Natuur en leven

Part 5

Chapter 54,079 wordsPublic domain

Verlangt de tijdgeest andre zonen, Trêen anderen een tijd vooraan, Gij oude Garde, veteraan, Neen, niemand kan U iets ontrooven, Zoolang gij nog u zelven blijft, Uw Stavast op uw pad beklijft!

Schuw als de geesel onzer dagen, De Mode als ijdel klatergoud, Die beurt’lings vleiend, beurt’lings stout, U al haar wenschen voor komt dragen, Tot ge onder aan haar glibberbaan De Armoede, bleek voor u ziet staan.

Gevoel bij ’t daaglijks wederkeeren, Van uwe dagtaak, u altijd Gelukkig, als gij door uw vlijt, Gestaag uw welvaart ziet vermeeren; Dan geeft en spade en hark en ploeg, Voor luttel zweets, u winst genoeg.

En is uw stand niet de allereerste? Verzorgt gij niet des konings disch? Wat zou vermoeden het gemis, Van uwe kunst. Prijst niet om ’t zeerste, Weldenkende U, ’t gezond verstand, De gave van uw veld en land?

De Poëzie van toon en kleuren, Van woud en veld de melodie; En de onderlinge harmonie; Van ’t klaverveld de zoete geuren, En boekweitshoning, ’t koolzaadgoud, ’t Is al voor u, in veld en woud.

Gij hoort het eerst den Leeuw’rik zingen, Op Januari’s laatsten dag; Gij merkt Sneeuwklokje’s schucht’ren lach, Als Lentebloemen’s eerstelingen, Bij uwe wonings zuidermuur, Met Maart, in ’t zonnig middaguur.

U is het schoone lied beschoren, Dat door de rustende avond zingt. En van uit verre bosschen dringt, Wanneer de ploeg de laatste voren, Bij ’t lieflijke avondgloren snijdt, Dat over ’t woud heen, langs u glijdt.

Dan hoort ge uit hooge olmengroepen, Waarop des avonds stofgoud ligt, Die met hun groen den toren dicht Omhullen, „thans is ’t avond,” roepen! Met zilverrein welkom geluid, Waarmeê gij uwen dag besluit.

Een rookkolom bij gindsch bosschaadje, Staat loodrecht boven ’s landmans schouw, Ten teeken dat zijn wakkre vrouw, Den Ploeger wacht, die ’t kronkelpaadje, Steeds volgend, naar der Hoeve dak, Op welker nok de avond brak.

’t Is uur der rust. Het avondeten, Staat dampend wachtend op den disch, Waar kleuters, allen even frisch, Om henen, lang reeds zijn gezeten, Want hongerig wordt toch het kind, Bij ’t land’lijk spel in weêr en wind.

En de eetlust na een dag van zweeten, Kruidt heerlijk ’t nederige maal. Reeds tintelt door de groene zaal Des Eiks de glans der ster. Gezeten Op ’t bankje buiten, na het maal Hoort Ploeger ’t lied van Nachtegaal.

En wat kan bij die ruste halen, Die straks den matten landman beidt! Vermoeidheid van zijn dagtaak spreidt, Zijn leger zacht, en weldra dalen Op hem, in alle stilte, zacht, De vleugelen van slaap en nacht.

’t Zij dat het koeltje om hem zacht ruische, Met afgebroken ademtocht; Of ’t West, bij herfst, om hoek en bocht, Langs muur en schoorsteen woedend bruische; En storm en regenvlagen saâm, Doen rink’len, door hun kracht, het raam.

Of als met sneeuwval, soms het Noorden, De Hoeve met haar hof begraaft, Totdat de wind van ’t Oosten draaft, Bij nacht met luid fluitende akkoorden, Wier vorst de stroomen eensklaps dicht Vloert, vergenoegd te luist’ren ligt.

Het blijft steeds een genot te noemen, Voor wien het eenmaal ondervond, Zoo eene nachtelijke stond, Als winter grillig zijne bloemen, Op ’t venster toovert, die zich warm, En rustig vleit in Morpheus arm.

Dan is des Landmans wereld binnen, Dan zomert het in zijne stal, ’t Roept hem te binnen, dan vooral, Wat zweet het kostte om ’t voer te winnen, Dat thans zoo geurig is, zoo mooi, Zijn winterschat voor ’t vee, zijn hooi.

Laat dan het Oost maar niet gedoogen, Wiens adem op zijn stalruit staat, Dat de ijsbloem even dooien gaat. Daar ’s middags stralen ’t niet vermogen. Toch ondanks vorst en windgewoel, Blijft het bij ’t vee steeds lentezoel.

O ’t is een lust, daar dan te wijlen, Daar ’t buiten doorvriest, dat het kraakt, En tot kristallen vloeren maakt En plas en meer. Tot allen ijlen, Geschaatst, wedijvrend met de vlucht, Der sneeuwganzen in de ijle lucht.

’t Brengt ook zijn stille vreugde mede, Om als de sneeuwjacht buiten huilt, En met de held’re vorstnacht ruilt, Als beeld van stille wintervrede, Met vlegelslag op vlegelslag, Men kort den donkren winterdag.

Wat zijn zij zoet dan de avonduren, Als op den haard het herfstvuur gloeit; Terwijl om ’t huis de sneeuwduin groeit, Met vriend en maag en goede buren, En bij de herinn’ring van ’t verleên. Vlucht ongemerkt zoo’n avond heen.

’t Is of zij dan nog schaatsenrijden, Des boomgaards breede grachten rond. Wat vreugd als naar doorvriezen ’t stond! Met kameraden, zwieren, glijden, Of om zijn schaduw vóór te zijn, Naast zich bij heldren maneschijn.

’t Verveelt dan nooit uit het verleden, Uit Vaders en uit Grootvaars tijd, Zoo vaak gehoord, toch nieuw altijd, Te hooren, hoe zij toenmaals deden, Zij zelf, met velen uit hun kring, En ’t alles immer beter ging.

Dan diept uit mond’linge verhalen, Waarvan slechts de overleev’ring weet, Dat onbeschreven, nooit vergeet, En in ’t geheugen om bleef dwalen, Elk ’t schoonst en ’t treffendst uit die bron, Van wat hij maar bedenken kon.

En dan weer wordt de oogst besproken. Of het gesprek loopt over ’t vee, Waarvan de prijs terug, in steê Van vooruit, ging. Of ziet men spoken, Van veepest, misgewas in ’t rond, Of oorlog aan den horizont.

Toch is de Lente maar verschenen, Hoog op de schuur weer de Ooievaar; In ’t weiland ’t eerste lammerenpaar, Dan zijn eensklaps de zorgen henen, En keeren hoop en levenslust, Na de gedwongen winterrust.

Dan pronkt zoo al eens tusschenbeide, Een boterbloem in levend goud; Daar kiest de kievit oponthoud, En legt haar eiers in de weide, Wijl ’t gonst reeds om den bijenstal: Een voorsmaak hoe ’t eens worden zal.

Dan is ’t een jubelen en fluiten, Door ’s Bouwman ’s boomgaard, nacht en dag, Bij nooit bewolkten zonnelach; Onafgebroken Hoogtijd buiten; Dan tsjottert, joelt het op zijn dak, En roekoert het uit dennentak.

De wei prijkt in haar schoonste kleuren, Met schat van klaver en van gras, Alsof ’t een levend vloerkleed was, En opent reeds de stal zijn deuren, Opdat naar buiten ’t hunk’rend vee, In Meimaands overvloed deelt mee.

Door ’t graanveld, Landman ruischt straks ’t Noorden! Als ge op de halmen de eerste aar, Bij uwe wand’ling wordt gewaar; En hoort prophetisch schoone woorden, In ’t fluisteren van overvloed, Die ’t hart van blijdschap juichen doet.

Dan komt de Korenbloem zich beuren, Ter zijde ook uit het golvend veld, Wier blauwoog ’t roggegroen ontwelt; En Klaproos hoogrood hare kleuren, Bij Bremstruik’s bloeiend louter goud, ’t Viooltje in paarsch, gezelschap houdt.

U Landbewoner! roept de morgen, In ’t veld, nog vochtig van de dauw, Als ’t Oost voor ’t eerst de wieken flauw, Half in de purp’ren wolk verborgen, Waar de eerste zonnestraal op valt. Ontplooit, en ’s Leeuwriks lied reeds schalt.

Als ’t zomert, welk een bont gewemel! In ’t vrije veld, daar ’s maaiers zeis, En ’s hooiers hark, het gras naar eisch Bij onbewolkten Julihemel Doen maaien, reppen, altijd weer, Tot noordwaarts ’t zonlicht zinkt ter neêr.

Ontvlied dan uw benauwde wallen, Uw stadslucht te gelijker tijd. Door vuil en damp en stof ontwijd, Gij steed’ling laat vooroordeel vallen, En ga verrukt, vol vreugd, verrast, In veld en hof en dreef te gast.

Geniet de kostelijke geuren, Van ’t geurig, pas gerijpte hooi, Het schoone meê, van Lindetooi. Verruk van Veldbloem hare kleuren, U ’t rood en blauw en ’t wit der wei, Het bruine en paarsche van de Hei.

Ik ken geen leven, rijker, schooner! Geen leven meerder in genot, En geen begeerenswaarder lot. Dan dat der vrije veldbewoner, Des Landmans, aan zijn eigen haard. Geen schooner leven is op aard!

LANDELIJK GELUK

O! Hoe vreedzaam is het leven, Dat het lot u heeft gegeven, Landman, op uw eigen erf, Op uw stille groene werf! Waar der Eiken hooge kruinen, Ruischend uwen vrede omtuinen, Schuttend met hun stam en tak, Uw van Huislook groenend dak.

Waar de wilde bloemen kleuren, Zoet voor uwe voeten geuren, Windend zich uit ruigte en mos, Op verloren hoekjes los, Onder bloeiende Seringen, Die uw boomgaard dicht omringen; Waar Narcis en Duizendschoon, Spreiden hunne pracht ten toon.

Waar zich de Eiber tot de nokken, Van uw schuur voelde aangetrokken; Bouwde aan scheef gewaaid verband, Vast zijn nest op schuurdaks rand; Alsof ’t was er voor bedongen, Bracht hij U uw eersten jongen, Toen hij voor den tweeden keer, Kwam van ’t verre Zuiden weer.

’t Moet daar wel gelukkig wonen, Bij de nachtegaal, wiens tonen, Vooraan uit de zangersrij Als de schoonste in de Mei, Uit uw hazelaarsstruweelen, Om uw hoeve komen kweelen; En ze luide klinken doen, Door uw Paradijs van groen!

’k Prijs uw lot o Landbewoner! Want ik ken toch maar niets schooner, Landman, die ’t zoo heeft als gij; Ginder aan de middagzij, Uwe witte klaverweide, Verderop de fulpen heide, Zoo ver ’t oog reikt, uitgebreid. Alles kleurverscheidenheid!

’t Honigzoet dier beide kruiden! Als de milde wind van ’t Zuiden, Van dien kant u tegenwaait! Als naar ’t Oost gij ’t hooiland maait, Welk een schat van lekk’re geuren, Dringt door vensteren en deuren, Die, eer gij u legt te bed, Tot verkoeling openzet.

Rijker waart gij dan een koning! Toen men onlangs uit uw woning, Zag door eene vensterruit, Noordwaarts naar uw boomgaard uit: Wat een bloesem! wat een kleuren! Daar op de allereêlste keuren, Van het fijnste en lekkerste ooft, Dat u veel, zeer veel belooft!

O! Hoewel dat voor de IJsheilgen, Om uw schatten te beveilgen, Ongeveer zoowat twaalf Mei ’t Zuid voor ’t zwerk een wolkbank lei. Brandet ge al uw rijs en turven,— ’k Had u niet verzeek’ren durven; Dat die strenge nachten door, Uwe vrucht niet ging te loor.

En als straks uw Bellefleuren, U roodwangig tegengeuren, En Duchesses en Beurrées, U doen lachen om uw vrees, Perziken en Abrikozen, U glimlachend tegenblozen, Landman, had ik geen gelijk? Toen ’k zei: „Gij zijt meer dan rijk!”

En nu blijft er nog te resten, Om een blik te slaan naar ’t Westen, Waar het onafzienbaar bosch, Waait in frisschen lentedos; Plooiend zich in duizend vormen, Schuttende u voor felle stormen; Waar van Eik, Beuk en Abeel, Gij u bouwt een woudprieel.

O! Hoe zwaar getopt die aren! Die ’t Noord-Oosten als de baren, Wieg’len doen, op ’t briesje meê, Als een zacht bewogen zee, Bloemen, waar geen vruchten groeien, Die in rood, blauw, purper bloeien, Naast het weligst veldgewas, ’t Heerlijk groen van ’t dichte gras.

Waarin, bont gevlekte koeien, Langs de gansche weide stoeien, En een blanke lammrenschaar, In een groep, men wordt gewaar, Zich als in het groen verliezend. Wijl een Ros, ver hoorbaar brieschend, In galop van end tot end, Door de groene weide rent.

Boven al dat vreedzaam leven, Is een Leeuwrikje opgedreven. Zingt, juist boven dit tooneel, Door, uit onvermoeide keel. Ver in ’t ronde er, eer de lijnen Van den horizon verschijnen; Welk een landschapsschilderij, ’t Uitzicht onbeperkt en vrij.

Landman! ’t hart kunt op ge er halen, Waar gij ook uw oog laat dwalen, Aan wat, gij het liefste ziet: Naderbij en in ’t verschiet! Waar het oog ook slechts blijft toeven, Ginds: in groen gedoken Hoeven, Waar men zich ook keert in ’t rond, Op den voor- en achtergrond.

Hier een groep, die zaaien, eggen, Of er de eerste vruchten leggen, Wijl men _af_ en _aan_, vol vlijt, Mest en zaaizaad henenrijdt. Boven al dat druk gewemel, Staat de zon klaar aan den hemel, Droogt steeds de opgeworpen voor, Altijd aan, de dagen door.

’t Koolzaad gaat reeds aan het bloeien, En zijn bloesems pronken, gloeien, Als om ’t zeerste in gouden gloed, ’t Starende oog, hel tegemoet. ’t Blauwend meer ligt ginds te kabb’len, Aan zijn groenende oevers knabb’len, Jongvee’s tongen, ’t malsch gewas, Van het smaak’lijk oevergras.

Forsche molenwieken zweven, Met de zeilen half gereven, Rond door de ijle blauwe lucht, Met hun honderd voeten vlucht, Altijd zich maar voorwaarts reppend, Rustloos watermassa’s scheppend, Uit te hoogen waterstand Van het kostlijk polderland.

Landman! Schoons brengt u de morgen, Als in neev’len, half verborgen, Pas drie in den uchtendstond. Gij reeds stapt uw Rijk in ’t rond. Staat eens naar het weer te kijken, Hoe ’t vandaag er meê zal lijken, Of uw weêrhaan wind van ’t Zuid, Of Oost, Noord of West aanduidt.

En in uwe hooge Linden, Lispelen reeds de eerste winden, Waar als in een groene huif, Zacht roekoert uw wilde Duif. Wijl gij Zwaluws werk aanschouwend, Tegen uwen muurlijst bouwend; En door Schelvinks heldre slag, Hij bezingt den jongen dag.

’t Rood en wit van uw Kastanje, Fonklen in het teêr Oranje, Dat van de Oosterkimmen welt, Over ’t zilverkleurig veld; En terwijl ge uw Hof doorkuiert, Wordt allengskens ’t al ontsluierd, Straks nog onbestemd en grauw, Door den dichten morgendauw.

Om als ’t ware u te verrassen, Gaan eensklaps uw vogels plassen, In ’t met lisch doorgroeide nat, Altijd weer aan, nimmer zat, Steeds met onvermoeiden ijver, Langs den heldren eendenvijver; Op ’t eilandje, er verst van daan, Groet van ’t nest uw blanke zwaan.

Thans reeds blijft ge uw melkers wachten, Die met hunne zilvren vrachten, Wederkeeren uit de wei; Terwijl ’t klingelt door de hei, Van zijn woll’ge Kudde schapen: Scheper heeft zich niet verslapen; Ook hij weet: „de morgenstond, Heeft steeds rozen in den mond”.

Alles staat verjongd, vol leven. Alle neev’len zijn verdreven, En uw gansche heerlijkheid, Ligt nu voor u uitgespreid! Uwe Kamperfoeliestruiken Die van zoeten honing ruiken, Staan als waar’ het overspand, Door een krans van diamant.

En nu is al ’t leven wakker; En uw zorgen eischt uwe akker, Waar gij werkt, bij ’t bloeiend kruid, Dat zijn bloesem straks ontsluit, Achter akkers boomenranden, Als het ware lustwaranden, Van geboomte en bloeiend hout, Eene voortzetting van ’t woud.

Waaruit Lijsterbloesems gluren, Die er met hunne onderburen, Sleedoorns en meer woekerkruid, Kijken door ’t gebladerte uit. Wijl gij naar dien wierook ruikend, Komt Patrijsje, steeds maar duikend, Om te vinden, ongemerkt, ’t Nestje, waar gij er naast werkt.

Wel! met wien zoudt ge wel ruilen? Als gij onder bloementuilen, U in ’t gras ter neer straks zet, Een natuurlijk bloemenbed, Vol Viooltjes, Boterbloemen, (Veel te veel om op te noemen). Die zich zachtjes opendoen, In de grondkleur: ’t prachtig groen.

Waar een Vlinder vrij doorhuppelt, Wijl het paarlen op u druppelt, Van de stammen, blad en steel: Noem mij schooner tafereel! Als al ’t leven om u wakker, Gij den morgen, op uw akker In gestaâge bezigheid, ’t Voor de zaaing toebereidt.

Want uw werk geeft u genoegen; Gij moogt eggen, mesten, ploegen, Zaaien, snoeien, wieden gaan, Voor uw wagen ’t Blesje slaan, Om met mest of zaad te rijden: ’t Werk wenkt u van alle zijden; Daarom gaat tot de avondrust, ’t Alles voort met blijden lust.

En dan, na ’t gedane werken, Wandelt gij eens, om te merken, Hoe het in uw schaapskooi staat, Waar eene ooi u tegenblaat, Die gij aan uw komst deed wennen, En uw stappen juist deed kennen, Dat zij in de laatsten nacht, U drie lammren heeft gebracht.

En gij wandelt zoetjes verder; Groet den weêrkeerenden herder, Ziet eens hoe het is gesteld, Met uw arend roggeveld; Of gij met uw akker tarwe, Hopen kunt op zware garwe; Of gij gaat naar ’t allerverst, Van uw grondstuk, met de gerst.

En in de eerste Juliweken, Komt gij dikwijls eens gekeken, Of na eenen onweêrsdag, Door den sterken hagelslag, Ook uw Boekweit heeft geleden, Van de zware bui van heden, Of die vrucht reeds sterk gewin, Bracht uw bijenstal u in!

En het is zoo’n beeld van vrede, Als uwe Ega dan eens mede, Van uw Caro vergezeld, Wandelt door het bloeiend veld; En welsprekend ge u beijvert, Te vertellen, wijl gij ’t cijfert, Alles in getallen uit, Hoeveel gelds uw vrucht beduidt.

Of gij gaat bij zomeravond, Waar uw Jachtje ligt gehavend, En bij ’t avondwindje ’t meer, Ge overspelevaart een keer. Of gij laat uw snoer eens zinken, Tot een baarsje er aan komt blinken. Of gij schudt van visch het puik, Uit uw goed voorziene fuik.

Of na werktijd komt uw Jongen, Vrolijk op u toegesprongen; Die een vroegrijpe appel zag, En met zulk een rooden lach! Of gij die hem niet wilt krijgen, Van de slingerende twijgen! En gij denkt: wel looze guit, Hoe vindt gij die mooiste er uit!

En gij weet uit vroeg’re jaren, Hoe gij en uw broertjes waren, Als het uwen appelhof, Met zijn zoeten vrucht betrof, Hunne soort en eigenschappen, ’t Was een lust er in te happen; Dan een appel, pruim of peer, Heel den zomer, duizend keer!

En hebt gij in de avondstonden, Winters u bijeengevonden Buur en lieve bloedverwant: De verveling is verband. Dubbel zoet met vriend en magen, Is zoo’n huislijk welbehagen, Hoe ’t ook sneeuwen moog of vriest, Waarbij gij dan niets verliest.

Laat dan ’t Oost door de eiken loeien, ’t Is of de innigheid wil bloeien, ’t Liefste in den beperkten kring, Bij den gullen veldeling; Waar ’t lot van gelijkgezinden, Hen vol eenvoud samenbinden; Waar de zomer aan den haard, Geur’ge Immergroenen baart.

Waar voorvaderlijke zeden, Stand steeds hielden tot op ’t heden, Even rein nog als weleer. Zich verjongend telkens weer; Zich in ’t nakroost zien herboren; Zoodat er niets ging verloren, Wat hen kenmerkt, waar en schoon, En hun sieraad is en kroon.

Niet de Druif, uit verre landen, Doet dan hoofd en hart ontbranden Maar de nectar van het vee, Laaft dan zoet en zacht in steê; En dan blijft bij uwe koeien, In de stal uw Lente bloeien, Die zich mogen laten zien, Net, voordeelig bovendien.

Doet zich ook de sneeuwjacht hooren, Warm dekt zij uw kiemend koren, Voor een maand pas uitgespreid, Op uw veld, wel toebereid. Met uw bede en hoop op zegen; Dat na dag en maand u tegen, Als in goud gedoopte baar, Wuift met neergebogen aar.

Laat de schuursgebindten kraken; ’t Eibersnest zelfs scheef geraken, Waarvan heden de eigenaar, Met zijn heele broed’renschaar, Ver van ’t koude en grillig Noorden, Wandelt aan de Nijlstrooms boorden: ’t Hindert Landman niet uw vreê, Straks op uwe legersteê!

Over wind en weer gesproken, Is ’t afscheid dra aangebroken; Waar de rust na ’t werk u beidt. Zoo leeft daar gezelligheid; Vlieten zacht daar ’s levens baren. Kalm mocht Landman ze bevaren, Tot hij hoeve en have saam Laat zijn’ zoon, zijn Erfgenaam.

LANDMAN’S GELUK

Ik acht hem, die het land bebouwt, Die ’t liefst steeds over koetjes kout; Die slechts in ’t veld kan leven, Dat hem ’t meest vreugd kan geven. Benijdenswaardig is zijn stand, Zijn wereld is bij dier en plant, Bij bloem en boom, bij veld en akker; Hem maakt het morgengloren wakker, Dat langs zijn oostervenster speelt, Terwijl het op zijn dak reeds kweelt, Van musch en spreeuw naast tripp’lend sijsje. Een ieder op zijn vrolijk wijsje. Bij dat gejuich, bij dat gefluit, Roept hem zijn werk ter woning uit, En veldwaarts heen. Hoe blauw de hemel! Hoe vrolijk frisch ’t ontwaakt gewemel! Bij ’t statig stijgend zonnevuur, Van heel het leven der Natuur.

De melkers reppen zich ter weide; De schaapjes wand’len door de heide, De ruige scheper, fier als gids, Met hond en breikous aan de spits, Als onbetwistbre heidekoning. En de ekster bouwt aan hare woning, Druk in het hoogst’ der eikenkruin. Van bloeiend bloemhout riekt de tuin, Waarin de zwarte lijster huppelt; Van hazelaar en sering druppelt, De dauw in zuivre parels neer. Hoe bloost de knop aan kers en peer! Wat teeder groen aan els en berken! Hoor ’t Oost ontplooit de lichte vlerken; En klinkt van heinde en ver, hoe schoon! De zilvren morgenklokketoon!

U zal ik dan gelukkig prijzen, Wien zulk een morgen zich ziet rijzen; Die wars van wereldzin en roem, Zijn beeld terugvindt in de bloem, Die aan den akkerkant vergeten, Gelukkig in zich zelf kan heeten, Bescheiden, buiten haat en nijd, Zich need’rig in zich zelf verblijdt. Die ’s morgens in de voog’len kooren, Er de echo zijns geluks kan hooren, Waar op zijn eigen akkergrond, Elk bloempje zulks hem ook verkondt.

Wat zijt gij zeepbel, „roem of eere”? Een dartel windje wende en keere, Uit ’s hemels donkre wolkendrom, U even dwarr’lend om en om. En ’t stof, dat in den eigen stonde Omhoog jaagt, voert u meê in ’t ronde, Het fel bewogen luchtruim door, En laat van beide nergens spoor, Of moog zij zelf zich overleven. Het marmer, ijdel, overdreven, Het uitbazuinen nog een tijd, Nog harder knaagt de haat of nijd Aan roem en eer, dan aan ’t gesteente De tijd; dan wormen aan ’t gebeente.

Niet naar des werelds klatergoud, Gestreefd, gesloofd om het te vatten, Wie akker, veld en dreef en woud, Op rechten prijs ooit wist te schatten.

LAND EN STAD

Niet in paleizen wil het geluk troonen, ’t Vlucht gewoonlijk voor praal en voor stand, Niet bij de grootheid der wereld wil ’t wonen, Liever in ’t schamele kluisje op ’t land.

Daar waar klimoprank de gevel omstrengelt, Met twee vensterkes in zijne muur, Waar tegen Stokroos haar kleurenschat mengelt, Met Vingerhoed, diens bloeiende buur.

Zou men het over zich wel kunnen krijgen, Neder te dalen, van zijnen stand, Om van zijn hoogte ter neer komen zijgen, Naar ’t kleine goedje op ’t eenzame land?

Weinig is misschien er voor u te kijken, Dat ge uwe aandacht wellicht waardig keurt. „’t Is zoo armoedig er”, zegt gij niet „Rijken?” Zoodra gij ’t kleine Landhuis bespeurt.

Op kleine schaal, alles in alle deelen, Buiten en binnen, zoo aangelegd, Alles, om zich niet één dag te vervelen, Waarlijk, dat is te veel niet gezegd.

Soberheid! Eenvoud! hier zou ik me afvragen? Viert ge uw Triomf? tot de uiterste grens Van ’t strikt noodige toch woudt gij het wagen: Wel tot de allerbescheidenste wensch?

Ja in de stad zou een Wigwam men ’t noemen, In de Prairie van de Indiaan! Die door kimduiking ’s bedriegelijk opdoemen, Rijzend eensklaps, men voor zich ziet staan!

Waar’ ’t niet dat men reeds van verre zijn muren, Glinsteren zag van ’t schreeuwende wit; En zijne ramen door ’t houtgewas gluren, Dat als mantel om hare nek zit.

Ook heeft het veel van de tent der Nomaden, Waarvan een troep de Putzta doorkruist, Welker aanwezigheid zich komt verraden, Als juist het volkje een dagje daar huist.

Ja ik begrijp het: gij stelt andere eischen. Zeker dat is waar; dat is uwe zaak. Ik ken wel het trotsche van uw paleizen, Alles grootscheeps, precies naar den smaak.

Bijna bewond’rend zie ’k op bij uw muren, Waardoor ’t spiegelglas, gij staroogt heen, Bijna eerbiedig, blijft opwaarts men turen, Volgt meê de blikken van menigeen!

’k Zie hoe ’t verklikkertje u waarschuwt, wat ginder, Heel in ’t verschiet, daar toch wel moog zijn: ’t Kostlijk gordijn zakt wat, dat gij geen hinder, Hebbe van ’s middags grel zonneschijn.

Zoo leeft gij binnen steeds, tusschen uw wanden, Ver van Natuur en verre van ’t land; Bloemen en lofwerk van kant overspanden, Uwe plafonds door stucadoor ’s hand.

Immers voor ’t Schoone zegt gij te gevoelen! „Zegt gij dat ik niet dweep met Natuur! ’t Stadsleven zou er de lust voor verkoelen? ’k Smaak binnen „’t Buiten”, echter wat duur!”

„En ik verbeeld mij: richt ik mijne schreden, Naar „mijn Landleven,” naar mijn salon, Als ik op ’t zwellend tapeet kom te treden: Meen ’k dat mos niet veerkracht’ger zijn kon.”

En dan geniet ik, geheel zonder zorgen: Wouwerman naast mijne Rosa Bonheur, Met Verschuur’s paarden; daarnaast Apols morgen, Bij winterdag: van alles de keur!”

„’k Dweep met uwe koeien, met uwe weiden: Daarom houd ’k ook mijn Potter zoo hoog! Ik heb zoo lief onze kudde en heiden, Waar Mauve leidt mij beiden voor ’t oog.”

„De Poëzie ook van boomgroep en rotsen, Grillige wolkgroep ’s weifelend licht; Vallend waar beekjes langs sparrengroen klotsen: Een idylle, een zoetvloeiend gedicht.”

„Ik ken ’t Hollandsch schoon ook, zou ik wel meenen, Zoo goed als een, die daag’lijks het ziet: Ik wijs naar Hobbema’s landschappen henen, Wat hij in zijne „Molens” mij biedt.”

„Bilders toont U nog hiereven bij deze: Wat bosschenschoon en ruim vergezicht, Karakteristiek bij ’t stille Wolfheze, In ’t groen zijner pijnwouden wel ligt.”

„Hier bij Lorraine, dus de liefelijkheid malend, Van zonsondergang, bij stille lucht; Achenbach’s broeiende zonlichten, stralend, Achter de bui weg, heerlijk, geducht.”

„Uw nagemaakte natuurtafereelen, Uwe figuren, trouw naar natuur, Moog steeds uw kunstzin bevredigen, streelen, Breng in bewondring, zette u in ’t vuur.