Part 6
Toen professor Leyden weder tot bezinning kwam was zijn eerste gedachte dan ook aan het wezen der negatie gewijd. Tegenover het iet is het niet te stellen, dacht hij, maar tegenover de gedachte waar-tegenover geen andere is te stellen, het (niet)x, het absolute niet in abstractie, geloof ik, met welmeenen van mijn collega’s, die het als zij het beter weten, gerust mogen zeggen, te moeten beweren, te mogen herhalen, wat eens een deurwaarder in het eerste jaar op mijn kast gekomen als hoogste wijsheid der jurisprudentie uitsprak: Waar niet is, heeft de keizer zijn recht verloren. Ik wist tot heden niet, dat zelfs een jurist, philosofisch kan zijn en voor een enkele keer aan het sofisme, de liefde kan toevoegen. Maar hoe dan ook, ik ben ledig geweest en ik voel mij op dit oogenblik als in een aggregatie-toestand. Mocht ik nu maar weder mijn angelus tutelaris naast mij weten, mijn agnomen uit haar zoeten mond vernemen. Van haar zoeten mond gesproken, wat mij thans het meest bekommert, is het vinden van de formule, waardoor ik mijn collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe de sensatie van een kus is in deze dimensie. Helaas, zal zij niet wederkeeren? Zal zij mij verachten, zooals ik eens, lang geleden, het haar deed, daar ik nu, naar heur beeldspraak, toch slechts nieuwe wijn, maar in een ouden zak ben?
Een ding aarzel ik niet te constateeren. Daar ik ook hier, bij de gedachte aan een kus opleef en bij de gedachte het vrouwelijke schoon te moeten missen, verdriet gevoel is dus, als ik mij nuchter tegenover de feiten stel, streng wetenschappelijk gesproken, ook in deze dimensie lust en onlust. Maar het gevoel dier beide sensaties schijnt mij toe, hier in elkaar te verglijden en ik leef op de grens dier grensverflauwing. Evenwel, het is hier niet de extase der aarde, die extase begin aller nieuwe creatie, doch er is hier een boven-extase of positieve verrukking en daartusschen lijkt mijn huidige toestand van wetenschappelijke bezonnenheid een aequinoctium.
Het was in dezen toestand, dat Eumenia den professor vond, in labiel psychisch evenwicht. Zij legde haar hand weder op zijn hoofd, zooals zij in een vroegere dimensie had gedaan, toen de professor in den tuin van het ziekenhuis zijner kliniek bedroefd was neergezeten en zeide zacht:
„Horatio?”
„Roept mij iemand?” vroeg prof. Leyden.
„Ja.... ik?”
„Wat is dat.... ik?”
„Kunt gij mij niet hooren?”
„Ja.... hooren doe ik.... maar het gehoorde, klinkt niet tot mij door. Het is alsof geluiden uit de verte klinken, welke te vergeefs trachten een verstaanbaren vorm aan te nemen.”
„Voelt gij mijn hand boven uw hoofd uitstralen?”
„Ik voel uitstraling boven mijn hoofd, maar het is of de uitstraling niet in mij doorstraalt. Ik voel het als iets chaotisch,” dacht professor Leyden.
„Ik ben Eumenia, uw angelus tutelaris,” zeide Eumenia.
Het was professor Leyden alsof hij iets hoorde tuten en achter dat tuten, gelijk een waas van geluid, hoorde hij stemverwarringen.
„Waarschijnlijk,” dacht prof. Leyden, „geschiedt hier op ’t oogenblik iets soortgelijks als mij vroeger wel eens gebeurde bij het telefoneeren. Dan wist ik niet of ik het toestel de schuld moest geven of aan de smadelijke gewoonte, juist jonge meisjes, de klapachtigste menschensoort ter wereld, tot verlengstukken der spreektrompet te maken, zijzelve spreektrompetten zonder rem. Waarschijnlijk spreekt iemand tot mij en wil mij iets mededeelen. Maar daar er verschil in de dimensies is, waarin wij leven, kunnen wij helaas elkaar verstaan noch begrijpen, slechts vaag vermoeden, dat wij elkaar wat mede te deelen hebben. Was het op de aarde niet vaak evenzoo, als ik de vorderingen der wetenschap aan die van het eerste jaar trachtte duidelijk te maken? En waren de stemmen van al de groote mannen, die hun tijd, dat wil zeggen, hun dimensie, vooruit waren, voor hun z.g. „tijd”genooten niet als die der roependen in den woestijn?”
Opeens hoorde nu professor Leyden duidelijk en helder „Horatio!” zeggen. En een gevoel van welbehagen doorstroomde hem, als ontwaakte hij na een gezonden, vasten slaap op een stralenden Mei-morgen, gewekt door vogelgefluit.
„Eumenia!” antwoordde prof. Leyden verheugd.
„Mijn geliefde, hoe zeer heb ik geworsteld om tot u te geraken. Verbeeld u, het lukte mij niet tot gelijke dimensie met u te komen, omdat gij in labiel in stede van stabiel psychisch evenwicht verkeerend, telkens tusschen dimensie en dimensie heen en weer schommelde. Alleen gelijkgestemden kunnen elkaar verstaan.”
„Hoe klaar, hoe kristalhelder klinkt uw stem, Eumenia.”
„Straks zult gij ook alles zoo kristalhelder zien. Daar gij hier in een hoogere dimensie leeft, zijn uw zintuigen sterkere recipiënten geworden....”
„Ik zie.... ik zie.... ik zie u.... o stralende, liefelijke, emanatie....” kreet de professor in verrukking.
„Ik ben dezelfde die ik was, geliefde. Alleenlijk gij hebt de kracht verkregen meer van mij te omvatten. Op de aarde is het niet anders. Wat gij ontwaart, zijt gij zelf. En aldus zult gij nooit tot meer erkenning kunnen komen, dan er aan erkenning in u werd gebracht. En nu, kom mede. Thans zal ik u leiden naar den toestand, die op aarde later omstreeks het jaar 2000 zal zijn.”
En prof. Leyden, zelf zich als een lichtgevende substantie voelend, die alles bezonnen, stralend en helder ontwaarde, schoot voort als een zich vormend kristal achter Eumenia, die als een andere emanatie hem leidde.
XII.
„Gij zijt nu als een glimwormpje of als die vreemde visschen uit de allerdonkerste zeediepte, welke boven hun oogen gloeilampjes hebben, welke zij kunnen ontsteken om hun prooi te zoeken en dooven om zelf onzichtbaar te zijn. Ik leid u thans langs de galerijen van wat de menschheid op aarde toekomst heet. Hier zijt gij nu in wat zij straks het jaar 2000 zullen gaan noemen.”
Het was prof. Leyden, nadat zijn lieve geleidster deze woorden gesproken had, alsof hij weder op aarde teruggekeerd was, doch niet binnen zijn knusse, deftige universiteitsstad, waar alles gezellig en aangenaam en rustig, kortom welgeordend en beschaafd is (behalve dan de aberraties van de abecedarii van het eerste jaar), maar ergens in een ander werelddeel, in een uit den oceaan weder opgedoken Atlantis.
„Zijn hier de geslachten opgeheven, Eumenia?” was de eerste vraag, die prof. Leyden aan zijn schoone geleidster stelde.
„Neen, hier heeft slechts een geslachtsverschuiving plaats gevonden.”
„Gij drukt zoo op het hier. Is het dan elders wel zoo?”
„Inderdaad zijn er sferen, maar of zij ooit de aarde voor hare oplossing zullen bereiken weet ik niet, waarin de verdeelde functie’s van man en vrouw weder, zooals in den oer-tijd, zijn vereenigd in één-wezens. De een-wezens zijn zoo hoogstaande, zij die niet meer het onderscheid tusschen de beide geslachten kennen, voor wie het „tweeling is de mensch geboren” niet meer geldt, dat de aarde en haar sensueele sfeer voor hen wel onbewoonbaar zullen blijken.”
„En, hoe plant de éénling zich voort?”
„Het éénling, bevrijd van al de lage hartstochten en daden, welke voortspruiten uit den strijd tusschen twee geslachten, een lichamelijk sterk maar zedelijk zwak en een lichamelijk zwak maar zedelijk sterk geslacht, bevrijd ook van de smart van het baren, vermeerdert zich in zijn sfeer zooals op aarde de gedachte zich vermeerdert. De idée baart de idée, gelijk aan een boom takken en aan een tak twijgen ontstaan. Het éénling vertwijgt zich en het geheele geslacht der eenlingen vormt een zich in zijn sfeer naar alle zijden uitstrekkende vertakking. Maar deze takken zijn alleen naar den geest met elkaar verbonden, kunnen zich overigens vrij bewegen en overal in hun sfeer zich vestigen en opnieuw zich vertakken.”
„Welk een schoone gedachtenwereld, Eumenia.”
„Maar er zijn ook sferen waar het drieling leeft.”
„Die kennen wij op aarde en niet als te zeldzame uitzondering.”
„Gij begrijpt mij verkeerd, Horatio. Ik meen niet, dat één vrouw haar echtgenoot er altijd gelukkig maakt met de zorg voor drie luiermanden tegelijk. Maar in de sfeer van het drieling, kent men drie geslachten—juist zooals in de bijenkorf. Een mannelijk geslacht, dat slechts de daar weinig geachte functie verricht van de bevruchting. Een vrouwelijk geslacht, dat baart. Een a-sexueel geslacht, dat allen arbeid verricht, geestelijke en materiëele.”
„En staat hun beschaving op een hoog peil?”
„Neen.... dat is onmogelijk bij een instelling waar zij die geestelijk arbeiden voor geslachtelijken, onbewust blijven van alle geslachtelijke functies. Men zou de maatschappij en de geestelijke ontwikkeling van het drieling kunnen vergelijken met de bijenkorf. Op zichzelf kunstig en vernuftig—maar zij komen nooit verder, zijn een eeuwige herhaling van zichzelf.”
„Dus zijn zij wel ongelukkig?”
„Nog niet—daar zij niet bewust er van zijn, dat zij zich altijd door herhalen. Hun smart zal beginnen, wanneer zij door Die De Vernieuwing is, besef zullen krijgen van andere verhoudingen dan den sexangulum en zich tot den septangulum zullen verheffen. Dan vervalt hun geheel maatschappelijk en geestelijk stelsel, alle verhoudingen zullen uit haar evenwicht worden gedrongen, maar het is alleen door smart en verwarring, dat men van den sexangulum tot den octogoon zich kan ontwikkelen.”
„En zijn er sferen met nog meer dan drie gescheidenheden van het ééne?”
„Mijn beste vriend, er zijn evenveel gescheidenheden als dimensies.”
„Waarom dat?”
„Die Het Getal en De Dimensie is, weet dat. Ik ben ook nog maar in wording. Maar wat ik u kan toonen, geliefde Horatio, zal ik u toonen. Zie, wat gij nu hier, in de sfeer welke gij thans beschouwt, voor één-geslachtelijke wezens hieldt, zijn inderdaad vrouwen.”
„Zij hebben veel meer van mannen.”
„Toch zijn zij vrouwen, die echter den man aan zich onderworpen hebben gemaakt. Maar velen harer baren—hoewel zelden meer dan twee kinderen in haar geheele leven. En de zorg voor die kinderen, komt voor een groot deel op de mannen neer.”
„Hoe dat?”
„Wel, reeds lang voor wat overdrachtelijk genoemd werd den eersten grooten wereldoorlog van 1914, had de toenemende machinale industrie een begin van de geslachtsverschuiving veroorzaakt. De man behoefde niet meer den zwaren, lichamelijken arbeid te doen—de machine zorgde daarvoor. Zijn arbeid in de fabrieken bestond uit het verrichten van éénvormige kunstgrepen. Maar een overgroot aantal mannen oefende het lichaam in ’t geheel niet meer. Zij hadden slechts het zachte, fijne, gelijkmatige werk van boekhouders, administrateurs, correspondenten te doen. Velen verweerden zich tegen de vervrouwelijking daardoor na eenige geslachten verkregen, door sport. Maar sport is een doellooze lichaamsoefening en geeft daardoor wel het lichaam maar niet de ziel, die dat lichaam vormt, vernieuwde mannelijke kracht. Want de ziel, zij de Waarheid, immers schepping van Die De Waarheid is, laat zich niet bedriegen. Zoo bewerkte dan de sport, de valsche, want doellooze arbeid, de arbeid, die in de beweging zelve doel zoekt en niet in het te scheppen product, wel een schijnbare ontwikkeling van het lichaam, maar men kreeg toen slechts mannen, met zwaargespierde lichamen welke desondanks als wezens verwijfden. Daarentegen werden de vrouwen, toegelaten tot de fabrieken en kantoren, onttrokken aan het huishouden en het gezin, niet meer haar zielen oefenend in al de vele daden van echt-vrouwelijken aard, van stille, liefelijke opoffering en verzorging van de kleinen, de zwakken en de zieken, mannelijk. Het allereerst begon zich dat in de kleeding te openbaren. De vrouw ging zich kleeden in kleederen, welke op die van mannen geleken en dan ook tailor-made werden genoemd. Een reactie werd beproefd, door aan de vrouwen een kleeding te bezorgen, welke ontleend was aan de courtisane, zij die van het doel een middel heeft gemaakt. En zoo kreeg men twee soorten onder de vrouwen, de vermanden en de vercourtisaneerden. Onderwijl stierf het echte vrouwen-type uit of verbasterde. De vrouw wierp zich nu op de studie en daardoor bewerkte zij, dat uit de scheppende wetenschap, de zich reproduceerende wetenschap ontstond.”
„Inderdaad, lieve Eumenia, ik zag met schrik het aantal vrouwelijke studenten jaar op jaar toenemen. En daar haar vrouwelijke ijver haar in velerlei vakken, welke slechts voorbereidend zijn en dus alleen op het geheugen steunen, een voorsprong gaf, gingen de mannelijke studenten, uit eerzucht, zich ook daaraan met grooten ijver geven, zoodat zij vermoeid waren, als het op de vakken aankwam, waar de mannelijke intellectualiteit en ingeniositeit voor de scheppende wetenschap werd gevergd!
„De oorlog, die in 1914 uitbrak, herstelde een weinig het evenwicht, doordat hij velen mannen, hun manlijkheid teruggaf en velen vrouwen aan de sponden der verwonden en zieken weder haar vrouwelijkheid. Maar daarentegen hadden tehuis vele vrouwen de beroepen der mannen, ook de meer mannelijke, moeten uitoefenen en de snelle verplaatsing van het geld naar de minder ontwikkelde lagen der bevolking, had het courtisanisme snel doen toenemen. Het tekort aan mannen, na den oorlog, bestendigde of verergerde die toestanden en toen, na de velerlei bolsjewistische woelingen, de vrouwen ook als soldaat optraden, leerden dat een welgeoefende vrouw met een geweer en een revolver gewapend, mits zij slechts moed toont, het tegen iederen man kan opnemen, ontstond in alle landen een vrouwenheerschappij, evenals vroeger de heerschappij van den man, steunend op wapengeweld.
„Wat gij nu hier ziet, Horatio, is de toestand in 2000. De vrouwen kleeden zich ongeveer zoo als mannen—zij, die zich als vrouwen kleeden met rokken, toonen daardoor dat zij zich aan Eros geven, zonder het moederschap te willen aanvaarden. Gij ziet, dat de vrouwen bijna allen de mannen in lengte overtreffen.”
„Maar wat zijn dan de mannen?”
„Dat zijn die troepen, welke gij ginds onder leiding van een vrouw, dat groote luchtschip uit die loods ziet brengen. Het is dat luchtverkeer, hetwelk den laatsten stoot gaf tot de vermannelijking van de vrouw en de vervrouwelijking van de man. Want het is het luchtverkeer, dat het verkeer enorm vereenvoudigde en vergemakkelijkte, de geheele wereld ondergeschikt maakte aan den wil van het sterkste wapengeweld, alle bezwaren aan het reizen ook naar de meest ver verwijderde streken ophief, zoodat iedere vrouw, die zich daarin geoefend had, het zoo zij het noodig achtte, op kon nemen tegen een geheelen Berberstam in de Sahara, welke zij met het sluipgas kon uitmoorden.”
„Wat is dat, sluipgas?”
„Sluipgas is een uit dampkringslucht en zwavelzuur bereid gas, dat gecomprimeerd wordt in een kogel van nikkelstaal niet grooter dan een vuist. Die kogel wordt ergens neergelegd en door een ventiel in de kogel, dat automatisch door het gas wordt geopend op een te voren vast te stellen tijd, ontsnapt het gas, breidt zich in de dampkringslucht rondom uit en doodt alle organische leven, van mensch tot plantencel. Gij begrijpt wel, Horatio, dat een vrouw in een vliegmachine in ’t bezit van een dozijn van die sluipgaskogels, een heele landstreek kan terroriseeren.”
„Gebruikten zij dat kostbare gas niet tot ontsmetting?”
„Zeker—alle cholera en pesthaarden zijn er ten laatste door vernietigd. Maar in 2000 zal men nog zoover niet zijn. Gij weet wel, hoeveel eeuwen het geduurd heeft, voor dat de man leerde dat zijn vuist, zijn primitief wapen, hem gegeven was ter bescherming van het zwakke, ter vernietiging van den slechte en den wreede. Hoe vele eeuwen heeft hij zijn vuist niet misbruikt en de zwakken, vooral de vrouwen, aan wat het „vuistrecht” werd genoemd, onderworpen gemaakt? Niet anders is het gegaan met alle andere macht, den mensch gegeven. Alle macht leidde oorspronkelijk tot willekeur, machtsmisbruik en machtswellust. Toen nu de vrouwen, nadat zij op de universiteiten dezelfde kennis hadden verworven als de mannen, zich in ’t bezit zagen gesteld van dezelfde machtsmiddelen, ontstond een reactie op de onderworpenheid der vrouwen gedurende zoovele eeuwen. De stille, sluimerende haat tusschen de twee sexen werd acuut. En de tweede groote wereldoorlog, die van 1960, vond plaats tusschen de twee sexen, de mannen en de vrouwen, van de beschaafde of liever de ontwikkelde wereld. Wel zag men in beide kampen, in dat van de mannen en dat van de vrouwen, overloopsters en overloopers, maar dat waren of de zeldzame, buitengewoon hoogstaande mannen en vrouwen, die niets wilden weten van een geslachtsoorlog en het menschelijke boven het geslachtelijke wenschten te stellen of het waren de talrijke wezens, die zwak van ziel, zonder sexe-persoonlijkheid of sterke sexe-persoonlijkheid, zich aansloten bij de partij, welke hun of haar het meeste voordeel beloofde. Dan waren er nog de courtisanen, welke juist zich het beste thuisvoelden, daar waar zij als sterke minderheid konden vertoeven onder een sterke meerderheid van het tegenovergestelde geslacht.
„Deze tweede wereldoorlog werd over alle linies, in alle landen, door de vrouw gewonnen. Want de vrouwen hadden de meerderheid van het aantal, zij hadden een grootere eenheid en zij waren geduldiger, vasthoudender, soberder en listiger dan de mannen. En ziedaar nu, Horatio voor uw oogen, de maatschappij, zooals zij zich na 1960 heeft ontwikkeld.”
XIII.
„Wat mij verwondert, Eumenia, is dat ik alles hier zie gebeuren, alsof ik er zelf bij ben en toch geen aandeel heb in al dit leven.”
„Was het u op aarde in den nachtdroom anders?”
„Neen, dat is zoo.”
„Welnu, en hebben uw dichters op aarde niet steeds vermoed, dat ook dat aardsche leven zelf een droom was?”
„Inderdaad.”
„Maar gij voelde, dien aardschen droom reëeler, omdat gij geen anderen, vroegeren droom bewust als norm ter vergelijking hadt. Dit hing eenigszins samen met het klimaat. In de warmere landen waren de menschen er zich meer van bewust, dat zij een droomleven leidden, dan in de gematigde zônen. Vandaar dan ook dat Bhoeddha en Mahomed in die warmere landen zooveel invloed kregen, daar hunne leeren nader tot den droom staan dan de mildere leer van Christus, die er eene is ontstaan aan het bekken van de Middellandsche Zee en een product is van die zee.”
„Mijn lieve Eumenia, veroorloof mij thans eene vraag. Welke godsdienst hebben deze menschen van 2000? Mij dunkt, indien zij zich aan den Bijbel houden, zouden zij toch nooit tot deze geslachtsverschuiving welke ik thans aanschouw, hebben kunnen komen.”
„Nu aarzel ik, Horatio u in te wijden in deze naaste toekomst van den godsdienst. Want zoogoed als de mensch van al de nieuwe materiëele macht, welke hem wordt gegeven, eerst lang misbruik maakt voor hij er het goede gebruik van weet te maken, zoo maakt ook de mensch van alle nieuwe geestelijke macht, welke hem door De Macht wordt geschonken, eerst langen tijd misbruik. Gij weet zeer goed, Horatio, dat sinds de oude tijden, elke nieuwe openbaring nopens De Openbaring, voor den mensch aanleiding is geweest tot vervolging, fanatisme en velerlei gruweldaad. Dat is niet alleen het geval geweest met nieuwe godsdiensten, maar ook met nieuwe philosofische stelsels. Gij weet heel goed, welk een overwegenden invloed Max Stirner en Friedrich Nietzsche hebben uitgeoefend op het uitbreken van den wereldoorlog van 1914, ja zij zijn er niet de aanleiding, wel een der hoofdoorzaken van geweest, zoogoed als van de woelingen daarna. Maar daar ik weet, dat gij mij niet ontrouw zult worden en mijne groote liefde voor u niet zult beantwoorden door een vlucht terug naar de aarde, zal ik u meer onthullen. Ik doe dat alleen omdat ik u, mijn geliefde, niets weigeren kan noch wil, en overtuigd er van ben, dat gij het toch nooit op aarde zult willen verbreiden voor de bewoners er rijp toe zijn.”
„Ik brand van weetgierigheid.”
„Dat begrijp ik—gij zijt immers te Leiden opgeleid. Welnu, het eerste, wat de vrouwen na 1970, toen de tweede wereldoorlog, die tusschen de beide sexen, volkomen in haar voordeel was beslist en de man afhankelijk was gemaakt van de vrouw, op soortgelijke wijze als zoovele eeuwen de vrouw, ondergeschikt en afhankelijk was gemaakt van den man, wrochtten, was een herziening van den bijbel. De bijbel, het is u bekend, is door mannen geschreven en voor zoover het het Oude Testament betreft, nog wel door mannen levende in een maatschappij, waar „l’homme”, de man en de mensch tegelijk beteekende. De veelwijverij, onafscheidelijk van de slavernij, dat is de ontkenning van het bezit van een individueele ziel door ieder individu, had den man het besef gegeven, dat hij was van hoogeren aard dan de vrouw. Zoo werd dan het Paradijsverhaal door den man geschreven naar zijn man-opvatting. De Schepper schiep volgens dat verhaal den man het eerst en Adam was inzichzelf en opzichzelf volmaakt. Eerst daarna werd de vrouw geschapen en niet gelijk de man, naar de wijze van den Schepper uit Zijn Wil, maar hij deed Adam in een slaap vallen en schiep toen een tweede droomleven en Adam in dat tweede leven, dien tweeden droom ontwakend, vond de vrouw. Gij, Horatio, die nu meer Droomen hebt doorleefd en weet dat bezinning niets anders is dan van droom tot droom verheven worden, beseft nu wel, wat de eigenlijke zin van de paradijs-mythe is.”
„Hoe zou ik niet, ik een professor van de Leidsche Universiteit. Niets is eenvoudiger dan het mijn collega’s aldus voor te stellen in een simpele formule.
„Leven = a. Bezinning = b. Droom het kwadraat dier beiden. Dus:
„(a + b)^2 = a + 2ab + b^2 maar omdat getallen geen zin hebben, daar waar De Zin is, zullen mijn collega’s het met mij eens zijn, wanneer ik eerbiedig zeg: (a + b)^∞.”
„Altijd weer die collega’s, Horatio. Ik wist wel, dat er een sterk esprit de corps te Leiden heerschte, maar dat dit bij u sterker schijnt te zijn dan zelfs de liefde, verwondert mij en zelfs bedroeft mij. Het doet mij aarzelen, te vervolgen....”
„Indien gij mij waarlijk liefhebt, Eumenia, lief met de liefde op zichzelf, dan behoort er plaats te zijn voor vreeze noch jaloerschheid.”
„Uw argument geeft mij den moed om verder te gaan. Welnu, daar een man, en een bekrompen man, de eerste primitieve lezing omtrent de ontwikkeling der aarde uit den droom van den chaos tot den droom van het Paradijs, neerschreef, begon hij met de vrouw een andere oer-geboorte dan den man toe te schrijven, hoewel toch, als sleutel voor latere geslachten, in Gen. 1:27 duidelijk staat: „En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar het beeld Gods schiep hij hem: man en vrouw schiep hij ze”.
„Vervolgens, liet die veronderstelde primitieve eerste opschrijver van de mythe, de slang tot de vrouw gaan en niet tot den man. En de vrouw at het eerst van den boom, „die begeerlijk was om verstandig te maken”. En weder de vrouw, „gaf ook haren man met haar”. En niet als deugd werd deze goedgeefsheid der vrouw voorgesteld, maar als poging om hem eveneens ongehoorzaam te maken dus als verradelijke en valsche verleiding, als poging tot verderf. En als God de ongehoorzaamheid heeft ontdekt, zegt Hij tot de vrouw: „Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht; met smarte zult gij kinderen baren; en tot uwen man zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben.”
„En op grond van diezelfde bekrompen primitieve opvatting, welke aan de vrouw al het slechte toeschrijft, haar den oorsprong van de aardsche verdoemenis noemt, wordt de arbeid voorgesteld als een vloek. Alleen in het brein van een zinnelijken luiaard, het oertype van den oosterschen man en van den oer-man, den wilde, in het algemeen, kon die voorstelling opkomen en een gewijde beteekenis verkrijgen. Door den geheelen bijbel waart die geest van de luiheid en nooit wordt God meer aanbeden, dan wanneer Hij den luiaard tegemoet komt door manna te laten regenen, (voedsel ontvangen zonder arbeid), water uit de rots te doen ontspringen, (drank ontvangen zonder een put gegraven te hebben of het zorgzaam te hebben medegevoerd) en ook als Christus brood, wijn en visschen „toovert”, d.i. zonder arbeid of moeite te voorschijn brengt, wordt het meest in hem geloofd.