Part 1
NIEUW UTOPIA
DOOR BERNARD CANTER
AMSTERDAM VAN HOLKEMA & WARENDORF
NIEUW UTOPIA door Bernard Canter.
Aan Dr. B. J. C. te Hennepe Jzn., door wiens woord, geschrift en voorbeeld, de schrijver tot het vegetarisme werd gebracht.
I
De reeksen van zonderlinge gebeurtenissen, welke wij thans in dit boek gaan verhalen, berusten op abstracte waarheid. Vandaar, dat zij veel bestrijding zullen vinden van de zijde dergenen, die alleen in staat zijn een concrete waarheid te begrijpen. Maar daardoor wordt aan de waarheid op zichzelve geen schade toegebracht. „Wat is waarheid?” vroeg eens Pilatus. Hij toonde daardoor, dat hij behoorde tot de, zeker niet zeldzame soort van lieden, die altoos bereid zijn te vragen: „wat is dit?” en „wat is dat?” ten einde voor zichzelf te verbergen, dat zij geen ziel bezitten en daardoor geen antwoord in zichzelf vinden op de vraag „Wat Is?”. Want daar wij zijn, is er een Is. Voor lieden, die niet zijn, daar zij in stede van een ziel, slechts verstand, dat armelijke surrogaat, bezitten, luidt het antwoord op: „Wat Is?” niet „Ik ben”, maar „Ik ben geweest”. Mochten toch al deze lieden zonder zijn, zonder wezen, er voor goed geweest zijn. De menschenwereld zou dan verder gelukkiger kunnen worden, verlost van het vergankelijke verstand en opnieuw vervuld van de eeuwige Ziel.
Professor Godefroy Leyden, den leeftijd van zeventig jaren bijna bereikt hebbende en daardoor volgens de Nederlandsche wet, gedwongen zijn ambt neer te leggen, voelde zich zeer bedroefd, dat hij zich voortaan van het geven van onderricht aan zijn leerlingen zou moeten onthouden. Want hij had in den loop der jaren de ondervinding opgedaan, dat hij nooit zelf meer leerde, dan wanneer hij den studenten onderricht gaf. Daarom besloot hij op het laatste college, dat hij had te geven en dat beëindigd zou worden door een proef, zichzelf aan die proef te onderwerpen. In die dagen, kort na het beëindigen van de kleine botsing tusschen eenige volken, welke die volken zelf daarna, zonder eenig besef van de overdrijving, de schier tragi-komische overdrijving, waaraan zij zich schuldig maakten, „den grooten wereldoorlog” (sic!) noemden, beweerde een geleerde, dat het voor den mensch mogelijk zou zijn, de eeuwige jeugd te verwerven, door de transplantatie van eenige dierlijke klieren in het eigen lichaam. Dit lag zoo in de richting van de wetenschap dier dagen, welke materialistisch en dierlijk, soms gedoceerd door lieden, wien zelfs elk besef van hoogere menschelijkheid, dat is de vreeze des Heeren, het beginsel der wijsheid, ontbrak, door dierlijkheid tot goddelijkheid meende te kunnen komen. Laat ons hen deswege niet veroordeelen, maar bedenken, dat ook dit een der wegen van de Godheid was om ons in Hare Richting meer te doen ontwikkelen. Niet voor de stroom zijn laagste beddingen heeft gevonden, kan hij zijn einddoel, de monding in de groote Zee, bereiken.
Inderdaad ging professor Leyden op zijn laatste college er toe over, in de hoop, dat dit laatste college weder zou worden zijn eerste en hij de eeuwige jeugd zou kunnen beërven, zich door zijn assistenten te doen opereeren en op eenige plaatsen in zijn lichaam klieren van apen te doen aanbrengen. Wel werd er van wege de juridische faculteit sterk tegen deze handelwijze geprotesteerd, daar een dergelijke wijze van handelen als wetsontduiking werd geduid. De medische faculteit stoorde zich daar echter niet aan, immers gewend er aan, dat de juridische faculteit, den vorm van de wet tegen den geest van de wet in bescherming neemt. Helaas, de wet dwong den professor op 70 jarigen leeftijd tot het neerleggen van zijn ambt, omdat de wetgever den mensch na zijn zeventigste jaar geestelijk en lichamelijk niet krachtig genoeg meer acht, den jongeren onderricht te geven. Gelukte het nu, door een zekere behandeling, een mensch van zeventig jaren weder de krachten van een mensch van dertig jaren te geven, dan verloor, zeker voor dien verjongden mensch, de wet haar eigenlijke bedoeling. Maar juristen hebben een afkeer van de eigenlijke bedoeling der wetten. Rechter en advocaat zijn altijd met elkaar in strijd ten aanzien van de ware bedoeling der wet en bij elke rechtzaak is er ten slotte slechts één persoon, die diep in zichzelf de ware bedoeling van de wet ervaart, dat is degeen, die tot de lijdende partij behoort. Want in zijn ziel ervaart hij, en hij alléén, waar de wet des menschen faalt en de wet Gods niet.
De operatie van de overplanting der klieren gelukte uitstekend en toen professor Leyden uit de operatie-zaal naar het bed op de ziekenzaal werd gebracht en daar ter ruste gelegd, totdat hij uit de narcose zou ontwaken, twijfelde geen der aanwezige medici en aspirant medici, (onder welke laatsten er velen waren, die nooit medicus zouden worden, zelfs voorzien van een tasch vol bullen, waarop gedrukt stond dat ze het waren,) of zij zouden hun hooggeschatten en moedigen professor in het leven èn als hoogleeraar behouden.
Zelfs toen tegen den avond professor Leyden nog altijd niet uit de narcose ontwaakt was, maakten de collega’s, die hem behandelden, zich niet ongerust. Want pols- en hartslag waren bevredigend, de ademhaling was, de omstandigheden in aanmerking genomen, normaal te noemen en er bestond dus geen vrees dat de operatie, in stede van de eeuwige jeugd, den eeuwigen dood zou brengen.
Toen in den nacht professor Leyden nog altijd bewusteloos bleef, vonden de collega’s het toch geraden een onderzoek in te stellen bij den dokter, die den professor had gechloroformiseerd. Maar deze uitnemende specialiteit had alle voorzorgen genomen, welke de wetenschap slechts kon eischen en zelfs in aanmerking genomen, dat hij een man van bijna zeventig jaren onder narcose bracht. En het was op bevel van professor Leyden zelf geweest, dat afgezien was van locale anaesthesie, daar professor Leyden zich er te goed bewust van was geweest, dat hij, zoo hij bij kennis de operatie op ’t eigen lichaam had bijgewoond, niet de gewenschte passiviteit zou hebben kunnen betoonen en daardoor de operateurs afgeleid of wellicht nerveus gemaakt.
Den volgenden morgen bleek professor Leyden nog altijd niet tot het bewustzijn teruggekeerd te zijn. De verdooving hield aan en bleef aanhouden, tot groote ontsteltenis van de collega’s, de pleegzusters en vele van professors patiënten, welke laatste van zijn beterschap hun beterschap verwachtten.
De medische wetenschap stond hier, als zoo vaak bij de toepassing van nieuwe methoden, voor een geheel nieuw feit, waarvan voorloopig geen werkelijk wetenschappelijke verklaring was te geven. Polsslag, hartslag, ademhaling en bloedsomloop waren bij den patiënt normaal. Er werd geenerlei verzwakking geconstateerd, hoewel de bijna zeventigjarige patiënt vast noch vloeibaar voedsel gedurende al dien tijd genoten had. Maar het bewustzijn keerde niet terug.
Thans ging men er toe over, eenige wetenschappelijke kunstbewerkingen toe te passen ten einde den patiënt weder te doen ontwaken. Doch alle middelen faalden, ether noch ammoniak, wasschingen noch injecties, rhythmische tongoefeningen, zuurstof, kamfer en electriseertoestel noch lavementen hadden eenigerlei gunstig gevolg.
De patiënt bleef rustig in zijn bedwelming voortslapen, zonder eenig kenteeken van verzwakking te toonen. Integendeel, hij lag rustig en kalm, als iemand die in een diepen maar gezonden slaap is verzonken en zijn waardig gelaat werd verhelderd door een uitdrukking van schier bovenaardsche tevredenheid. En tot verwondering van de medische faculteit, scheen het proces der verjonging zijn gang te gaan. In stede dat professor Leyden, die toch geenerlei voedsel tot zich nam, steeds meer vermagerde en verzwakte, schenen de ingeplante klieren haar werking te doen en zag men den slapenden grijsaard als het ware langzamerhand jonger worden. De rimpels van zijn gelaat slonken weg. Hij kreeg een gezonde, jeugdige tint. De ademhaling werd krachtiger, de polsslag sneller. De patiënt maakte geen ziekelijken indruk. En als de pleegzuster nu en dan het ooglid optilde, was het blauwe oog van den professor helder en scheen te blikken naar een ver visioen, dat hem verbaasde en verrukte tegelijkertijd.
En zoo was professor Leyden zelf de meest interessante patiënt van zijn zoo beroemde kliniek geworden, werd hij het middelpunt en het studie-object van de meest vooraanstaanden onder zijn collega’s.
Slechts de juridische faculteit bleef met groote verontwaardiging het ziekte-proces volgen, bereid om zoodra dit proces ten einde was, den ontwaakten professor tot slachtoffer van een juridisch proces te maken, daar hij zich aan den vorm van het recht vergrepen had.
Een dergelijke handelwijze vervolgt de juridische faculteit altijd met groote hardnekkigheid en zij rust niet voor het vergrijp tegen den vorm der wet, gewraakt en gewroken is. Dit behoedt haar er voor, gedwongen te worden studie te maken van den geest der wetgeving.
II.
De toestand van Prof. Dr. G. Leyden richtte de aandacht van de geleerden op het wezen der narcose. Tot heden had men aangenomen, dat door het gebruik van chloroform, lachgas, ether, chlooraethyl tijdelijk sommige functies van een zeker deel der hersenen buiten werking worden gesteld, waardoor gevoelloosheid intreedt.
De narcose, opgewekt door inademing van het verdoovende middel waardoor het vluchtige narcoticum met de ademhalingslucht in de longen komt en vandaar met de zuurstof in het bloed wordt opgenomen, waarop het bloed het naar de hersenen voert, verlamt de werking van dit centraal orgaan, concludeerde men. Maar de locaal-anaesthesie of plaatselijke ongevoeligheid kon langs dezen weg niet verklaard worden. Men bereikte deze plaatselijke ongevoeligheid ten eerste door afkoeling. Op de huid nabij het te behandelen lichaamsdeel werd een snel verdampende vloeistof gedruppeld, opdat de door de verdamping ontstane afkoeling de werking der gevoelszenuwen zou opheffen. Vroeger werd het meest hiertoe aether gebezigd, later het nog eerder kokende chlooraethyl. Ten tweede gebruikte men zenuwvergiften, hoofdzakelijk cocaïne. Door indruppeling van een 1 tot 5% oplossing in het oog of de uretra of door het betten met een in cocaïne gedrenkte tampon van neus of keel kunnen de uitwendig bereikbare slijmvliezen voldoende verdoofd worden om eene, voor een kortdurende operatie voldoende, gevoelloosheid te verkrijgen. Om het zenuwvergift niet te sterk te doen werken, werd soms omsnoering van het te behandelen lichaamsdeel gebezigd of de cocaïne vermengd met adrenaline.
Adrenaline wordt verkregen uit de bijnier en heeft de eigenschap om zelfs in zeer sterke verdunningen onze bloedvaten te vernauwen, waardoor de bloedtoevoer naar de slijmvliezen zooal niet geheel afgesloten, dan toch zeer verminderd wordt.
Maar waarom nu juist deze stoffen verdoovend werken en waarom zij bij verschillende personen op zoo geheel verscheiden wijze resultaten geven, zoodat b.v. het lachgas sommige menschen buitengewoon vroolijk en luidruchtig (vandaar de naam), anderen echter diep zwaarmoedig maakt, wist men niet. Het waren de psychologen en de physiologen die tot de conclusie kwamen, dat narcose wel een zichtbare werking op en van zenuwen en hersenen veroorzaakt, maar dat de eigenlijke werking uitgaat van de ziel.
De geheimzinnige bron van alle levensfuncties—de ziel—werd thans voor ’t eerst aan een streng wetenschappelijk onderzoek onderworpen. De mensch bleek dus in staat door zekere stoffen zooals o.m. chloroformdamp invloed op de ziel te kunnen uitoefenen. Het zichtbaar resultaat van dien invloed was verdooving, was lichamelijke gevoelloosheid. Maar wat waren de onzichtbare resultaten?
De meeste patiënten verhaalden later dat zij, toen zij genarcotiseerd werden, eerst langzaam alle indrukken voelden vervagen. Zij hoorden ten laatste de stemmen der nabijzijnde personen, professor, dokter, verpleegster als van heel ver te komen. Daarna nog slechts zwakke geluiden, die niet meer tot het bewustzijn doordrongen of niet meer door het geheugen werden bewaard. Maar dan ontstond een toestand, gelijkend op den nachtdroom, doch intenser, sterker, kleuriger. Sommigen droomden verward. Anderen pijnlijk. Anderen kregen visioenen. Maar er waren er ook, die den narcose-droom als een zaligheid hadden ondervonden. Alle besef van tijd, plaats, lichamelijke gebondenheid was verdwenen en zij hadden in een toestand van schoone extase verkeerd, welke naar hun zeggen, voor hen, zeer nabij kwam aan ’t geen zij zich als hemelsche zaligheid of het eeuwige, tijdlooze geluksleven na den dood, altijd hadden voorgesteld.
Inderdaad gebeurde er echter iets geheel anders. De tijdelijke vergiftiging door de chloroform- of andere dampen veroorzaakt, dreef de ziel uit het lichaam, in het lichaam alleen de regeling der animale functies achterlatende. Deze animale functies kan men b.v. waarnemen bij het hart, wanneer het hart uit het lichaam wordt genomen en dan nog blijft doorkloppen. Bij kippen, die men plotseling den kop afhakt, ziet men vaak, dat het kop-looze lichaam nog een eind snel voortloopt om aan de laatste impuls, te vluchten van de plaats des gevaars, uitvoering te geven.
De ziel verlaat dus tijdelijk het vergiftigde lichaam, dat voor haar geen bewoonbare plaats aanbiedt en begeeft zich naar de sfeer van de zuivere Psychia. Daar toeft zij, wachtend tot het lichaam, waaruit zij verdreven werd, weder voor haar bewoonbaar is geworden. Duurt de onbewoonbaarheid van het lichaam voor de ziel zoo lang, dat de animale impulsen door de ziel voor haar vertrek achtergelaten, geheel verbruikt zijn, dan is het voor de ziel onmogelijk in het lichaam weder te keeren. Zij blijft voortaan in Psychia, in het zielerijk, en het lichaam, zonder ziel en animale impulsen, vervalt en gaat tot ontbinding over. Dit noemt men sterven, hoewel het slechts het scheiden is van een onbruikbaar geworden hulsel.
Hoe nu is de toestand in het zielerijk? Bij benadering is vast te stellen, dat de toestanden in zieleland in overeenstemming zijn met de gesteldheid en den aard van de ziel, zooals de toestanden in het ziel-in-stoffelijk lichaamrijk in overeenstemming zijn met die combinatie van ziel-in-stof. De ziel heeft geen lichaam—dus bezit ook het zielerijk geen lichamelijkheid. Zij, de ziel, kent geen tijd, geen vorm, geen gestalte, geen begin, geen einde maar deswege Is zij toch en Is zij zichzelve bewust van haar zijndheid. Dit moge op ’t eerste vernemen wonderbaar klinken, maar iemand, die blind geboren is, bezit niet de faculteiten van het zien als iemand, in ’t bezit van een paar normale, gezonde oogen. Toch ziet de blindgeborene van ’t oogenblik, dat hij ter wereld komt, doch hij ziet op een andere wijze dan degeen die oogen heeft en daardoor ziet hij ook geheel andere dingen en de dingen geheel anders. Hij ziet met de ziel. En daar de ziel tijd noch afstanden kent, eeuwig onveranderlijk is, de heugenis heeft van al het eeuwige, dat is hetgeen geschied is, geschiedt en geschieden zal, ziet hij zoolang hij als kind onbewust is, met de oogen van het verleden, als hij ouder wordt en bewuster, met de oogen van de toekomst en wordt daardoor vaak profetisch, wordt „de blinde Ziener”. Zoodra men hem door onderricht leert voelen, tasten, hem lichamelijke, ruimtelijke voorstellingen bijbrengt, krijgt hij als het ware een zeker soort lichamelijke oogen in zijn vingertoppen, zijn voetzolen, zijn ellebogen, zijn knieën, zijn schouders, zijn neus, zijn lippen enz. enz. en naar de mate hij vordert in het gebruik van deze gevoels-oogen (of gevoelstasters en horens) zal zijn vermogen om met de zielsoogen te zien verminderen en ten laatste zoo goed als ophouden. Eerst als op hoogen leeftijd deze lichamelijke gevoels-oogen weder verzwakken en afstompen (juist als de normale oogen bij den normalen mensch) zal zijn zielsoog zich weder in zijn dienst stellen en daarom zijn „de blinde zieners” doorgaans ook grijsaards. Want de jeugd, ook de blindgeboren jeugd, wordt verhinderd in het zuivere zien, dat is het vooruitzien, door de zinnelijkheid. De ouderdom kan de toekomst zuiver en onzinnelijk toetsen aan verleden en heden en daardoor in enkele gevallen tot ware profetie komen. Want in het zielerijk is alles wat gebeurende is, ook reeds gebeurd en alles wat gebeuren zal, reeds gebeurende, daar er immers in het zieleland niet zooals in ons normale, gewone leven, een verdeeling is van tijd en ruimte. Toen nu professor Leyden onder narcose van de klieren uit een dierenlichaam voorzien was, gebeurde er iets, dat wonderbaarlijk scheen, maar inderdaad zuiver logisch verklaard kan worden.
De ziel had het onbewoonbaar geworden lichaam tijdelijk verlaten, na voor eenigen tijd animale impulsies te hebben achtergelaten. Deze animale impulsies nu werden door de ingeënte, dierlijke klieren automatisch opgenomen en automatisch opgevolgd, zoodat het lichaam niet tot ontbinding kon overgaan, maar integendeel zich lichamelijk animaal verjongde. Desondanks bleef het helaas voor de ziel onbewoonbaar, daar door dezelfde impulsen als de animale werkingen voortgingen, de chloroformdampen vastgehouden werden. Zoo dus verbleef de ziel van professor Leyden in Psychia, in het zielerijk en daar de ziel geen besef van tijd heeft, bleef zij daar toeven, wachtende op het ontbinden van het lichaam. Maar daar deze ontbinding niet geschiedde, tegengehouden door de werking van de animale ziel, welke met de werkzame klieren aan een levend dier ontnomen, in het lichaam van prof. Leyden was gebracht, ontstond er een toestand van stationaire gescheidenheid van ziel en lichaam, zonder dat op deze de volkomen scheiding door de ontbinding van het stoffelijk lichaam volgde.
Ziedaar waarom de medische faculteit voor een geval stond, dat voor haar stimulans werd tot de meest diepgaande en voor de menschheid zegenrijke onderzoekingen en de juridische faculteit tot een aantal nieuwe wetsontwerpen inspireerde, welke alle ten doel hadden het zoover te krijgen, dat ook ten aanzien van een bewustelooze, maatregelen konden genomen worden ter bestraffing van volgens haar ontoelaatbare wetsontduiking.
De juridische faculteit, er op uit een vergrijp tegen den vorm van de wet, te wraken en te wreken, eischte niets minder dan de veroordeeling van prof. Leyden tot een boete van ten hoogste duizend gulden subsidair één dag hechtenis voor elke niet betaalde vijftig cent, reglementair aangevuld door de straf van de twee dagen op water en brood, welke volgens de wet op elken hechteling toepasselijk is.
Onderwijl bleef professor Leyden rustig zijn narcotischen slaap doorslapen en onbewust van het groote gevaar, de juridische faculteit tegen zich in ’t harnas gejaagd te hebben, ademde hij kalm als een mensch, wien het animaal-lichamelijk naar den vleeze gaat en wiens ziel verleden, heden en toekomst kent in de synthèse der psychische extase.
III.
Toen prof. Leyden zich aan de operatie onderwierp, was hij met het vaste plan bezield geweest, voor zoover het maar eenigszins ging, te onderzoeken welke de verschijnselen en bij-verschijnselen van de narcose zijn. Hij had in zijn praktijk reeds honderden malen de patiënten na hun herstel omtrent de indrukken, welke zij bij, tijdens en na de narcose hadden opgedaan, ondervraagd. Hoewel hij zoo in het bezit van een groot aantal voor de wetenschappelijke behandeling van het narcose-vraagstuk belangrijke mededeelingen was gekomen, toch had hij het ware studie-materiaal niet verworven. De patiënten waren doorgaans te veel onder den indruk van de gebeurtenis, te bevreesd voor een, altijd mogelijken, dood tijdens of dadelijk na de operatie onder narcose, dan dat zij zich voldoende nuchter rekenschap van ’t geen met hen gebeurde, konden geven. Daarom voelde prof. Leyden, toen hij nu eindelijk zelf zich op de operatie-tafel uitstrekte en „onder de kap” zou gebracht worden, een zekere blijmoedige voldoening om niet te zeggen, blijdschap. De aanwezige jongeren, de aspirant-medici waarvan gehoopt werd, dat enkelen het eens tot medicus zouden brengen, met hun gewoon gebrek aan flair en genie om een goede diagnose te stellen (waarvoor èn flair èn genie gevoegd bij goed geluk noodig zijn) schreven deze vroolijkheid van den ouden heer op de operatie-tafel toe aan zijn verwachting, dat hij na de operatie, als een van henzelf, zich weder aan de velerlei vermaken van de jongelingschap zou kunnen overgeven. Waarbij de professor dan het voordeel zou hebben, niet op vaders, ooms of tantes kas, ja zelfs op moeders huishoudgeld te moeten teren, doch voorzien te zijn van een professors-honorarium, benevens een in den loop der jaren door de gegoede patiënten vereerd niet onaanzienlijk kapitaal. Hoe weinig doorzien lichtzinnige studiosi het hart eens waardigen voorgangers, zelfs op het oogenblik dat hij zich op de operatie-tafel neerlegt, ten einde door een kunstbewerking zijn zilveren haren te doen veranderen in de kastanje-bruine lokken des jongelings. Verre er van, dat prof. Leyden in deze oogenblikken dacht aan toekomstige jongelings-liefdesavonturen, hoewel prof. Leyden sedert decennia weduwnaar was, gingen al de gedachten van den eerwaardigen bijna zeventigjarigen geleerde slechts naar één doel—den dienst der wetenschap tot heil der lijdende menschheid. Onbevreesd voor den dood na een leven, vervuld van studie, arbeid en menschlievendheid, niet in het minst onder den indruk van al de voorbereidingen in de operatie-zaal, die immers voor hem even gewoon waren als het koken van de aardappelen voor een keukenmeid, popelde hij als het ware van vreugde, dat hij nu eens rustig, nuchter en toegerust met een streng wetenschappelijke veelomvattende studie ten aanzien van het geval, de narcose en haar verschijnselen van nabij zou kunnen onderzoeken. Te voren had hij nog in een rede, welke door een rector-magnificus bij het openen der college’s gehouden, tot zelfs de bewondering van de on-deskundige reporters zou afgedwongen hebben, welke deze rede, als naar gewoonte verkort en van de hoofdzaken ontdaan, naar hun couranten hadden te seinen, aan zijn assistenten uitgelegd, waarom in zijn geval een injectie van stovaïne in den zak van de ruggemergvliezen, niet aanbevelenswaardig was. Hij had het chloroform-zuurstofinhalatie toestel van Roth-Dräger, dat gebruikt zou worden, zelf nog te voren nagezien. Hij had nog eens uitvoerig aan zijn assistenten en de aspirant-medici (voor hoevelen der laatsten was dit paarlen voor de niet-corpsleden geworpen?) uitgelegd, dat hij aan chloroform de voorkeur boven aether gaf, omdat bij de aethernarcose de kap zoo groot is, dat zij het geheele gelaat omsluit, ter voorkoming van verlies door de ontwijking der vluchtige dampen. De kap, bestaande uit een netwerk van vernikkeld koperdraad, waarover een stuk molton met de ruwe zijde naar binnen is gespannen, bedekt het gelaat geheel, waardoor de zoo hoogst nuttige contrôle van de gelaatstint van den patiënt onmogelijk wordt.
Het chloroformkapje is kleiner. Evenwel, aldus doceerde de eerwaardige geleerde, één oogenblik voor hij zich op de operatie-tafel uitstrekte, chloroform werkt bijtend op de huid. Om een verbranding door afdruipend chloroform te voorkomen verzoek ik daarom de zuster, die hiermede sedert jaren speciaal is belast, ook mij thans, den neusrand, de wangen en ten laatste de lippen met vaseline in te smeren. Het aantal druppels chloroform, dat moet verdampen heb ik zelf bepaald, ten einde zelf de geheele verantwoordelijkheid van deze operatie op een, zich overigens volkomen gezond gevoelend mensch, te dragen. In het uitnemende toestel van Roth-Dräger, zullen deze druppels zich geregeld met zuivere zuurstof mengen.
„En nu, mijne vrienden, tot straks, na het ontwaken. Mors vita est.”