Part 4
„Neen, dan rechters. Op gevaar af, dat gij mij als medicus vooringenomenheid ten aanzien van de juridische faculteit verwijt, blijf ik dat volhouden. En het eischt slechts een weinig psycho-analytisch doordringingsvermogen om dat duidelijk te maken. Want wat is een rechter en zijn aanhang van politie- en gevangenismenschen? Dat is iemand, die den aandrang in zich voelt, levende wezens gevangen te zetten. Die aandrang heeft elkeen nog min of meer in zich. De lager ontwikkelden, de atavisten, het meest. Nergens meer dan in achterbuurten vindt gij dieren opgesloten in aquaria, kooitjes, hokken en nergens meer dan bij de onontwikkelden is er behoefte om te lezen van opgesloten menschen en de martelingen, welke men hun aandoet. Film en sensatie-roman, ook schouwburgdraak, zijn niet compleet zonder scène in de rechtzaal of het wegbrengen van een mensch naar de gevangenis. Welnu, gij vindt deze zelfde handelwijze eenigszins minder gecompliceerd bij de kat, die met de geknauwde muis speelt, voor zij haar verorbert. Het gevangen zetten en het pijnigen van gevangen menschen is niets anders dan het toegeven aan de atavistische neiging in den mensch, zijn prooi veilig in zijn hol opgesloten te houden, onbereikbaar voor andere mensch-dieren, hem te kneuzen om de overmacht te doen gevoelen en hem daarna te dooden. Voor ons wetenschappelijk gevormden, bestaat er geen zonde, omdat er geen misdaad bestaat. Maar wat wel bestaat zijn aangeboren of verworven lichamelijke en psychische gebreken, waardoor anti-sociale handelingen worden veroorzaakt. Zoo worden die menschen rechters, welke onderbewust nog in zich de psyche van den oer-diermensch hebben en daarom hun prooi, dat is de „misdadiger”, achter tralies in een hol sluiten, waartoe geen ander toegang heeft dan zijzelf. In abstractie is dus een rechter altoos „schuldiger” dan de „misdadiger”, dien hij veroordeelt. En die „misdadiger” is voor ons, wetenschappelijk gevormde menschen weder niets anders, dan een andere atavistisch aangelegde persoonlijkheid, een mensch met psychische of lichamelijke defecten. Iemand, die lijdt aan een slechte spijsvertering komt naar mijn kliniek en ik onderzoek wat er de oorzaak van is en tracht hem te genezen—wat soms zelfs gelukt. Iemand, die meer of minder aan moral insanity lijdt, komt tot anti-sociale handelingen, wordt betrapt en gevangen gezet of in de gevangenis of soms in een krankzinnigengesticht. Vroeger waren geneesheeren en rechters het in zooverre met elkaar eens, dat zij wat zij niet genezen konden, doodden. Tegenwoordig houden wij medici alles zoo lang mogelijk in het leven—omdat wij het leven heilig en geheiligd achten. Die van de juridische faculteit hebben ten deze nog atavistische overtuigingen. Zoo kreeg ik patiënten, die in de gevangenis door het slechte eten, maagzweren en maagkanker hadden opgedaan, (het knauwen van de muis door de poes) en nadat ik ze weer genezen had, werden ze van mijn ziekenzaal opnieuw naar de gevangenis gevoerd. In die dagen heb ik zeker gevoeld, dat er wrijving bestaat tusschen de beide faculteiten, de medische of reddende en de juridische of straffende. Kortom een rechtzaak is ten slotte niets anders dan een strijd tusschen twee atavistische instincten. Een gevangenis is een burcht van het kannibalisme....”
„Zult gij thans met uw biecht beginnen, verwatene?” donderde Anubis.
„Welaan dan, mijn biecht—de biecht van een professor in de geneeskunde aan de beroemde universiteit van Leiden.
„Ik ben geboren uit een familie, waarin van vaderszijde de volgende beroepen werden uitgeoefend: vader, dokter; grootvader, dierenarts; overgrootvader, predikant; betovergrootvader, onderwijzer. Moeder, verpleegster; grootmoeder, onderwijzeres; overgrootmoeder, beroemd om haar kunstnaaldwerken; betovergrootmoeder, huisnaaister. Ja, ja, het kost heel wat voor-oefening van voorgeslachten, aleer de natuur in staat is een werkelijken Leidschen professor in de geneeskunde te produceeren. Dacht gij, dat een bijzonder mensch minder kweekkunst en kweekzorg noodig zou hebben dan een raspaard of een zeldzame tulp, mijn waarde Anubis?
„Wij waren gedurende vijf geslachten arbeidzaam, leerzaam, oppassend en deugdzaam.
„Toen ik vijf jaar oud was, ging ik naar de Fröbel-school en ontving er mijn eerste opleiding. Van mijn zesde tot mijn twaalfde jaar was mijn tijd aldus verdeeld: Opstaan om zeven uur. Studeeren tot acht uur. Ontbijten en spelen tot negen uur. Leeren van negen uur tot twaalf uur. Eten en spelen tot half twee. Leeren van half twee tot vier uur. Spelen en eten van vier tot half zeven. Leeren van half zeven tot acht uur. Dan naar bed. Van mijn twaalfde jaar, toen ik op het gymnasium kwam, was de verdeeling als volgt: Opstaan om half zeven. Studeeren tot acht uur. Voorts studeeren van negen tot twaalf. Van half twee tot vier. Van zeven tot negen, in de hoogere klassen tot tien uur. Achttien jaar oud, ingeschreven als student op de Leidsche universiteit. Mijn eerste jaar, o Anubis, wreker der menschelijke zwakheden, heeft veel vergiffenis noodig. Wee, wee, op uw weegschaal zal mijn arme ziel doorslaan—zooals ik in dat eerste jaar doorsloeg. Maar de naalde van uw bascule zal haar evenwicht hervinden in het tweede jaar. En toen ik, vijf-en-twintig jaar oud, promoveerde tot doctor in de geneeskunde op proefschrift: „Over eenige functies van milt en bijnieren” en mijn waardige vader eerst mij, daarna mijn lieve moeder schreiend om de hals viel, toen hij op het op Oud-Hollandsch papier gedrukte schutblad van het pracht exemplaar van mijn proefschrift las: „Aan mijn ouders”, verheugde de ietwat lummelachtige, blonde melkmuil, dewelke daar voor hem stond, zich in de volgende wetenschap. Kennis van twee klassieke en drie moderne talen; de mathematica tot aan de hoogere wiskunde; de physica...., kortom in de kennis van ongeveer twintig wetenschappelijke vakken, wetenschappelijk bestudeerd. Hij was daarbij, laat dit in de andere weegschaal van mijn eerste jaar, o Anubis, die de zondige menschheid richt, wegen, een partij aan het schaakbord, die zijn probleem er niet zonder verdienste afbracht; een fluitist die, zoo zijn spel ook technisch lang niet volmaakt was, toch zijn tweede partij in „Semper Crescendo” bij alle openbare uitvoeringen tot buitengewone voldoening van zijn moeder, zijn tantes, nichten en andere vrouwelijke familieleden, er afbracht. Zelfs meende mijn moeder, te recht of te onrecht dat zal ik niet beslissen, hebbende bij haar nooit erg veel te beslissen gehad, dat ik gerust aan den eersten lessenaar geplaatst had kunnen woorden. Ik was een passabel partner op het lawntennisveld. Mijn vader, oordeelende dat manueele vaardigheid den toekomstigen geneesheer niet vroeg genoeg kan onderwezen worden, had mij jong liefhebberij voor het vervaardigen van voorwerpen met de kerfsnede ingeboezemd en in de weinige uren, dat ik mij er als student (na het eerste jaar) aan kon wijden, had ik het uitgebreid tot het beeldhouwen in hout. Twee leeuwenkopjes van eikenhout, aangebracht ter vervanging van de beschadigde aan mijn moeders renaissance-buffet, vestigden bij haar de overtuiging, dat ik eigenlijk artist had moeten worden. Niet gaarne aan hare overtuigingen tornend, hierbij heb ik, ook niet op theologisch gebied, zelden bij haar eenig resultaat kunnen bereiken, laat ik dat voor hare rekening, maar ik heb altijd veel van de kunst blijven houden, bezit een schoone verzameling etsen, kleine bronzen en houten beeldjes en later in de operatiezaal, heb ik dankbaar het inzicht van mijn vader herdacht. Want de vastheid van hand en de gewoonte om met scherpe werktuigen om te gaan, kwam mij bij de operaties te stade, ja ik had ten deze wellicht door mijn oefening, iets op sommige zeer geleerde maar niet even handige, collega’s voor. Na mijn promotie heb ik te Berlijn en te Parijs eenige jaren mijn studiën voortgezet. In het „Tijdschrift voor Operatieve Heelkunde” zult gij, o Anubis, ten deze vele mijner zonden vinden. Want in de verslagen en brieven uit Berlijn, welk ik daarin publiceerde komen—genade, o wreker aller doodzonden, machtige Anubis—vele germanismen voor, dewelke mijn vader mij, met rood potlood onderstreept en op den rand in zuiver moedertaalsch verbeterd, toezond. Ik heb te Berlijn en te Parijs bij Gretchen’s en Mimi Pinsons wellicht andere, uw weegschaal gevaarlijk doen doorslaande, zonden begaan. Maar als gij mij, den schrijvenden Nederlandschen medicus, mijn germanismen kunt vergeven.... dan vergeeft gij mij ook alles. Acht-en-twintig jaar oud, in patria teruggekeerd, ben ik tot assistent van den beroemden chirurg, prof. dr. Friesinga benoemd. Vervolgens heb ik één jaar algemeene praktijk te Leidschendam uitgeoefend, waar ik door den toenemenden invloed en vloed van den ouden erfvijand der Nederlandsche medische faculteit, de Haarlemmerolie, een rustkuur kon doormaken en mijn ver uit elkaar wonende patiënten op de fiets bezoekend, mijn lichaam, dat ik te lang te weinig oefening in de buitenlucht had kunnen geven, gestaald. Wellicht ietwat te ijdel op mijn verkregen nieuwe vaardigheid van velocipedist, had ik den overmoed mij bij eene club van dergelijke snelvoetigen op het rad van beiderlei kunne aan te sluiten, met het door iedereen behalve door mij verwachte gevolg, dat ik verliefd en verloofd raakte, huwde en mij te Leiden vestigend, bij een gelukkig huwelijksleven een gelukkige praktijk voegde. Begrepen en bemind door mijne vrouw, kon ik mij aan de voortzetting mijner lievelingsstudiën wijden. Zij stelde de wetenschap boven zich zelve. Anubis, gij effenaar van den weg naar zaliger oorden, vergeef mij, dat ik hetzelfde deed, de wetenschap te vaak boven mijn brave Neeltje stellend. Het heeft lang geduurd, eer ik, toen ik na vele jaren er tot de erkenning van kwam, het mijzelf heb kunnen vergeven. Zij was een brave moeder voor onze drie kinderen, één zoon, als arts in het noorden des lands gevestigd, en twee dochters, alle twee in den medischen stand gehuwd. Door mijne gepubliceerde studiën bekend geworden, kon ik mij eerst vestigen als specialist voor interne gevallen, werd tegen mijn veertigste jaar tot professor benoemd en heb dertig jaren lang mijn best gedaan, de medische faculteit der Leidsche universiteit niet tot oneer te strekken, wat ik hoop dat mij gelukt is. Indien ik werkelijk in dit mijn leven, zonden heb begaan, dan stel ik daartegenover, dat ik levenslang getracht heb ze te bestrijden door het meest werkzame middel er tegen, arbeid en arbeid in dienst van de lijdende menschheid. Ik heb van mijn vijf en twintigste tot mijn zeventigste, dat is gedurende vijf en veertig jaren of ruim 16436 dagen, ten minste gemiddeld elken dag en nacht, want vaak ben ik ’s nachts voor dringende gevallen geroepen, tien patiënten behandeld. Dat is dus samen 164360.
„Als dus, o machtige Anubis, deze stoet van door mij behandelde menschen, vaak gered van afschuwelijke pijnen, kwijnend lijden, vroegtijdigen dood met al de vreeselijke gevolgen voor de nabestaanden, die hun zorg nog behoefden, op de weegschaal te mijnen voordeele wordt gelegd en gij daarbij, zoo de schaal nog niet moge doorslaan, wilt voegen het onderwijs dat ik den studenten gaf om hen den weg te doen volgen, dien ik insloeg op het voorbeeld mijner voorvaderen, dan twijfel ik niet of het zal u, machtige, gelukken, wat mijn waardigen vader helaas nooit gelukt is, mij mijn grootste zonden te vergeven—de germanismen in mijn medische verhandelingen.”
„Wat was uw godsdienst?”
„Lijden voorkomen, verhelpen, verzachten.”
„Dus christelijk?”
„Ik heb mij als leek nooit op theologisch gebied gewaagd. In Leiden grasduinen wij niet gaarne op elkaars terrein.”
„En uw onderbewuste aandriften?”
„Zij waren, geheel buiten mijn verdienste, door den cultus van mijn voorgeslacht, vrijwel volkomen onderdrukt of, wat de Duitscher noemt „verkümmert”.
„Kunt gij zelfs hier het zondigen niet laten?” donderde Anubis. „Zeg verschrompeld, ingekrompen, weggeteerd, verkwijnd, uitgeroeid, verdord, verdroogd en verpulverd. Zeg, de demonen der oerinstincten waren afgedeinsd voor zooveel menschelijk en grootmenschelijk streven en arbeiden om hoogere eer. Dus u waart een mensch, maar veel menschelijks was u vreemd?”
„Niets menschelijks was mij vreemd, dus ook niet wat de Duitscher Kult.... wat ik als Nederlander, de beschaving wensch te noemen van een goed Nederlandsch geslacht.”
„Dan zijn u uwe germanismen vergeven.
„Gaat in tot het hooger leven en zondig nooit weer.”
„Dank u, o Egyptische godheid. Dat zou om in uw Egyptischen stijl te blijven, de Duitscher noemen „pyramidal”.
VII.
Wat den professor thans overkwam, zou waarlijk iemand die nog minder theophoob was aangelegd, kunnen doen ontzetten. Want, o opperste marteling een Leidschen professor aangedaan, professor Leyden was het alsof hij zijn bewuste bezinning verloor. Hij voelde zich vallen in een onmetelijke ruimte, zonder de macht te bezitten, nuchter wetenschappelijk boven en tegenover het geval te staan. Alleen had professor de tegenwoordigheid van geest zichzelf te zeggen, als ik thans niet zorg analytisch te observeeren, zal ik straks terugkeerend, niet anders dan de meest ongevormde leek tegenover de wetenschappelijke wereld staan, welke van mij een verslag eischt omtrent het wezen en de verschijnselen der narcose. En dit te bedenken veroorzaakte bij professor zulk een ontzetting, dat hij daardoor over den schrik van het in de peillooze diepte wegvallen, heenkwam. „Dit vallen” begon hij nu te ontleden, „is opzichzelf beschouwd niet gelijk wel aangenomen werd, een zich verliezen in de ruimte, dus een passief verschijnsel, maar het kan ook zijn het doen verliezen van de ruimte in zichzelf, een actief verschijnsel. Daar het mij aanvankelijk verschrikt heeft, kan het niet tijdeloos zijn, ten minste niet volkomen tijdeloos, daar het dan immers geen lust of onlust, deze sensaties door tijd veroorzaakt, zou kunnen verwekken. Ten hoogste kan het anders dimensionaal zijn, een toestand van meer of minder dimensies. Dit vallen, dat mij aanvankelijk eindeloos scheen, maar waaraan ik nu weet, dat een einde zal moeten komen, wijl het reeds begon te eindigen, toen ik er bewust van werd er door te verschrikken, is waarschijnlijk een overgang naar een toestand van meer dimensies. Doch dit wensch ik geenszins als een feit vast te stellen, zoolang het niet proefondervindelijk bewezen is. Mij spijt het op dit oogenblik dat ik, zonder stoffelijk lichaam beroofd van het middel om hier normen te stellen, geenerlei observaties kan maken ten aanzien van de snelheid van mijn vallen noch eenige berekening kan doen omtrent de wijze waarop mijn snelheid toeneemt en het parallelogram der krachten kan vaststellen. Door een eenvoudige formule ware dan, evenals b.v. bij een vallende ster, uit te drukken, hoe snel mijn val is en hoe lang hij reeds geduurd heeft en van welken aard de wrijvingscoëfficiënten zijn.”
Maar opeens verschrok de professor zoo, dat hij het verder vasthouden zijner bezinning schier als hopeloos beschouwde en alleen het besef, dat hij tot de Leidsche universiteit behoorde, hield hem nog vast aan aardsche dingen.
Professor Leyden ontwaarde, dat hij niet zooals hij meende in de ruimte viel, maar dat hij viel in een cirkel, aan de polen eenigszins afgeplat. Hij wist niet of de cirkel waarin hij zich vallende bewoog, rechtstandig of vlak was geplaatst, daar hem voorloopig de normen om dit na te gaan ontbraken.
„Indien ik,” zeide professor Leyden tot zichzelf, „in dezen vicieusen cirkel blijvend wordt rondgeslingerd, dan adieu wereld van weten. Zou het dan toch waar zijn, dat bol en ellips slechts caricaturen zijn, ironie van hoogere machten en zou ons bolvormig oog, voor ons het middel tot ontwaring, waarop wij menschen altijd zoo trotsch zijn geweest, ons zijn gegeven, zooals men een aap een microscoop zou schenken. Nu besef ik, waarom het cubisme in de schilderkunst zulk een groote vooruitgang is geweest en het de brug naar het meer dimensionaal ervaren in de toekomst is. Want al wat bolvormig wordt gezien, is van sensueele gedaante en zoomin als werkelijke kunst, is werkelijk weten bereikbaar, zoolang onze sensualiteit alle verhoudingen vervalscht.
„Helaas, ik begin te zwijmelen. Ik begin te ervaren, dat ik niet heel lang meer in dezen cirkel zal rondgewenteld kunnen worden en mijn bezinning behouden. Arm Leiden. Zult gij zoo dan uw zoon, die zich uwer niet geheel onwaardig hoopte te toonen, door u iets werkelijk wetenschappelijks, iets omtrent het werkelijke weten te brengen, moeten verliezen, zinloos rondgeslingerd als hij thans wordt, gelijk een ontwortelde boom in een draaikolk....
„Evenwel, dum spiro, spero. Maar haal ik adem? Mij is het alsof ik van het ademhalen alleen de rhythmische bewegingen heb behouden. Om het even, niet het volume maar de lijn, de curve, is voor mij van belang. En ziet aan, ik bemerk dat er in de beweging van mijn schijnbaren circulum viciosum een zeker rhythme is op te merken. Passen wij ons aan aan het rhythme, dat is het geheim van het levensbewegen. Wat ervaar ik thans? Mijn cirkel beweegt zich niet verticaal of horizontaal, zooals ik meende, maar beschrijft draaiend om een as, tevens een bolvorm. Dus is het een cirkel draaiend om zijn middelpunt en tegelijkertijd om zijn as. In welke verhouding staat beider snelheid tot elkaar? Ik zal toch later niet als de leek, zonder formules, voor mijn collega’s moeten verschijnen! Dit zou voor mij, als professor te véél zijn.... dan liever bezwijm ik voorgoed.... En helaas, altijd nog die bolvorm. Ware het slechts een ellips. Want de ellips is het begin van elke verrijzenis uit de zinnelijkheid van de in zichzelf besloten cirkel en bolvorm. De ellips, zich verlengend, zal ten slotte vormen twee bijna rechte lijnen. De kracht dezer bijna rechte lijnen, welke de neiging hebben haar krommingen steeds te verminderen, zal ten slotte de geboogde koppelingen der beide eindpunten verbreken en ziedaar de herschepping. Geef mij slechts lijnen en ik zal alle vormen kunnen uitdrukken en beheerschen.”
Doch in stede, dat de cirkelzwaai van professor Leyden naar een zich elliptisch verwijden neigde, merkte de professor, dat hij zich tot een kern verdichtte. Dit verdichten gaf hem eerst een gevoel van bedrukking, daarna van benauwdheid, toen van verstikking en vervolgens van een uiterste concentratie, waarna hij opeens in zich een spankracht gevoelde, die hem leek overeen te komen zoowel met die van het geladen electron als van de geladen Leidsche flesch....
Er moest plotseling iets gebeurd zijn buiten den vicieusen cirkel, welke deze tot ontspanning bracht. Want het gevoel van den valzwaai, welke zich tot een kern concentreerde, veranderde opeens in iets als een ontlading.
Een positieve pool was tot een negatieve pool gebracht.
De Leidsche flesch, die prof. Leyden vormde, was ontladen.
VIII.
Het gevoel van drukking was nu opeens veranderd in het gevoel van ontspanning.
Prof. Leyden aarzelde niet, te constateeren, dat hij iets ondervond, dat de zaligheid eener extase nabij kwam. En thans werd dezen uitnemenden geest, dit sieraad der beste faculteit der beste universiteit, een nog grootere beproeving opgelegd. Was prof. Leyden toen hij meende in een vicieusen cirkel voor eeuwig te worden rondgeslingerd, reeds er toe geneigd geweest, in uiterste benauwenis afstand te doen van zijn bezinning en zoo te komen in het werkelijke doodenrijk, thans was het gevoel van steeds grootere ontspanning voor hem van zulk een schier bedwelmende zaligheid, dat hij er toe neigde, zich er duurzaam aan over te geven. Een niet te uiten geluksgevoel doorstroomde hem, toen hij zich steeds meer voelde uitbreiden, alsof hij ten laatste het geheele wereldruim zou vervullen.
Zietdaar, dacht prof. Leyden, dus de werkelijkheid van wat de theologische faculteit meer speculatief dan empirisch leeraarde.... de zaligheid. Zietdaar dan de vervulling van hetgeen alle menschen, van den bedelaar die een hond regeert, tot Alexander de Groote, Napoleon en den Groot-Admiraal der beide oceanen in spe, hebben nagestreefd.... heerschappij. Maar wat is het wezen dier heerschappij? Machtswellust. Of de bedelaar zijn trouwen hond schopt of de Groot-Admiraal in spe, de Sorbonne met luchtbommen belaagt, het is altijd weder die zelfde, het ware weten verduisterende, sensualiteit. Zou ik dan, een professor van de Leidsche universiteit, als de meest ongevormde leek, voortgaan mijn faculteit te onteeren, door op onwetenschappelijke wijze mij over te geven aan de wulpsche, hoewel anti-universitaire zaligheid dezer universeele extase? Dat zou zijn spelen in de kaart dier uitbroedsels eener terecht door ons medici met animositeit beschouwde juridische faculteit, welke mij voor mijn tijdelijk verscheiden, met de wreede paragraaf eener als naar gewoonte door vormelijke motieven ingegeven wet, wilde dwingen op zeventigjarigen leeftijd rust te nemen, terwijl ik juist begon te begrijpen wat de stervende Ho-Ku-Sai, nadat hij tachtig jaar onverzwakt geteekend had, (gelijk als zijn vaderen en voorvaderen), meende toen hij zeide: „Hoe jammer. Ik begon juist iets van mijn ambacht te gaan leeren.” Als een Ho-Ku-Sai der medische wetenschap, ving ik precies aan, iets van de operatieve behandeling en de narcose te begrijpen, toen de atavisten van de juridische faculteit mij wilden belemmeren, laat ik bescheiden zeggen, het tweede honderd duizend behandelde patiënten, vol te maken. Wat hebben die daaraan nog ontbrekende patiënten er aan, als ik op een pensioen vegeteer?
Aldus overleggend, vond prof. Leyden de macht zich te ontrukken aan wat hij niet geaarzeld zou hebben, de vergissing der theologische faculteit te noemen, indien hij zich niet aan den gulden regel van Leiden had wenschen te houden, niet op elkaars gebied te grasduinen.
Zoo dan had hij de kracht, in het belang der wetenschap, zijn expansie bewust en bezonnen tegen te streven, boven de gelukzaligheid der sensueele machtsuitbreiding, dat is machtswellust, stellend de kuische deugd der ingetogenheid, deugd bij uitstek gekweekt in zijn echt-Nederlandsch geslacht, door de vrouwen zoowel als de mannen, die na de zeventiende eeuw voor alle volgende eeuwen genoeg hadden van praalhanzerij, opsnijderij, bluf, humbug, renommiren en iets anders te willen zijn dan de mannen in eenvoud waarachtig, de vrouwen in liefde bloeiende.
Aldus dan zegevierde de Nederlandsche beschaving en symbolisch voor de soberheid van den Leidschen geest, den eenvoud van de Leidsche universiteit, die geen belooning is geweest voor schransen maar voor zich ontzeggen, zei professor Leyden, toen hij zijn wulpsche uitbreiding tot staan had weten te brengen:
Haring en brood, Leyden uit nood.
En een nieuwe sensatie, maar welke hij bewuster en dus met genot van hoogeren aard besefte, ervoer de professor, toen hij zijn alomvattende expansie terug bracht tot een doordringen in de kernen. Het gevoel van angst, ontstaan door de concentratie en het gevoel van zaligheid, ontstaan door de expansie begon nu harmonisch zich op te lossen in een gevoel van bewust begrijpen en omvatten. Het was hem in deze oogenblikken, alsof hij bezig was aan de oplossing van een moeielijk probleem, waarvan hij de einduitkomst reeds in een ver verschiet voelde, maar welke hij niet wenschte te bereiken langs den verfoeielijken weg der fantaisie, die redplank van alle half-geleerden en auto-didacten (zij meer onuitstaanbaar voor den echt wetenschappelijk academisch gevormde dan zelfs de leek) maar langs den weg der subtiele, harmonisch tot het einddoel leidende, logisch zich ontwikkelende berekening.
En hoe gelukkig, kuisch-gelukkig, ingetogen-gelukkig, bezonnen gelukkig, was prof. Leyden, toen hij de expansie steeds meer intoomend, betoomend door de strenge linieën van het analytisch empirisch onderzoek, ontwaarde, dat hij langzaam aan weer kwam tot het besef van tijd en daarmede tot het besef van normen.