Part 10
„Maar de voordeelen van electrische haarden, electrische fornuizen, electrisch verwarmd water en electrisch licht waren zoo groot, dat men electrische toestellen in de huizen installeerde en door de molens in accumulatoren, electrische kracht ervoor verzamelde.
„Toch verwierpen de volgende geslachten ook dit gebruik van electriciteit, daar men ervoer, dat voor de inrichting en reparatie der electrische installaties vaklieden noodig waren en dit zoowel schadelijk was voor de ziel der menschen, welke in één vak gingen uitmunten als een slecht voorbeeld gaf. Daarom bouwde men nu eenvoudige haarden en fornuizen, die gestookt konden worden met overblijfselen van plantaardigen aard als geperst gras, veen, lijnkoeken, houtafval, notendoppen, vruchtenpitten. De grootste zorg werd aan het opkomend geslacht besteed. Men leerde de kinderen niet om uitsluitend het voorgeslacht en de ouders lief te hebben en te eeren, maar om ook het nageslacht lief te hebben. De geheele opvoeding was gericht op de belangen van het nageslacht. De huizen, de landerijen, de boomgaarden, de bosschen, de molens, de waterwerken werden verzorgd, met het oog op het gebruik dat kinderen en kleinkinderen er van zouden kunnen maken. Terwijl in de 20ste eeuw elk volgend geslacht al weder meer gedrukt werd door de schulden en het er op los leven van het vorige geslacht en elk geslacht er op uit was geweest, zooveel mogelijk zelf te genieten, vonden nu de jongere geslachten alles zorgzaam voorbereid voor hun bestaan. En dit schiep liefde en eerbied voor het voorgeslacht, zoowel als drang ook de volgende geslachten een bewoonbare wereld voor te bereiden, zooals men ze zelve gevonden had. Het surplus van den degelijken, lieflijken arbeid van de voorgeslachten had ten gevolge, dat ieder kind welvarend mocht genoemd worden van ’t uur zijner geboorte. Deze algemeene en duurzame welvaart van opeenvolgende geslachten, niet gevolgd door verweekelijkende luiheid en teren op ’t geërfde, maar door voortgezetten handarbeid van ieder zonder onderscheid, had het voordeel, dat men de kinderen veel minder behoefde te leeren om ze voor het leven en den strijd om het bestaan voor te bereiden. Spelende leerden de kinderen den handarbeid en den landarbeid. Was reeds door alle tijden heen de jongen blij als hij mocht timmeren, het land verzorgen, boomen kweeken en het meisje, als het spijzen mocht bereiden, wasschen, boenen, schuren, handwerken maken, thans werden er geslachten van kinderen geboren, die nadat ze de handgrepen van de ouders geleerd hadden, verwonderlijke vaardigheid toonden. De kinderen leerden lezen, schrijven en rekenen—maar men zorgde dat zij, die geen bijzondere lust in leeren betoonden, daartoe niet aangezet werden. Men wist te goed uit het verleden hoe schadelijk dat was voor het kunstmatig tot herseninspanning gedreven kind en vooral voor zijn nageslacht. Daar de eenvoudigste handarbeid of arbeid op ’t land even hoog in aanzien stond als hersenarbeid, kenden de meer geleerden niet de barbaarsche laatdunkendheid, de ongeleerden niet de even barbaarsche onderworpenheid voor den geleerde. Trouwens, er werd niet veel gelezen en er werd niet veel geschreven. De gelijkvormigheid van denken en leven gaf geen aanleiding tot veel schrijven. Er gebeurden geen groote gebeurtenissen. Men was niet benieuwd naar allerlei ongelukken en rampen—welke trouwens nu niemand gehaast werd of anderen haastte, tot een minimum beperkt waren. Men sprak niet heel veel en men gevoelde ook geen behoefte om veel te hooren spreken of opgeschreven gesprek te lezen. De koorzang en de solozang gaven gelegenheid de algemeene levenswijsheid en waarheid te uiten. De openluchtspelen waren voor de dichters de plaats om den vooruitgang der wijsheid toe te lichten of de oude wijsheid op frissche wijze te verkondigen.
„Zoo groeiden de kinderen op, liefdevol geleid, nooit overwerkt en elkaar als broeders en zusters liefhebbend. Zij leerden in de groote gezinnen orde, regelmaat, eerbied voor den arbeid van anderen en liefde tot den eigen arbeid. Hun opvoeding was ethisch. Zij werden gewaarschuwd tegen overmoed, verwatenheid en ledigheid. Daar er geen dieren waren, welke misbruikt konden worden, kwamen zij er niet toe menschen te misbruiken of zichzelf te doen misbruiken. Zoo kwam het in niemand op overmatig te draven of te doen draven, omdat men elkanders snelheid bij ’t spel niet vergeleek bij het rennen of draven van een paard. Paarden kende men niet in het Harmonische Rijk. Zij waren zoo goed als uitgestorven. Honden waren als vleescheters niet geduld. Ratten en muizen waren verdelgd en dus had men ook geen katten noodig. Rundvee was uitgestorven. Men kon het uitnemend zonder zuivel stellen. Het kwam weinig voor, dat moeders heur kind niet konden zoogen of tijdens of kort na de bevalling stierven. Daartoe was het physiek na zoovele geslachten van harmonisch geoefende meisjes, te gezond geworden. Doch als het voorkwam, waren er altijd gezonde moeders te over, die liefdevol een extra-zuigeling konden en wilden verzorgen. Kippen werden ook nergens gehouden, want men had geleerd hoe schadelijk het gecomprimeerde voedsel van het ei werkte op lichaam en ziel en de gedachte alleen dat men een vogel zou slachten, plukken en braden en tot voedsel gebruiken, zou een Harmonisch mensch al doen rillen.
„Het leek in ’t eerst wel vreemd, zoo weinig dieren in het Harmonische Rijk aan te treffen. Maar men had leeren inzien, dat het lagere dier geen geschikt genoot was om met den reinen mensch samen te wonen en te leven. Na zoovele geslachten van vegetarisch leven, kon men den reuk van vleeschetende dieren niet goed verdragen. Men had, zelve rein en waardig, een afschuw van de dieren, die zoo zij ook uitwendig gereinigd werden van vuil en ongedierte, toch aan allerlei inwendige kwalen leden, veroorzaakt door microben, insecten of het eten van ontuig. Denzelfden afkeer voelde men ten aanzien van de psyche van het dier, dat een lager leven leidend òf tyranniek, verscheurend en individualistisch was òf weerloos en onderworpen.
„Maar de boomgaarden trokken de vogels aan en den heelen dag hoorde men in het Harmonische Rijk de vogels zingen, sjilpen, kwetteren. Men was er in geslaagd de meer edele vogelsoorten aan te kweeken en tot sterkere soorten te ontwikkelen, waarna deze er wel voor gezorgd hadden, dat de musschen en spreeuwen, die schrik der boomgaarden, zich niet te talrijk vermenigvuldigden. Ook het houden van bijen was een groote liefhebberij voor de opgeschoten jeugd. De boomgaarden en de bloeiende velden gaven rijkelijk gelegenheid om honing te doen puren.
„De schapenteelt stond in hoog aanzien en men was er in geslaagd een schaap te telen, dat overvloedig een zware, zijdeachtige wol opleverde. Men liet de lammeren bij de moederschapen en zorgde er voor, dat er als de lammeren volwassen waren, geen in-teelt plaats kon vinden, door dan nieuwe kudden te vormen en die ver weg te ruilen.”
Met bewondering volgde prof. Leyden zijne geleidster en terwijl zij sprak, zag hij het geschilderde idyllische leven voor zijn oogen zijn voortgang hebben.
„Vriendin,” zeide hij ten laatste, „nu hebt gij mij veel doen aanschouwen en verklaard. Maar mag ik u een vraag stellen?”
„Gaarne mijn vriend. En ik zal mij gelukkig voelen, als ik ze u naar uw wensch zal kunnen beantwoorden.”
„Welnu, waaraan ontleenen al deze menschen de kracht om zoo schoon, goed en gelukkig te zijn?”
„Aan de lessen van het verleden.”
„Ja, maar om van lessen uit het verleden een goed gebruik voor het heden en de toekomst te trekken, moet men toch een kracht tot het goede hebben.”
„Verklaar u nader, Horatio.”
„Welnu, al lijkt het u bekrompen, dat u dit gevraagd wordt door een professor van de geneeskundige faculteit der Leidsche Universiteit, die in zijn leven meende, dat het behandelen van bijna twee honderd duizend patiënten naar beste krachten en beste weten, zonder winstbejag en met als hoofddoel lijden te voorkomen, te verzachten of te genezen, hem vrij stelde van uiterlijk vertoon van godsdienst, toch stel ik ditmaal mijn vraag, opdat ik later mijn collega’s ten deze op hun vraag zal kunnen inlichten....”
„Uw collega’s.... na alles wat ik thans voor u deed en u toonde.... o Horatio, gij hebt mij nooit lief gehad.... als ik dàt had kunnen vermoeden....”
En Eumenia weende. Zware druppels odd fluïdden uit hare aetherische oogen.
„Lieve,” zeide professor Leyden getroffen en hij naderde haar zoo onhandig als dit slechts mogelijk is door een Leidsch professor, die ruim een halve eeuw na zijn eerste jaar, alle ervaring in het troosten van meisjes volkomen vergeten heeft, „ik weet niet of ik ooit terug zal kunnen keeren tot de aarde. Maar ik weet wel, dat ik het niet doen zou zonder u....”
„Meent gij dat?” vroeg zij opblikkend en een laatste traan viel trillend van haar wimpers. Een glimlach verhelderde haar gelaat en nu weer emaneerde het een licht, blank als zonnestralen weerkaatsend op berijpte takken. „Welnu, dan ben ik getroost, want ik heb u zoo lief, dat naast u, al de weedom van het aardsche tranendal voor mij in vreugde zou verkeeren.”
„Lieve vriendin, wat gij daar zegt geeft veel te denken, ten aanzien van het feit der bewoonbaarheid en het bewoond zijn van Terra. Doch nu, geef mij een antwoord op mijn vraag.”
XXI.
„Inderdaad Horatio, de Harmonischen hebben heel veel moeite gehad om tot een godsdienstleer te komen. En hoe meer geslachten elkaar in het Harmonische Rijk opvolgden, des te moeilijker werd het voor hen. Want daar zij naar de daad godvruchtig leefden, was het voor hen zeer bezwaarlijk een theorie voor dat godvruchtig leven op te stellen. Het was voor hen, alsof men een moeder, nadat zij haar kind liefdevol heeft grootgebracht, vraagt een boek te schrijven, waarin zij de wetten en geboden door haar gevolgd om die liefde te betuigen en uit te oefenen, opteekent.
„Men keerde tot het Oude Testament terug en beproefde allereerst daarin, een levensleiding te vinden. Maar reeds Genesis moest verworpen worden. God gaf den mensch heerschappij over alle dieren. God gaf den mensch het kruid en de boomvrucht tot voedsel. En aan de dieren het groene kruid. Ook aan het wild gedierte uit Gen. 1:24. Dat ging samen met het Harmonische.
„Maar dat het eten van een vrucht aanleiding had gegeven tot den zondenval en de erfzonde, vond al bij hen eenig verzet. Indien het nu nog de slang zelf was geweest, welke door Eva was gedood, gebraden en opgegeten. En dat aan de vrouw gezegd werd, dat zij de slang voortaan den kop zou vermorzelen en aan de slang, dat zij haar voortaan de verzenen zou vermorzelen, wekte afgrijzen en ongeloof. En al evenmin geloofde men aan Gods gezegde, dat de vrouw met smart kinderen zou baren. Men had thans sedert geslachten ervaren, dat het baren van een kind voor de gezonde, harmonisch ontwikkelde, geoefende en gevoede vrouw, een zaligheid was, waarnaar zij altijd weer verlangden en waaraan zij altijd weer met een gevoel van geluk terugdacht.
„Evenmin konden de Harmonischen erkennen, dat sedert Adam, de mensch alle dagen zijns levens met smart van de aarde zou eten. Bij de Harmonischen was het uur van het middagmaal elken dag een plechtige, gewijde feestelijkheid en het zien groeien van het gewas gaf geluk. Hoe waren de huizen en de wegen in de lente vervuld van de geuren der blanke en rozeroode boomgaarden. Hoe schoon, als de jonge vrucht zich gezet had. Welk een genot te zien naar het rijpen. En wat was er schooner, dan zoo’n zware appel- of pereboom met gestutte takken, in den herfst prijkende met zijn blozende vruchten. En het gebod tot den arbeid, het in het zweet des aanschijns brood eten, kon geen vervloeking zijn. Ja, misschien in de opvatting van een luien Oosterling, die geen grooter genot dan loomheid en nietsdoen kende en zich door anderen te laten bedienen. Maar de Harmonischen eerden den arbeid als de bron van alle deugd, liefde en schoonheid, zonder welke immers het denken aan en bidden tot God zelve niet mogelijk is, daar ook daartoe arbeid noodig is.
„En het zweet des aanschijns mocht wellicht den oosterling in ’t warme oosten een vloek zijn, in het Harmonische Rijk wist men, dat zweeten een gezonde en verfrisschende functie van de huid is, dat de huid altijd vocht afscheidt, meer of minder en zonder deze afscheiding, de dood in moet treden en dat men, ook in den zomer, waardig en bedachtzaam op het veld arbeidend, niet tot overmatig zweeten komt. De oosterling, die de Paradijsmythe voor ’t eerst op schreef, had zeker slaven onder den stok van den opzichter op het veld zien arbeiden en uitbuiten en dat als een straf beschouwd, was wellicht zelf een weggeloopen of vrijgelaten slaaf geweest. Wie slechts eenmaal een gezin in het Harmonische Rijk aan den arbeid had gezien, zou nooit meer gelooven, dat arbeid een straf Gods is. En wat men wist van degenen, die door het „automatisme” lieten arbeiden en zelve aan de „straf” zich hadden onttrokken, leidde niet tot erkenning van het zegenrijke van het niet arbeiden.
„Zou God een arm schaap door een mensch gedood een liefelijk offer vinden?
„En toen men aan Genesis 9:3 kwam en las „Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze”, ging er een rilling van ontzetting door die van het Harmonische Rijk. En hoe was dit overgeven van de dieren als voedsel aan de menschen te rijmen met Gen. 9:10, waarin God met alle dieren een verbond sluit en met Gen. 9:12 en 13, waarin ook aan de dieren, de regenboog wordt gegeven als teeken des verbonds. Had ooit een dier ter wereld besef getoond voor dat wezen van den regenboog? Alleen een herder, die veel met dieren omgaande, van die dieren veel heeft overgenomen en zich verdierlijkt heeft, kan gelooven in een Godheid, die eerst de dieren onschuldig vervloekt; daarna ze den mensch tot voedsel aanwijst; ze daarna weder voor hem heiligt, door hem te zeggen, dat dezelfde regenboog mensch en dier tot hetzelfde gewijde verbond zal zijn. Maar hoe kon een inwoner van het Harmonische Rijk het verhaal van zulk een nomade omtrent Die De Waarheid is, aannemen?... Doch daar Christus gezegd heeft, dat Hij niet was gekomen om de wet te verbreken maar te volmaken, richtte men zich tot het Nieuwe Testament, ten einde hieruit een meer volmaakte leer te verkijgen.”
XXII.
Nooit hadden de Harmonischen aan de verhevenheid van Christus en Zijn leer getwijfeld. Hoewel vele geslachten vermeden hadden over de leerstellingen zelve met elkaar te spreken, men elkaar verstaan had door den stillen blik alleen en in en achter dien blik wist den levenden Jezus Christus, zonder Wien geen goeds, schoons of redelijks ter wereld mogelijk is en in Wien de menschheid gered is en eens verlost zal worden, kwam men nu met het oog op het heil der volgende geslachten, er toe, te trachten uit het Nieuwe Testament den nieuwen Christus te doen verrijzen.
Want men besefte, dat dit Nieuwe Testament, opgeschreven door menschen, die zelf in barbaarsche tijden leefden en kinderen van hun tijd en hun voorvaderen waren, niet voor de eeuwen onveranderd dienen kon. Zoo goed als er heel veel omtrent Christus niet in was gezegd of uitgezegd, volgens Joh. 21:25 luidende: „En daar zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik achtte dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten,” zoo goed was er veel omtrent Christus in gezegd, dat de Harmonische menschheid niet meer dienen kon. In Christus konden de Harmonischen wel het Lam Gods zien, naar zijn onschuld en liefelijkheid, zoo hij ook van zich zelf getuigde, dat hij alles van den mensch in zich had, maar niet het Lam Gods, dat geofferd wordt. Zij konden niet meer gelooven in een God, den Vader, die zijn zoon offert voor de menschheid. Abraham had het offeren van zijn kind niet behoeven te volbrengen. Wat dan aan Abraham zou kwijtgescholden zijn, ter wille van de menschelijkheid, zou dat God aan zichzelf niet hebben onthouden ter wille van de Goddelijkheid? Was Izak meer dan Christus? En zoomin als men vrede had met het offeren van een ram door Abraham, zoo min had men vrede met het offeren van het lam Christus. Zij konden geen vrede hebben met uitdrukkingen als in Joh: 6:53–57, luidende: „Tenzij dan dat gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelve. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven en ik zal hem opwekken ten uitersten dage; want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo die mij eet, dezelve zal leven door mij.”
Deze kannibalen-beeldspraak kon niet meer dienen in het Rijk der Harmonischen, waar sedert vele geslachten geen andere dranken bekend waren dan water, oliën en vruchtensappen. Ook was het vleesch niet meer zoo zwak, verdoemd en de stinkende oorzaak van velerlei zonden bij de Harmonischen. Want het onderscheid tusschen het vleesch en de ziel was veel verminderd nu het vleesch des menschen, reiner en zuiverder was geworden, niet meer opgebouwd uit dierlijk vleesch en dierlijke zuivel, maar uit geurende planten en vruchten, zoodat als de kinderen buiten speelden, de vlinders zich op hun handen zetten, aangetrokken door de bloemengeur van hun rein vleesch. Zelfs de faecaliën hadden niet meer dien verpestenden stank, uit het vleesch-etende tijdperk, waarin zij meer op die van den leeuw of den tijger geleken hadden, dan op die van het schaap. Ja, zelfs de gestorven lichamen van de Harmonischen hadden niet den afschuwelijken reuk van de ontbindende lijken van de menschen uit het vleescheters-tijdperk. Zij geleken op appels, die tot rotting overgingen. Men ervoer, dat de wormsoort die vroeger elk lijk hadden verteerd, uitstierf, daar hij niet tot ontwikkeling kon komen in niet met dierlijke stoffen gevoede lichamen.
Men begon de woorden van de discipelen uit Joh. 6:60 te begrijpen, zeggende: „Deze rede is hard, wie kan hetzelve hooren!” En het antwoord, dat Christus zou gegeven hebben volgens Joh. 6:63: „De geest is het, die levend maakt, het vleesch is niets nut: de woorden die ik tot u spreek zijn geest en leven” bevredigden niet geheel meer. Want wel kon verachting van het vleesch des menschen begrijpelijk zijn in deze barbaarsche, oud-Joodsche maatschappij, waar de ontucht zoo groot was, dat niet één uit het volk de overspelige vrouw waagde te veroordeelen, maar in het Harmonische Rijk had men het gereinigde vleesch van den mensch weer leeren liefhebben en eeren. Het vleesch deed niet alleen geen zonden meer, maar ook de begeerte er naar was uitgeroeid. Er was langzamerhand een heilig menschengeslacht gekweekt, dat het middel niet tot doel had gemaakt, maar waarbij de gedachten altijd waren gericht op het te komen kind en het daaruit weer te komen kindskind—zoodat men in waarheid tot een menschengeslacht was gekomen.
De tien geboden waren als zoodanig vergeten daar niemand de geboden noodig had—men deed de verboden daden niet alleen niet, maar het besef, dat men ze zou kunnen doen, ontbrak zelfs. Wie zou stelen, daar hij arbeidde, altijd overvloed had en verzorgd bleef tot zijn dood, daarbij het besef hebbende, dat alleen wie matig blijft, van overvloed geniet. Wie zou doodslaan, waar men zelfs geen schaap doodde. Wie zou echtbreken, daar men uit liefde huwen kon als men volwassen was en de eigen vrouw een even harmonisch beeld van dienende liefde en duurzame aanvalligheid vormde als de vrouw van den ander en geen vrouw gezien werd, niet omgeven door hare kinderen, gelijk een moedereend in de sloot gevolgd door haar kiekens.
De geboden waren in den Harmonischen mensch tot werkelijkheden geworden, in zijn gezuiverde onderbewustheid geworteld en men was geen slachtoffer meer van de zonden van de voorgeslachten, maar vrucht van de deugden der voorvaderen en voormoederen.
De zonde was overwonnen door den arbeid, zooals het begrip zonde ontstaan was door de luiheid van den oosterling en de daaruit voortspruitende stelsels van despotisme en slavernij. Van het oogenblik, dat de arbeid erkend was geworden als de grootste zegen Gods (in stede van den vloek Gods, zooals de luie slaaf had gemeend, die dat eens had opgeschreven) was ook de oerbron van alle ondeugd en zonde, de luiheid, gaan verdwijnen.
Zoo dan werd de Christusfiguur met liefdevolle zorg door de Harmonischen ontdaan en bevrijd van de barbaarschheden, waarmede zijn eerste nog zoo onvolmaakte beschrijvers, haar hadden belast. Men ontdeed het Nieuwe Testament van alle verhalen omtrent de wonderen. Men voelde het als een beleediging van den Christus, dat Hij nog andere wonderen zou hebben gedaan dan het groote wonder der verkondiging van de dienende liefde als levenswet. Het genezen van een blindgeborene, die naar het zeggen van Johannes, levenslang blind zou geweest zijn, opdat eens Christus hem tot een wonderdaad zou kunnen gebruiken, werd als beleedigend voor de Christus-Gedachte beschouwd. Want indien Christus één blinde zou genezen hebben, zou hij alle blinden hebben genezen. En men had bij de Harmonischen ervaren, dat degenen, die vroegen of de zoogenaamd door Christus genezen blindgeborene door eigen schuld of de schuld der ouders, door zijn gruwelijke kwaal was bezocht, iets van de oorzaak der blindheid hadden voorgevoeld.
Want bij de Harmonischen was de blindheid onbekend. De kinderen kwamen niet uit besmette moeders ter wereld en behoefden geen zilvernitraat-desinfectie na de geboorte. De kinderen werden niet gedwongen van het zesde tot het zes-en-twintigste jaar daags uren achtereen te schrijven en te lezen. Men toefde niet tot diep in den nacht in oververlichte ruimten. Men leefde niet in nauwe straten. Men verbleef niet in door rook en roet bezwangerde kamer- of zaalatmosfeer. Men had niet de zonden van onderbewustheid en bewustheid gestadig in den blik te verbergen. Men gebruikte geen felle kleuren voor huisraad, kleeding of plakaat.
Het oog van den mensch was zuiver, open, klaar en straalde welwillendheid, vriendschap en liefde uit. Brillen waren overbodig en men sleep geen lenzen. Want het oog zag scherp en ver en goed en men gevoelde, dat het gebruik van verrekijkers en hemelkijkers even onzedelijk was als het gebruik van tooneelkijkers vroeger was geweest. Het verkeer had uitsluitend over het land plaats. Verafgelegen eilanden bleven onbezocht. Want het bevaren van zeeën en oceanen zou er toe gedwongen hebben, menschenlevens in gevaar te brengen. Men bracht den menschenbroeder niet gaarne noodeloos in gevaar. God zou, zooals hij eens de landen door oceanen gescheiden had, ze weer tot elkaar brengen als Hij den tijd daartoe gekomen achtte. Zouden zij, de Harmonischen, die de Harmonie in zich voelden, ontkennen, dat in de geheele schepping Gods, harmonie was, al konden zij die bij hun beperkt menschelijk tijdsbegrip niet omvamen? Naar Zijn Rhythme vormde Hij Die Het Rhythme was, de landen en zeeën en die zeeën te willen overvaren, overbruggen of ondertunnelen was dat Rhythme aantasten en zondig. Wie arbeidde op het land, had de zee niet noodig.
Eilanden behoorden onbewoond te blijven en naar het vaste land trok men te voet.
Het werd ook beleedigend voor de Christus-Idée geacht, dat Christus dooden weder tot het leven zou hebben opgewekt. Niet twijfelde men er aan dat Hij de macht daartoe had gehad en nog had en zou blijven hebben tot er geen dood meer zou zijn, maar een eeuwig leven in God, doch wel, dat Hij die Macht zou gebruikt hebben. Want de bekeering van dengeen, die door het aanschouwen van een wonder de Waarheid Christi leerde erkennen, was waardeloos. En wien God had weggenomen van de aarde, zou daar niet wederkeeren.