Nieuw Utopia

Part 9

Chapter 93,682 wordsPublic domain

In een der kamers zaten de vader, de moeder, de grootvader, de grootmoeder en de zes dochters en acht zonen rondom een groote, notehouten tafel. Ieder hunner had een houten beker voor zich en twee borden van ahornhout. In ’t midden stonden fraaie schalen van besneden en gepolijst notenhout en in kleuren gevlochten manden en mandjes met vruchten. Appels, peren, noten, pruimedanten. Er stonden houten schalen met vruchtenjams. Er stonden zachtroze en lichtbruine en barnsteen gele puddingen. Uit een bruinaarden kan goot een der meisjes, een slanke blondine, in de houten bekers granaatrood vruchtensap. Een jonger meisje legde bij elk der aanzittenden een goudbruin brood neer.

Toen allen bediend waren en aanzaten stond de grootvader op en zeide,—zijn beker heffend:

„Den eersten dronk wijd ik aan Hem, Die de dorstenden naar wijsheid, te drinken geeft.”

Allen hieven hun bekers en nadat de grootvader een teug had gedronken, dronken zij een teug.

Vervolgens stond de grootmoeder op en een stuk brood van haar brood brekend, zeide zij: „De eerste bete wijd ik aan Hem, die hongerenden naar wijsheid, te eten geeft.”

Zij at een stukje brood en allen volgden haar voorbeeld.

Daarna begon de maaltijd. Men at langzaam, uiterst langzaam en rustig, kauwde lang en in volmaakte harmonie en schoonheid. „Ziet gij,” zeide Eumenia, „vroeger was het eten of een barbaarsch zich volproppen met meest dierlijke spijzen of een overhaast zich vullen. Hoe gruwelijk zulk een restaurant van voor 1950, waar de gasten bediend werden door van een fooi afhankelijke mannen, die den ganschen dag in den etensgeur en dranksfeer ronddrentelden. Ter zijde zaten wat andere mannen, die een strijkje vormden, hun weeke sensualiteit sentimenteel uit te fiedelen op gespannen schapendarmen, bestreken door paardenhaar met hars stroef gemaakt. De spijzen waren voor de grootste helft van onder de gruwelijkste smarten gedoode dieren. Vleezen van rund, schaap of ’t liefst van kalf en lam. Kreeften en garnalen levend in kokend water geworpen of levend zachtjes er in gekookt. Visschen levend gekorven, opdat door het smartelijke zich tegen de graat opkrommen van ’t gemartelde beest, de spieren los zouden schilveren. Vaak ook mengden de koks, op bevel van hun patroons, allerlei schadelijke stoffen en surrogaten onder het voedsel, waarvan zij wisten, dat de eter vroeger of later zou te lijden hebben. Oesters, vlokken zee-eiwit, waren een bijzondere lekkernij, hoewel men wist, dat zij tot abnormaal geslachtelijk verkeer prikkelend, het verderf op het komend geslacht overbrachten en zoo zij al geen typhus verwekten, ze er voor ontvankelijk maakten.

„Welk een barbaarsch gedoe met vorken en messen. Het was een gestadig prikken, snijden en kerven, zuigen, kluiven, slobberen, blazen, schrokken. Alles was gezout, gepeperd, gezuurd, overdadig gevet en gesousd om den gehaasten, schrokkenden mensch maar genoeg zat te krijgen. En vergelijk nu eens, naast die kannibalen vertooning, de maaltijd hier voor u, Horatio.”

Inderdaad, men schilde de vruchten met mesjes van paarlemoer of hout. Men at de sneden brood besmeerd met vruchtenjams. Men at met houten vorken en lepels de saladen van kroten, kers, dunsel en ander slablad en fijngeraspte kool.

Weldadig aandoend waren de waardige rust, de blijmoedige ernst en de kalme gebaren, waarmede men at en dronk. Alle spijzen waren lauw of koud.

XVIII.

„Blijven zij bij dit voedsel gezond?” vroeg prof. Leyden.

„Zij blijven niet alleen gezond, maar zij zijn zoo goed als onvatbaar voor ziekten, blijven tot op hoogen leeftijd zich jeugdig en veerkrachtig voelen, hebben geen last van tandziekten en uitvallende of zwarte tanden. Als zij door ’t een of ander ongeval een wond krijgen, heelt de wond bijzonder snel. Doch ongevallen zijn zeer zeldzaam, hoewel iedereen met werktuigen omgaat. Want daar men alles doet in rhythmische evenmaat en harmonie, niemand gehaast of overhaast is, gebeuren er zoogoed als geen ongevallen. Men heeft leeren inzien, dat haast hebben, anderen haasten of zelf gehaast zijn, een vergrijp is tegen de zedelijkheid en een der vormen van moordzucht. Want de gehaaste of haastige verkort zijn leven, omdat hij meer willende beleven, dan het rhythme van zijn tijd veroorlooft, dien tijd en daarmee zijn psychisch evenwicht verstoort.”

Nadat allen verzadigd waren begonnen al de aanzittenden, behalve een paar meisjes, die de tafel afruimden, in koor liederen te zingen. Hoewel toch zooveel menschen te samen gegeten hadden, bleef de kamer van de geur van de bloesems van buiten en de geur van de vruchten vervuld. Niet zooals bij de kannibalistische maaltijden van voor 1950 hing er een zware stank van gebraden, gekookte en gezoden dieren, mayonnaisen, sauzen en vetten noch van verhitte menschenlichamen, die de stanken uitwasemden van de verzwolgen, in hun ingewanden nu tot ontbinding overgaande dierenlichamen. Men zong hymnen, met soli en koren, ook vroolijke zangen en soms zongen de kinderen kinderdeuntjes en liedjes met hun en haar hooge stemmen. Een enkele maal zong de vader een korte aria met zijn zware basstem en allen zwegen eerbiedig toeluisterend.

„Is dat hun muziek? Of hebben zij ook andere muziek?”

„Zij hebben ook andere muziek—maar die onderscheidt zich alleen van welke gij nu hoort, Horatio, doordat dan grootere koren gevormd worden van de schoonste stemmen. De „Harmonischen” hebben langzamerhand de instrumentale muziek en alle muziek zonder tekst van schoone, gedachtenrijke woorden, afgeschaft. De muziek van voor 1950, welke men ten laatste zelfs automatisch voortbracht op orgels, orchestrions en gramophonen heeft men reeds vóór het einde van de 20ste eeuw, toen de Harmonischen langzamerhand uit de menschheid zich verhieven, leeren veroordeelen. De muziek, de gave den mensch gegeven om de gedachte, rhythmisch te doen klinken, was toen geworden een gruwel van grove, massale sensualiteit. Daar de onreinheid van het geslacht en de kannibaalsche levenswijze de stemmen bedierf en de enkelen die nog schoone stemmen hadden, deze misbruikten voor wulpsche, veile prikkeling, hadden de menschen als surrogaat voor de stem en het kuische a capella koor, allerlei instrumenten bedacht van hout, koper, dierenhuiden en dierendarmen. Elk instrument poogde op zijn manier de menschelijke stem nabij te komen of te overtreffen en voor wie een zuiver menschelijk gehoor had, klonk elk instrument als een jammerlijke imitatie. Nog erger was het, wanneer al die gefabriceerde, kunstgeluid-werktuigen te samen werden bestreken, beblazen en beslagen onder leiding van één mensch, die naar de hiërogliephen van een ander mensch, waarvan hij al de teekens in een partituur voor zich had, de anderen dwong naar zijn opvatting te strijken, blazen en slaan. De man, die de hiërogliephen het eerst had geschreven was gewoonlijk iemand, die te onontwikkeld om hetgeen hij te zeggen had, in woorden en gedachten te uiten, zijn sensualiteit, dikwijls van zeer lagen aard, maar ook zijn wreedheid, moordzucht, oorlogsverlangen, vaag in die hiërogliephen had geuit. Het gruwelijkste waren de fanfare-corpsen, welke bestonden uit muzikanten, die op koperen en houten instrumenten krijgsmuziek bliezen en tot in zelfs de meest zachtaardige menschen, ja tot in de paarden, oorlogszuchtige gevoelens, gevoelens van moord en schennis, wakker riepen.

„De Harmonischen hadden, geleidelijk aan, alle instrumentale muziek weder afgeschaft en vergenoegden zich met koren, het allerliefst met a capella koren van niet grooten omvang....

„Na den maaltijd, als men allen in opgeruimde stemming was, werden in de gezinnen gaarne de meer vroolijke liederen en samenzangen gezongen. Men had ervaren, dat zingen de longen versterkt, de ademhaling oefent, de spijsvertering bevordert, het bloed grootere hoeveelheid zuurstof toevoert, omdat het zingen diep en ruim leert ademhalen en op lichaam en ziel een veredelende werking uitoefent. Ook dat het gemeenschappelijk zingen inniger broeder- en zusterschap tusschen de menschen kweekt.”

„Is zingen de eenige kunst, die de Harmonischen beoefenen, Eumenia?”

„Neen, zij kennen bouwkunst, sierkunst, beeldhouwkunst, tooneelkunst, danskunst, jongleerkunst. Nadat bij de eerste geslachten alle kunsten uit den booze geacht werden, omdat zij in de maatschappij van voor 1950 zulk een bijna uitsluitend sensueel karakter hadden aangenomen, kwam allengskens in den mensch het besef, dat het volkomen verwerpen van alle kunstuitingen den mensch beneden het dier stelt, daar toch de vogels in hun zang, de paarden in hun draf, ja zelfs de stieren in hun horens een zekere bewusten of onbewusten drang naar rhythmische schoonheid uiten. Zoo dan begon men met beleid en fijn gevoel, nadat men ervaren had, dat de zangkunst, goed toegepast, zoo heilzaam werkte, ook de andere kunsten weer te beoefenen. Het eerst ontwikkelde zich bij de vrouwen de sierkunst. Men breidde of haakte of borduurde of weefde eenvoudige patronen in de stoffen. Daarna begonnen de mannen de gebruiksvoorwerpen en meubelen te versieren. Het rhythmische, harmonische, kuische en ingetogen leven spiegelde zich af in de motieven. Maar het menschelijke beeld werd gemeden. Ook toen later zij, die aanleg voor teekenen, schilderen en beeldhouwen toonden, en ieder had dat ongeveer, aan hun kunstdrang uiting gaven, werd geen beeltenis van den mensch, in welken vorm ook, gemaakt. Dit was een gevolg van het kuische gemoed en de naastenliefde. Men had ervaren, dat er niets meer vernederends voor den mensch is, dan als model te staan voor den schilder of beeldhouwer. De schilders en beeldhouwers, naar het naakt schilderend of boetseerend, gevoelden, dat zij conterfeitend, hun ziel bezoedelden.

„Maar de kunstenaars der volgende geslachten vonden door het symbolisch en rhythmisch voorstellen der lichaamsvormen, het middel om het afbeeldsel te verheffen in de sfeer hunner ziel en zoo ontstonden dan de rhythmische en symbolische uitingen, welke de kunst van haar concrete vernederende sfeer tot de kuische abstractie verhief. Niet anders ging het met de tooneelkunst. Men begon met de avondtheaters af te schaffen. Er werd alleen in de open lucht gespeeld. Daardoor werd het zich met gekleurde talk insmeren en verven der tooneelspelers en tooneelspeelsters overbodig, zoodat zij niet meer tot het menschonteerende aanranden van hun en haar gelaatstrekken en ze door middel van dat vet veranderen tot een masker, behoefden over te gaan. De openlucht-uitvoeringen leidden er toe, dat men de stem moest doen dragen en zoo sprak men in gedragen taal, rhythmisch. De dichters konden daardoor hun werken symbolisch en abstract maken en het gebaar van de tooneelspelers paste zich daarbij aan. Aldus hervormde zich de tooneelkunst, die voor en na 1950 in zoovelerlei vormen verderf had gebracht aan allen, die er mede te doen hadden, publiek en uitvoerenden, tot een verheffende, kuische symbolisch-rhythmische openlucht kunst, waaraan het a capella koor harmonisch aansloot, zoodat tooneel- en zangspel één werden. Groote bezwaren had de danskunst gebracht. Juist vóór 1950 was de danskunst zich schijnbaar gaan hervormen, doch het tegendeel van ’t geen er van verwacht was, had zij toen aan de maatschappij gebracht. Men was zelfs zoover gegaan om kinderen in die danskunst van voor 1950 op te leiden en het gevolg was geweest, dat heele geslachten van ontaarde danswellustigen waren opgegroeid, zoodat weldra de geheele beschaafde wereld verontreinigd werd door mannen, vrouwen en kinderen, die op verfijnd wulpsche wijze, dansend, zichzelf en de toeschouwenden verlaagden en prikkelden.

„Het duurde verscheidene geslachten voor eindelijk ook de danskunst weder tot bloei kon komen. Men had thans strenge, statige danspassen in rhythmischen evenmaat, doch welk rhythme altijd streng beheerscht bleef, leeren uitvoeren. En men liet de kinderen, met bloesem- en rozenfestoenen, eenvoudige rei-dansen en kring-figuren uitvoeren. Deze dansen toegepast in de zang- en dansspelen, bleken ten laatste ook tot zuivere zielsuitingen verheven te kunnen worden.”

XIX.

„De Harmonischen breidden zich langzaam maar gestadig uit. Voor 1950 hadden volken, die behoefte aan expansie kregen, òf gewelddadig bezit genomen van de landen der omringende volken en die aan zich onderdanig gemaakt, wat slavernij bij de onderworpenen en luiheid en ontaarding bij de overwinnaars veroorzaakte, òf de overwonnen volken hadden zich in de massa der overwinnende volken opgelost, wat bastaardij, ongelijksoortigheid en disharmonie ten gevolge had. Weer andere volken waren gewapend op schepen naar verre landen getrokken en hadden daar minder goed gewapende volken, die echter deswege geenszins moreel lager stonden, tot slavernij en onderworpenheid gebracht. Ook dat had luiheid, pronkzucht en verlaging van het moreel bij de koloniseerende volken veroorzaakt en de gekoloniseerde volken in hun natuurlijke, eigen ontwikkeling gestoord, zoodat men er kreeg rebellen, slaven of na-apers van den overwinnaar.

„De Harmonischen breidden zich in dienende liefde uit. Daar waar, door het vertrek van de oorspronkelijke bevolking naar warmere zônen, groote landstreken braak lagen en vervallen steden verlaten en door ratten bewoond—want overal waar de mensch verdween, teelde het rattengeslacht zich snel voort, alle andere dieren door hun massa’s en massaal optreden verjagend en vernietigend,—begonnen de Harmonischen hun eigen cultuur te verspreiden. De landen werden van de ratten gezuiverd door sluipgas. Want de Harmonischen kenden al de vorderingen der techniek van de 20ste eeuw, maar zij kenden ook het gevaarlijke van de aanwending ervan voor degenen, die dienaars en slaven van de „automatica” werden, instede van haar meester te blijven. Dan werden de huizen en de molens gebouwd, de boomgaarden geplant en de jonggehuwde paren vestigden er zich. Alle arbeid geschiedde met de hand en door de menschen zelf. Men had eerst nog gebruik gemaakt van kruiwagens, maar ook die had men ter zijde gesteld, omdat ook hier het wiel zijn verlagenden invloed uitoefende. Want de kruiwagen leidde er toe, dat de mensch voor zich alléén ging arbeiden. Daarom had alle vervoer van vrachten, die niet in de hand of op den schouder konden worden gedragen, plaats doordat twee of vier personen de vracht gezamenlijk in manden of op draagbaren droegen en nooit werden vrouwen tot zwaarderen lichaamsarbeid toegelaten. Dit gezamenlijk dragen der lasten, zoowel bij den aanleg van wegen, als bij het geschikt maken van landerijen, het aanbrengen van bouwmateriaal, hield het gemeenschapsgevoel van den arbeidenden mensch levendig. Het was een gestadige en doelbewuste oefening in het samenwerken, de basis van het samen-leven of de samenleving. Er waren geen opzichters, want men had ervaren dat alle toezicht en bevel bij den arbeid, in den toezichthoudende en bevelvoerende gevoelens van wellust opwekten. Evenmin werden dieren gebruikt, paarden noch ezels, ossen noch honden. Want men had ervaren, dat wie het dier in zijn dienst gebruikt, slechte instincten krijgt en dat de menschelijke ziel bezoedeld wordt door het nauwe, gestadige contact met de dierlijke ziel. Er werden nooit rechte kanalen gegraven noch rechte wegen aangelegd. Want men wist dat zij, gesproten uit het haasten, de ziel gejaagd maakten en aldus den mensch ontaardden. Zooveel mogelijk werden de natuurlijke rivieren gevolgd, de wegen in rhythmische krommingen aangelegd. Ook daar, waar dijken noodig waren, werden die dijken zoo aangelegd, dat zij in harmonie waren met de neiging van het water. Want men voelde, dat het water, van zee of stroom niet zonder psychische oorzaken, hier land wenschte te verzwelgen en daar land wenschte aan te zetten. Men eerbiedigde „De Wil” ook waar Hij zich in het watergeweld uitte. Na eenige geslachten bleek, dat deze eerbied beloond werd, omdat vloeden en overstroomingen uitbleven, nu het water naar „De Wil” zich kon uitbreiden. De zee wierp ongekend hooge duinen op om zichzelf te betoomen.

„Zoolang de nieuwe nederzettingen nog niet op eigen krachten konden teren, werden hun door de andere nederzettingen voorraden gezonden. Dit geschiedde zonder eenige overeenkomst, zooals een goede moeder een geliefde dochter zou steunen van haar overvloed.

„De steden werden met den grond gelijk gemaakt. Er waren geen steden en geen groote dorpen in het Harmonische Rijk. Men wist te goed, hoe alle samenscholing gevolg was van angst en een poging om angst te weerstaan door angst in te boezemen. Er waren geen bestuurshoofden, van welken aard ook. De vader was mannelijk, de moeder vrouwelijk hoofd van het gezin. De gezinnen waren elkander onderling niet vijandig en niets werd meer tegengegaan dan met elkaar wedijveren. Alleen voor de grootere zielskracht had men eerbied, maar grootere zielskracht manifesteert zich nooit anders dan door anderen te bezielen. Alle andere uitmuntendheid, die van den geest, het vernuft, het lichaam, rangschikte zich in dienende liefde in stede van wedijverend te overtreffen en zoo de zwakkere te verdringen, verbluffen of tot bewondering te dwingen. Men had ervaren, dat alle wedijver het rhythme van de ziel stoort, persoonlijk en gemeenschappelijk en een vorm van dierlijke moordzucht is. Niet als in de maatschappij der hongerende wolven, waar de sterksten, de zwaksten verslinden, wenschte men te leven, maar in een maatschappij waar het zwakke met liefde en zorgzaamheid tot hoogere kracht wordt opgekweekt, opdat het ten laatste gelijk kon worden aan de gemiddelden. Men hield niet bij de Harmonischen van uitstekendheid en buitengewone kracht of genie, wel wetende, dat dit een verstoring der harmonie is, welke er toe leidt, dat of de sterke individueel de zwakkeren gaat beheerschen en onderdrukken of dat de zwakkeren communeel de weinige sterken verdrukken. Daar dus de prikkel tot buitengewoonheid in ’t een of ander opzicht ontbrak, niet iedere vader en iedere moeder den wensch koesterde, dat juist hun kind of kinderen boven de anderen zouden uitsteken, stierf de bovenmatige begaafdheid uit, zooals de ongewone zwakheid en de achterlijkheid, uitstierven. Men kende geen misdadigers-verachting, maar ook geen helden-vereering. Wie den held kweekt en eert moet zich niet beklagen, dat zijn tegenstelling, de misdadiger, hem op den voet volgt. Want daar het laf is, den held te kweeken en te eeren, zal noodzakelijkerwijze het werk van den held, altijd door het werk van den lafaard worden geëxploiteerd en vernietigd. En een der axioma’s luidde, dat de ware held, die held is, die heldhaftig genoeg is om onbekend te sterven. Zoo dan werden heldendaden niet geroemd, zoodra de bedrijver van die heldendaden zich bekend had gemaakt of bekend was geworden. Uit dezelfde oorzaken waren alle kunstwerken ongeteekend en zorgden de makers er voor, zooveel mogelijk onbekend te blijven.

„Het vermijden van wedijver voorkwam alle sport, doellooze verspilling van lichaamskracht en energie maar verhief het spel, oefenschool voor het leven, tot een hoogeren trap van ontwikkeling. De knapen leerden vroeg wandelen, zwemmen, gezamenlijk boodschappen naar afgelegen plaatsen overbrengen, houthakken, houtzagen, houtdragen, boomen verzorgen. De meisjes wandelen, zwemmen en verrichten velerlei lichte, aangename bezigheden op het land. Zoo had men genoeg lichaamsoefening in de openlucht, zoodat deze niet door doellooze, kunstmatige sport behoefde aangevuld te worden. Het zingen in de koren en het optreden in de openluchtspelen, gaven buitendien gelegenheid tot harmonische oefening van lichaam en geest.

„Eén spel werd echter bijzonder gaarne bedreven—de vaardigheid van het balwerpen in velerlei vormen. Men had ervaren, dat jongleeren met mate beoefend, op lichaam en geest een goeden invloed uitoefende. De jeugd leerde er vaardigheid, handigheid en rhythmisch zich bewegen door. Ook speelde men met elastische, kleine, leeren ballen. Maar altijd werden de balspelen met de hand gespeeld. Het gebruik van den voet, oefenend in het schoppen, werd grof en zedeloos aangevoeld, daar de bal door den voet geschopt, te groot en te zwaar moet zijn, en daarom gevaarlijk is voor dengeen, die den bal in ontvangst moet nemen. Men had dus het balspel met behulp van den voet, evenals alle balspel met behulp van harde werktuigen en werptuigen, uitgeroeid daar het een vorm van moordzucht symboliseerde.

„Kwam het nu bij de uitbreiding voor, dat men op andere volken stuitte, dan begon men aan die volken den eigen arbeid en de arbeidsproducten zonder tegenprestatie aan te bieden. Door dienende liefde won men langzamerhand de achting en de liefde van de beste elementen dier volken. Zij werden er met zeer groote tact toe gebracht aandeel te nemen in de Harmonie. Daarbij werd een onuitputtelijk geduld getoond. Gewelddadigheden werden met daden van liefde beantwoord. Men toonde, dat men in ’t bezit van sluipgas was en dat men de menschen evengoed als de ratten zou kunnen uitroeien. Maar men gebruikte dit wapen niet tegen menschen. Liever dan dat te doen, omging men de weerbarstigen en vestigde zich veel verder, al kwam men ook aan de meest onvruchtbare landstreken.

„Want daar men tijd genoeg had, altijd arbeidde voor het volgende geslacht, altijd kon rekenen op den bijstand van alle Harmonischen ter wereld, werd ook de schraalste zandgrond na verloop van jaren in een vruchtbaar landouw veranderd. En daar ieder arbeidde, ieder het handwerk uitoefende en er geen hoogere, ja geen andere eer was, dan te arbeiden als arbeider onder de arbeidenden, was er bij de Harmonischen geen armoede en zelfs overvloed. Voor 1950 kwamen op iederen mensch die handarbeid verrichtte er tien, welke daarvan direct of indirect moesten leven. In de maatschappij der Harmonischen kende men geen ambtenaren of beambten, geen administrateurs, geen banken, geen handel, geen geld, geen spoorwegen, stoombooten, kortom men kende er niets dan landhuizen, boomgaarden, moestuinen, bouwlanden, bosschen en molens. Zonder de molens had men het wel kunnen stellen, maar hun nut was te groot gebleken. De kracht van den wind werd gebruikt voor het malen van graan, erwten en boonen, het tot moes pletten van de vruchten voor de jam’s en de wintervoorraden, het bereiden van suiker uit de suikerbieten, het malen van de grondstoffen voor de verven, het pletten van oliën uit zaden en noten en dan ook, voor de voorziening in de behoeften van licht en warmte. Wel had men bij de Harmonischen veel minder kunstmatige warmte noodig dan voor 1950. Want men was gekleed in de beste wol en het zwaarste linnen, door kundige, liefdevolle hand naar ieder lichaam in ’t bijzonder, passend vervaardigd. Men had de huizen van zeer dikke muren gebouwd wat de stevigheid en duurzaamheid bevorderde, maar ook ’s zomers ze koel en ’s winters ze warm hield. Het verblijf en de arbeid in de buitenlucht van de vroegste jeugd maakte gehard. Het gebruik van plantaardige oliën en van veel vruchten met haar aetherische oliën gaf aan het lichaam een geurige uitwademing en een zich naar de temperatuur richtenden weerstand. Zooals de citroen en de sinaasappel sappig blijven door de geurige aetherische oliën van de schil, maar een van zijn geel laagje beroofde citroen, dadelijk uitdroogt; zooals een appel door zijn waslaag zich tegen de guurheid en de koude van herfst en winter beschermt, zoo was de opperhuid der Harmonischen doordrenkt van de aetherische oliën der planten- en vruchtenvoeding. Kou-vatten, verkoudheden, longziekten waren na eenige geslachten onbekend geworden. Vrouwen en mannen van in de zestig jaar hadden nog gevulde, blozende gelaten.”

XX.

„Men had het leven zooveel mogelijk naar den zonnestand ingericht. Men brandde in huis lampen met plantaardige olie gevuld. Men ontstak ze aan een klein lampje, dat altijd brandde en waarvan men dan met een houtje het vuur naar andere lichten overbracht.