Part 4
Waar straks der lawinen donder, Raast en loeit en schuift naar onder, Dacht gij, dat zij licht begrave, Sennhut, vee of tilbre have; Of Sirocco’s wilde orkanen, Werpen om, uw dak van spanen. Of uw kudde zich versteigre, ’t Glibbrig pad u steunsel weig’re; Vat ik saam die mooglijkheden, Wensch ’k niet in uw plaats te treden, ’t Mist al voor des Vlaklands zoon, Kind der bergen! hem zijn schoon.
Moog het melodieuse schellen, Op den Alm der koeien bellen, Of door kunstlooze Alpenhoren, ’t Langgerekt geluid bekoren; Of dat Jodler’s keelgeluiden, Ons als schoon zulks aan wil duiden, ’t Zij dat Lago-Maggiore, Garda’s meer vol luister glore; Dolomietpracht, de Appenijnen, In hun heerlijkheid verschijnen, Napels met Sorrente en ook Brand Stromboli, Etna rook!
Zelfs aan ’t land niet der Ardennen, Zouden wij ons kunnen wennen, Evenmin aan, waar de Brocken, ’t Wolkenheer heeft saamgetrokken; Niet aan schoone dropsteenholen. Waar we in tooverzalen dolen; Niet daar, waar de bergen steenen Geven slechts voor brood. Daar henen, Naar de zilv’ren klaverweide, Waar het graan golft tusschenbeide, De onbeperkte horizont, Onbelemmerd staat in ’t rond.
Dáár zijn, waar ’t Noord-West zijn winden, Spelen laat door hooge Linden, Die Grootvâ met eigen handen, Plantte voor het middagbranden; En die huis en stal en schuren, Bouwde om eeuwen te verduren; Boomgaard plantte aan de Oosterzijde. Al zijn kracht, zijn dagen wijdde, Aan zijn velden, aan zijn akker; Vóór de dageraad reeds wakker, Al ’t geen Vader naderhand, Meer uitbreidde en hield in stand.
DE SCHERMER
Vriendelijke groene Schermer! Meer—Land zoo vol Poëzie! Gij, wie ’t Hollandsch landschap minnen, Treed van groen, die gaarde binnen, ’t Werk van Leeghwaters Genie.
’t Zoogenaamd Achtst „wereldwonder,” Ligt naar ’t zuiden op de kaart; ’t Steenen bouwwerk van van Kampen. ’t Land van water en van dampen, Wijst iets schoons van and’ren aard!
Ja de doode steenen zwijgen, Maar des levens polsslag slaat. Waar wij ’t werk der groote vad’ren In de groene Schermer nad’ren, Die als „Wonder” voor ons staat.
Bij het zevental van vroeger. Neem na ’t achtste u men thans op, En onthoude dat tot negen, Het getal is nu gestegen, En dat wel van uit het Sop.
Ook de Beemster en de Purmer, Hebben van U Schermer iets, Maar sinds ’t daar begon te stoomen, Was het oogenblik gekomen, Dat van Poëzie bleef niets.
Goudhoorn door uw vijftig Molens, Eertijds schuimend waterveld, Waar de wind ’t onwillig water, Sloeg in schepradsboeien,[16] staat er Iedre Molen thans als „Held!”
[16] Thans hebben alle Vijzels.
Vrolijk golfden nog uw baren, Toen door eenen reuzendijk, Ongemerkt ge u liet omgorden, Die u tot een boei zou worden, Voor uw woelend waterrijk.
Nadat de eerste fiere Molen, Schilderachtig bouwgewrocht, Tachtig voet zijn lange vlerken, Door ’n Zuid-Wester straks liet werken, Zoo voor ’t eerst ’t Schermeer bevocht.
Rezen zij als uit de golven, Tot het groote vijftigtal, Waar ze in teekenacht’ge groepen, ’t Vocht viermaal op scheprads schoepen, Nemen, eer men ’t missen zal.
Poldermolens, ondermolens, Middenmolens, dan na hen, Bovenmolens, welker gangen, Water beurtlings zich liet vangen; Een stuk Meer verliezend men.
Wacht! Halt! de Admiraal,[17] de Vlootvoogd, Van ’t een zestien sterk Smaldeel, Ankerend rondom „de Blokkers” Nu ’t Zuid-West ontwaakt, trok er ’s Zeildoeks lengte los geheel.
[17] Admiraal wordt genoemd de Chef-Molenaar, wien de regeling opgedragen is over de bemaling ééner groep watermolens zooals over een Zestiental bij „de Blokkers” niet ver van Driehuizen in N. Holland. Het ziet alleen op de Onder- Midden- en Bovenmolen, niet op de Poldermolen, de laagst geplaatste in den Polder, waarvan ieder Molenaar de bemaling meer zelve regelt. Daar de watertoevoer der Onder- Midden- en Bovenmolens met elkaar in ’t nauwst verband onderling staan en wanneer de waterstand in de Polder vaart maakt, dat er gemalen moet worden, kruit de Admiraal zijn Molen, spant de zeils over ’t Hekwerk en begint te malen zwacht de zeils en ontrolt ze weer, alles naar behoefte van wind. Is het water laag genoeg weggemalen, dan zet hij zijn Molen in Kruisstand, = X. Alle Molenaars onder zijn order staande, volgen in een en ander precies hem daarin na.
Spande ze uit, op ’t kanten hekwerk. Breed de zeilen alle vier, Dat zij juist de wieken dekten, Die zich uit hun rust nu rekten, Draaiend dra met forschen zwier.
En de Molenaars, niet wendend, ’t Oog van, wat hun Admiraal, Deed en doet, het oog steeds richtend, Of aanvangt, zeil bijlegt, zwichtend: Zij verstaan zijn stomme taal.
En op eens: wat vrolijk zweven, Nu ’t Zuid-West lei zijne kracht, In ruim zestig molenvleug’len, Hunne drift nauw te beteug’len, Door des scheprads watervracht.
En ziet hoe de wat’ren ijlen, Allengskens sterker, eerst slechts zacht, Om die wond’ren eens te aanschouwen, Die men aan hun zoom ging bouwen, Lokkend hen door toovermacht.
Door het vreemd alarm verbijsterd, Als in eenen tooverkring, Rondgevoerd en aangegrepen, Opgetild en platgeknepen, Uitgestort in ’s boezems ring.
En zoo gaan de laatste droppels, Met den Admiraal op post, Bij der reuzemolens draaien. Bij hun hoog Victoriezwaaien, Dat geen steenkool heeft gekost.
’t Meer is op eens _Land_ geworden, En welk land! de vette Klei! Waarvan ’t goud straks uit de kluiten Kijkt, als koolzaadgoud naar buiten, Wiss’lend af met schoone wei.
En nu bouwt de Mensch zijn woonplaats, Op het jong geboren land. Ploegt, verkavelt, rept zijn handen, Slaapt reeds binnen ’s ringdijks wanden, Onder ’t peil van boezemstand.
Dat is eed’ler krijg te voeren, Dan op Spaansche en Brit voorwaar Overwinnings? te behalen. Ziet! dat is eerst „admiralen,” Van den Vlootvoogd—Molenaar!
Gij Piet Hein daalt, Gij de Ruyter, Hierbij in mijn achting zeer! Want geen bloed kleeft aan deez’ zege. Water slechts en dat ter dege: ’t Water van de Schermermeer.
DE ZAANSTREEK
Breede volle zilv’ren Zaan! Die uw gladde waterbaan, Van uit plas en vaart in ’t Noorden, Henenspoelt langs groene boorden. Van ’t azuur der gouden wolken Spieg’len zich in kreek en kolken. Waar een pad langs dijk en kade, Voert slechts door de groene wade. Hoog de watermolen rijst, Door het middaggoud omlijst, Waar het zilv’ren luchtgewemel, Aan de kim bij held’ren hemel, Speelt op ’t Noordsche windje in Mei, Op en over ’t groen der wei, Waar de kieviets juichen, roepen! ’t Vee er legert zich in groepen, En de vreugd leeft aan uw zij Dus in ’t schoone jaargetij.
Waar ge uw loop vervolgt naar ’t Zuid, Wat tafreel breidt zich daar uit! Wijs mij Rijn met uwe puinen, Rolandseck, of wat de kruinen, Uwer bergen langs uw stroomen, Met uw Stolzenfels ook zoomen; Of hoe dicht ook de ed’le wingerd, Zich om uwe bergen slingert; Elders de Westfaalsche poort, Aan de Wezer toog bekoort; Havel de Alt marks merenrijen, Huwt aan donkre boschpartijen; Shannon trotsch door Erins hart, ’t Schoon van alle wat’ren tart; Komt de Vecht in Utrechts dreven, U bijna op zijde streven, Gij o wonderschoone Zaan, Trekt door eigen pracht ons aan!
Schilderachtig toon’ zich ’t puin In het volle licht of ’t bruin! Van den eedlen ridderroover, Loerend weg, en ’t water over, Om zich in hun arendsnesten. Met gestolen buit te mesten, Zaanlanders, gij gingt de randen, Van uw stroom met nijvre handen. Zoomen door uw vlijt. Trafiek, Rees naast lusthuis en fabriek! Naast de ontelbre molentallen, Als het schoonste nog van allen. Als de vorsten van de Zaan! En wier wieken als de zwaan, Op uw breede zilvren vloeden, Statig zich door ’t luchtruim spoeden, Meten hunne cirkelbaan, Spieglend zich in ’t blank der Zaan.
Boven iedre olmenrij, Die u Zaan ter wederzij, Boort langs uwe kronkelingen, Komen zij te voorschijn dringen! Zich tot trotschen groep vergarend, Of in lange rij zich scharend; Sommige reeds ’t koeltje vangend, Andren weer den wind verlangend, Alle zeils in rood en geel, ’t Hekwerk langs, ontrold geheel; Straks met leêge wieken zwevend, En ’t Noord-Westen ruimte gevend, Of men kruist, of zeil geeft, zwicht. Wat een eenig trotsch gezicht! Waar de grooten statig zwieren, Kleinen hunnen lust botvieren, Om te zien eens of ’t Noord-West, Eindelijk ook tot zwichten prest.
Dat is schoonheid, Poëzie! ’t Is werk uwer energie, Zaanlanders, uw roem, uw glorie! Waar de Molens hun victorie, Met hun forsche wieken wuiven Als door ’t luchtruim henenstuiven. Als geen doek is overbodig, Heel de vlucht, al ’t zeil heeft noodig, Voor het pellen van de gerst, Eer volledig ’t hulsel berst. Wijl zij, die papier bereiden, Al eens zwichten tusschen beiden En de Poltrok op zijn vlucht! Reefde om ’t werken van de lucht. De oliemolen dubbel werkend, ’t Nadrend onweer lang reeds merkend, Met vier middellijnen slechts, Waagden het de omzicht’ge knechts.
Nog spreidt ge uwe kunst ten toon, Leeghwater, Corneliszoon, Waar die Colossussen rijzend, Schijnen ze uwe namen prijzend. Werd aan U de erinnering flauwer, „’t Juffertje”, „de Beer”, „de Kauwer”, En zoo velen, die tot heden, Staan nog van dat schoon verleden, Wenken naar die tijden weer, Toen gij en nog enkle meer, Gingt die groote Molens bouwen, Die als ’t sieraad der landouwen, Van ten Noorden ’t mastrijk IJ, Rezen allengs zij aan zij, Langs de dicht bebouwde boorden, Van de Zaan en omliggende oorden, Van het IJ tot Krommenie ’t Al de vrucht van uw genie.
Molens, die het kostlijk graan. Tot fijn meel vervormen gaan, Molens, die ook de oliezaden, Straks aan Duno’s boord geladen, Kneuzen in de staande steenen, Wand’lend over ’t doodsbed henen, Wijl de rad’ren boven snorren, Die de wind tot gang aanporren. Persen ’t vet uit de olievrucht, Wijl de stampers uit de lucht, Op de taaie keien vallen, En die slagen dav’rend schallen, Tot uit ’t meel, geheel en al, De olie dan geperst zijn zal. Waar naast Poltrok, Sundvall’s balken, Aangevoerd op lange tjalken, Uit het Noordsche dennenwoud Zaagt het prachtig timmerhout.
En de Houtzaagmolen dan, Ze in de scherpe zagen nam, Om nu uit het land der Glommen Bij de Gausta neergeklommen, Of om Nordlands sombre dalen, Naar de Zaanstreek af te dwalen, Eerst nog door ’t gebied der Fjorden, Voor de ruimt’ hun mocht geworden, Over Foss, langs Elf en Aa, Om dan eind’lijk vroeg of spâ. Met Schwarzwalder reuzeneiken, ’t Nijvre Zaanland te bereiken, Waar weldra ’t uitheemsche woud, Rijst in stapels timmerhout, Om vlug van de molenerven, Heengaan naar de timmerwerven, En van deel en plank en lat, Men bouwt kof en huis of stad.
Van uw roem drong eens de maar’, Tot het oor der Russen Czaar, Over tot den grooten Peter, Met zijn verziend oog en beter, Het bevroedend, dan de meesten Dat het licht van groote geesten, Een gansch volk tot gids moet strekken, En uit eeuwen nacht moest wekken. ’t Licht, de roem van u o Zaan! Trok der Russen Monarch aan, En hij werd als een der uwen. Zonder pik of teer te schuwen Werkte Peter Michaelof Slechts als knecht aan boot of kof, En een stulpje op de Zaankade, Wachtte hem vermoeid eerst spade, Zonder keizerlijke glimp, De Czaar Peter op „de Krimp.”[18]
[18] „de Krimp” de plaatselijke benaming, waar Czaar Peter logeerde.
VAN HUIS
Weg uit vaderlandsche beemden, Heen naar ’t land van verre vreemden; Weg van de effne weidevlakten, Waar wijd de Olmen zich vertakten, Strenglend zich, aaneengeregen, Over smalle kiezelwegen. Weg van uit den groenen Polder, Waar men op des woonhuis’ zolder, Staat nog eene span beneden, ’t Bruischend zeevlak, op dit heden. Weg van daar, van die landouwen, Waar slechts water is te aanschouwen, Met wat vakken groene weide, Hier en daar zoo tusschenbeide, Knotwilg, Iep en Populieren, Scheef gewaaid door zeewinds gieren. Met hun groen een Hoeve omzoomend Eenzaam van de stormen droomend, Uit wiens schuilhoek slechts de mensch zich waagt, Als zijn vee het hem noodzaak’lijk vraagt.
’t Effne van zijne onafzienbre velden, Kan als juist beeld, van zijn leven gelden, Met zijn breede vaarten, met zijn slooten, Lijnrecht door het groene veld geschoten; Juist berekend loopt daar ’t leven parallel, Mede en toch dat leven is hem zoet en wel. Kalm als ’t nauwelijks gerimpeld water, Dat niet weet van vallen of geklater, Maar slechts kent het trage langzaam vloeien, Langs een droomrig groepje bonte koeien, Naar den vijzel van twee Meters middellijn, Rondgevoerd door ’s Molens reuzenvlerken, Die het vocht als lichte veren opwaarts werken, Tot het Waterschap van water leeg zal zijn. Even kalm om er een beeld eens van te geven, Even rustig ongestoord, vloeit daar het leven. Of er dan geen schoon ligt in die weiden? Die den reis’ger uren begeleiden? Wien het groen van gras, vol bloemen, trokken, Wien de wijde vergezichten lokken, Niet zegt: dat alledaagsche ben ik reeds gewoon. Boeit het nuttige in vereeniging van ’t Schoon. Wien dat niet behage moge, wel! hij trekke, Heên, naar de Alpen opwaarts, en hij roepe, wekke, Aan de Jungfrau, de Lawine uit hare rust, Of hij hebbe eens ondernemingslust, Over ’t prachtig zeegroen van de gletschervloeren Met zijn gids aan koorden zich nu vast te snoeren. Wand’le naar ’t kou’ ijs omboord Zermatt! En bewondre Lyskamm’s zilvren piramide, Zoek’ met doodsgevaar daarheen het pad.... Een behouden wederkomst beneden biede Hem ’t geluk. En Wermuth, Edelweisz, Alpenrozen breng’ hij mee van zijne reis. En aanschouw van uit het dal het Alpengloeien! Hoe de kleuren weder allengskens vervloeien, En de schrikverwekkende eenzaamheid, Onherbergzaam zich er overspreidt.
Hoor! van Rijn’s veelbezochte groene kruinen, Hoe het jodlen, luide wederkaatst, Van de hoogste tot de laagste plaats, Tot Goldau op Rossbergs sombre bergenpuinen. Uit de veeren bij de opgang der zon! Van die bergenwereld eens te aanschouwen ’t Panorama van die Reuzen. Kon, Heerlijker Natuur haar schoonste schoon ontvouwen? Uri Rothstock en Pilatus, Berner Alpen! Welk een grootheid, welk een bergenpracht! Waar naast gletschers, sneeuwveld, zwarte klove, zacht, De Alm met Sennhut groent, vol vee; hoe zwalpen Meren Als een breede gordel om de bergen, In hun tooverachtig levend blauw. Hel afstekend bij der bergen grauw; En hoe grillig zij zich sling’ren, wenden, keeren, Voorwaarts, rugwaarts, _in_ en _om_ het dal. Hoor en zie! en sta voor Giessbachs val, Nadat ge in Lucern den gletschertuin, Een stuk aardgeschiedenis eens goed bewondert, Die _vreemd_ in dit heden, daar staat afgezonderd, Predikt: „’t nu is van ’t weleer: het puin.” Vierwoudstedenmeer! o waterpracht! Waaraan Waijgis, Gersau, Vitznau, lacht.
Daal dan weder af naar ’t Noorden; ’t Rijndal langs, tot aan de boorden, Waar ge uw thuis hebt, uwe dreven, Wend terug daarheen den steven, Want het heimwee wenkte u lang, U met smartelijken drang; Want de stilte van uw weiden, Want der vlakte eentoonigheid, Over ’t waterland gespreid, Kwam tersluiks eens tusschenbeiden, U herinn’ren dat uw Erf, Uw hofstede op hooge werf. Aan de lage Noordzeestranden, Voor hun kindren lustwaranden, ’t Dierbaarst bleef U toch op aarde, Wat voor schoons al ’t vreemde ook baarde!
DE BERGEN
Aarde’s hoogst’ de Bergen Die oprijzend, steeds, De bewondring vergen, Nog zoo verre, reeds. Waar ze in blauwe lijnen, Aan den horizont, Heerlijk schoon verschijnen, Half de kim in ’t rond. Naderbij gekomen, Ze indrukwekkend schoon, Half de lucht omzoomen, Oprijzend tot troon! Uit het vlak der aarde, Die ter eere Gods, Bij ’t begin hen baarde, Uit graniet en rots. Hem tot heilge altaren, In Zijn tempel, de aard; Waar ’t oog op kan staren; En de rust ontwaart, Die ver boven ’t slaven, Steeds naar boven trekt. Zich daaraan kan laven, Wat reeds rust verwekt!
Is ’t niet of zij heilig, Heilig, schijnen zij? Waar het harte veilig, Veilig wordt en vrij! Waar om ’t hoogst dier kruinen, Sprekende van vreê, Wolken hen omtuinen, Tot een veil’ge reê!
Ja als uitverkoren, Door Gods heiligheid, Om Hem te behooren. Zijn zij toebereid!
BERGIDYLLE
Wat is uw aanblik toch bekoorlijk, Ja Alpen eenig schoon! Waar zich de grootsche pracht der bergen, Getooid met witte kroon, Zich heerlijk spreidt ten toon!
En dan uw heldre blauwe meren, Waar over de azuurpracht, Te midden der bebloemde helling, Naast stille pijnenschaduwnacht, In kleur en rijkdom lacht!
Waar gletschers der juweelen luister, Verbergen in hun schoot! Waar ’t flonkrend schittrend Alpengloeien! Een stroom van stralen overgoot, Gewekt door vlammend avondrood.
Niet minder schoon is ’t, waar het beekje, Aan gletschers borst ontvloeid, De Sennhut groet, met zingend kabb’len, Als ’t ruitje in ’t Westerzontje gloeit, En ’t kuddeke uit de verte loeit!
MIJN GELUK
Een Landman ben ik klein van stand, Zooals in ’t algemeen men oordeelt. Mijn koningrijk is hof en land. Door ’t lot ben ik zoo goed bevoordeeld, Dat ik geen zorgen heb om brood; Om kort te gaan: ’t geen ’t lot mij bood, Is juist zooveel, als ik wel wensch: ’k Acht mij dus een gelukkig mensch.
Zoo menigeen tracht steeds naar meer, Naar hooger stand, naar meerder goedren Naar ’s werelds grootheid, rang of eer: Ach de onrust van zooveel gemoedren, Naar hoogheid of naar meerder winst. Is wat mij kwelt, het allerminst.
Mij boeit wat menigeen niet boeit: Ik ga mijn eigen gang door ’t leven, Schoon menig bloem, die voor mij bloeit, Een ander misschien is om ’t even. Voor ieder prijkt een bloem toch er, Voor ieder blinkt een held’re ster.
BUITENLEVEN
o Veldmans lot, te vergelijken, Niet bij een ander lot op aard! Uw veld, uw hof, uw eigen haard! De macht, de trots der Koningrijken, En hunne roem, hun grootheid, eer, ’t Is kinderspel er bij, niets meer.
Wie ziet vooruit, wie der partijen, In Monarchie of Republiek, Of morgen niet een and’re kliek, Vooraan komt staan, in de eerste rijen, En met een staatsgreep, onverwacht, ’t Bestaande, omver te werpen tracht?
Wie waarborgt u dan gunstelingen, Van macht en aanzien, die het lot, Of toeval eenmaal maakte tot Van de eersten in de hoogste kringen, Dat afgunst niet of haat of nijd, U weer ten val brengt, mettertijd?
Moog kruis of ordelint u sieren Voor moed, voor wetenschap, of kunst, Veranderlijk is ’s menschen gunst; Ach de afgunst wil zoo gaarne tieren, Waar deugd en waar verdienste bloeit, Maar ook de giftplant tusschen groeit!
Dat blijft wellicht bij al de kansen, Des dobbelspels: „zijn of niet zijn”. Der grootheid volle zonneschijn; Of eer, of roem, of laurierskransen, ’t Geen was uw leven, uwe vreugd, Uw Levens wit, droom uwer jeugd?
Als ’t al waaraan ge uw hart gingt hangen, U nevens uwen tred ontzinkt, Gij meent, dat geene straal meer blinkt, Die u van hoop spreekt en verlangen, En gij van ’s werelds klatergoud, Niets na ’t verguldsel overhoudt.
Vlei u dan aan den moederboezem, Van de Natuur, waar levenskracht En levensmoed opnieuw u wacht. Waar Hoop, als eene schoone bloesem, U tegenlacht, u tegenstraalt, En rust weer in uw harte daalt.
Daar wil de levensbron steeds vlieten, Daar woont de rust, steeds op den duur, Bij ’t altoos frissche van Natuur; Daar is het een gestaâg genieten, Bij afgepaste en juiste maat, Daar wars ze is van alle overdaad.
Bouw onder ’t altijd groen der Dennen, Dan u uw Tabernakel op! Hanteer er snoeimes, spade en schop; Gooi weg uw trots, uw inkt, uw pennen, Zonsondergangsschoon sla daar ga, Bij woudkoors heerlijkste Opera!
LANDLEVEN
Benijdenswaard, die laag gezeten, Zoo rustig op zijn eigendom, Wier veld en dreven van rondom, Hij, al het zijne steeds mag heeten! Zoodat nabij en in verschiet, Hij enkel eigen goed’ren ziet.
Waar ied’re boom op ied’re akker, Waar ieder plekje op ’t eigen erf, De boomgaard achter op de werf, Nog zijn herinnering roept wakker Aan buitgemaakten eierschat, Aan ’t zoet des booms, die volop zat.
Aan ’t vrolijk spel met buurman’s knapen, Wanneer de school vacantie gaf. Waar zijn zij? meest reeds in het graf: Waarvan in vreemde aarde slapen, Voor wien nooit de gelukster scheen, Wat is niet met hun leven heen!
Hem heugt het hoe zij samen stoeiden, Hoe zij ravotten; hun de tol, Was alles. Uitgelaten dol, Als halve wilden hun slechts boeiden, ’t Verstopperspel bij schemeruur, In kluis en hooiberg, hut en schuur!
En hoe dan soms weer tusschenbeide, ’t Gezelschap samen veldwaarts toog, Dat voor hun vliegers slechts had oog; En op de vrijst gelegen weide, Bij ’t doorslaand briesje van het noord, Er vieren lieten ’s vliegers koord.
Zulks kan de hooge kamp getuigen! Hoe hen verjoeg de oude overbuur; Weg bij het dorschen in zijn schuur; ’t Is of hij nog komt, de oude Huigen, Met vork en vlegel op hen af, Bestoven onder stof en kaf.
Nog menig paadje is er te ontdekken; En plekjes zijn er nog genoeg, _Waarlangs_, als hij hen dan verjoeg, _Waarheen_, naar nooit gevonden plekken, Zij zich verborgen, juist op tijd, In slop, bij hooi—of korenmijt.
En wie van hen dan ’t hardst kon loopen: ’t Was Jaap. Maar ’t listigste van al, (’t Is juist al hoort men nog een val,) Was kleine Dirk. Kon Buurman hopen, Hem ’t eerst te snappen, had Dirk niet, Zich laten vallen achter ’t riet.
Dan Klaas, die eed’le beste jongen, De goedheid zelf, een hart vol goud, Een jongen, flinker nooit aanschouwd. Dan Hans, bij wien zij slootjessprongen, Om wie van allen ’t verste kon, Dat morgens vroeg soms reeds begon.
Hans slechts, één van die speelgenooten. Bezit nog ’s Vaders hoede steeds; Is de oude nog, al telt hij reeds Een zestigtal. Blijft onverdroten, ’t Oog houden op zijn land en vee, Al werkt sinds kort hij niet meer meê.
En gaat hij dan zijn pijpje rooken, Bij Junimaands namiddagstond, Als ’t wetten van een zeis in ’t rond, De stilte alom slechts heeft verbroken. Geen Zefir in de Linde leeft, Slechts af en toe een vlinder zweeft.
Dan, op de zodenbank gezeten, Die bij de Lindestam verrijst, Wiens zwaarte op honderd jaren wijst, Schijnt hij het heden te vergeten! Dunkt me of nu zijn gedachtenkring, ’t Weleer, brengt in herinnering.
Vanaf de Lente van het leven, En tot en met den Zomer ook. Maar wat ging er niet op in rook! Wat zeker leek, scheen overdreven; En wie er altijd de eerste scheen, Ging eindlijk als de laatste heen.
Diep, ver weg in het grijs verleden, Is waarbij hij steeds ’t liefste blijft; Dat is wat altijd bovendrijft; Allengskens werd hem vreemd dit heden, ’t Is hem zoo zoet, al wat hem heugt, Van al de jaren zijner jeugd.
Dan denkt hij hoe op zeek’ren morgen, Een hunner Klaas, afwezig bleef, Bij ’t schoolgaan; en toen Piet, zijn neef, Zei: Dokter sprak, „heb dubble zorgen,” Tot zijne Moeder! dachten wij: Och morgen zeker! betert hij.
Maar hij kwam nooit weer mede spelen. Van mond tot mond ging ’t fluist’rend zacht, Bij allen langs: „in deze nacht (Hein ging het ons straks mededeelen,) Stierf Klaas”.—Wij namen voor zijn graf, Lang daarna nog de petten af.
Dan komt een traan er somtijds wellen, Diep uit het hart: een traan van rouw, Bij de herinn’ring aan de vrouw, Die tot voor kort hem mocht verzellen. Langs ’s levens smartevolle baan. Om hand aan hand haar af te gaan.
Dan wendt onwillekeurig immer, Hij zich, waar ’t kerkje in ’t groen verrijst, Als vingerwenk naar boven rijst, Maar toch vanwaar op aarde nimmer, Zij wederkeeren tot hem zal. Die voor hem was, zijn Een, zijn Al.
Toch zegt hij: ik, ik mag niet klagen. Bleef mij nog niet haar ander ik? Die nimmer meer is in haar schik, Dan ’s Vaders smart te helpen dragen; Wier lust zulks is, mijn zonneschijn! Mijn Kind, dat alles mij wil zijn!
Zoo leeft hij ’t liefst in het verleden, Waar alles een geschiedenis heeft; Dat met hem wegsterft, met hem leeft; Waar met zijn kring en lot tevreden, Hij naar verand’ring niet verlangt, Maar innig aan ’t „van vroeger,” hangt.
En waar de aloude goede zeden, Gewoonten, nagekomen steeds, Bij ’s levens vreugd, bij ’s levens leeds, Sinds eeuwen bleven tot op heden, Waaraan men vast met hand en tand, Hield, en bleef als van ouds in stand.
’t Palstaan, schraagt u bij ’t woên der tijden, Waar gij eene eigen meening nog, Er steeds op na houdt, niet in ’t zog, U blindlings met den stroom laat glijden, Gij koning op uw erf en land! Gij blijft mij ’t sieraad van uw stand!