Nieuw Utopia

Part 11

Chapter 112,644 wordsPublic domain

Ook het verhaal van de geheele lijdensgeschiedenis van Christus, achtte men bij de Harmonischen in disharmonie met de Idée Christus. Indien zij al plaats had gevonden, achtte men haar van weinig beteekenis. Alleen de barbaarsche menschen uit het dierenetende tijdperk konden zooveel waarde hechten aan de marteling en kruisiging van een persoon, die zijn tijdsperiode zoovele eeuwen vooruit, het rhythmisch evenwicht verstoord had en daaraan noodzakelijker wijze ten gronde was gegaan. Christus zelf kon aan marteling en kruisiging weinig beteekenis gehecht hebben. Hij wist waar Hij vandaan kwam en waar Hij heen ging. Hij wist, dat het vervullen van elke plicht en taak, ook de zwaarste zooals de Zijne, een voldoening geeft welke sterker is dan de smart, zooals ook de voldoening door het vervullen van de arbeidsplicht en taak verkregen, het gevoel van onlust doet verdringen door het gevoel van lust. De Roeping overwint en vernietigt het lijden, door het tot een hoogere vreugd te sublimeeren. Offeren is het beginsel van alle leven, maar daardoor ook tevens de hoogere vreugde, die de ontwikkeling des levens in zich omvat.

Zoo dan werd het verhaal van het lijden van Christus niet geschikt geacht voor de opleiding in het Harmonische Rijk. Het altijd weer opnieuw herhalen van de martel- en kruisigingsgeschiedenis, was telkens een stimulans geweest voor de martel- en moordzucht in den mensch. Het werd als disharmonisch gevoeld, het lijden van Christus te verhalen, af te beelden of te bezingen, daar dit een naar den geest herhalen en herscheppen van dat lijden was en dus een anti-Christelijke, van moordzucht getuigende en moordzucht wekkende daad, welke Christus zelf zeker tegengegaan zou hebben.

De bestudeering van het Christendom, zijn ontstaan en zijn kenbronnen, in verband met voor-Christelijke documenten, attributen, opgravingen, papyri, spijkerschrifttafels werd eveneens gevoeld als een disharmonisch bedrijf en van even weinig eerbied voor God en Zijn Boodschapper getuigend als het onderzoeken van het firmament met behulp van kijkers.

En ten slotte kwam men tot de overtuiging, dat men den Christus niet beter kon dienen, dan door inzichzelf zooveel mogelijk de Idée Christus te ontwikkelen en Haar in zich op te nemen, zooals de tien geboden in de psyche van de Harmonischen tot zuivere levensmanifestatie was geworden.

Toen dan werd aangenomen, dat Christus dient, wie Christus liefheeft en dat degeen, die Hem het meeste liefheeft, Hem het meeste kan begrijpen.

De weg tot Het Begrip werd gevonden in de dienende liefde.

XXIII.

„Zooals gij ze nu hier ziet, Horatio, zijn zij op het toppunt van hun bloei.”

„Dus zij ook zullen ondergaan, ondanks hun hoogen trap van psychische ontwikkeling en gemoedsbeschaving?”

„Ook zij zullen over het toppunt heen komen en ondergaan. Ik zal u naar een verder tijdperk van de toekomstige ontwikkeling der menschheid op aarde voeren. Kom mede, mijn vriend en volg mij.”

Het was prof. Leyden of hij thans de wereld in een verschiet van geelgroen licht zag. Maar overigens vond hij niet veel verschil in de landstreek.

„Dit zijn nog altijd de Harmonischen, niet waar Eumenia? Ten minste, ik zie nog dezelfde groote huizen, dezelfde boomgaarden, hoewel nu in den herfst en zwaar met vruchten beladen. Dezelfde moestuinen, siertuinen, windmolens, gecultiveerde landen, schaapskudden en bosschen. Is het de herfst, welke de sfeer zoo geel maakt?”

„Het is herfst nu mijn vriend. Maar deze herfst is honderden jaren na de lente, welke gij te voren zaagt. De seconden-tikslag van uw aardsch horloge klopt anders dan die van de jaren en de eeuwen. Toch is het u maar een verschil van tijdsgevoel.

„Gij vraagt of het nog de Harmonischen zijn. Inderdaad, in naam zijn ze het nog en zij meenen zelve ook nog, dat zij het zijn. Maar in waarheid vormen zij slechts de versteende traditie van instellingen, die eens levende en bloeiende waren. Uiterlijk is alles nog zoo als in den tijd van den grooten bloei van het Harmonische Rijk. Innerlijk is de ziel verdord.”

„Is in hen dan de Christus Idée niet levend gebleven en heeft zij zich ook in hen niet verder ontwikkeld?”

„Mijn lieve vriend, ik kan u daarop niet veel antwoorden. Want ook ik ben nog wordende en niet gaarne zou ik mijn eigen ontwikkeling vertragen, door van meer te willen getuigen dan ik kan en mag. Maar wat ik weet, zal ik u mededeelen. De eerste teekenen van den ondergang der Harmonischen vertoonden zich als een ongewone voorspoedigheid. De zorgvuldige opvoeding en opleiding door het voorgeslacht van het nageslacht had ten gevolge, dat dit nageslacht een zeldzame graad van volkomenheid bereikte. De kinderen behoefden bijna niets meer te leeren. Alles scheen hun ingeboren. Zooals eens vroeger de menschen zich tot ware monsters van intelligentie hadden ontwikkeld, omdat geslacht na geslacht, intelligentie als het hoogst bereikbare voor den mensch had beschouwd, ontwikkelden de menschen zich nu tot ware monsters, als ik het zoo zeggen mag, van intuïtie. De vaardigheid reeds van kleine meisjes in het weven, breien en de sierkunsten, van de jongens in het timmeren, bouwen en allen landarbeid was buitengemeen. Vroeger waren er nog wel eens jaren van misoogst geweest, waardoor dan ’s winters geteerd werd op geconfijte, ingemaakte of gejamde voorraden. Maar thans was het opkomende geslacht zoover in de oogstbouw, dat er ondanks ongunstige klimaatgesteldheden, toch elk jaar rijke oogsten werden binnengehaald. Zoo werden bijvoorbeeld, wanneer het voorjaar te vroeg warm werd, de bloesems zich vertoonden voor den tijd, dat de nachtvorsten niet meer gevreesd behoefden te worden, alle boomgaarden overdekt met in, uit suiker en aardappelmeel bereide, gelatine gedoopte tulle. Aldus werd de koude geweerd en toch het licht niet afgesloten en voorkomen, dat dagregens of nachtdauw op de bloesems bevroren en ze zoo voortijdig zouden doen afvallen of dooden. De vele vogels zorgden, dat de schadelijke insecten beperkt bleven. Ten aanzien van de verzorging van de vruchtboomen, maar ook de boomen van de bosschen, kregen de menschen een soort intuïtief begrijpen, dat het beste vergeleken kon worden met het begrip voor de nooden van het dier, dat voor 1950 sommige vee- en paardenfokkers bezaten. Het was alsof tusschen de psyche van den mensch en van den boom een zekere intuïtieve verstandhouding was gekomen. Men voelde, wat de boom vroeg, wilde, verlangde, wat hem deerde, wat hem bedreigde, wat hem lastig of wat hem aangenaam was.

„En deze eigenschappen waren niet individueel maar communeel. Elkeen had ze. Ook was het merkwaardig, hoe alle kinderen op elkaar gingen gelijken. Ze hadden allen denzelfden bouw, dezelfde kleuren van haren en oogen, hetzelfde soort geluid, dezelfde zangstemmen, zoodat zelfs de vaders en moeders moeite begonnen te ondervinden, hun kinderen van andermanskinderen te onderscheiden. Toen deze elkaar gelijkende geslachten voort bleven gaan, op dezelfde wijze te voelen, te denken, te eten, te drinken, te spelen, te leeren, te arbeiden, te zingen, zich te vermaken, kwam er een doodende eenvormigheid in het Harmonische Rijk. Maar daar in ieder persoon de persoonlijkheid het eigene had verloren, merkte men dit niet. De menschenwereld begon te gelijken op de mierenwereld. Een groote zorg voor het nageslacht bleef den menschen kenmerken. Arbeiden was ieders lust en leven. Maar alles geschiedde mechanisch en zooals vroeger het intellect, de „automatica” en de automatische menschen had geschapen, zoo schiep nu de intuïtie, een innerlijke automatische mechaniek, welke in haar gevolgen even noodlottig werd.

„Want de geslachten kwamen niet meer tot verdere ontwikkeling. Het waren eindelooze herhalingen van dezelfde soort op elkaar gelijkende menschelijke wezens, die hun levens in een droomtoestand doorleefden.

„Het geheele „Rijk der Harmonischen” was zooals eens de Oud Egyptische rijken als de dood in de pot. En inderdaad werden mannen en vrouwen, meisjes en jongens, zoo passief, dat het vermogen ging ontbreken zich aan veranderde uiterlijke omstandigheden aan te passen. Men deed alles precies zoo als de voorvaderen het gedaan hadden. De gezangen waren als formules geworden. De gebeden werden opgezegd, mechanisch zooals de opgezette bromtol, bromt en afloopt.”

XXIV.

Toen begon een vreemde ziekte in het „Rijk der Harmonischen” te heerschen. Het geheugen, het vermogen van den mensch om gebeurtenissen uit het verleden te bewaren, scheidde zich van het vermogen om die gebeurtenissen met oordeel des onderscheids te rangschikken en aan nieuwe gebeurtenissen te toetsen. Deze ziekte kwam over alle bewoners te gelijk op dezelfde manier. Men was alleen nog in staat, dat te doen wat men intuïtief kon volbrengen. Zoo kon men niet verder en in geen andere richting loopen, dan vader en moeder hadden geloopen. Men kon geen andere bewegingen meer maken, dan vader en moeder hadden verricht. Men verloor het gevoel der persoonlijkheid en men moest het woord „ik” gaan vervangen door „wij”, omdat men het besef van het begrip „ik” niet meer had. Alle enkelvoudsvormen verdwenen uit de taal en men sprak nog alleen in meervoudsvorm. Daarna volgde de onmogelijkheid om alleen iets te doen of te ondernemen—zelfs niet te eten of te drinken. Als ze op ’t land werkten, hielden allen op een zeker oogenblik tegelijk op en gingen gezamenlijk drinken, hielden tegelijk weder met drinken op en werkten weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder genegenheid, zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar, innerlijk en uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld worden, zonder dat de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer met woorden, daar ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou zeggen of opmerken, zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer oude huwelijksparen het geval was geweest, die in harmonie leefden en niet door kijfpartijen elkaars vitaliteit opwekten!

Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde onderworpen, passieve, weeke zachtaardigheid waren geworden en den man geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener overwinning schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En wijl de vrouw geen belooning was voor uitnemendheid of ongewone krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.

Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar niemand deed ook persoonlijk iets goeds. Men had slechts communeele deugden. Thans bleek waarom, wat vroeger onverklaarbaar was geweest, aan Satan op aarde zooveel macht was gegeven. Alleen door een persoonlijken strijd tegen Satan, kon zich de mensch immers van uit de vele geroepenen tot een der weinige uitverkorenen opwerken. Zonder persoonlijke zonde en de persoonlijke bestrijding daarvan, geen persoonlijke deugd. Hooger leven kan zich slechts ontwikkelen door persoonlijk de verzoeking te weerstaan en alleen in de worsteling met Satan, kan de hoogere mensch geboren worden, de individueele mensch, die de zwakken met zijn kracht dan kan steunen en voorthelpen, zelfs zoo die zwakken zich in wanbegrip communeel tegen hem vereenigen. De held, de kruisdrager voor de zwakheid en zonde der anderen, de Verlosser en daardoor de Zaligmaker, het offer, het lam Gods, bleek noodzakelijk voor het voortbestaan en zich verheffen van den individueelen mensch.

De menschen werden in het Harmonische Rijk allen telepathen, daar de communeele ziel de lichamelijke scheidingen, had overbrugd.

Toen kwamen er geslachten, die slechts eensylbige woorden gingen spreken. Daarna geslachten, die slechts weinige klanken uitten. Ten laatste geslachten, die evenals de boomen en de planten, geluidloos leefden en doofstom werden. Men begreep elkaar voldoende door het aanvoelen en den blik der groote, open, klare, eenvoudige, argelooze, maar verwezen oogen. Het besef van den dood ging verdwijnen. Men stierf zooals men ademhaalde, mechanisch, zonder vrees of verlangen. Niet anders dan zooals een mier sterft in een mierenhoop.

Als gezinnen uitstierven, bleven de huizen onbewoond, want de jongeren trokken volgens de verstarde traditie, altijd verder en bouwden nieuwe woningen, ontgonnen nieuw land, legden nieuwe boomgaarden aan, die precies op de vorige geleken.

En de leege huizen namen steeds in aantal toe, werden eerst aan de uiterste grenzen, toen telkens meer binnenwaarts, in beslag genomen door de ratten, de ratten, die de voorraden opvraten, zich vermeerderden, ongedierte en ziekten medebrachten.

De Harmonischen wisten geen middel om ze te verdrijven. Ze trokken er zelfs niet voor terug. Want zij hadden vergeten, hoe het sluipgas moest gebruikt worden, zooals zij alles vergeten hadden, wat niet door hun voorvaderen was onthouden.

En steeds meer trokken de nieuwe geslachten verder oostwaarts, het westen aan de zich altijd meer vermeerderende ratten overlatend, die grooter werden van stuk, gevaarlijker, driester....

Altijd maar meer ratten, groote, griezelige ratten, die opkropen tegen de teenen, langs het lichaam, met kleine, snelle treedjes der roze, genagelde pootjes en dan met snuffelende neusjes tot de keel kwamen, de bekken met de fijne tandjes openden, zich in de keel der menschen vastbeten en dan bloed begonnen te zuigen, zoet menschenbloed, dat een vreemde geur had van vruchten, specerijen, en narcotica....

BESLUIT.

Het eerste wat professor Leyden, toen hij de oogen opende bemerkte, waren de zusters Maria en Martha, dezelfde brave, trouwe verpleegsters, die samen al de vele dagen van zijn bewusteloosheid aan zijn ziekbed bij hem hadden gewaakt en voor hem gezorgd.

Hij sloot de oogen vermoeid, opende ze na een poosje en een zachte glimlach gleed streelend langs zijn mond, een zachte glimlach van geluk en herkenning.

Want voor zijn bed stonden drie zijner collega’s.... zijn collega’s, zijn echte, echte collega’s, professoren van de faculteit der medische wetenschappen van de universiteit der stad Leiden.

„Hij heeft ons herkend en geglimlacht!” riep de oudste collega verheugd. Het was de collega, die de apenklieren in zijn lichaam had geplaatst.

„Hij is behouden!” zeide de tweede collega, die hem gedurende den langen narcose toestand had geobserveerd en behandeld.

„Hij zal een „otium cum dignitate” kunnen genieten, mijn dappere, humane en geleerde voorganger,” zeide de derde collega, die op het denkbeeld was gekomen, de apenklieren weer uit het lichaam van zijn collega te verwijderen, waarna de ziel van professor Leyden, het lichaam bevrijd vindend van de levende, dierlijke psyche, weder in het lichaam tot bewustheid was kunnen geraken, wat het terugkeeren tot het bewustzijn, het ontwaken uit de narcose, ten gevolge had gehad. Deze derde collega was te Amsterdam tot professor benoemd, met één stem meerderheid, die van den edelachtbaren heer P. Utjesschepper, tot lid van den gemeenteraad gekozen met het hoogste aantal stemmen. Thans hoopte hij op een welverdiende promotie naar Leiden, ter vervulling van de vacature ontstaan wegens het bereiken van den 70 jarigen leeftijd door prof. Leyden.

Want de juridische faculteit als gewoonlijk, won haar pleit. Prof. Leyden herstelde langzaam, maar hij herstelde. Toen men hem mededeelde, dat hij slechts eenige dagen en nachten achtereen onder narcose was gebleven, verwonderde hij zich eerst, maar hij had te veel in zijn narcose-toestand vernomen omtrent de zonderlinge mogelijkheden van veranderd tijdsbesef en tijdsbewustzijn, dan dat die verwondering lang duurde.

Zijn eervol ontslag was vergezeld van zijn benoeming tot ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en een pensioen, waarmee zelfs een opperman als loon zou tevreden zijn geweest en welks bedrag hij zich eerst liet aanleunen, nadat door den Minister aan professor persoonlijk was medegedeeld, dat ook de Rekenkamer er vrede mede had, daar men hem als een opper-man der medische wetenschap had wenschen te beschouwen. Nu gevoelde prof. Leyden zich gelukkig gestemd. En als alle gelukkige menschen, het goede betrachtend naar beste weten, besloot hij mèt het afstand doen van zijn professoraat, als medicus zijn animositeit tegen de juridische faculteit te laten varen.

En zijn verdere levensjaren te wijden aan het eenige, dat hij meende met een goed geweten te kunnen doen, ten einde hier op aarde als mensch zijn menschelijke plicht te vervullen....

Te trachten, in zijn particuliere praktijk te komen tot het jubileum-getal, de formule der formules:

200000 behandelde patiënten

Want dit was de overtuiging, die prof. Leyden uit zijn ervaringen in het rijk van de narcose had verkregen, dat elke menschenmaatschappij op zichzelve volmaakt is, waarin ieder mensch persoonlijk naar beste krachten tot zijn einde, in dienende liefde arbeidend, zijn plicht vervult als een roeping!