Part 2
De verpleegster smeerde de lippen van den professor met vaseline in. Het masker werd op een gedeelte van het gelaat gebracht, zoodat neus en mondholte waren afgesloten, de kraan van den stalen cylinder waarin de zuurstof zich bevond, werd geopend en professor Leyden, niet zonder het gevoel van bevrediging, dat elken waarachtigen wetenschappelijken onderzoeker ondervindt, wanneer hij de natuur een nieuw geheim hoopt te gaan ontwringen, ontving de eerste indrukken van den bewusten, nuchter observeerenden mensch onder narcose.
Hij bemerkte, dat de patiënten welke hem allen onveranderlijk gezegd hadden, dat het eerste gevoel overeenkomt met het gevoel, dat men heeft even vóór het inslapen ’s avonds op bed, gedwaald hadden, zooals immers van leeken op wetenschappelijk gebied altijd moet verwacht worden. Daar men hun te voren had gezegd, dat het eerste gevoel ongeveer zoo zijn zou, suggereerden zij zichzelf, dat het ook zoo was. Niet anders gaat het met de menschen, die z.g. mooie natuurtafereelen voor ’t eerst bezichtigen, nadat de schrijvers in hun reisgidsen allen eenstemmig verklaard hebben (ter wille van de advertenties op de achterste of voorste pagina’s van het boek), dat bedoeld natuurtafereel bijzonder mooi is. Zij vinden het natuurtafereel verrukkelijk of schitterend, zelfs als een dichte mist het tijdens de bezichtiging aan het oog onttrekt. Er zijn weinig menschen, die een eigen overtuiging hebben en er zijn er nog minder, die den moed bezitten van die eigen overtuiging te gewagen. De meeste menschen gaan hun leven door onder suggestie’s van anderen en van de voorgeslachten, zonder zelfs tot het bewustzijn te komen van hun eigenlijk inwendig ik en diens werkelijke indrukken en ervaringen.
Het was, constateerde prof. Leyden, geenszins het gevoel van voor het inslapen des avonds. Het was integendeel het gevoel van voor het inslapen des middags voor het dutje. De niet-wetenschappelijk gevormde mensch, meent dat er tusschen die beide perioden geen verschil is. Doch een wetenschappelijk toegerust man als prof. Leyden, kende heel goed het onderscheid tusschen het inslapen tegen den nacht, nadat de zenuwen en de spieren zijn afgewerkt, de atmosfeer door het verdwijnen van het zonlicht en de uitwaseming van aarde en planten van andere samenstelling is geworden en het inslapen op den middag na het diner, in het volle licht van de zon, met het bewustzijn op zijn hoogst na een uur weder te ontwaken. Degeen, die zich des avonds te slapen legt, doet dit met een volkomen overgave aan de lange nachtrust en zijn doel is een zoo diep mogelijke en zoo vast mogelijke ononderbroken slaap van zes tot acht à negen uren. Hij zoekt een vergetelheid, overeenkomende met een vorm van dood-zijn. Maar wie voor een namiddag dutje „insluimert”, zoekt slechts een tijdelijk, licht herstel van krachten. Hij wenscht geen zoo groot mogelijke vergetelheid, maar alleen de hersenfuncties eenige oogenblikken buiten werking te stellen. Men knapt een „uiltje” en staat dan op „frisch als een hoentje”. Deze populaire uitdrukkingen wijzen er op, dat het middagslaapje overeenkomst heeft met den lichten slaap van vogels. De middagslaper is als de uil, die in het zonlicht niet of zeer onvolkomen ziet, hoewel hij niet slaapt, wanneer des daags de vogels ondeugend plagend en tartend om hem heen vliegen.
„Niet als het inslapen des avonds, maar als het inslapen voor het middagdutje” constateerde prof. Leyden en hij dacht er heel helder bij: „Al weder een bewijs voor mijn stelling om den niet-wetenschappelijke slechts naar de wijze van den wetenschappelijke te vertrouwen.”
Hij begon nu de geluiden in de operatie-zaal als meer verwijderd te hooren. Doch opnieuw betrapte hij den leek op de gewone vergissing, den schijn van het feit, voor het feit zelf te houden. Niet de geluiden kwamen inderdaad van ver af. Dit was slechts zelf-suggestie. Inderdaad waren de geluiden even dichtbij of ver-af als gewoonlijk. Een der aspirant-medici, toegelaten tot het bijwonen van de kunstbewerking had de groote achteloosheid betoond, in een linnen operatie-jas te verschijnen, die door een klein, arm waschvrouwtje gewasschen was in stede van in de inrichting. Het arme vrouwtje had de operatie-jas, evenals de andere wasch, gedroogd voor het fornuis in het eenige vertrek, dat zij bewoonde met haar acht kinderen, haar eigen moeder en haar schoonmoeder, benevens haar luiaard en dronkaard van een man, die zoodra hij bemerkt had, dat zijn vrouw als waschvrouw de kost voor het gezin kon verdienen tot de overtuiging was gekomen, dat hij de „slavernij” op de fabriek of werkplaats en den stok van den patroon kon ontgaan, door zichzelf tot stokdrager over zijn deemoedige huissloof te bevorderen en voortaan geen anderen heer meer te erkennen dan koning Alcohol. Het gevolg van dit te consequent doorvoeren van het principe der absolute monarchie was, dat de linnen operatie-jas van den aspirant-medicus of semi-arts, rook naar al de geuren en geurtjes van wat overdrachtelijk een troonzaal kon genoemd worden, als jenever, chloor, huishoudzeep, kinderluiers, in ranzige olie gebakken panharing, slechte tabak, cichorei-aftreksel, kortom naar de geuren, die eens den grooten poëet Shakespeare er toe brachten te zeggen, dat het „volk stinkt”. De operateur had nu den geur der armoede van den linnen jas van den student opgemerkt en den uit een beurs studeerenden aspirant-medicus dringend verzocht onmiddellijk de operatie-zaal te verlaten.
Professor Leyden nu, hoorde eerst het verontwaardigd bevel van den operateur als van verre te komen. Maar daar ook hij zich ergerde over de lakenswaardige onvoorzichtigheid van den jongen student, werd zijn bewustzijn plotseling verscherpt en hij hoorde thans opeens weer duidelijk en van heel dichtbij, dat een der assistenten „schandelijk!” zeide, waarop de operateur weder antwoordde: „Houdt u bij uw taak. Ik heb hier toestemming noch afkeuring van u noodig!”
Het lag prof. Leyden op de lippen om te zeggen: „Volkomen juist,” toen hij zich nog bijtijds herinnerde, dat zijn lippen met vaseline besmeerd waren en niet geopend behoorden te worden. Dat hij zich dit herinnerde en zoo volkomen helder kon denken, achtte prof. Leyden een feit, van de meest verstrekkende wetenschappelijke beteekenis. En hij memoreerde: „Tot het volkomen genarcotiseerd worden is noodig:
„a. het zich bewust onderwerpen aan de operatie, door het met den wil in de tweede macht verzwakken van den wil in de eerste macht;
„b. het zich onderbewust onderwerpen aan de operatie, door het onderbewust onderdrukken van den onderbewusten wil door het onderbewustzijn van de tweede macht onderdrukken van het onderbewustzijn in de eerste macht.”
En hij formuleerde dit in „achter-gedachten” aldus (wil)^2 : (wil)^3 = w × w : w × w × w, of algemeen de W (op zichzelf) is symbool van de (W)^x, zijnde de wil als levensdrijfveer concrete eigenschap van den wil als abstractie (W)^x, gelijk deze (W)^x weder is omsloten in den Al-wil, voor te stellen als ((W)^x)^x, als synthèse op eenvoudige wijze tot zijn simpelsten vorm terug te brengen als ((X)^w)^w.
Op hetzelfde oogenblik, dat prof. Leyden aldus zijn indrukken op anti-laïstische wijze formuleerde, contrôleerde hij tevens de formulatie op zichzelf en met groote voldoening constateerde hij, dat hij hoewel men bezig was hem te narcotiseeren, in stede van z.g. bedwelmd te worden, zich helderder voelde en meer in staat tot de functies der zuivere rede dan ooit te voren. Maar met de echt wetenschappelijke voorzichtigheid om nooit een feit aan te nemen, zonder te bedenken, dat een feit altijd resultante is van een ander feit, doch nooit axiomatisch een feit op zichzelf is, ging hij thans na, wat de oorzaak kon zijn van dit ongewoon scherp en helder denken tijdens het toedienen van chloroform-zuurstofdampen met het inhalatie-toestel van Roth-Dräger. Terwijl hij hierover nadacht, voelde hij dat de wijze, waarop hij dacht, anders was dan gewoonlijk. Het was alsof het orgaan waardoor de ziel het denken geleidt, alsof zijn hersenen, vervangen waren door een orgaan, dat minder substantiëel dan de grijze massa was. Hij voelde dit orgaan niet als grijs maar als cobalt-blauw, intens cobalt-blauw met lichter-blauwe emanaties. En dadelijk stelde hij, wetenschappelijk geschoold als hij immers was, vast dat het orgaan, waardoor hij thans dacht, zoo het al geen phosphorus was, toch zeker phosphoresceerde.
Met dit bewustzijn trachtte hij op concrete wijze op de hoogte te komen van zijn toestand in dezen oogenblik. Doch hij bleek daartoe niet in staat, hoe zeer hij zich ook inspande. Hij had een gevoel alsof hij in rhythmische zweving verkeerde. Daarom besloot hij voorloopig afstand te doen van de concrete observatie en zich over te geven aan de abstracte intuïtie. En dit met een laatste rest van bewustheid doende, stelde hij vast, dat wat hij bewustheid noemde, op dit oogenblik voor hem onderbewustheid werd en beter wetenschappelijk ander-bewustheid te noemen was, terwijl wat hij vóór de narcose als onder-bewustzijn zou hebben geformuleerd, inderdaad nu voor hem het normale, gewone bewustzijn, het bewustzijn onderworpen aan een wilsvorm in een eerste macht, was geworden.
Op het oogenblik, dat prof. Leyden dit feit constateerde, lag zijn lichaam volkomen roerloos en gevoelloos op de operatie-tafel uitgestrekt en was de narcose volkomen, zoodat de operateur kon beginnen met de eerste snede in de opperhuid, ten einde de gereed gehouden klieren, kort te voren uit het lichaam van een genarcotiseerden aap gesneden, plaatselijk in het lichaam van prof. Leyden aan te brengen. Te zelfder tijd was er bij de juridische faculteit een consternatie, gelijk in een mierenhoop, waarover een motorfiets is heengereden. Want prof. Leyden had onbetwistbaar een poging gedaan, de wet, welke zoo duidelijk gebood na het 70ste jaar als professor af te treden, te ontgaan door te trachten, juist na dien leeftijd, jonger en krachtiger dan ooit, wetenschap te vergrooten door wetenschap te verdeelen.
IV.
Toen prof. Leyden voldoende gewend was aan zijn nieuwen toestand, begreep hij, dat hij zijn lichaam had verlaten. Ook ving hij aan, een begin van vermogen te gevoelen, zijn nieuw lichaam tot een bepaalden vorm te verdichten of liever, hij ervoer dat een zekere wensch opkomend in zijn ziel, aan die ziel zonder eenige moeite den vorm gaf, dien met dien wensch strookte. Het ging niet anders dan als met een vloeistof, welke men slechts in een vat heeft te gieten, opdat zij precies den inwendigen vorm van zulk een vat aanneme. Toen nu in hem de wensch opkwam, getuige te kunnen zijn van hetgeen met zijn lichaam op de operatie-tafel gebeurde, stond hij tezelfder tijd naast den operateur en het was voor hem niet anders, dan wanneer hij zelf in volkomen normale omstandigheden een operatie bij den een of anderen patiënt had verricht. Maar voor de aanwezigen in de operatie-zaal was het wel anders. Want geen hunner bemerkte den professor, zooals hij daar met een lichaam van damp, even doorzichtig als de omringende dampkringslucht, tusschen hen stond. Slechts enkelen der meest sensibelen onder hen, hadden een vaag, door het onderbewustzijn ontwaard vermoeden, dat de geest van professor Leyden aanwezig was en, zooals dat gewoonlijk gebeurt, wanneer ons onderbewustzijn iets vermoedt, maar de achterlijke, materiëele, onzuivere rede van het normaal bewustzijn zich verzet tegen de overneming der aanvoelingen uit de andere sferen, zoo deed nu ook de operateur, automatisch (hoewel hij meende zéér bewust iets te zeggen, zich bijzonder „voelend” nu hij professor Leyden als operateur verving) hooren, hetgeen in de onderbewustheid naar uiting zocht. „Mijne heeren,” aldus sprak de operateur, „ik gevoel de tolk van u allen te zijn, wanneer ik begin met te zeggen, dat ik als met den geest van mijn grooten voorganger en leermeester, prof. Leyden, deze gewichtige wetenschappelijke proefneming hoop aan te vangen en te voltooien.” En hij nam het gesteriliseerde scalpel aan uit de steriele handen van den assistent, hield het instrument even tegen het licht als om zijn fijnheid en zuiverheid te onderzoeken en maakte daarna met vaste hand de eerste snede in de opperhuid.
Voor de onderhuidsche weefsels werd daarna niet het scalpel, maar de schaar gebruikt.
Prof. Leyden, ten hoogste voldaan over de van eerbied voor een, nog niet overleden, slechts genarcotiseerden voorganger en leermeester, getuigende woorden, stak naar zijn gewoonte, zijn wijsvinger tusschen de geopende beenen van de operatieschaar. Zoo beproefde hij altijd de effenheid der snijvlakken. Tot zijn verwondering knipte de operateur veel sneller en krachtiger de schaar dicht, dan hijzelf gewoon was. En nu hoorde hij, dat de operateur tot den assistent zeide: „Een andere schaar, die met het slot van Collin”. En zich tot de aspirant-medici richtend, wachtend op de schaar met het slot van Collin, die tusschen de twee steriele handdoeken gereed lag, zeide hij: „Het slot van Jetter en Schaerer is bij droog gebruik niet altijd volkomen betrouwbaar.” Hij zei dit eigenlijk meer uit plichtsgevoel, dan dat hij verwachtte, dat later de aspiranten, nadat zij hun bul zouden hebben verworven, nu ook voortaan bij droog gebruik der chirurgische schaar, het slot van Collin zouden de voorkeur geven. Zij gebruikten het wonderschoone vermogen van het geheugen dat den mensch is gegeven, alleen voor het onthouden van de namen dergenen die groot onder hen als voetballers of als roeiers waren en voorts voor het behouden van de namen der nieuwste dansen als Fox-Trott, Jazz, Two step. Sommigen waren zoo ver, dat zij de namen van de meest bekende American Drinks er bij vermochten te onthouden als Manhattan Cocktail, Texas Flip, Coney Island Flap, en wenschten deswege pochend op hun geheugen voor „geheel onthouders” door te gaan, hoewel zij van „onthouden” gesproken, ten hoogste zichzelf het noodzakelijke weten onthoudende waren.
Liever dan zich toe te leggen op de termen eener levende wetenschap, scherpten dezulken hun geheugen om de namen eener, sedert de drooglegging van Amerika volkomen verouderde, drankmengingsterminologie, te behouden. Prof. Leyden zag onderwijl tot zijn verbazing, dat de schaar met het slot van Jetter, toehappend om zijn wijsvinger, daardoorheen was gesneden en dat het afgesneden bovenste lid van zijn wijsvinger los en alleen in de lucht zweefde of liever rhythmisch trillend op dezelfde plaats waar het afgesneden was, bleef in de lucht hangen. Het was nu niet meer blauw of phosphoresceerend, maar zag er precies uit als een gewoon menschelijk vingerlid, hoewel het aan de afgesneden zijde niet bloedde. Ook bloedde de van een lid beroofde wijsvinger van prof. Leyden niet en het afsnijden had hem niet de minste pijn gedaan. Meer uit gewoonte, zooals elkeen doet, die iets gebroken heeft, dan wel met een bewuste bedoeling, paste Prof. Leyden het afgesneden lid weder aan zijn daarvan beroofden wijsvinger en tot zijn verwondering bleef nu het lid er weder tegen aan zitten en was weer bruikbaar, alsof het er nooit van verwijderd was geweest.
Ten einde omtrent dit merkwaardig herstellingsvermogen van zijn psychisch lichaam meer zekerheid te verkrijgen, legde hij nu eerst zijn vingers, daarna zijn middenhand, vervolgens zijn polsgewricht tusschen de beenen van de chirurgische schaar, welke op dit oogenblik door den operateur juist gebruikt werd, om de diepere weefsels open te leggen, waarin de dierlijke klieren zouden worden vastgehecht. Telkens bleven zijn afgeknipte ledematen in de lucht trillend hangen, als bijen zwevend boven een bloemkelk, en vereenigden zich onmiddellijk opnieuw met het zielslichaam, zoodra hij de beide gescheiden lichaamsdeelen weer tot elkaar bracht. Hij behoefde ze er niet eens tegen te drukken. Het ging op dezelfde wijze als de magneet een stukje ijzer aantrekt. En prof. Leyden hield eerst op met zijn proeven, toen de operateur ook de schaar met het slot van Collin aan den assistent teruggaf, zeggende dat ook deze schaar zeker bij het ontsmetten te veel uitgezet was en telkens stroef ging. Toen hij nu de schaar met het dubbelslot van Collin gebruikte, was alle stroefheid verdwenen en hij zeide tot de aspiranten: „Het dubbelslot van Collin heeft het voordeel, zelfs na uitzetting tijdens de sterilisatie, altijd gelijkmatig te werken.”
Prof. Leyden glimlachte, dit hoorend en dacht: „Nu doceert gij toch waarlijk niet, zooals gij voornemens waart, in mijn geest. Want gij vervalt in de gewone fout van den niet-wetenschappelijken mensch, die uit één feit een gevolgtrekking maakt en van die gevolgtrekking een oordeel afleidt. Immers alle scharen waren heden evengoed—maar wat gij toeschreeft aan uitzetting door sterilisatie en ondeugdelijkheid van het slot van de schaar, was in werkelijkheid niet anders dan dat ik mijn psychisch lichaam tusschen de gaping der schaarbeenen stak, waarop het zoo subtiele slot reageerde. Dus wat gij, waarde collega-operateur, den jongeren voorhoudt als een gebrek der instrumenten, is juist hun deugd.
„Inderdaad volgt hieruit, dat ook hetgeen de operateur aan de aspirant-medici verweet, namelijk hun groote belangstelling in de edele roeisport en de veredelende dans- en voetbalsport, zoowel als sommiger pogingen een helaas verdwijnende subtiele kunst van drankmenging, zoo lang mogelijk te subsidiëeren, op geen waarachtig wetenschappelijken grondslag berustte. Immers, het is beter de namen van sport en spel te onthouden, dan onwetenschappelijk gegronde beweringen nopens chirurgische scharen en haar respectieve sloten.”
Toen nu prof. Leyden met groote voldoening het verdere verloop der operatie op zijn animaal lichaam had bijgewoond en het vervolgens begeleidde, toen het naar het ziekbed werd gereden, trachtte hij na eenige uren wachtens, weder zijn psychisch lichaam in zijn stoffelijk lichaam te brengen. Maar dit lukte niet. In ’t eerst vermoedde prof. Leyden, dat ook voor deze kunstbewerking, een zekere ervaring noodig was en hij begon zich dus te oefenen. Maar hoewel hij gedurende den geheelen nacht onverpoosd bezig was, weder met zijn psychische gestalte in zijn stoffelijk vormsel te dringen, bleek hem dit onmogelijk. Daar echter zijn pogingen hem niet in ’t minst vermoeiden, bleef hij zijn oefeningen doorzetten. Maar aan ’t eind van de eerste dagen, was hij nog even ver als op den avond na de operatie. Hij zag zijn aardsch lichaam rustig te bed liggen en ademen, maar het gelukte hem niet, de bedwelming te doen verdwijnen, hoewel de tijd waarop de chloroformdampen door het stoffelijk lichaam uitgewasemd moesten zijn, reeds lang verloopen was.
Thans trachtte hij bij stukjes en beetjes met zijn psychisch lichaam in zijn stoffelijk lichaam te dringen. Maar ook dit gelukte niet. Een afgebroken psychisch vingerlid op het stoffelijk vingerlid gebracht, weigerde daarin door te dringen maar ontweek ongeveer zooals wanneer men olie in water zou willen dringen. Prof. Leyden beproefde daarna uit psychisch en stoffelijk lichaam een soort emulsie samen te stellen, maar in het stoffelijk lichaam huisde een zekere niet-stoffelijke kracht, welke hem verhinderde zijn psyche weder in zijn lichaam te brengen. Het was alsof een andere psychische kracht zijn psyche terugdrong en zijn verdubbelde pogingen met den moed der wanhoop toegepast, bewerkten alleen een soort convulsieve schokken van het stoffelijk lichaam. De zuster van de wacht riep onmiddellijk den operateur en den geneesheer-directeur. Want zij was van meening (half-wetenschappelijk als de gediplomeerde verpleegster immers ontwikkeld is), dat het begin van de ontwaking uit de verdooving, het bekende symptoom der brakingen, zich voordeed.
Maar het waren geenszins braakneigingen, pogingen van het lichaam om zoo spoedig mogelijk zich van de ingeademde chloroformdampen te bevrijden. Het waren slechts de werkingen van de animale ziel in het lichaam aangebracht door de klieren van een levenden aap. En toen prof. Leyden, eindelijk zich hiervan bewust was geworden en zoo tevens ervoer, dat de verjongingskuur door klieren van een dier onmogelijk is, daar het dierlijke lichaam, resultante van de dierlijke ziel, nooit harmonisch kan opgaan in het menschelijke lichaam, resultante van de menschelijke ziel, gevoelde hij, dat hij, als zoo velen van zijn voorgangers, op wetenschappelijk gebied slachtoffers had gemaakt, ja erger, zelf slachtoffer was geworden van de te materialistische richting in de geneeskunde.
En voor ’t eerst sedert het voornemen tot de proef in hem opgekomen was, wantrouwde hij de eigen rede en zonk deemoedig en gebroken in gebed neer aan de sponde, waarin zijn eigen, opzettelijk verdierlijkt, bewusteloos lichaam nederlag.
De pleegzuster, die bij het lichaam waakte, voelde op dit oogenblik een koude rilling langs haar rug loopen. En naar de gewoonte van half-wetenschappelijk ontwikkelden, de naastbijliggende aanleiding voor de eigenlijke oorzaak houdend, sloot zij de deur, waardoor volgens haar de „tocht” gekomen was en schonk zich een kopje warme thee in.
En zij keek op de klok om te zien of haar nachtwaak spoedig ten einde zou zijn. Het was juist vier uur in den morgen. Dus zou zij nog twee uren hebben te waken. Om den tijd te dooden, nam zij de courant en begon deze te lezen. Haar oog viel op het volgende bericht onder „Rechtzaken”:
„De Nederlandsche Juristenvereeniging heeft tegen Maandag a. s. een buitengewone vergadering uitgeschreven, waarin Mr. Hendrik Paragraaf, voorzitter van de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam, het debat zal openen over de stelling: Bewusteloosheid van een gedaagde, beschuldigd van zich tegen den vorm van een wetsartikel te hebben verzet, behoeft jure niet te leiden tot de verdaging van de zaak van eenen door een onaanvechtbare dagvaarding gedaagden gedaagde.”
En haar zachte blik rustte met groot medelijden op den bedwelmden patiënt in het bed uitgestrekt, die rustig ademhaalde, onbewust van de door animositeit der juridische tegen de medische faculteit veroorzaakte tegen hem ingestelde vervolging.
V.
Gesterkt en gereinigd door het gebed, het eerste dat prof. Leyden sedert hij student was geworden, had verricht, ging de hoogleeraar op een stoel zitten. Hij merkte niet, dat hij op denzelfden stoel als de zuster, die bij zijn lichaam waakte, zat en de zuster, hoewel zij zich eenigszins loom gevoelde en telkens weer aan den professor dacht, gaf zichzelve ook geen nauwkeurige rekenschap van ’t geen op haar schoot geschiedde. Zij vond het niet zoo heel vreemd, zich ’s nachts loom te gevoelen en dat zij vervuld was van den patiënt, dien zij had te verzorgen, vond zij evenmin bijzonder opmerkelijk. Toen de zuster de courant ging lezen, las prof. Leyden de courant mede. Hij was nooit een belangstellend courantenlezer geweest, daar hij meer wat hij altijd genoemd had „de eeuwige waarheden” der wetenschap had gewaardeerd, dan de vergankelijke berichten van de courant, waarvan de weervoorspelling doorgaans nog het meest betrouwbaar is. Maar nooit zooals thans had hij het onbeteekenende van wereldsche en erger provinciale courantenberichten gevoeld. Toch, toen hij ten laatste met de zuster, en naar het hem scheen door de oogen der zuster heen, met een faculteit in zichzelf, welke hem voorkwam te zijn de vaardigheid om te zien zonder het lichamelijk optisch instrument, oog genaamd, het bericht las dat de jurist hem zocht te belagen, kwam iets in hem, dat hij zelf zou willen noemen, medelijdend glimlachen. Hij had altijd die medelijdende glimlach voor de juridische faculteit en haar doeleinden over gehad. Van de zijde van een faculteit, welke van de oudste tijden tot heden, zoovele uitstekenden had belaagd of veroordeeld, kon de faculteit, waartoe prof. Leyden zich het tot een eer rekende, te behooren, de medische faculteit, welke er zich van de oudste tijden tot heden op had toegelegd, het lichamelijk leed der menschheid te verzachten, te voorkomen en te verhelpen, niet anders verwachten.