Nieuw Utopia

Part 3

Chapter 33,795 wordsPublic domain

Juist stond de zuster nog al haastig en plotseling op, daar haar nachtwaak bij den zieke geëindigd was en de dagzuster binnentrad. Hierdoor merkte prof. Leyden, dat hij als ’t ware op de schoot der nachtzuster had gezeten, want door haar plotseling opstaan was het hem, alsof hij eenigszins in verwarring raakte. Het was precies zoo iets, alsof iemand in een stilstaande rookkolom had geblazen.

De professor had nu spijt, dat hij zich niet een weinig meer wetenschappelijk op de hoogte had gesteld van de theoriën van het spiritisme. Hij had, hoewel als streng wetenschappelijk gevormd man, ze niet vooringenomen verwerpend, toch er afwachtend om niet te zeggen sceptisch tegenover gestaan, zooals dat bij de meeste medici het geval is, die te sterk onder den invloed van hun mathematische opleiding leven.

Het werd morgen en de professor ervoer tot zijn verbazing, dat hij in den toestand, waarin hij zich thans bevond, het licht van den morgen niet ervoer, zooals voor zijn uittreden uit zijn lichaam, maar als een verandering van kleur. Hij had den geheelen nacht alles even duidelijk onderscheiden, ook buiten het venster in den tuin, die toch in nachtdonker was gehuld, alsof het geen nacht was geweest. Maar terwijl hij in den nacht alles had ervaren, alsof het goudgeel was omschimd, alsof hij alles zag door een bril met lichtgele glazen, leek het hem nu toe dat hij alles door een lichtblauwe bril zag. Gewoon streng wetenschappelijk te denken en begaafd met die echt wetenschappelijke deugd zich over het wonder niet te verwonderen, daar dit verwonderen de oorzaak is van alle bijgeloof en de menschheid in haar waan houdt bevangen, besloot de professor uit deze ervaring, dat wat hij tot heden voor licht had gehouden, niet licht op zichzelf was, maar het beperkt vermogen van de zintuigen om de kleuren van wat „licht” genoemd werd, te onderscheiden. Duisternis was dus slechts het gebrek van het menschelijk vleeschelijk oog om de kleuren te zien of te ervaren, waaruit die zoogenaamde duisternis bestaat. De oogen van sommige nachtdieren, als de uilen en de katten, bezaten deze eigenschap tot op zekere hoogte wel en konden daarom, wat genoemd werd „in donker zien”. En wetenschappelijk doorredeneerend trok prof. Leyden de gevolgtrekking, dat dus ook wat licht genoemd werd, slechts een kleurnuance is. Reeds is het den mensch onmogelijk in het licht van de zon te zien zonder zich te verblinden, maar zeker zou het hem nu mogelijk zijn sterkere lichtindrukken te gaan ontvangen dan die van de zon. En het hart van den wetenschappelijk gevormden man popelde van geluk, nu hij mocht vermoeden iets naders van het Licht des Lichts te mogen leeren kennen. Desondanks ontveinsde de professor zich niet, dat nu er grensverwijding naar boven en beneden ten aanzien van het licht mogelijk bleek, die grensverwijding door velerlei staten zou kunnen gaan, waaraan geen eind was, ten minste niet was te denken, zelfs niet door een man van zijn geschoolde denkkracht.

Onderwijl was het nu geheel morgen geworden, de morgen van een helderen, stralenden zomerdag en de professor voor een oogenblik afscheid nemende van het bed, waarop zijn lichaam bewusteloos lag uitgestrekt en van de dagzuster, een lieve blondine anders, met wie hij menigmaal, op vaderlijke wijze, geschertst had, begaf zich in den tuin. Dat hij daartoe niet het venster behoefde te openen, maar door de ruiten heenging, verwonderde hem maar eventjes. Dadelijk bedacht hij, dat hij immers duizende malen door diezelfde ruit naar buiten had gezien, en er zich niet over verwonderd had, dat zijn blik er doorheen drong, zonder zelfs eenig besef van moeilijkheid. Zoo waren thans ook zijn bewegingen geleid door wetten der physica, die nog niet volkomen wetenschappelijk onderzocht waren, wat natuurlijk aan die wetten en hare waarachtigheid weinig afdeed. De milt en de bijnieren van den mensch hadden immers ook duizende eeuwen haar taak gedaan, zonder dat de wetenschap iets zekers omtrent haar functies wist. „Wat wij weten is niet hetzelfde als de wetenschap,” dacht prof. Leyden. Hij ging nu in den tuin op een bank zitten en rondom zich ziende, kwam het tot zijn bewustzijn, dat hij thans alles in veel intensere kleuren zag dan vroeger, toen hij met zijn lichamelijke oogen keek. Ik moet dat goed in ’t geheugen prenten, dacht hij, want hoe meer het besef van hoe ik het vroeger zag, zal verdwijnen, des te meer zal ik mij wennen aan de tegenwoordige omstandigheden en dat zou er toe leiden, dat ik later, als de gewone leek, geen werkelijk wetenschappelijk verslag van mijn bevinden in den narcose-toestand zou kunnen uitbrengen. Wat ik thans ervaar is naar het wezen niet zooveel anders dan wat ik als jongeling opmerkte, toen ik met mijn geachten vader, een uitstapje naar het Duitsche Noordzee-eiland Sylt maakte. Daar scheen het of alle bloemen in het duin en in de tuinen hellere kleuren hadden, dan thuis. Mijn brave vader, hulde aan zijn dierbare nagedachtenis, leerde mij toen, dat niet de bloemen zelve heller van kleur waren, maar dat de hellere dampkring op het ver in zee gelegen eiland, de oorzaak er van was, dat wij ze heller zagen.

Nu de professor aan zijn waardigen vader dacht, die als beoefenaar in de plant- en dierkunde zich bijzonder verdienstelijk gemaakt had, door het opstellen van een naamlijst der in Nederland voorkomende in ’t wild bloeiende vlinderbloemigen, waarvoor hij op zeventigjarigen leeftijd met de ridderorde van de Eikekroon was begiftigd, kwam het in hem op, dat hij nu wellicht in staat zou zijn, hem weder te naderen. Maar prof. Leyden liet het bij een bescheiden wenschen, wel wetende dat nu hij in den toestand was geraakt, waarin hij thans verkeerde, alle hoop op streng-wetenschappelijke ervaring vervliegen moest, indien hij zich aan speculatieve neigingen te buiten zou gaan. Indien hij werkelijk nu nader zou komen, tot wat men gemeenlijk het rijk des doods had genoemd, dan zou dat wel geschieden op het oogenblik, dat dit noodig werd geacht. Voor hem, als wetenschappelijk vorscher, was het nu zaak, niet in de fouten van den leek te vervallen en vooral niet in diens hoofdfout, gebrek aan geduld, maar bezonnen en nuchter tegenover de feiten te blijven staan. Slechts nuchtere bezonnenheid kan ontnuchtering voorkomen en vermijden. Zoo zat hij op de bank in den tuin en genoot van den schoonen zomerdag. Hij zag de reconvalescenten den tuin binnenkomen en zachtjes wandelen, zich verheugen, dat zij weder hun gezondheid en krachten voelden terugkomen, boomen en bloemen beschouwend, als waren zij voor hen opnieuw geschapen. Een gevoel van wetenschappelijke genoegdoening om niet te zeggen geluk doorstroomde hem, toen hij al deze, door hem met zooveel succès geopereerden, hier bijeen zag. Ginds liep een meisje van twaalf jaar, dat jaren lang aan maagpijnen had geleden en ten slotte tot op het been vermagerd, op zijn kliniek was gebracht. Thans was het kind vroolijk, goed doorvoed en zou binnenkort als geheel hersteld naar huis gaan en het leven der ouders, wier eenig kind zij was, verhelderen. Zijn diagnose was bij de operatie juist gebleken. Want het was geen maagzweer geweest, en geen te sterke zure werking der maagsappen en geen kanker en geen „hysterie”, die redplank der half-geleerden en geen neurose en geen vernauwde slokdarm noch de tien andere gevallen, door kwakzalvers en wonderdokters en natuurgeneeskundigen „geconstateerd”. Het kind had een vreemd voorwerp in de maag, had professor verklaard en bij de operatie had men in de maag een tinnen kootje gevonden. De moeder herkende het voorwerp dadelijk, want zij had er als kind ook mede gespeeld en het haar kind gegeven, dat er mede gebikkeld had, het in den mond had gebracht en ingeslikt. Uit vrees voor straf had het kind het niet durven zeggen en toen het na een half jaar pijnen kreeg, had het al lang vergeten, dat het een tinnen kootje had ingeslikt. En met Hein van der Velde, de man, die jaren lang op melk alleen had geleefd, en daar zijn maag niets anders kon verdragen, ten laatste zelfs geen melk ook, scheen het thans ook uitnemend te gaan, want hij hielp de zusters bij het naar buiten dragen der ligstoelen. Ook hier had de professor, wat de studenten noemden, een wonder verricht. De man, meubelmaker van beroep, had de gewoonte gekregen, van de met spiritus aangemaakte politoer te drinken. Enkele stoffen, in de politoer gemengd, waren in de maag niet verteerd, doch tot een vaste klomp geworden. Alle geneeskundigen vóór prof. Leyden hadden den man, nadat zij vernomen hadden, dat hij een politoerdrinker was, streng alle gebruik van alcohol ontzegd. Nu zou prof. Leyden hem ten slotte moeten opereeren. Maar vóór prof. Leyden tot de operatie was overgegaan, had hij den man onder strenge observatie genomen en hem geleidelijk aan elken dag heete alcohol doen drinken, eerst kleine hoeveelheden daarna grootere en vervolgens weder de hoeveelheden verminderd. En aldus was de politoer-aanzetting in de maag langzaam opgelost en zonder operatie was van der Velde genezen. Hij at nu, alsof hij den verloren tijd van het melk-dieet wilde inhalen. Prof. Leyden had de fijngevoeligheid gehad, den man te zeggen, dat hij het volkomen eens was met de doktoren, die hem vroeger behandeld hadden. Alleen door geheelonthouder te blijven, zou hij zijn gezondheid kunnen bewaren—een raad niet zonder humor aan iemand, die door den alcohol genezen, ja van een zekeren dood door verhongering, gered was!

En zoo genoot prof. Leyden van den heerlijken zomerdag in den tuin van het ziekenhuis, rondom omgeven door de vele genezende patiënten, die hij van een wissen dood had kunnen en mogen redden.

Het was een volkomen geluk, dat de leek niet geaarzeld zou hebben, zaligheid te noemen, een zaligheid zelfs niet verduisterd door het besef van een artikel, gepubliceerd in het Weekblad voor het Recht, waarin op zuiver juridische gronden werd betoogd, dat „overschrijding van het verbod nopens den leeftijdsgrens ten aanzien van en met betrekking tot het uitoefenen eener functie, eener bediening of eens ambts, hetwelk aan een leeftijdsgrens gebonden, jure niet kan overschreden worden, ook niet door middelen, welke de wetgever niet heeft kunnen voorzien, als de daarstelling eener wetsovertreding naar den vorm, behoort vervolgd en gestraft te worden.”

VI.

Tegen den avond ontwaakte prof. Leyden uit zijn geluksroes. Hij ontwaakte op dezelfde wijze als hij vroeger des morgens ontwaakt was, als hij zich den avond te voren voorgenomen had, wat vroeger dan gewoonlijk wakker te worden ten einde zich, vóór zijn studiën aanvingen, een weinig aan de muziek te wijden. Want prof. Leyden bespeelde de dwarsfluit en hij had het op dit, helaas ten onrechte in deze tijden verguisde instrument, dat in de achttiende eeuw, bij den deftigen stand de viool verving, ver gebracht. Zelfs had hij een tijd lang als student, de tweede en de eerste fluitpartijen gespeeld in het studenten-muziekgezelschap „Semper Crescendo” en hij had dit slechts gestaakt, toen dit gezelschap en helaas niet ten onrechte, den treurigen bijnaam van „Slemp er Crescendo” had verworven.

Dus ook hier, dacht de professor, een wisseling van droom en werkelijkheid, al zijn die droom en werkelijkheid nu voor te stellen als een droom en werkelijkheid in de tweede macht. Of is het niet beter te zeggen (droom en werkelijkheid)x, daar toch het vorige bestaan weder een droom en werkelijkheid in een hoogere macht was ten aanzien van een voorvorig bestaan? Laat ons dus tijd en ervaringen niet vooruitloopen. Ik heb daar bij het wetenschappelijk onderzoek nooit anders dan dwalingen uit zien voortspruiten al wezen zelfs die dwalingen, zooals na de verkeerde toepassing van Koch’s tuberculine, een weg. Vast staat, dat mijn onderbewustheid van thans weder een andere onderbewustheid kent en dus mijn huidige onderbewustheid, zoo ook onderbewustheid ten aanzien van het vorige bestaan, bewustheid mag genoemd worden ten aanzien van mijn tegenwoordigen toestand. Ziedaar mij tegen den avond ontwaakt op het juiste oogenblik, hoewel ik nu niet, zooals in mijn studententijd, verlangend was om in den vroegen morgen de vingeroefeningen van Drouet op mijn Boehmfluit in te studeeren, maar om mij nogmaals goed rekenschap te geven van mijn nieuw verworven eigenschap, in het donker evengoed te kunnen zien als in het licht, alleenlijk nu alles in een goudkleurig licht ziende.

De professor keek rond in den tuin. Hij ervoer tot zijn genoegen, dat hij thans nog veel beter dan gisternacht, alles kon opmerken, hoewel de lichten achter de vensters hem zekerheid gaven, dat het voor zijn collega’s en de zusters goed donker moest zijn. Ook hier dus is een zekere ervaring noodig en wellicht zal in de toekomst ook het goudbruine schijnsel lichter of blauwachtiger worden. Hoe zou Rembrandt genoten hebben, als hij thans, zooals ik, dezen tuin had mogen beschouwen. Of heeft hij wellicht altijd op deze wijze de wereld aanschouwd en bestaat het voor den gewonen mensch, magische van het schilderij van Rembrandt slechts door het feit, dat Rembrandt bij zijn leven reeds als visionair niet alleen de ziel, maar ook het licht mijner huidige levensfeer zag en dat voor hem dus de werkelijkheid was?

Hoe dwaas van den mensch om te vreezen, voor hetgeen na zijn aardsch leven komt. Wat hij vreest, is ten slotte alleen zichzelf en de duisternis van zijn eigen ziel verplaatsend in mijn huidige levenssfeer, niet geheel ten onrechte door hem als het schimmenrijk vermoed, hoewel ik mij thans even weinig schim voel als wie ook ter wereld en ware het Falstaff zelf!, is hij levenslang in vreezen en beven voor iets, dat hij in denzelfden oogenblik van zich werpt, als hij besluit deugdzaam te zijn.

Maar toch besef ik nu, waarom de mensch, wat hij den dood noemt, vreest en de velen, die zich tot mij wendden om zooal niet dien dood voor goed te ontgaan dan toch zoolang mogelijk, waren niet ondeugdelijken of lafaards. Want inderdaad, hoe veel aangenaams ik tot heden ook ondervond, de volkomen vrijheid, de verplaatsbaarheid van een lichaam even pijnloos en toch vol indrukken en ontwaringen als het zien met het lichamelijke oog, de heldere denkkracht, de schoonheid van alles om mij heen, de weelde van te bezitten de macht om mee te leven het lichaamsleven en het huidige leven, ze aan elkaar te kunnen toetsen en het besef te bezitten van een volgende onderbewustheid, welke wachtende is om een bewustheid van een weer hoogeren graad te worden; de mogelijkheid om zooals heden een heelen heerlijken, langen zomerdag op te kunnen gaan in wat de leek gelukzaligheid zou noemen en daaruit te kunnen ontwaken om tot het volle bewustzijn er van te komen en als ’t ware er den nasmaak van te genieten, ziedaar dat alles voldoet mij niet ten volle. Want ik voel mij in mijzelf opgesloten. Zonder onwetenschappelijk verlangen naar mijn waardigen vader en begrijpelijke, hoewel ongeoorloofde hoop op het wederzien van mijn dierbare moeder, de zorgzame ziel en het vertrouwen op de herrijzenis in deze sfeer van mijn geliefde gade, te vroeg mij ginds ontvallen, niet voor de wetenschap, aan wie ik sedert mijn liefde geheel gaf, welke ik tot haar dood tusschen mijn teerbeminde Neeltje en Scientia volgens eer, geweten en zelfs hart, had verdeeld, ja zonder ongeoorloofd verlangen naar hernieuwde kennismaking met zoovele mijner voor mij „overgegane” collega’s, ware lichten der medische faculteit, voel ik toch een leemte. Ook hier, als in wat ik nu maar noemen zal, het voorland, wordt het genot eerst volmaakt door het te deelen met, ten minste het te kunnen uiten, aan anderen. Zie ik voel mij eenzaam en ik voorzie, dat het veel zielskracht, tenslotte te veel zielskracht van mij zou eischen, duurzaam gelukkig te zijn met het vele, dat mij, maar schijnbaar helaas aan mij alleen, hier toebedeeld wordt. En ik ga nu, o begin van elke smart, degenen ginds benijden, die zich ter ruste op hun bedden leggen, de oogen sluiten en een slaap zonder droomen te gemoet gaan, waarin zij naar den bewusten geest, werkelijk dood zullen mogen zijn.

Terwijl nu de professor zoo op de bank zat en daar de nieuwe maan van achter de wolken kwam schijnen, in den tuin het goudgele licht nog helderder zag worden, een licht alsof zonlicht door de bladeren van een bruinen beuk scheen, rees voor hem langzaam een gestalte op van meer dan menschelijke grootte.

„Herkent gij mij?” vroeg de gestalte.

Professor Leyden merkte, dat de vraag gesteld werd in een taal, die hij vroeger nooit gehoord had, maar dadelijk verstond. En het geluid van de stem klonk niet als een menschelijke stem, maar helderder, zuiverder, rhythmischer, klaarder, ja prof. Leyden had een sensatie als vroeger, toen hij in zijn droomen wel eens bijzonder zuivere passages in een solo voor dwarsfluit had hooren spelen. Zonder zich te verwonderen, dacht hij, juist zooals de kleuren hier inniger en stralender zijn, zullen het ook de geluiden wezen. Het tegendeel zou mij mogen verwonderd hebben. En dat ik zijn vreemde taal dadelijk versta, mag ik toeschrijven aan het feit, dat hier niet de aardsche taalverwarring heerscht, maar zooals reeds op aarde elk mensch denkt in denzelfden denkgang, alleen het gedachte anders gearticuleerd uit, hier elkeen op dezelfde wijze articuleert. Laat ons op streng wetenschappelijke wijze de proef nemen, door den vrager te antwoorden. Waarschijnlijk zal ik dezelfde taal als hij spreken, hoewel ik bij gebrek aan de macht tot toetsing, dienaangaande geen directe zekerheid mag verwachtten te verwerven. Doch welke universitair geschoolde geest, verwacht directe zekerheid, zoo hij er ook op hoopt? Ons deel is betrekkelijke zekerheid en is dat niet reeds veel?

„Zeker herken ik u,” antwoordde de professor.

„En wie meent gij dan, dat ik ben?” zeide nu weder de verschijning.

Met een gevoel van genoegdoening, hetwelk de leek in zijn voorbarigheid vreugde zou genoemd hebben, constateerde de professor, dat zijn theoretische veronderstelling dat eenheid van denken en eenheid van articulatie, tot taaleenheid moesten leiden, juist was geweest. Want de gedaante had hem verstaan.

„Hoe zou ik, een Leidsch professor, u niet herkennen?” vroeg de professor en zijn toon was niet zonder verdriet, gewantrouwd te worden. Dit was hem, den eerbiedwaardige en waarachtige, in de laatste decennia slechts eenmaal overkomen, n.l. toen de portier van zijn kliniek ernstig ziek was geworden en zijn welmeenend aangeboden medische hulp had geweigerd, zeggende, dat hij tot heden zich altijd bij het gebruik van Haarlemmerolie wel had bevonden en niet van plan was aan die geneeswijze ontrouw te worden. De man had inderdaad een tiental fleschjes van dit zeer schadelijke mengsel van terpentijn, zwavel en raapolie in twee weken verorberd en was toen weder gezond, door zelf-suggestie genezen van een zeer ernstig geval van gastro-enteritis niet door maar ondanks zijn „geneesmiddel”. Men had daarna den man moeten ontslaan, daar hij de patiënten der kliniek sedert op opdringerige wijze aangeraden had zich zooals hij, te redden van de snijtafel door het gebruik van Haarlemmerolie, van het echte merk, waarvan hij den alleenverkoop voor Leiden had verworven.

„Gij beantwoordt een vraag met een wedervraag,” zei thans de verschijning bestraffend. „Zoudt gij dat een student op het examen niet kwalijk nemen? Hier nu, zijt gij als een student.”

„Ik herkende u dadelijk. Te vaak heb ik ons beroemd Leidsch Egyptisch museum bezocht. Gij zijt Anubis, de god met het lichaam van een mensch en den kop van een jakhals, zoon van Osiris, god van de duisternis, die naar de Egyptenaren meenden, den mensch na zijn dood tot de poort van de onderwereld geleidde, waar gericht werd over de daden van zijn leven.”

„Inderdaad, die ben ik.”

„Neen, met uw welnemen, die waart gij in de verbeelding der oude Egyptenaars.”

„Wat zegt gij?”

De stem klonk nu vervaarlijk en met sisklanken, gelijk een dwarsfluit, gespeeld met een slecht embouchure.

„Wat ik gezegd heb, is gezegd en ik voeg er bij, dat ik een professor ben der Leidsche universiteit.”

„Wat bedoelt gij daarmede?” brulde de verschijning.

„Indien gij meent, dat versterking der stem voor ons, streng wetenschappelijk gevormden, gelijk voor den leek, versterking van het argument beteekent, dan vergist gij u toch.”

„Ik ben Anubis en ik blijf Anubis!” zeide de verschijning. Maar in het nu weer verzachte timbre van de stem hoorde het muzikaal-geoefende oor van prof. Leyden onmiskenbaar een weifeling. „Ik ben Anubis en ik blijf Anubis!” herhaalde de verschijning, niet wetende dat voor den universitair opgevoeden mensch, de herhaling van een betuiging psychologisch als een verzwakking daarvan wordt uitgelegd. „De goden der oudheid, welke gij in uwe waanwijsheid meent, dat uitgestorven zijn, leven nog voort.”

„Geluk er mee,” antwoordde de geleerde onverstoorbaar. „Maar als dat zoo is, wat ik niet wil betwijfelen, daar gij als oud-richter over het goede en het kwade u zeker de verfoeilijke eigenschap van het niet-wetenschappelijk getuigen, of kortweg, het overdrijven, ongegrond beweren, opsnijden en liegen niet zult hebben aangewend, dan nog, vraag ik u, wat ik met uw al of niet-bestaan te doen heb? Uwe werkzaamheden alhier vallen even ver buiten den kring van mijn werkzaamheden alhier als de zondagskout van een portier buiten een dispuut tusschen twee professoren.”

„Gij vernedert mij en miskent mij. Ik ben hier door hooger macht aangesteld om den mensch, voor hij tot hoogere wijding geroepen wordt, door biecht te reinigen. Dus biecht uw zondig aardsch bestaan en ik kan u den weg naar hooger effenen.”

„Niet om de voordeelen er aan verbonden, zal ik aan uw verlangen voldoen, doch slechts om u een genoegen te bewijzen. Want om voordeel biechten lijkt mij biechtend, een nieuwe zonde begaan. Ik heb als wetenschappelijk man, bewust van een hooge roeping, alleen dan wat in mijn aardsch leven bereikt, als ik te voren geen ander voordeel beoogde dan het geluk, wat voor anderen te kunnen zijn. Welke zonden ik u zal hebben te biechten, weet ik niet goed, daar wetenschappelijk gesproken, elke zonde niets anders is dan de resultante van een organisch gebrek, hetzij geestelijk hetzij lichamelijk en dikwijls van de wederzijdsche inwerking dier beide. Zoo vond ik vaak, dat wulpschheid bij vrouwen en de vele gevolgen daarvan, in onmiddellijk verband stonden met een aangeboren hartsgebrek.”

„De menschheid is een erfzondig geslacht.”

„Hoe weinig wetenschappelijk oordeelt gij en ik vraag mij af, welke werkelijk wetenschappelijke macht u op deze verantwoordelijke plaats heeft kunnen stellen.”

„Wat zegt gij?” donderde Anubis.

„Geluid is voor ons rhythmische trilling, sterk of zwakker trillen verandert daaraan voor ons niets. Dus niet meer deze te sterk bewogen vibraties. Ik meen eenvoudig, dat wanneer de zonde opzichzelf wetenschappelijk verklaard worden kan en daardoor naar haar wezen geheel anders beschouwd moet worden, ook de erfzonde, dat is dus een reeks van zonden door een reeks van geslachten begaan, het geval op zichzelf niet verandert. Als een vrouw wulpsch is omdat haar hart abnormaal arbeidt, dan is zij niet meer of minder schuldig, omdat ook het hart van haar grootmoeder en dat van haar betovergrootmoeder, abnormaal werkten. Of als ik u, een Rechter, eens een ander voorbeeld mag geven, er zijn geen meer misdadige menschen dan rechters.”

„U meent, dan die de rechters veroordeelen?”