogen werden rood.
„Als je dat nog eens zegt,” riep hij met zijn dreunendste stem, „dan zal ik je er een op je oogen geven, die je lang zal heugen, hoor! Hier, hier in je eigen huis!”
George was ervan geschrikt; dat was in ’t geheel zijn bedoeling niet. Hij deed zijn best den ouden heer tot bedaren te brengen. Maar het kostte geweldig veel moeite, want hij had hem in zijn lievelingsplan getast; het ideaal aangegrepen, dat hij in den laatsten tijd zoo streelde en koesterde: Voirey als schoonzoon en altijd vrij wijn, bier en sigaren!
In vrede scheidden zij, maar Bruce was toen hij thuis kwam, toch nog opgewonden.
„Waar is de schuldbekentenis?” vroeg Lena.
Verlegen en ontsteld keek hij haar aan. Die had hij heelemaal vergeten! Dat kwam van de ellendige praatjes, van dien Vermey, en omdat hij zich kwaad had gemaakt. Hij putte zich uit in verontschuldigingen, wierp alle schuld op George, en om haar van de waarheid te doordringen, herhaalde hij zoo goed en kwaad als het ging, hun gesprek. Zij luisterde met belangstelling. Dat zij zoo’n prijs stelde op de schuldbekentenis, was meer uit een begrip van orde en regel, zeer sterk bij haar ontwikkeld; om het geld zelf kon het haar weinig schelen en het interesseerde haar veel meer te hooren, dat Vermey den moed nog niet scheen op te geven, ondanks zijn treurige omstandigheden en zijn afhankelijkheid.
„Vond hij het bloedschande?” vroeg ze. „Nu, misschien heeft hij gelijk; in elk geval ik heb in ’t minst geen plannen en Jan ook niet.”
Een oogenblik keek hij haar aan verwonderd en ongerust. Bepaald, het kind scheelde iets, dacht hij. Er moest in haar gestel of in haar hersenkas een mikmak wezen, want, wat was dat nu weêr voor een onnatuurlijke uitval? Zij dacht aan geen huwelijk met Voirey, had ze gezegd; maar, voor den drommel, zoo redeneerde Bruce bij zich zelf, waar dacht zij dan eigenlijk aan? Ze had Vermey geweigerd, en ze zou waarachtig in staat zijn ook den neef-millionnair af te wijzen. Wat in ’s hemelsnaam moest hij aanvangen met een dochter, die zoo’n steenen maagdelijkheid beoefende?
ELFDE HOOFDSTUK.
LENA’S OVERDENKINGEN IN ZAKE ZEDELIJKHEID.
Het was ’n mooie vendutie. Men begreep niet, waar de menschen vandaan kwamen, maar ze waren er. ’s Morgens vroeg was Yps uit het huis gegaan; zij moest meê naar Batavia, en dat vooruitzicht had haar heel vroolijk en levenslustig gestemd.
Juist had Vermey zijn koffertje gepakt en stond hij op ’t punt óók te vertrekken uit het voor de vendutie gereed gemaakte huis, dat zoo proper was als nooit te voren, met een profusie van politoer glimmend en glinsterend op stoelen en banken—toen een dos-a-dos stilhield met ’n dame, die nogal besproken werd op de plaats.
„Wat komt die zoo vroeg jagen?” dacht Vermey glurend door de jaloeziën, naar de jonge, knappe vrouw in sarong en kabaai, die in de voorgalerij de bloemen liep te bekijken. Er kwam nog een voertuig het erf op en daaruit stapte een onbekende meneer alleen, die de dame scheen te kennen.
Maar Vermey maakte zich inwendig boos. „Ja, dat kan jullie begrijpen!” mopperde hij bij zichzelf. „Daar zullen jullie weinig plezier van hebben!” En hij begon luid om de bedienden te roepen, hardop pratend van „menschen, die maar liever in den nacht moesten komen,” gooiend en smijtend, zoodat de bezoekers, onaangenaam door zijn tegenwoordigheid verrast, weêr gauw heengingen.
„Zulk vee!” schold Vermey hen hoofdschuddend nakijkend.
Toen er langzamerhand kijkers kwamen pour le vrai motif ging Vermey heen. Nog een blik in ’t rond. Wie weet hoe drommels weinig zijn net boeltje zou opbrengen! Een appel en een ei, dat zou ook hier wel ’t resultaat wezen!
Doch het ging, zonder dat hij ’t wist, uitstekend. Het scheen, dat men op de plaats kasian met hem en zijn schuldeischers had, en hem een ouderwetsche vendutie wilde bezorgen. Er werden heel wat grappen bij verkocht door de koopers,—allemaal aardigheden op Yps, wat den kooplust scheen aan te vuren.
Opgetogen hoorde Vermey, dat de opbrengst driemaal hooger was, dan hij had geschat. De tweehonderd gulden van Lena Bruce had hij nu in ’t geheel niet noodig, hij hield ’n duizend gulden vrij in de hand en daarmeê zou hij het voorloopig te Batavia wel stellen.
Lena keek vreemd op, toen ze hem dien namiddag in haar voorgalerij zag staan.
„Ik kom u dat geld terug brengen,” zei hij blozend als altijd. „Ik heb zoo’n magnifique vendutie gemaakt! Het is ongedacht goed gegaan.”
„Het doet me erg veel genoegen voor u. Geneer u overigens niet voor dat geld. Dat komt wel terecht.”
„Ik wil het liever teruggeven, nu ik het niet noodig heb. Intusschen ben ik u zeer dankbaar.”
„’t Is niet de moeite waard.”
„Nu niet, neen, en voor u in ’t geheel niet, maar ik was er zeer meê geholpen.”
„Het blijft tot uw dispositie. Als het u soms te Batavia niet gauw mocht gelukken....”
„Dank u.”
Vermey aarzelde; hij had nu eigenlijk niets meer te zeggen en toch wilde hij wat zeggen; hij nam er den ouden toon van vriend des huizes voor aan, vertrouwelijk.
„Je hebt intusschen maar heel verstandig gedaan laatst.”
Zij keek hem strak aan met haar heldere lichte oogen.
„Toen ik u bedankte?”
Vermey knikte toestemmend.
„Dat weet ik niet. Of ik er verstandig of dom aan deed, acht ik geen uitgemaakte zaak.”
„Zelfs nu niet, nu ik zonder betrekking ben en als een beginner moet zoeken naar ’n baantje?”
„Neen, zelfs nu niet. Het was voor mij geen vraag van min of meer vérstand; ik deed zooals behoorde, zooals ik doen moest!”
„Ja,” zei hij met een zucht. „Ik weet, wat je bedoelt, Lena; enfin, ik voor mij ben nu blij, dat het zóó is afgeloopen. Ik zou niet graag van een vrouw financieel afhankelijk zijn. Dat ligt niet in mijn aard. En overigens.... ik kan over zulke zaken heel moeilijk openhartig spreken.”
„Over welke zaken?”
„Wel.... over.... het châpitre, huishoudsters van jongelui. Dat gaat nu eenmaal niet,” ging hij voort, vuurrood tot in zijn nek, „maar geloof me, het is niet anders. Ik ben de eenige niet. Alle jongelui doen het.... hier in Indië.... en die het niet doen.... nu ja.... dat is nog erger, zie je.”
Hij zag haast violet van verschrikkelijke verlegenheid en ook van ergernis dáárover. Lena keek niet vriendelijk; zij was bleek van kwaadheid om wat hij zei.
„U behoeft geen excuses te maken tegen mij,” zei ze verstoord, „en evenmin iedereen van slecht gedrag of ongepaste dingen beschuldigen.”
„Geloof me toch,” hield hij vol. „Ik lieg waarachtig niet.”
„Dat is wèl waar. Mijn neef Voirey....”
Er glinsterde ’n scherpe triomf op zijn gezicht en in zijn eenigszins uitpuilende blauwe oogen.
„Maakt op den regel geen uitzondering.”
„Het is een leugen,” zei ze verontwaardigd, maar ze zag wel aan zijn houding, dat het geen leugen was; ze begreep nu ook wel, dat zijn geheele gesprek ten doel had gehad dáárop neer te komen, en zij eigenlijk, door den naam van haar neef onvoorzichtig te noemen in den strik was geloopen.
„Ik hoop niet,” zei hij, „dat je het me kwalijk neemt.”
Zij keek hem donker aan; onderuit, met een voorwaartsche lippenbeweging.
„Zeker neem ik het kwalijk.”
„Het spijt me razend; maar mijn schuld is het niet.”
„Dat is het wèl. Je hebt het met opzet gedaan.”
„In zoover ja. Ik moest me toch ’n beetje verdedigen. Laatst bracht ik het er zoo slecht af.”
„Toch niet. Toen beter als nu.... fatsoenlijker.”
„Maar heel kaaltjes. Ik was.... beteuterd, en het scheen wel, dat ik beladen met al de zonden van al de jonge mannen in Indië naar de woestijn werd gestuurd.”
„Ik heb me enkel gehouden bij wat u persoonlijk betrof.... en mij.”
„Dat was het juist. In dit geval betrof het mij, zooals het....”
„Ik had alleen met dit geval te maken.”
..... „Zooals het in negentig van de honderd gevallen ieder-ander zou hebben betroffen.”
„Daar heb ik niets mee noodig.”
„Maar ik wel, Lena. Ik moest me rechtvaardigen. Het is waar,—ik ben nu eenmaal niet wat je in een man schijnt te verlangen; ik ben niet goed genoeg voor je; dat stem ik allemaal toe; een meisje als jij moet een man hebben, die zedelijk hooger staat dan ik.”
Hij zweeg een oogenblik, en zij, getroffen en ontwapend door die bekentenis, zweeg ook. Of het kwam door de champagne, die hij had gedronken op den goeden afloop van zijn vendutie, dan wel door de weeke gelukstemming uit dien afloop voortvloeiend, wist hij niet; wèl, dat hij als het ware dichterlijke aanvechtingen kreeg met aandoenlijkheidsvisioenen, gelijk hij die hebben kon op kater-ochtenden na kwart of halve nachten. En eenmaal op dreef in die richting, kwam hij heelemaal los, met droevige stemmodulaties vol welgemeendheid, hardnekkig zichzelf beschuldigend en verdedigend te gelijk.
„Niemand behoeft mij mezelven te leeren kennen, zelf ken ik het best mijn groote tekortkomingen. Als ik mij verdedig, zoo goed en zoo kwaad ik kan, verontschuldig ik mij niet. Integendeel.”
Zij stond op het punt hem in die verdediging ’n handje te helpen, nu haar medelijden boven begon te komen, maar zij hield zich goed.
„Ik zal niet spreken van het verdriet, dat ik heb gehad. Dat geloof je toch niet. Maar wat ik wel aanvoeren wil, is mijn ongelukkige toestand al zooveel jaar. Ik was nog maar een kwa-jongen toen ik hier in Indië kwam, en ik had hier vriend noch maag. Als men geen fortuin heeft en geen relaties hier, maar eenvoudig jongste geëmployeerde is op een handelskantoor, wat moet men dan aanvangen in dit eentonige land zonder iets voor jongelui om zich te vermaken,—dan.... je begrijpt de rest!” eindigde hij met een diepen zucht. En toen weêr voortgaande:
„Het wordt ten slotte een poel van ordinairheid, waarin een jonge man alle moeite heeft niet te verzinken. Ik ben ten minste niet verinlandscht. Dat is op zichzelf waarachtig al een kunststuk. Maar er komt toch een oogenblik, dat men ernstig vreest; dat de invloed dreigt te sterk te worden. Dan, als men dan zoo gelukkig is een goede, fatsoenlijke vrouw te trouwen voor wie men achting gevoelt en liefde....”
Zijn stem beefde, zoo aangedaan werd hij over zichzelf.
„Dan?” vroeg ze op zacht spottenden toon.
„Dan is men gered,” zei hij met plechtigheid.
„En de goede, fatsoenlijke vrouw, wat is die?”
„Hm?” vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen vol verbazing. „De vrouw?”
„Ja zeker! Hoe is haar positie?”
„Zij is een reddende engel.”
Lena moest hem in dat antwoord toch bewonderen; zij vond het zeer gepast en treffend, en ze dacht erover na, voor het eerst gevoelend, dat zoo’n fraaie rol voor haar aan zelfopoffering gewoon karakter nog zoo slecht niet was.
„Ik hoop,” zei Vermey, „dat je een beetje beter over me denken zult; dat is alles; ik heb mijn best gedaan je duidelijk te maken hoe de omstandigheden in mijn nadeel zijn geweest; altijd!”
„Dat geef ik toe; het is zeer moeilijk jong op eigen beenen te staan.”
„Je kunt erover oordeelen, niet waar? Dáárvoor heb ik je altijd bepaald bewonderd. En daarom wou ik nu ook niet zoo’n bijzondere verworpeling zijn in je oogen.”
Zij stak hem, gevleid en glimlachend, de hand toe, die hij drukte met grooter innigheid dan noodig was, en toen hij heenging, bleef ze in de voorgalerij staan, hem stil nakijkend; tot zij nog slechts nu en dan zijn lange witte figuur tusschen de naar de verte opdringende boomen zag heen schemeren, en toen hij weg was, heelemaal weg, zoodat zij hem niet meer zou terugzien, daar hij den volgenden dag heenging,—vroeg zij haarzelf waarom ze hem dan toch eigenlijk had bedankt? Welke verdienste er in haar houding stak tegenover zijn positie, die ze nu zoo erg ongelukkig vond in alle opzichten.