Part 5
Maar het lukte prof. Leyden niet, tot het zuivere besef van den tijd te komen. Hij veelde de levensmomenten ongelijk en ongelijk verdeeld. Het scheen hem nu toe, dat het besef van smart korter duurde, dan het besef van geluk en dan weder, dat het besef van smart onevenredig lang duurde ten aanzien van het besef van geluk.
Hij voelde, dat hij in een sfeer verkeerde, waar de tijdsdimensiën chaotisch dooreen warrelden. En naarmate hij zichzelf concentreerde, ervoer hij met schrik, dat hij te meer moeite kreeg om het evenwicht van zijn bezinning te bewaren. Indien het mij maar lukt, de curven van dezen toestand, voldoende te memoriseeren om later mijn collega’s een graphische voorstelling te verschaffen, welke plastisch de overgangen van de verschillende tijdsdimensies en haar invloeden op de gevoelens van lust en onlust demonstreert. Het zal ons later helpen de lijdende menschheid te troosten, daar het haar dan bewust kan gemaakt worden, dat de pijn opzichzelf slechts inzooverre bestaat als zij gelegenheid heeft zich in tijdsduur om te zetten en zoo zich te bestendigen. Want wat is narcose ten slotte anders dan het besef van tijd, tijdelijk verdrijven?
Tijdelijk?
Professor Leyden dacht diep bedroefd over dat woord tijdelijk na. Was zijn narcose inderdaad slechts een tijdelijke verdooving van tijdsbesef....?
Of zou hem dit tijdelijke, eeuwig worden?
En in een tijdsdimensie, waarin de actieve subjectieve seconde van het aardsche leven overging in de passieve objectieve seconde van de vierde dimensie, verzonk professor Leyden in een toestand welke tot een tijdlooze, oneindige smart werd.
Want hij concentreerde tot hooger leven—wat niet anders dan door smart mogelijk is.
IX.
Toen prof. Leyden, nadat het hem was geweest, alsof een hand zacht op zijn schouder was gelegd, een hand welker aanraking troost en opbeuring uitwademde, opkeek, ontwaarde hij een verschijning, welke hem van geluk doorstroomde. Het was een soort geluk, dat in welke tijddimensie ook voorkomend en voor te stellen door één rechte lijn, dan wel als een verzameling van graphische curven, gelijk geregistreerd door een automatische barometer op een dag in Maart, den eenzame in welken staat hij zich ook moge bevinden, elke passieve seconde tot een actieve eeuw schijnt te veranderen. De verschijning had den vorm van een jonge, bovenaardsch schoone vrouw.
Zelfs professor Leyden vergat een oogenblik bewust en bezonnen psycho-analytisch te werk te gaan. Doch spoedig met afkeer zich ontrukkend aan deze leek-achtige zwakheid, constateerde hij, met een genoegen, dat streng wetenschappelijk gerust boven het genoegen van het beschouwen eener schoone jonge vrouw kan gesteld worden, dat hij niet meer eenzaam was. Dat die eenzaamheid niet meer door een Egyptischen god of door een gestalte, die er zich voor uitgaf, was verbroken, maar door een jonge, schoone, bloeiende vrouw. Of zij zich daar óók wellicht voor uitgaf, meende professor voorloopig niet voor de wetenschappelijke zijde van zijn onderzoek, strikt noodig te hebben. Wat hem veel meer interesseerde was, dat het ontwaren dezer liefelijke gestalte hem herinnerde aan een soortgelijk gevoel, dat hij eens als eerste jaars-student had ondervonden tijdens een uitvoering van Semper Crescendo. Het was na die uitvoering, toen hij als geïnspireerd de tweede fluitpartij had gespeeld, dat zijn dierbare moeder meende, dat hij het recht had de eerste partij te spelen en bij hem, doch geheel onafhankelijk van moeders meening, de eerste huwelijksplannen opkwamen. En professor Leyden constateerde het feit, dat ook hier in deze sfeer, het herinneren van voorvallen uit vroegere levens door schijnbare of werkelijke coïncidenties, niet ongewoon scheen. Zooals het toen, tijdens de uitvoering van Semper Crescendo, geweest was, alsof de lieve blondine, die alleen oor had voor zijn tweede partij en oog voor hem, die deze, niet onverdienstelijk, uitvoerde, hem niet vreemd was, maar dat hij haar al had gekend en liefgehad van het eerste oogenblik, dat hij bewust was geweest, ja in vele reeksen van vorige levens in andere gedaantes, zichzelf voelend als een vlinder, een andere vlinder dartelend volgend van bloem op bloem, want zeker heeft de mensch eens een bestaan gevoerd, waarin zijn leven uit niets anders bestond dan dartelen, in bloemengeur zich vermeien en honig slurpen, klapwiekende postillon d’amour van Flora’s kleurig geslacht, zoo was het hem ook thans, of hij deze verheven schoone gestalte, zooeven ontwaard, gekend en liefgehad had, door alle tijden en eeuwen, in alle dimensies van ruimte en tijd, vóór en na den zondvloed, hiervoormaals, hierbovenmaals, hierbenedenmaals, en hiernamaals, kortom in alle malende toestanden, tijden en wijzen.
Hoewel hij nu wel juichen kon van geluk, bleef hij toch bedenken wat hij, juist thans, in dezen oogenblik, aan de eer van zijn faculteit zoowel als aan de eer der liefelijke verschijning, schuldig was. Reeds als student had hij altijd de bewondering en afgunst zijner mede-studenten gaande gemaakt, door de gepaste wijze waarop hij jegens jonge meisjes den der maagd toekomenden afstand, had weten te bewaren. Hij had zelfs nooit geaarzeld, het verwijt, hem deswege door minder voornaam aangelegden toegevoegd, dat hij wat schuchter en droog was, waardig te dragen.
Streng wetenschappelijk te werk gaande, bevond hij dat een eenzaamheid, verstoord door een tweezaamheid, voorgesteld dus als 1 : 2, deze eenzaamheid ophief en als formule voorgesteld kon worden als
(1/2 + 1/2) - (1/2 + 1/2)
of om eventueele overijlde formuleering te voorkomen beter gesteld werd als
X/2 - X/2
Want de wetenschappelijk en universitair gevormde zal ten aanzien van de verhouding eens eenzamen tot een schoone, lieftallige verschijning tot geenerlei, den leek kenmerkende, overijlde voorstellingen zich laten verleiden.
„Kent gij mij?” vroeg nu ook de liefelijke, jonge vrouw.
Ditmaal echter kon professor niet dadelijk antwoorden, zooals hij Anubis gedaan had. Want geen der Leidsche musea gaf hem hier een wetenschappelijken voorsprong, niet het Egyptisch museum met de gezamenlijke goden en mummies; niet het museum voor natuurlijke historie, ondanks al de opgezette of op sterk water bewaarde exemplaren uit alle hemelstreken; niet het ethnographisch museum met de gezamenlijke boeddhas, kwan-yins en neger-idolen. Was wellicht in de Lakenhal een portret op haar gelijkend? Of in het prentenkabinet? Te vergeefs snelde de professor in den geest al de musea van Leiden door om de gelijke van deze lieftallige verschijning te vinden. Helaas, hier kon zelfs de wetenschap, zij de anders altijd hulpvaardig uitkomst brengende, hem niet helpen.... alles boden de Leidsche musea den geduldigen vorscher aan, van amoebe tot het meesterlijk gepraepareerde skelet eens Angel-Saksers—alleenlijk nog altijd had de universiteit gedraald, een museum van liefelijke, schoone, jonge vrouwen voor anthropologische, anthropometrische en vooral de hem thans zoo te stade komende anthropomorphistische studiën, te stichten.
„Gij kent mij niet?” vroeg zij nogmaals. En in het geluid van haar stem, in den hemelschen blik van haar aetherisch blauw oog, lag zooveel smachtend vragen, dat het professor opeens te binnen schoot, wie zij was.
„Ik ken u, ik herken u,” zeide hij vastberaden hoewel ontdaan. „Gij waart het, die mij inspireerde, eens op dien avond van Semper Crescendo, toen ik de tweede fluit speelde....”
„Die ben ik. Maar toch liet gij mij bij het bal als muurbloempje zitten!”
„Ik meende, dat gij te hoog voor mij waart en te rein. Want ik was in ’t eerste jaar....”
„Gij bleeft voortaan niet altoos eerste jaars student. Gij begaaft u met uw muziekgenooten naar de kroeg. Daar toasttet gij op „Slemp er Crescendo” en gij had de driestheid, toen men u opmerkzaam maakte op mijne stille bewondering voor uwe persoon, deswege te lachen, een glas te doen vullen en den eerwaardigen spreuk der vaderen toepassend op de liefde, het „saevis tranquillus in undis” tijdens het rumoer van de kroegjool te vertalen door „Rustig te midden van de Bar.”
„Helaas, ik was zelf een baar!”
„En ik arme, was hopeloos op u verliefd. Gij verliet Leiden, zwierft in den vreemde, vestigdet u te Leidschendam, werd velocipedist en fietste als ’t ware het huwelijk in.”
„Ik heb er nooit spijt over behoeven te gevoelen.”
„Maar ik, het arme, verliefde maar niet aangekeken meisje, wachtte, wachtte, verkwijnde en stierf kort nadat gij te Leiden u vestigdet.... Dat is het lot veler Leidsche jonge meisjes!”
„En ik, ik heb u altijd onthouden, altijd aan u gedacht als ik later fluit speelde, ook eerste partij en en zelfs obligaten en solo’s. Gij hebt als een ideale liefde geleefd achter de reëele liefde van mijn huwelijksleven.... Dat is het lot veler Leidsche jonge mannen....”
„Dus hebt gij mij altijd bemind?”
„Zooals ik u thans nog bemin.”
„En ik u.”
„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk, heilig.”
„Met geestelijke liefde.... verheven, onlichamelijk en heilig.... ook ik.”
Toen gebeurde iets, dat professor Leyden, hoezeer het hem in dezen oogenblik ook moeilijk viel, later aldus op streng wetenschappelijke wijze in een duidelijke formule aan zijn op dit gebied zoo bevattelijke mede-geleerden heeft kunnen duidelijk maken:
HET ZOENEN IN DE RUIMTE.
Tot het doen neerkomen van de lippen des mans op de lippen der vrouw, zullen de volgende krachten op het lichaam des kussenden mans werken:
1. Het gewicht des lichaams G; 2. De wrijvingskracht f N. (f = wrijvingscoëfficiënt, N = kracht, waarmee de kusser op den grond drukt); 3 en 4. De horizontale en verticale ontbondenen van den luchtweerstand, resp. XV^2 en YV^2 (X en Y zijn weerstandscoëfficiënten, V = snelheid in M:sec); 5. De trek in het kussen T:
Wij hebben nu de volgende betrekkingen:
lust = L = YV^2 drift = D = XV^2 f N = f(G - YV^2) T = T_m (1,5 - 0,8(V/V_m))^2)
T_m is de trek in het kussen bij de snelheid V_m, waarvoor zij berucht is. (De formule geldt alleen, zoo V < 0,5 V_m is.)
De resulteerende horizontale kracht, die aan den kusser een versnelde beweging mededeelt, bedraagt dus:
K = T - f(G - YV) - XV^2
We zullen aannemen, dat tijdens het overbuigen van den kusser tot de gekuste, de hoek tusschen de langas des mans en den bodem niet verandert, verder dat de bodem horizontaal is en eveneens, dat de wrijvingscoëfficiënt constant is. Dus: Y, X en f zijn constant.
De bewegingsvergelijking wordt:
m (dV/dt) = T - f(G - YV^2) - XV^2.
Nu is:
m (dV/dt) = (G/g) . V (dV/dX).
Hiervan en van de formule, die T als functie van V geeft, gebruik makend, kan de bewegingsvergelijking ook geschreven worden:
(V/g) (dV/dx) = (1,5 T_m/G - f) - (0,8 T_m/G + (X -fY) V_m^2/G) (V/V_m)^2
Stellen we:
(1,5 T_m/G) - f = A
(0,8 T_m/G) + ((X - fY) V_m^2/G) = B
Verder is:
V dV = - V_m^2/2 B d { A - B (V/V_m)^2
De vergelijking kan nu opgelost worden en we krijgen als l de lust in ’t zoenen en V_n de aan het eind daarvan bereikte vaardigheid in hetzelve is:
l = - (V_m^2/2 g B) int_0^V_n d { A - B (V/V_m)^2
= (V_m^2/2 g B) log_e (A/A - B (V_n/V_m)^2)
= (V_m^2/B) 0,11733 log_10 (A/A - B (V_n/V_m)^2)
Aldus, zoo stelde professor Leyden tijdens die eerste kus in zijn nieuw dimensionalen staat vast, heb ik een formule, waarmee ik mijn waarde collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe lust en drift hier tot hoogere aanlooplengte werden verheven.
Helaas, vele der uitnemende lichten onder de collega’s, de formule proefondervindelijk bij hunne genooten des echts narekenend, bleven hoewel dankbaar, onvoldaan. Want ook de wetenschap, zij de hooge, immateriëele is niet onfeilbaar, zoomin als soms de wetenschappelijk en universitair gevormde, zelfs zoo hij twee titels voor zijn naam mag voegen en deel uitmaakt van die synthèse van ’s werelds geleerdheid, de universiteit der stad Leiden.
X.
„Noem mij Eumenia,” zeide nu, na de eerste kus, de lieftallige verschijning tot prof. Leyden. „Want wij kiezen hier onze namen in tegenstelling met het gebruik der aarde, waar men ze u geeft. En hoe zal ik u voortaan noemen?”
„Verliest men hier zijn titels?” vroeg professor een weinig onzeker.
„Integendeel. Maar men behoudt een titel alleen, wanneer hij niet dag aan dag tientallen malen herhaald wordt. Dan verslijt hij door ’t gebruik.”
„Dan,” zei professor Leyden even nadenkend, „noem mij Horatio. Want ik besef wel, dat ik nu mijn schoolwijsheid vaarwel heb te zeggen.”
„Inderdaad, mijn dierbare Horatio. Gij zult hier vreemde dingen ontwaren.”
„Lieve Eumenia, zij kunnen niet zoo vreemd zijn of ik zal er nuchter tegenover trachten te blijven staan. Trouwens, ik geloof niet, dat ik na een vlindervleugel onder het microscoop te hebben bezien, verwachten mag nog grootere wonderen in het heelal te mogen beschouwen.”
„Ja, Horatio, schooner kleuren zag ook ik ter aarde nooit.”
„Het was niet de kleur, die mijn bewondering zoozeer wekte. Maar ik beschouwde de indeeling der dakpansgewijs liggende schubjes en ik vond de formule van het schema dier ligging. En deze formule kwam overeen met zekere interplanetaire berekeningen en vond ik ook vastgelegd in de wiskundige verhoudingen van de pyramide van Cheops. Waarschijnlijk is het den Hermetici reeds bekend geweest, dat er in het heelal eenheid heerscht en er ook ten aanzien van de wiskundige formules, zuinigheid is betracht.”
„Mijn teerbeminde Horatio, als gij zoo spreekt, troost mij alleen mijn besef van het tijdelijke aller aardsche dingen erover, dat ik niet altijd naast u heb mogen leven. Want zij, die vrouw van een dichter zijn, leeren slechts de dichterlijke schoonheid van de dichterlijke dingen zien, maar gij leerdet uwe vrouw de poëzie van de wiskundige formule kennen.”
„Zoo weinig. Zoo weinig. Mijne Neeltje is der kinderen eene zorgzame moeder geweest—maar zij heeft mij misschien wat te veel aan Scientia afgestaan. En—ik hoop Eumenia, dat ik niet te onbescheiden ben—zou ik Neeltje hier nu kunnen weerzien?”
„Uw dierbare gade leeft—leeft voort.”
„En mijn voor mij verscheiden collega’s, de lichten der wereldsche wetenschap....?”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„En mijn leermeesters, de edele inwijders in....”
„Zij leven, zij leven allen voort....”
„En mijn vader, mijn moeder, mijn voorvaderen....”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„Waar? Hoe? Hoedanig.... o antwoord mij Eumenia dierbaarste leidster.”
„Meent gij, Horatio, dat ik u genaderd zoude zijn met al het onaardsche vuur eener op aarde versmade liefde, indien ik niet van plan was geweest u te helpen en te leiden. Luister. Voor zoover ik in het stadium, waarin ik thans verkeer kan nagaan—hoeveel stadia er nog zullen volgen en of er stadia zullen volgen is mij nog niet onthuld—is ons aardsche leven slechts een schakel in een reeks.”
„Welke reeks? Kent gij de formule?”
„De formule blijft, zooals alle formules, voor ons nog altoos in allerlaatste instantie X.”
„Geef mij dan slechts de betrekkelijke formule. Wellicht kan ik haar synthetiseeren.”
„Ook dan blijft uw synthèse, een synthèse in X. Tracht nu eens goed door te denken, Horatio. De infinitesimaal berekening hebt gij toe te passen op de infinitesimaal dimensies. Gij hebt in verschillende getalstelsels kunnen rekenen. Maar gij hebt nooit bedacht, dat het aantal dimensies van tijd en ruimte ook in vele getalstelsels is ingedeeld, benedenwaarts en opwaarts. Stel dat b.v. het getalstelsel waarnaar het haft, de ééndagsvlinder, rekent, een honderdduizendste deel tot maximum heeft van het getalstelsel, volgens hetwelk de olifant rekent, waarmede ik meen, volgens hetwelk hem de tijd bewust wordt, dan kunt gij ook er van afleiden, dat naar beneden en naar boven het aantal dimensies van tijd en ruimte infinitesimaal berekend moet worden.”
„En nu te moeten bedenken, dat ik u, Eumenia, niet reeds op aarde aan mijne zijde heb gehad! Vloek over mijn eerste jaar en alle eerste jaarlingen bij elkaar.”
„Kalmeer u, geliefde.”
„Gevloekt, semper crescendo, gevloekt, de slempers van....”
„Zoo gij zoo voort gaat, zal ik u moeten verlaten.
In diesen heiligen Hallen, Kennt man die Rache nicht.”
„Vergeef mij.... dat ik zwak was en tegenover de dronkenschap mijn nuchterheid verloor.”
„Zoo heb ik u lief en herken ik u weder, Horatio. Welnu, de stadia van het al-leven zijn door de Al-Macht verdeeld naar de dimensies. Daar elke dimensie van tijd en ruimte zijn eigen wetten heeft, begrijpt gij wel, dat er geen bewust onderling verband tusschen die dimensies kan zijn—hoewel zij organisch en formulistisch in elkaar en aan elkaar sluiten. Slechts u, in uwe dimensies verbrekenden of liever ontspannenden toestand, is het gegeven, interdimensiaal te verkeeren....”
„En te verkeeren met u, geestelijk beminde!”
„Toch is er een intrinsieke en inhaerente eenheid in alle stelsels. Als gij in het zeventallig stelsel en in het vijftallig stelsel een berekening uitvoert, is het u mogelijk beider quotiënten te herleiden tot één quotiënt in het tientallig stelsel.”
„Dat is inderdaad zéér eenvoudig.”
„Niet anders is het met de dimensies. Evenwel, om de quotiënten van twee lagere dimensies te herleiden tot een quotiënt van een hoogere dimensie, moet gij die hoogere dimensie beheerschen. Vandaar dat op aarde alle berekeningen boven de aardsche dimensies uitgaande, vervallen tot het gebied der speculatieve of fantastische philosofie en dus....”
„Van nul en geener waarde blijven zonder de correctie van het empirisme....”
„Dit empirisme nu zal ik u verschaffen....”
„Dus zal ik eens de menschheid van haar waan verlossen?”
„Wilt gij mij in de toekomst weer verlaten, Horatio?”
Zij vroeg het hem met diepe smart in haar stem en prof. Leyden kreeg dezelfde sensatie, welke hij eens gehad had, spelende de „flauto secundo.”
„Nooit, niemals, jamais, never!....”
„Gij zegt het in vier talen. Hopen wij, dat ik eens kan zeggen, dat er de tale der waarheid bij was. Welnu dan Horatio, daar naar beneden en naar boven het Gebeuren onderscheiden is volgens de infinitesimaal berekening, zoo mag het u niet verwonderen, wanneer ik u zeg, dat wat in het oneindige is ingedeeld ook in het oneindige, oneindig bestaat.”
„Volkomen logisch.”
„En dat dus wat de menschen verleden of toekomst noemen, slechts een poging is om van uit hun dimensie, van uit hun heden, bewust te worden. Inderdaad bestaat er geen heden, geen verleden en geen toekomst op zichzelf, doch zij bestaan slechts als voorstellingen, en dan nog wel als voorstellingen bij een bepaalde groep van wezens. Zoo voelen de dieren op aarde verleden, heden en toekomst reeds veel meer gelimiteerd dan de menschen en de menschen zelf voelen het drietal ook al weder beperkter of ruimer al naar hun geaardheid. Het dimensie begrip van Christus was een ander dan het dimensie begrip van Herodes. De wilde heeft een ander besef van verleden, heden en toekomst dan de mensch uit beschaafd Europa.
„Welnu Horatio, mij is het gegeven, en onder mijne leiding zal het nu ook u gegeven zijn, alles wat er ooit (zoogenaamd) in het verleden gebeurd is en alles wat ooit (zoogenaamd) in de toekomst zal gebeuren, te aanschouwen. Inderdaad is het noch gebeurd noch zal het gebeuren, maar is het Gebeurende. Niet echter „gelijktijdig”, zooals gij wellicht zoudt willen zeggen, want het gebeurt in verschillende dimensiale verhoudingen, dus a-temporeel. Eerst indien gij in staat zoudt zijn, Horatio, de verschillende quotiënten der infinitesimale dimensies te herleiden tot het quotiënt der Al-Dimensie, dan zoudt gij u een voorstelling kunnen maken van den werkelijken tijd. Maar die formule is slechts Hem gegeven, Die De Formule is.”
„Arme collega’s. Als ik terugkeer en zij zullen mij naar de formule vragen, zal ik hun niets hebben te geven dan deze:
(X)^X
„Dus gij wilt toch terug, Horatio?”
„Bij de fluitschool van Drouet.... nooit!”
„Welnu, kies dan uw keuze.”
„Ik kies u.... zooals ik u altijd had moeten gekozen hebben, beminde Eumenia.”
„Ik bedoel, gij moogt kiezen, wat gij nu van verleden, heden of toekomst der menschheid wenscht te zien.”
„Eenmaal heb ik mij vergist.... maar het was in het eerste jaar, toen ik verzuimde het beste te kiezen. Doch het was slechts wijl ik u niet kennend, niet kon weten, wat ik in u zou kiezen. Zou ik ditmaal in de fout van mijn zoo betreurenswaardig eerste jaar vervallen? Zou ik later, teruggekeerd op aarde, van mijn collega’s het verwijt moeten hooren, dat ik mij ten aanzien van de keuze der dimensies, gemésailleerd heb?”
„Altijd weder die pogingen om mij te verlaten voor uw collega’s, Horatio....”
„Vergeef mij, ik spreek onbedachtzaam.”
„Is er onbedachtzaamheid in de liefde, Horatio?”
„Zij is niet anders dan dat, Eumenia. Leidt mij geliefde naar die dimensiale oorden, waar gij meent, dat voor mij de meeste leering is te putten, voor mijzelf en voor....”
„Wat meent gij.... voor wie.... weder voor die daar-ginds....”
„Neen, voor u.... voor u.... voor u alleen, Eumenia, gij geest van mijn geest, gij geestelijke liefde van mijn liefde.”
„Dan zal ik u verhooren.... Kom, omhels mij, opdat wij ons zullen voelen in tweeën één....”
En Eumenia en Horatio ervoeren in dezen heiligen oogenblik hetzelfde als twee aardsche menschen, man en vrouw, die mond op monde en hand in hand, het tweetallig stelsel herleiden tot het eentallig volgens de streng wetenschappelijke formule:
1 × 1 = (I)^X = (1 × 1 × 1 × 1 × 1)^X
Want is liefde op aarde iets anders dan de oplossing van twee in één en van één in velen, o, zonen en dochters dezer wereld?
XI.
„Vrees niet geliefde Horatio. Gij zult opnieuw moeten, wat gij op aarde noemt sterven, maar wat niets anders is dan het overgaan in een andere dimensie. Gij zult mij straks weder naast u vinden, want ik heb besloten u niet, u nooit weer te verlaten en ik verwacht van u hetzelfde.”
„Inderdaad Eumenia, ik hoop mijzelf ook nooit te verlaten.”
„Ik meende, dat gij ook mij nooit zoudt verlaten, Horatio!”
En in den toon lag voor ’t eerst iets, dat men op aarde wellicht gekrenkte eigenliefde zou genoemd hebben.
„Precies mijn idée, geliefde.”
„Zend nu voor een oogenblik uwe bezinning weg. Dan vindt gij gelegenheid om opnieuw van de dimensie, waarin gij u thans bevindt, tot een hoogere over te gaan, wat ook hier met tijdelijke bewusteloosheid gepaard gaat, net als het „sterven” op aarde. Want gij kunt geen vat opnieuw geheel vullen, indien het niet te voren volkomen geledigd is.”
„Heb ik dan tot heden in een andere dimensie geleefd dan vóór de narcose?”
„Ik begrijp Horatio, dat gij mij die vraag stelt. Inderdaad, het kon u niet bewust worden, omdat gij product eener dimensie, niet boven die dimensie uit kunt komen om haar te toetsen.”
„Gij herinnert mij Eumenia aan Archimedes, die zoo hij een vast punt buiten de aarde had, beloofde de aarde uit haar voegen te kunnen tillen.”
„Of wij ooit een vast punt zullen kennen, behalve Het Vaste Punt kan ik u niet zeggen, Horatio.”
„En voor wie dat Vaste Punt wankelt?”
„Wie in zich de wankeling heeft, hoe kan hij hopen buiten zich een vast punt te vinden? Doch nu, geliefde, slaap.... Gij zult mij ontwakend nevens u vinden.”
Het was professor Leyden of hij opnieuw genarcotiseerd werd. De hand, welke Eumenia boven zijn etherisch hoofd hield, loste het op als damp, als damp van damp en het laatste wat professor Leyden zich bezonnen herinnerde, was een formule welke in het ruim scheen te zweven en de gedachte, als ik terugkom, zal ik het aan de collega’s zóó moeten duidelijk maken:
(Fluïde)^3 = Ether × Fluïde × Odd) ---------------------------------------- (Dimensie)^4 = D^ie × D^ie × D^ie × D^ie
Daarna toefde professor Leyden in het volkomen niet, indien het toeven mag heeten, waar alles negatie is en indien het volkomen mag heeten, waar ook de onvolkomenheid, volkomen is en indien het niet mag heeten, waar geen iet als tegenstelling is.