Part 7
„Welnu, de vrouwen begonnen den bijbel te herschrijven. Zij meenden, dat het God ontwijden was, te veronderstellen, dat de „moeder aller levenden”, de erfzonde over het menschdom had gebracht. Zij waren er van overtuigd, dat het Paradijs-verzinsel, waarin aan de vrouw zulk een minderwaardige rol is opgedragen, door de eeuwen heen op de plaats der vrouw in de samenleving, een rampzaligen invloed had uitgeoefend. Niet de vrouw was van den aanvang slecht geweest, maar door den vloek, welke door het verzinsel van den Paradijs-mythe schrijver over de vrouw was gebracht, waren zoovelen harer door de eeuwen heen in de verachting neergedrukt, ten laatste ontaard. Gevolg werd met oorzaak verwisseld. En al de vele vrouwen, die juist het tegendeel waren geweest van de caricatuur der vrouw, in het Oostersche fabelboek geschetst, bewezen de dwaling ten aanzien der van den in barbaarsche tijden levenden auteur van Genesis.
„Zoodan kreeg in de eerste lezing van den Bijbel door de vrouw naar vrouwelijke intuïtie opgesteld, de Paradijs-mythe een andere tendenz. Men las daar, dat God, De Droom, nadat Hijzelf uit den chaos het uitspansel had gebaard, waarin ook de aarde, zich zelf beeldend in een spiegelbeeld van Zijn Droom, De Barende schiep, dat is De Moeder. Toen zeide De Moeder tot die Haar had geschapen: „Scheppende, hoe zal ik naar Uw Beeld Barende zijn, indien niet De Drang daartoe in mij wordt gebracht.” En de Scheppende deed over Eva een nieuwen Droom komen en in Dien Droom ontwakende vond zij tegenover zich haar eersteling, waarvan De Scheppende haar had doen bevallen, Adam, den man, die in haar geslacht voortaan den Drang tot baren zou brengen. En De Scheppende zeide: Gij nu, die in één droom tot twee zijt geworden, vereenigt u in verinniging weder tot een nieuwen droom en telkens als gij aldus doet, zult gij uit uwe tweevoudigheid, één wezen in een hoogere macht scheppen. En zoo groeiend in wezen tot wezen, van macht tot macht, zult gij van stof tot geest worden, van geest tot geest in kwadraat, van geest in kwadraat tot geest in kwadraat van kwadraat. Zoo gaat gij voort. Ik wijs u den weg, maar niet het eind. Dit eind zou hij beseffen, die van gindschen boom in het midden van den hof eet. Maar niet van dien boom zult gij eten. Toen kwam de knecht Gods, die afbreekt wat te zwak is om opgebouwd te blijven en in den vorm van een slang naderde hij Adam, ten einde te zien of hij hem afbreken moest. En hij bood Adam een vrucht van den boom midden in den hof aan. Adam nam de vrucht aan en at er van. En hij ging tot Eva en bood haar een bete. Eva weigerde met ontzetting zeggende: „Zoude ik, de moeder aller levenden, zondigen en zouden zoo door en in mij alle levenden van heden tot aan de einderen, gezondigd hebben?”
„Toen hief Adam zijn vuist op en gaf Eva een slag op den mond, dat zij bloedde en hij greep haar bij de keel en beval: „Eet of ik zal u dooden. Ik ben uw heer en zult gij mij dan niet gehoorzamen?”
„En hij dwong door zijn brute kracht haar te eten, met haar bloedenden mond.
„Daarna ging Eva ter zijde zitten en weende. De eerste tranen werden geschreid, de eerste wapenen der vrouw, de moeder aller levenden.
„Toen verscheen de Scheppende en zeide: „Waarom weent gij Eva?”
„En Eva antwoordde:
„„De man, dien gij mij gegeven hebt, is mij tot een macht geweest boven U. En het eerste leven, dat hij in mij gewekt heeft, zal zijn gelijk zijn beeld, Kaïn, de moordenaar zijns broeders.””
XIV.
„En hoe staan zij ten opzichte van het Nieuwe Testament?”
„Mijn dierbare vriend, zij hebben zich ten aanzien van het Nieuwe Testament geen vaste houding kunnen geven. Want zij deinsden terug, toen zij de methoden op het Oude Testament toegepast, ook met betrekking tot het Nieuwe Testament wilden gaan gebruiken. Zij ontwaarden, dat de Maria cultus, dat de eerbied voor het kindeke en dat de onbevlekte ontvangenis, niet uit het barbaarsche brein van een Oosterling konden zijn gesproten, die alles naar de brute idée des mans voorstelde, doch uit een andere sfeer moesten zijn gekomen. Zij beseften, dat de vervulling van de wet, die het Nieuwe Testament beloofde, juist het sterkst zich uitte in de bevrijding en verheffing van de vrouw, zelfs van de gevallene, die met overgroote liefde en innige vergevensgezindheid werd tegemoet gekomen. Het Concilie der Vrouwelijke Theologen dat in 1975 bijeen kwam om de definitieve houding ten aanzien van het Nieuwe Testament te bepalen, slaagde er niet in tot eenheid te komen. Er was een richting onder de vrouwelijke theologen, welke het Christendom verweet, dat het de vrouw verweekelijkte. Zij wenschten, dat het geheele Nieuwe Testament terzijde zou geschoven worden. Er ontstonden vele stroomingen. De Martha-ïsten, die daar het huiswerk van Martha niet in aanzien was geweest, meenden dat het Nieuwe Testament het slaven en slooven van de huisvrouw veroordeeld had. De Maria-ïsten, die in de toeluisterende en deswege geprezen Maria het symbool zagen van de erkenning van de geschiktheid der vrouw voor geestelijk onderricht. Een andere strooming wees op Johannes 15:15, luidende: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van mijnen vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt”. Hier meenden zij, was het begin gemaakt van de afschaffing van het knechtschap, de slavernij in ’t algemeen en dus ook van de slavernij der vrouw. Weer een andere richting, meende, dat de Christus, zooals hij in het Nieuwe Testament geteekend is, niet kon zijn de Christus, zooals hij geweest is. Het waren de vegetarisch levende vrouwen, die Johannes 21:11 aanhaalden en het voor onmogelijk verklaarden, dat de Christus, Simon Petrus honderd drie en vijftig visschen aan hun element had doen onttrekken, dooden en tot een middagmaal bereiden en dat Johannes 21:13 den Christus voorstellende als zich openbarende en den discipelen visch te eten gevende aan een maaltijd, voor elkeen, die in de visch een bezield wezen erkende, een hoon inhield van den Christus, die immers van den dood opwekte, niet tot den dood veroordeelde, die het leven bracht, niet het leven nam. De psycho-analytici onder de vrouwelijke professoren, verklaarden dat de voorliefde voor vischgerechten, ja, het bijna ziekelijk verlekkerd zijn op visch, zoo kenmerkend bij de Joden, hier den schrijver van het evangelie van Johannes, parten had gespeeld. Vischetende volken zijn sensueele volkeren, de visch is in beweging, verschijning en wezen een corpus sensuale bij uitnemendheid. Zoo dan lukte het aan het Concilie niet, het geslacht te bepalen van het Nieuwe Testament, zoodat het niet, gelijk het zoo barbaarsche mannelijke Oude Testament, naar de psyche van de vrouw kon worden her-schreven.
„Tot een nieuw Concilie bepaalde, dat het Nieuwe Testament, het Nieuwe Geslacht van den mensch had voorbereid en het nu, aan dit verrezen Nieuwe Geslacht stond, een levensleer uit te denken, welke als een volmaking van het Nieuwe Testament beschouwd kon worden. Doch Concilie na Concilie werd te zamen geroepen, maar men slaagde er niet in. Slechts slaagde men er in, langzaamaan den Christus naar Zijn waren Kern te doen voortkomen uit de vele windselen, waardoor hij door zijn naïeve en zoo ver beneden hem staande biographen, was beschreven.”
„En hoe, lieve Eumenia, stonden de mannen tegenover deze Concilia?”
„Er geschiedde bij de mannen, die tot onderworpenheid waren gebracht, hetzelfde als bij de vrouwen gebeurd was. Juist als bij haar, veroorzaakte bij het meerendeel, de onderworpenheid en afhankelijkheid, een verlaging van ziel, geest en karakter. Doch een kleine minderheid verpuurde juist door de onderworpenheid en afhankelijkheid en zij sublimeerden hun slavernij tot een verheven dienende liefde. Het waren deze mannen, die in tegenstelling met de meerderheid, welke een bevrijding van hun slavernij van de vrouw verwachtten door de een of andere gelukkige omstandigheid, waardoor zij in een nieuwen oorlog tusschen de beide sexen de overwinning zouden behalen, zeker vertrouwden, dat eens de groote vrede weder tusschen de beide geslachten zou hersteld worden door een herrijzenis van de Christus Idée, gezuiverd van de barbaarschheden van tijd en milieu Zijner verrijzenis in Phalas-Phalus-Pallus-Palestina, dat naar zijn naam Baäl-Es-Tyn, het land Baäls, nog te veel besmet was geweest van den geest van den Baäl om een zuiveren teelgrond voor de Christus Idée te kunnen worden. En zij trachtten door rein leven naar de ziel, den geest en het lichaam, dien zuiveren bodem voor te bereiden, waarop de Harmonie der twee geslachten opnieuw zou kunnen ontbloeien. Zekere instinctieve gevoelens, welke de vrouwen, ook de meest vermanlijkten, nog in zich droegen, dreven haar er toe, die kleine secte der Harmonischen, te eerbiedigen, vooral omdat zij geenerlei ruchtbare of sterke, actieve propaganda voerden. De Harmonischen herkenden elkaar aan den blik, den sprekenden maar geluidloozen blik en aan hun daden van liefde en zorgzaamheid voor de zwakken, de zieken en vooral de kinderen. Nooit spraken zij elkaar over hun wezen. Want zooals gij voor u ziet, de vrouwen hadden de economische quaestie spoedig opgelost. Wat onder de regeering van het mannelijke geslacht armoede aan stoffelijk bezit was genoemd, kende men niet meer na 1970 onder de heerschappij der vrouw. Het verkeer door de lucht had het zoo gemakkelijk gemaakt in een korte spanne tijds de producten van de vruchtbare deelen der aarde te brengen naar de minder- en onvruchtbare deelen der aarde en de algemeene, internationale wereldplicht van arbeid voor iederen mensch, had het vervaardigen en opslaan van producten zoo bevorderd, dat er op aarde geen stoffelijke armoede meer bekend was.”
„En ontstond er toen, mijn lieve Eumenia, niet een algemeene tevredenheid en universeel geluk?”
„De mensch zal en kan bij brood alleen niet leven, Horatio. Zoo min als het geluk der menschheid ontstond, toen elkeen reeds lang voor den eersten wereldoorlog, in de ontwikkelde centra der aarde, zooveel frisch, zuiver water te zijner beschikking had als hij wenschte, maar integendeel verbodsbepalingen moesten worden gemaakt om den mensch van het drinken van alcoholische en narcotische dranken af te houden, zoo bracht ook de zekerheid voor elkeen, dat hij van zijn geboorte tot zijn dood, overvloedig voedsel, kleeding en huisvesting zou bezitten, geen geluk. Want het geluk van den mensch komt voort uit den geest, niet uit de stof. En alleen door den strijd tegen de stof, kan de geest weerbaar en zich bewust blijven. Arbeid, de tol van het geluk, was tot een minimum beperkt en daardoor steeg de genotzucht tot een maximum.
„Daar de man nu aan de vrouw was onderworpen, zooals eens de vrouw aan den man was onderworpen, bleef de schepping van den nieuwen mensch, wat zij tot heden doorgaans was geweest, een immoreele actie. Had vroeger, de man, de vrouw gedwongen, hem tot lust-object te dienen, daar de vrouw, tot rijpheid gekomen, moest zorgen „uitgehuwelijkt” te geraken op straffe van of te verdorren of tot oneerbaar geacht verkeer te komen, thans was het schijnbaar omgekeerd, maar naar het wezen hetzelfde. De vrouwen kozen zich de mannen en daar zij niet overheerscht wenschten te worden, kozen zij doorgaans de zwakste en de meest minderwaardige individuen. De weinige kinderen, uit dit verkeer gesproten, droegen zoo goed den stempel hunner verwekking als vroeger, toen de mannen de vrouwen kozen, hetzij als lust-object, hetzij ter wille van bezit, te verwachten erfenis, invloed harer familie, kortom ter wille van al de vele onzuivere motieven, waartoe zoovele huwelijken werden gesloten.
„Zoo dan begon het menschdom uit te sterven. De wereld kwam voor een calamiteit te staan, zooals zij te voren nooit gekend had. En het ging snel, zeer snel. Want daar het verkeer door de lucht de geheele wereld als het ware tot één groote gemeente had gemaakt, alle strijd van volken en nationaliteiten zich had opgelost in den algemeenen, universeelen strijd tusschen de twee sexen, was over de geheele wereld het aantal kindergeboorten snel afnemend, de sterfte onder de kinderen buitengewoon groot en de kinderen die bleven leven, van de jeugd af gescheiden in twee elkaar vijandige sexen, gebaard door de vrouwen maar opgevoed door de mannen, zonder den versterkenden invloed van den weerbaar makenden strijd tegen en om de stof, groeiden op tot een vreemd geslacht van zwakzielige weekelingen, onderworpen lustelingen en luiaards. Zooals vroeger het als een soort ramp werd beschouwd, als in een gezin veel meisjes werden geboren, werden nu de jongens met weerzin begroet. En zooals vroeger de moeder, het meisje van haar jeugd af had te beschermen gehad tegen den jongen, en den vader, zoo moesten thans de mannen, aan wie de opvoeding van het kinderdom was toegewezen, de jongens beschermen tegen de vrouwen.
„De ontvolking begon het eerst in de koudere en meer gematigde luchtstreken groote afmetingen aan te nemen. De vrouwen toonden een algemeene neiging tot steriliteit. De mannen een algemeene neiging tot impotentie. En men verheugde zich deswege, want de opgroeiende geslachten, telkens weekelijker en met minder zielskracht en vitaliteit, trokken naar de streken, waar de mildere natuur nog minder arbeid van den mensch vroeg om zich staande te houden. Maar juist die mildere natuur verzwakte de volgende geslachten al weder meer en daar er overvloed was van alles, versmolt de vitaliteit van het menschengeslacht.
„Het aantal jongens, dat geboren werd, stond in geenerlei verhouding meer tot dat der meisjes. En de jongens werden steeds zwakker, kleiner, achterlijker, minder veerkrachtig. De meisjes werden schraler, dorrer, liefdeloozer.
„Kom nu mijn vriend, en volg mij. Ik zal u de maatschappij toonen, zooals zij omstreeks het jaar 2100 op aarde zal zijn.”
En professor Leyden volgde, als een door een halo omgeven Kern, het licht, dat voor hem uit ging.
XV.
„Ziethier, mijn vriend, een andere phase van de ontwikkeling der menschheid.”
„Noemt gij dat ontwikkeling, Eumenia? Ik zou het eerder achteruitgang willen heeten.”
„Hij die De Ontwikkeling is, kiest Zijn wegen naar Zijn Inzicht en wat achteruitgang lijkt, kan Hem middel tot het doel zijn.”
„Een vreemd middel, Eumenia.”
„Voor uw bekrompen professoraal verstand, Horatio.”
„Inderdaad, gij hebt gelijk. Ik ben niet veel in het heelal, slechts een Leidsch professor—hoewel van de medische faculteit.”
„Gij aanschouwt nu groote, geheel verwilderde landstreken en dat juist in de meest gezegende klimaten.”
„Hoeveel ratten, zie ik.”
„Ja, het was de rat, die zich uitbreidde ten koste van den mensch. De rat en de wolf. Want daar deze beide diersoorten in troepen leven en het communeele instinct bezitten, bij deze soorten het individu zich altijd offert ter wille van de soort, wat gij een lageren vorm van Christendom moogt noemen, teelden zij in steeds aangroeiende hoeveelheden voort en de menschheid, uitstervend, nam zelfs de moeite niet meer om ze door de sluipgaskogels uit te roeien. Slechts als ze te dicht bij hun nederzettingen kwamen, werden eenige sluipgaskogels uitgestrooid en deze deden dan prompt hun werk. Al wat binnen een bepaalden kring leefde, dier of plant, zaad of kiem, werd doodgeloogd, tot wezenlooze stof verpulverd.”
„Dat zijn dus die groote, kale vlakten. En wat beteekenen die ruïnes van groote gebouwen, die ineengestorte fabrieksschoorsteenen, die massa’s roodachtige ijzeren werktuigen?”
„Na een toenemen van allerlei soorten fabrieksproducten en kunstmatig voedsel en vermaak, kwamen er geslachten, die ook daaraan geen waarde meer hechtten. Toen iedereen een gramophoon, een electrische piano of electrisch orgel, een electrische zijde spin-machine, die van een celluloid-oplossing, coupons zijde spon in alle maten, dikten en kleuren en al de velerlei machines voor nut en vermaak, door de intelligentie uitgevonden, bezat, toonden de menschen zich ten laatste oververzadigd. De vale, vernietigende verveling, zij, de zuster van luiheid en de moeder van wulpschheid, lag als een mist over de menschheid en ten slotte was men ook van wulpschheid oververzadigd. Toen werd de menschheid door een algemeene, groote passiviteit gedrukt. Men hechtte geen waarde meer aan de producten der machinale nijverheid, paste zich aan aan de mildere klimaten, liet de gematigde en koudere luchtstreken, waar men zwaar had te arbeiden om het leven te behouden en te veraangenamen, geheel over aan de wolven en de ratten, kleedde zich slechts met een primitief schootsvel of met een lendendoek en men zag geen oude menschen meer. Wie veertig jaar oud werd, had een ongewoon hoogen leeftijd bereikt. Meestal werd men niet ouder dan dertig jaar en was dan verheugd, heen te mogen gaan en van zijn verveling verlost te worden.
„Want zie, deze menschen welke gij daar voor u ziet leven, waren geen primitieve wilden, maar zij waren door de intelligentie, door de hersenontwikkeling, welke geen gelijken tred had gehouden met de zielsontwikkeling, als loten die te snel en te ijl omhoog geschoten zijn, slap en voos geworden. De vrouwen, die haar brein hadden ontwikkeld, ten koste van haar ziel, haar gemoed, haar hart en haar vrouwelijke lichaamsfuncties, waren een soort intelligentie-monsters geworden, die alles dadelijk met haar verstand begrepen, omvatten, doorzagen, indeelden en het vervolgens als nietswaardig ter zijde wierpen. Zij hadden haar intuïtie en haar instincten zoo goed als verloren, tot rudimentaire en onbruikbare hoedanigheden vervormd en de mannen, ontaard, verslapt, verzwakt en verluierd, vonden ten laatste zelfs geen afleiding meer in het spel—zoolang hun middel om den tijd te dooden, daar zij niets wenschenswaardigs meer konden uitdenken om als inzet voor het spel te dienen. Er was van alles overvloed voor ieder—maar niemand stelde belang in bezit. Waartoe? Men was weg van de aarde, voor men er zich thuis voelde. Niemand had liefde voor zijn nageslacht. Als er een vrouw moest bevallen, was het moeielijk om andere vrouwen te vinden om haar te helpen en bij te staan. De monsters van intelligentie, die alles al schenen te weten voor zij het geleerd hadden en twaalf jaren oud al de moeielijkste wiskunstige problemen oplosten zooals zij eens, vele eeuwen vroeger, spelender wijze op de piano musiceerend, diezelfde problemen hadden opgelost in den vorm van klanken, óók zonder dat het haar moeite kostte—de vrouw was toen muzikaal aangelegd zooals men nu hier, Horatio, mathematisch is aangelegd, de monsters van intelligentie, welke de vrouwen waren geworden, hadden een afschrik van het baren. Zij noemden het een vernedering van het menschelijk geslacht, vonden het vies en zagen in de placenta het symbool van de geboorte. Het was den mensch onwaardig, gelijk de hond ter wereld te komen en als de wereld bewoond moest zijn, waarvoor geen enkele geldige reden door het intellect was te vinden, dan moest zij maar door ratten en wolven bewoond worden. De aard van die dieren paste in het stelsel van „moeder” aarde. Men verachtte de aarde als een verdoemde planeet, de armzalige plebejer onder de hemellichamen. Men bewonderde de steriele maan, de trotsche, welke zich van de lage aarde had afgescheiden en haar voor goed den rug had toegedraaid, ironisch dien rug als een gelaat toonend. Dat was nog eens een hooge en waardige houding in het heelal, geen leven te gedoogen als men geen hooger leven onderhouden kan. Men voelde medelijden met de zon, die nog in haar oer-toestand was, in de toekomst zou afkoelen en dan aan leven het aanschijn geven, dat juist als op aarde, een ontzaggelijk lijden zonder einddoel zou zijn. En de vrouwelijke intelligentiewezens hadden een groot treurspel in verzen, dat de kinderen reeds op school leerden en het fundament voor hun levenshouding vormde. Het heette „De optocht der werelden”. Juist had er een opvoering van plaats. Er werd in geschilderd, hoe de verschillende werelden aan het eind van het bestaan van het heelal en van de Godheid van dat heelal, optrekken naar een hoogere orde en een hoogere Godheid. Van alle planeten werd de geschiedenis bezongen. Ten laatste kwam eerst de blanke, bevrozen maan. Zij zeide, hoe zij, walgend van het stelsel der aarde planeet, waar geen leven mogelijk was geweest zonder het offeren van ander leven, zich op een dag in oppersten afkeer en smart, ontrukt had aan de aarde en opgestegen was zoo hoog, dat zij ver buiten het bereik van de aarde en haar sfeer was geraakt, zoodat zij ook ver buiten de dampkring bleef en de warme, stinkende uitwasemingen. Niets van de aarde zou haar voortaan kunnen beroeren en wat zou trachten tot haar op te stijgen, zou in de ijle ruimte doelloos blijven zweven. Zoo dan had zij voortaan kuisch geleefd en zij kon nu ingaan tot hoogeren bestaansvorm zonder een verleden, als dat van de aarde.
„De aarde had de twee wonden, haar geslagen door het uittreden der maan, met water aangevuld en twee wereld-oceanen ontstonden op de plaatsen, waar eens de maan had gerust. Naar heur oude wreede aarde-wet, waren die twee oceanen weder vervuld van leven en geen gruwelijker smart was denkbaar dan die van de op en van elkaar levende wezens in de oceanen, elkaar levend opetend en altijd de sterke en gruwelijke, de zwakke en zachtere, vredelievende belagend en levend verslindend.
„Onder alle planeten, die tot hoogere levenssfeer wenschten in te gaan, was er geen met een zoo afgrijselijk verleden als de aarde. Zij kwam en in een lange stoet volgde haar heur levensverschijnselen, eerst de oerstof, dan de langzame ontwikkeling uit den chaos.... de voorhistorische monsters, de historische dieren en dan eindelijk de mensch....
„En midden in dien stoet was een groote afscheiding. Vooraan het tweede of christelijke deel, schreed Jezus van Nazareth, met de doornenkroon om het hoofd, gebukt onder het kruis, met doorstoken handen, doorstoken voeten, gegeeselden rug en de lanssteek in de hartstreek....
„Dat was de God-Koning der aarde.... en achter hem kwam de menschheid, die Hij had willen redden en de boodschap der liefde had gebracht.... liefde op de verdoemde, onbewoonbare planeet Terra, waar de onontkoombare wet was, dat leven zich onderhouden moest door het verdelgen van ander leven....
„Rondom den God-Koning schreden visschers met hun net, zijn discipelen en aan de poort tot de hoogere levenssfeer stond Piscia, de Godin der visschenwereld en zij weende.... weende over al haar levend gekorven, gestroopte, gekookte kinderen der zeeën, stroomen en rivieren....
„Van al de planeten, van al de werelden in de ruimte was er geene zoo ellendig als Terra en haar menschenwereld, aan wie de liefde geopenbaard was als hoogste wet des heelals, maar die deswege des te dieper haar val en verdoemenis besefte, daar de menschen op de wreede aarde, de gruwelijke planeet, alleen konden leven door te dooden en te misbruiken, ’t zij den evenmensch, ’t zij het dier, hetzij de plant, hetzij wat lang waanwijs de onbezielde natuur was genoemd, maar even bezield was als al het andere, alleenlijk op andere wijze.”
„Arme Rex regum!” kreet prof. Leyden.
„Hoort gij niet, wat Piscia roept?” vroeg Eumenia smartelijk.
Prof. Leyden luisterde.
„Mijn arme kinderen der zeeën en stroomen. Die een visscher der visschen was, kòn geen Visscher der menschen zijn!”
En dieper boog de Rex Regum der wereld onder Zijn kruis.
„Zeg mij Eumenia,” vroeg prof. Leyden zich herstellend, „is Hij niet zelve gelijk zoo’n visch, die levend gestroopt en gekorven werd. Is de visch niet zijn symbool?”
„Luister Horatio, naar den verderen inhoud van het dichtwerk.”