Part 8
Prof. Leyden luisterde. Thans kwamen de dieren der aarde met hunne klachten. Daar waren de generaties der stieren, tot ossen verminkt. Daar waren de generaties der koeien, van haar kalf beroofd en misbruikt door den mensch als melk- en vleeschfabrieken. Daar was het paardengeslacht, door de eeuwen heen gespoord, gezweept, gestriemd en doodgejaagd. Daar was het hondengeslacht, aan kettingen gelegd dag en nacht, omdat het trouw en waaksch was, omdat het deugdzaam was, onder wagens gespannen en misbruikt om te trekken boven zijn macht. Daar waren de vogels, opgesloten in kooien of uitgemoord om dier pluimage te leveren. Daar was de ever, opgekweekt om doodgejaagd te worden. Daar waren de herten en reeën, buit van wreede jagers. Maar daar waren ook de aardwormen, die de aarde etend en ze weer uitscheidend, aldus den grond vruchtbaar makend, beloond werden door de ploeg, die in ’t voorjaar zijn scherp kouter door de aarde rijtend, hen levend in stukken sneed. En de stukken zouden onder krimpende smart weer tot nieuwe wormen aangroeien, die weder in stukken zouden worden gesneden.... dat was het loon van de verdoemde, gierige planeet voor de nederige aardworm, die zijn hapje aarde aldus moest betalen....
Toen het dichtwerk ten einde was, aan het slot waarvan de natuurkrachten, stoom en electriciteit, vroegen waarom zij zoo in alle vormen waren misbruikt en mishandeld, zeide prof. Leyden:
„Liefste Eumenia, is de onbezielde natuur dus ook bezield geweest?”
„Zij is bezield, zooals gij of ik.”
„Kent zij dus lust en onlust, smart en vreugd?”
„Meent gij, dat het water boven het vuur geplaatst, zonder reden bruischt en borrelt en ten laatste in damp vervluchtigt? Meent gij, dat het vuur zonder reden walmt en stinkt, als het door water wordt gedoofd? Alles ter wereld zoekt weder aan zichzelve gelijk te worden en zoo tot rust te komen, te ontkomen aan het leven op Terra, dat is een smartelijke gewaarwording en daarom als Rex regum, den Mensch van Smarten, moest toonen. Maar de menschen kenden die wet der aarde, de zucht zichzelf te worden, niet. Als zij een ijzeren bal ter aarde zagen vallen, schreven zij dat aan magische werkingen toe....”
„Magische werkingen? Dit zegt gij tot een professor der Leidsche Universiteit, die zijn gravitatie formule gelukkig nog niet vergeten heeft.... Φ = k (mm^1/r^2).”
„Zoo is het niet, mijn vriend. Newton vergiste zich. De ijzeren kogel viel ter aarde, omdat hij product van smeltend ijzer, smart in vuur, zich van die smart wilde bevrijden om tot zijn eigen, oer-elementen terug te geraken, niet anders dan waarom de visch spartelt in het net. Indien de kogel kon, zou hij door de aarde dringen. Zoo gij hem boven den krater van den Etna zoudt gehouden hebben, zou hij zich in den krater hebben gestort, dwars door de vloeiende gloeiende lava en zwavel heen, tot hij de sferen gevonden had, waar het ijzer zich kan ontleden in zijn vluchtige oer-elementen en zoo rust vinden.
„Nu, op aarde vallend, op de altijd harde, wreede Terra moeder, zou de kogel in langzame, langzame pijnen, stom, zonder zelfs de verlichting om zich door een kreet te kunnen uiten, roesten, dat is zich pijnlijk laagje na laagje in de zuurstof verbranden om in eindelooze, opperste smart zich weer te vereenigen met zijn oer-elementen.”
„Dus ook daar smart, Eumenia. Is dan alles smart op de wereld? Is de onbezielde natuur lijdende zooals de bezielde?”
„Beider ziel ter wereld is smart. Meent gij Horatio, dat anders Rex regum, de Man der smarten zou geweest zijn?”
„En waarom is dan ter wereld alles smart?”
„Veel weet ik daaromtrent niet. Want ook ik Horatio, ben nog slechts in ontwikkeling. Maar ik vermoed, dat het een weg tot de vreugde is en dat smart tot een dimensie behoort, welke bij het overgaan in een andere dimensie, in vreugde verandert. Maar het is slechts een vermoeden. Kom, volg mij. Laat ik u voorgaan naar het tijdperk van een eeuw later, waar de menschheid zich ontworstelt aan de overmacht van de intelligentie en van de sexualiteit.”
XVI.
Ontwakend uit een nieuwe bewusteloosheid, ontwaarde prof. Leyden, Eumenia dadelijk naast zich en hij voelde zich in een kleursfeer, welke hij vaag als helder groen met diepe, Berlijnsch blauwe, schaduwen aanvoelde.
En voor hem spande zich het verschiet van een ver, vlak land, met veel boomgaarden, vriendelijke huizen en windmolens.
„Is dat niet Zuid-Holland?” vroeg twijfelend de professor aan Eumenia, want hij trachtte te vergeefs de torens van steden te ontdekken en zijn beminde sleutelstad, burcht en veste van wetenschap en wijsheid te begroeten, zooals zij zich in de toekomst zou ontwikkelen.
„Dat is Zuid-Holland, mijn vriend.”
„En waar is mijn Lugdunum?”
„Verlangt gij daar nog altijd zoo naar?”
„Mijn collega’s zullen....”
„Altijd die collega’s. Ben ik u dan niet méér dan een hunner. Hebben zij u ooit getoond, wat ik u toonde?”
„Zoo gij, Eumenia mij waarlijk nog meer wilt zijn dan levensvriendin, geleidster en geliefde, zoo gij mij als een collega wilt zijn, dan o zeg mij collegialiter, ben ik hier zeer nabij de stad, waar alléén mijn hart wil kloppen?”
„Geliefde, het bedroeft mij het u te zeggen. Maar deze uitgestrektheid voor u is de stad Leiden....”
„Wat meent gij?”
„Het is te Leiden, daar waar de Zuivere Rede eens hoogtij vierde, zich te buiten ging in de orgiën en bacchanalen der Dionysische syllogismen, sophistiek en soloecismen, dat men het eerst de regeneratie van het menschdom begon ter hand te nemen.”
„Ik wist het, dat mijn stad haar traditie getrouw zou blijven en er geen wijsheid of wetenschap ter wereld kon gedijen, welke niet te voren binnen hare wallen had groen geloopen! Maar waarom zie ik geen steden, geen kerktorens, geen menschencentra.... Waarom niets dan liefelijke landhuizen en ontelbare bloeiende boomgaarden, moestuinen en molens?”
„Ziet gij niet meer.... ginds....”
„Wel.... dat is het Westland.... maar zonder de kassen. En hoeveel menschen zijn daar werkzaam. Eumenia.... welk een schoon geslacht. De vrouwen liefelijk in hare landsdracht met de kanten mutsen.... de mannen stoer en breed in hun blauwe boezeroenen.... Zijn zij dan allen boom- en groentekweekers geworden?”
„Allen.... mannen en vrouwen. En zij zijn nog iets hoogers dan dat—zij zijn ook allen vruchten- en groenteneters....”
„Inderdaad.... ik zie geen vee.... Zijn de lakenvelders uitgestorven?”
„Luister toe, mijn geliefde. Toen dan de menschheid wegtrok van de streken der aarde waar gearbeid moest worden en soms wel gezwoegd om aan de toenemende, dagelijksche begeerten en behoeften te voldoen, bleven in Zuid-Holland eenige weinige mannen en vrouwen achter. Het waren zij, die in de stad Leiden sedert eeuwen geboren en getogen, van geslacht tot geslacht zittende aan de schoot der Alma Mater....”
Eumenia kon niet dadelijk voortgaan. Twee etherische armen omhelsden haar hals en twee etherische lippen drukten haar etherische lippen met al het eerste odd eener vurige, fluïdische liefde. Eumenia glimlachte van geluk bij deze eerste overwinning op hem, wiens partij flauto secundo zij eens tevergeefs bewonderd had.
„Bemint gij mij zoo, Horatio?”
„Beminnen? Dat is een veel te zwakke term. Ik heb u lief.... intersferidaal, pyramidaal, daar, zelfs collegiaal....”
„Is het mogelijk!....”
„Ik heb in u mijn Lugdunum lief....”
„Crassa Minerva?”
„Hoe meent gij, Eumenia?” antwoordde professor Leyden opeens bekoeld.
„Wel, gij ziet hier uw Lugdunum nu het weer inderdaad Lugdunum Batavorum is geworden....”
„Dus zijn die menschen ginds teruggezonken tot barbaren?”
„Neen mijn vriend, zij zijn van barbaarschheid tot geleerdheid, tot barbaarsche geleerdheid gestegen en daarna van barbaarsche geleerdheid tot ware wijsheid.”
„Ga voort, geliefde.”
„Terwijl dan de geheele menschheid wegtrok in luchtschip en vliegmachine, bestuurd door de u zoo bekende electrische golvingen van Hertz, naar de mildere streken, naar al de Bahama sferen der aarde, waren er te Leiden eenige jongere en oudere mannen en vrouwen, welke hadden leeren inzien, dat de wetenschap al niet anders dan vele dingen der wereld, een slechte meesteres is maar een goede dienares kan zijn. Zij hadden inderdaad geleerd en gestudeerd te Leiden.... van hoevelen kan men dat naar waarheid getuigen, o Horatio?.... en kwamen nu tot het besef, dat slechts aan diegenen wetenschap niet gespild is, die haar, vrucht van het brein, weten te breidelen en in liefde dienende te maken aan de ziel, de ziel ’s menschen verbinding met Wie De Ziel Is. Nu dan, anders dan bij de andere menschen, waar de vrouwen zich op de wetenschap hadden geworpen, de mannen de wetenschap toen hadden verwijfd; anders dan de menschen die na de groote godsdienstoorlogen en de groote economische oorlogen, de groote sexenoorlogen aanvingen, bleven zij achter. Zij waren de Harmonischen waarover ik u reeds sprak en vormden dien zwijgenden bond van mannen en vrouwen, die elkaar verstonden door den blik alléén. Zij hadden ingezien, dat wetenschap nog geen wijsheid is en weten, geen geluk. En de berichten, die tot hen kwamen van degenen, die uitgetrokken waren naar de mildere streken, versterkten hen in hun overtuigingen, brachten hen tot het bewuste besef, dat het aan hen zou staan, den mensch op aarde te regenereeren....”
„Mijn dierbaar, dierbaar Lugdunum. Ik heb het altijd vóórgevoeld.”
„De vrouwen der Harmonischen keerden zich af van de studie. Zij leerden de wijsheid van Bolland....”
„Collega Bolland! Collega Bolland! Hoor ik dan eindelijk in deze dimensie den naam van één licht der Sleutelstad! Citeer, citeer geliefde.... in hoe langen tijd hoorde ik geen citaat.”
„Zij leerden de wijsheid van Bolland, die geleerd had, dat de studeerende vrouw, hare vrouwelijke schoonheid, de hoogere en de lichamelijke schoonheid, verliest, erkennen en zij begonnen de gymnasia en de college-banken te verlaten. Want zij kwamen tot het besef, dat zij alle mannelijke wetenschap en betoog moesten omzetten in vrouwelijken vorm om ze te beheerschen en aldus de wetenschap onaardden en vervalschten. Bij deze vrouwelijk voelende vrouwen ontwikkelde zich nu de vrouwelijke functies, de geestelijke en de lichamelijke weder zuiver. Zij kregen sterke intuïtieve gevoelens, ontwikkelden het zoo vrouwelijke aanvoelingsvermogen en werden lichamelijk van een groote, lieftallige schoonheid. De harmonische mannen, deze vrouwen huwend, begonnen in het huwelijk te ervaren, dat er dingen tusschen hemel en aarde zijn, o Horatio, waarvan in hun schoolwijsheid, niet gedroomd was. En zoo ontworstelden zij zich aan de pedanterie en de eigengerechtigheid, die kenmerken van den barbaarschen geleerde. Ook zij, zoo vaak ervarend, dat de vrouw in hare argeloosheid, door het zuivere voelen in liefde wijzer is en dieper inzicht toont, dan de man met al zijn brein-kracht, leerden inzien, dat veel wetenschap overbodig zou kunnen worden, indien wat meer naar de liefdevolle, hoogstaande vrouw werd geluisterd. Het was na den kleinen wereldoorlog van 1914, dat die overtuiging het eerst werd uitgesproken, nadat men aan het graf van keizerin Augusta Victoria moest erkennen, dat zoo hare levensleer ware gevolgd in stede van die van haar gemaal en zijn universiteits-geleerden, die wereldoorlog en de daaruit volgende wereldoorlogen voorkomen zouden zijn geworden.
„De kinderen in de gezinnen der Harmonischen grootgebracht, kregen weder een zuivere opvoeding in overeenstemming met het geslacht. De meisjes werden tot vrouwen en moeders, de jongens, tot mannen en vaders opgeleid en de nivelleerende en tot geslachtsverwarring aanleiding gevende coëducatie, werd vervangen door de gescheiden opvoeding, waardoor op den rijperen leeftijd, het ideaal voor de beide geslachten behouden bleef, zoodat de jongeling in de maagd, de maagd in den jongeling een liefelijk mysterie zag, dat in het harmonische huwelijk zij aan elkaar geleidelijk aan zouden onthullen, maar nooit zoover, dat voor de vrouw in den man en voor den man in de vrouw niets meer te raden en te vermoeden, dat is te overwinnen bleef. Want zoo alleen is het mogelijk, dat de beide sexen elkaar blijven boeien en er geen verlangen naar verandering of verwisseling ontstaat.
„En met de vervrouwelijking van de vrouw, kwamen ook de eigenaardige, speciale deugden en talenten van de vrouw weder tot ontwikkeling. Men ging ervaren, dat er een groote waarheid school in den Paradijs-mythe, welke de vrouw schepster van de kleeding des menschen noemt. Inderdaad gingen de meisjes en de vrouwen zich weder in stede van op de mathesis, op de nuttige en fraaie handwerken toeleggen, een intuïtieve mathesis, welke men te lang had veronachtzaamd. Want wie kent er schoonere oplossing van een wiskundig probleem, dan een hemd, van zelf geweven linnen met de hand vervaardigd? De meisjes en vrouwen vingen aan linnen en wol te weven, begonnen eerst weder zelve haar uitzet te vervaardigen, daarna de luiermand zelve te voorzien en na eenige geslachten reeds maakten de vrouwen der Harmonischen zelve door edelen, kunstrijken, verheffenden handarbeid tapijten, gordijnen, dekens, ondergoederen, bovenkleederen voor vrouwen en mannen. De fabrieken konden voor hunne producten bij de Harmonischen geen afzet meer vinden. Want geen enkel fabrieksproduct, machinaal en zielloos als het immers moet zijn, kon op tegen de door de meisjes en vrouwen zelve geweven, ontworpen en vervaardigde linnen- en wollen goederen. De arbeid met de hand leidde er toe, dat men alleen de allerbeste grondstoffen verwerkte. Zij leidde er toe, dat men zelve de patronen ontwierp voor het eigen gezin en zich dus naar eigen smaak en individueel ging kleedden, het lichaam en het huis. De gestadige arbeid, het gevoel van zaligheid, dat iedereen ondervindt, die aan iets werkt met liefde, daar het te vervaardigen voorwerp er een is is tot verwarming, bescherming en versiering van een geliefd persoon, voor kind of echtgenoot, zuster of vriendin, vervulde het gezinsleven van een veredelenden, verheven geest. De vrouw, aldus op hare wijze zorgende voor de behoeften des levens, was niet meer de geminachte bedelares, die door haar man met de ziellooze producten der fabrieken werd aangekleed of er zich met het door hem verdiende geld, mee oppronkte, in haar kleedij de slaafschheid van de courtisane, symboliseerend. De home made kleedij leidde tot degelijkheid van stof, eenvoud en schoonheid van snit en men was zuiniger en zindelijker op de door moeder of zuster gemaakte kleederen, daar men in die kleederen, de maakster eerde en ontzag. Daarbij zagen de moeders en zusters, haar echtgenooten, broers en kinderen met welgevallen aan, omdat zij gekleed waren in het werk harer liefdevolle handen. De echtgenooten en broers zagen hun zusters, vrouwen, meisjes met eerbied aan, omdat zij gekleed waren in naar eigen smaak zelve ontworpen en vervaardigde kleedij. En als men bij elkaar kwam, pronkte men niet tegen elkaar op met gekochte kleeren, maar men bewonderde elkaars drachten oprecht, daar ieder wel wist, dat elk kleedingstuk een resultante was van smaak, vlijt en liefdevollen arbeid.
„De ophitsende, sensueele kleuren die de fabrieken uit de koolteer hadden weten te bereiden, begonnen afkeer te verwekken. Men voelde zich beschaamd, vrouw, zuster, ja zelfs het onrijpe meisje, gekleed te zien in kleuren, die de zinnen opwekten. Men besefte, dat men zooiets aan de bloemen en de insecten moest overlaten, die in het stadia der zinnelijkheid leefden.
„En zoo kwam men weer terug tot de meer gedekte kleuren. Men begon weer oog te krijgen voor de schoonheid en kuischheid van de oorspronkelijke verven van het vlas en de wol. Men leerde weer kleuren met eenvoudige aftreksels van vruchten en planten, zooals van walnotendoppen, galnoten, eikenschors, meekrap en indigo. Men leerde hoe met slechts twee kleuren, groen en roodbruin of zwart en lichtgeel, bruin en diepgeel, een harmonische sfeer in huis en kleeding was te verkrijgen. De bonte zinnelijkheid van huis en kleedij verdween en werd vervangen door statige, kuische ingetogenheid. De kleedij maakte ook de houding en het gebaar weder statiger en dat werd gevolgd door een rustiger zich bewegen, een waardiger zich uiten en een spreken van meer verheven gedachten.”
XVII.
Nu de fabrieken langzamerhand geen afzet meer vonden voor hun ziellooze producten, gingen de mannen zich op andere bezigheden toeleggen, dan het uitvinden en fabriceeren van allerlei machinerie, of wat langzamerhand verachtelijk „automatica” werd genoemd. De mannen begonnen zelf de meubels voor hun huisgezinnen te vervaardigen en het zelf vervaardigde meubel kreeg dezelfde eigenschappen en had dezelfde uitwerking op den maker en op de leden van het gezin als het zelf vervaardigde kleedingstuk. Men koos er de meest duurzame houtsoorten voor, bij voorkeur goed belegen en uitgewerkt notenhout. De lijnen waren eenvoudig, maar rhythmisch. De verbindingen duurzaam en vernuftig. Ieder ontwierp het meubel voor zijn eigen huis of gezin en bracht er zoo den eigen geest en psyche in. Het zelfvervaardigde meubel gaf den maker voldoening en verwekte bij degenen, die er gerief van hadden, liefde voor den maker en eerbied voor het voorwerp, product van vaders of broedersziel, zelf. De vrouwen, die wisten wat goed handwerk was door hare eigen handwerken, konden de door de mannen gemaakte meubels met geheel haar hart waardeeren. De mannen, die een goed meubelstuk gemaakt hadden en wisten hoeveel zorgzaamheid, geduld, overleg en vaardigheid dat eischte, leerden aldus ook de handwerken der vrouwen waardeeren.
Men ging nu in de volgende geslachten er toe over ook het eigen huis te gaan bouwen. Hierbij hielpen de mannen elkaar, maar gezorgd werd, dat elk huis naar de ziel en de behoefte van den eigenaar en bewoner opgetrokken werd. Daar de Harmonischen groote gezinnen vormden, werd elk huis ruim gebouwd, berekend op de afzonderlijke opvoeding der sexen, omgeven door een flink stuk land. De kennis van de materialen leidde er toe, dat men die materialen lief ging krijgen en zoo begon men de bosschen te verzorgen en aan te kweeken, waaruit men het hout voor meubels en woningen betrok. Men kweekte de boomen en planten aan, die de gewenschte verfstoffen en oliën opleverden. Men zag in een goedopgegroeiden eik niet meer een soort „natuurschoon”, dat straks gekocht, omgehakt en geautomatiseerd zou worden in de fabriek en vandaar door den handelaar versleept, maar een goed opgegroeide eikeboom was het product van de liefdevolle zorg van eenige geslachten eener familie. Men kweekte de meest voor de bearbeiding geschikte exemplaren en wanneer een boom ten laatste geschikt was geworden voor het gebruik, werd hij met eenige plechtigheid door handenarbeid omgehakt. Dat was een mannelijke, gezonde sport, maar een sport met een bewust nuttig doel. En het was weder een andere edele sport-arbeid, den boom later tot planken te zagen. Dan werden de planken door de mannen naar de werkplaats bij hun huis gedragen. Want men had afstand gedaan van alle verkeer per rad en van alle machinale voortbeweging. De wellust van het rijden, op een dier of in een wagen, had men leeren verachten. Ook had men leeren verachten het verbreken van het rhythme door het kunstmatig versnellen van den tijd. Het wiel was de oorsprong van alle verweekelijking en dus meed men zooveel mogelijk het wiel en zijn gebruik.
De liefde voor boom en plant, de afkeer van het misbruik en het gebruik van het dier, het streven naar kuischheid van ziel, geest, gemoed en lichaam, zijnde kuischheid een vorm van waardigheid en waardigheid een vorm van eerbaarheid, liefde en verhevenheid, had de Harmonischen langzaam aan gebracht tot vegetarisme. Toen men na 1914 vele wouden van notenboomen had uitgeroeid om van het notenhout geweerkolven te maken, was men begonnen te beseffen, dat men als krankzinnige barbaren juist van de noteboom het tegendeel van het gebruik gemaakt had, dat er van te maken was. Zoo waren de Harmonischen weder noteboomen gaan kweeken en de opvolgende geslachten gebruikten nu de notenboom als hout voor meubels, de notenbasten om er een schoone, duurzame bruine verfstof van te bereiden, de noten zelf om er een heerlijke, voedzame olie uit te persen, terwijl de geperste koeken een welkom voedsel waren voor de schapen, wier wol daardoor glanzend, dik en smijdig werd.
Er werd ten laatste geen ander vee meer gehouden dan schapen. Maar deze schapen werden niet geslacht—slechts tegen het warme voorjaar geschoren. Het waren de kinderen, die de schapen verzorgden en hoeden. Er werden geen honden bij gebruikt, daar het de Harmonie verstoorde, de lieve zachte dieren altijd opgejaagd en in angst te zien door een dier, dat voor hen den wolf, hun aartsvijand, symboliseerde. Verdwaalde schapen kwamen toch altijd weer terecht. Niemand in de maatschappij der Harmonischen stal. Want men was er van bewust geworden, dat de dief iemand is, die arbeid in den een of anderen vorm neemt, zonder er arbeid in den een of anderen vorm voor terug te geven. En daar men persoonlijken arbeid had leeren erkennen als de bron van alle geluk en als de eenige mogelijkheid om waarlijk sociaal te leven, had men den dief en elken vorm van oneerlijkheid, uitgeroeid. En daar dus alle contrôle, boekhouding, politie en justitie overbodig waren geworden, ontstond er zulk een overvloed van arbeidslust, arbeidskracht en arbeidsproducten, dat het bezit niet tot gierigheid leidde.
Langzamerhand was het gebruik van vleesch, visch, zuivel en eieren in onbruik geraakt. Dit hield verband met het persoonlijke en met een doel, dat is het vervaardigen van een product, arbeiden van elkeen. Het eerst hadden de mannen afkeer gekregen van het slachten van koeien, varkens en schapen. Daar men er voor zorgde, dat niet de mannen zich in bepaalde beroepen specialiseerden, omdat men uit de overgeleverde beschrijvingen van de stichters der Harmonische Maatschappij wist, dat het uitoefenen van een beroep tot eenzijdigheid en van eenzijdigheid tot zielsverarming leidt, moest ieder voor zijn eigen gezin slachten. Maar vele mannen voelden het als een gruwel ’s middags een koe gedood te hebben en ’s avonds hun vrouw te begroeten. De vrouwen, die in de keuken de levende visch moesten dooden en zagen, hoe zelfs na de meeste voorzorgen, toch de lichamen van den kop gescheiden, bleven na-krimpen van pijn, zagen er ook van af, visch toe te bereiden. Het werd daarna den vrouwen onmogelijk elken dag de koeien te melken. Het lijden van de koe ’s winters opgesloten in de stal, het kunstmatig aan het melkgeven houden van een zacht, lief, goedig, geduldig dier, welks lichaam op deze wijze tegennatuurlijk werd gebruikt, trof de vrouwen tot in het diepst harer ziel en zooals een vorig geslacht geen vleesch meer had kunnen eten omdat het weerzin wekte, konden volgende geslachten geen melk van een mishandeld dier meer drinken.
En hetzelfde gevoel, dat weerzin verwekte tegen de zuivelproducten, maakte het eten van plantaardig voedsel tot een groot genot. Men at en voelde, dat men in reinheid het reine at. De liefde schiep en zoo werd het eten op zichzelf weder langzaam aan de gewijde, sobere plechtigheid op bepaalde uren van den dag, hetgeen het eten van den mensch zoo verschillend maakt van het altijd schrokkende, altijd door zijn maag getyraniseerde, dier.
„Wilt gij ze zien eten, Horatio?”
„Gaarne, Eumenia.”
De professor volgde Eumenia naar een der vriendelijke landhuizen, half villa, half boerderij. Een teedere, liefelijke geur van de bloesems in de groote boomgaard rondom het huis, ontwaarde prof. Leyden binnen in de voorhal en de ruime kamers.