Part 3
Verdwenen is hij aan de kim. In ’t Oosten rijst als eene schim, Met bleeken glans de volle maan, En de avondster begint haar baan. Haar schoonheid flonkert om het zeerst, Wijl zij thans ’t luchtgewelf beheerscht. Der aarde heerlijkheid verzinkt, Nu ’t des te meer van boven blinkt, En fonkelt, schittert glanst en gloeit, Dat uit het diepst des hemels vloeit.
Van waar, van waar, die heerlijkheid? Van waar, van waar, die majesteit? Van waar dat licht, van ster en zon? Van waar hun aller stralenbron? Van waar al die oneindigheid? Van waar die ruimte eens uitgebreid? Van waar ontstoken al die gloed? Die ’t menschlijk oog ontstellen doet?
Daar vlucht de laatste twijf’ling heen: Van de Almacht is ’t, van Haar alleen.
NAAR BOVEN!
Waar de rotswand loodrecht rijst. Tot die chaos, waar lawinen slapen; Naar der bergen kruin, vergrijsd, Door der eeuwen tijden; sinds zij zijn geschapen. Niet door jagers of toeristen, ooit betreên, Waar afgronden gapen, ja daar heen, daar heen!
Koningrijken aan zijn voet— Eens te aanschouwen, uit der wolken kolken Luchtig weefsel, waar de winter woedt, Steeds onafgebroken. Zien, van daar de volken, Slaven, zwoegen, sloven in hun daag’lijks zweet, Boven hunnen arbeid, moeite, vreugde en leed,
Te ademen in vrije sfeer! Daar, verwijderd, verre van, wat menschen, Steeds vol zelfzucht, nijd en eer, Trachten, denken, hand’len, doen en laten, wenschen, Om de zeepbel „Macht”, op Mammons gaven tuk, Naar het _ééne_, dat men noemt op aard „Geluk”.
O HAD IK OOK EEN LIED
Al wat ik zie is alles ’t mijne; Die velden links, die gronden rechts. Het zou volmaakt zijn, had ik nog nu, Dat hoekje daar, dien uitsprong slechts.
Dat is, wat mij maar altijd hindert; Want zie, dan was het afgerond; Dan was ’t al, binnen Buurmans bosschen, En ’t beekje binnen, mijne grond.
Dat hoekje grond wat ergernissen, Mij dat al gaf, steeds spade en vroeg! ’k Weet anders wel, dat buitendien toch, Ik gronden, landen heb genoeg!
En zie, ’t heeft eigenlijk geen waarde; Want brem en braamstruik, tekgras, hei, Zijn ’t, die daar woekeren om ’t zeerste. O! wat verschil bij mijn wei,
Wat heb ik er ook mede noodig; Een jaar of vijf goed aangetast, Gaan er meê weg, eer ik in ’t orde, Zoo als ’t behoort, heb toch alvast.
Maar evenwel! ’t is nu te krijgen; En wellicht nimmer eenmaal weêr. Dat hoekje nog, en daarmee basta! En dan geen verd’re wenschen meer.
Maar wat beduidt dat klokkenluiden; Nu op dit ongewone uur? ’t Schiet mij in ’t zin, ’t is van ’t begraven, Des neefs van mijnen overbuur.
’k Herinner mij hem, die zoo krachtig, Verleden daaglijks veldwaarts ging; Geheele dagen er soms toefde, En zoo aan zijn bezitting hing.
Die steeds ontgon en steeds vergrootte; Die altijd sprak van „mijn en dijn”; Die ’t werk „voor jaren” pas begon weêr. Wiens zal het zijn, wiens zal ’t nu zijn?
De klok zwijgt stil, een wildzang jubelt, Luid door de landelijke eenzaamheid. „Wat vraag ik toch naar geld of goed’ren Wanneer tevredenheid”....
Twee stemmen! Eene van het kerkhof! En een van volle levensvreugd! Eên ’t afscheid van zijn zwoegen, hopen; Eén, wien het leven nog verheugt.
Eén stem des eersten, wiens zal ’t wezen? Eén vroolijk lied uit ’s harten drang, Des tweeden; die zoo luid daar aanheft: „Mijn gansche schatten zijn mijn zang.”
Dus zingt de herdersknaap in schaduw. Van ’t haaz’laarsboschje op de eigen steê. Van ’t zoo begeerlijk hoekje grondstuk. Vol hartelust, ’t gemoed vol vreê.
o Kon ik ook zoo juichen, zingen! o Had ik ook zoo’n vroolijk lied! ’k Zou bijna herder willen wezen; ’k Kon zingen, en dan peinsde ik niet.
LATER
Als ik er niet meer ben. Groent als nu de weide. Even heerlijk, in smaragdkleur; Even schoon bloeit dan de heide; Kijkt uit elzengroen in Juni, Even lieflijk, even wit, Vlierstruiks bloemenschat. Dan rustig, Weer in ’t nest het vinkje zit.
Als ik er niet meer ben. Welft zich van einde, Tot einde, ’s hemels hoog gewelf, Even blauw, verre en heinde; Door goud, purper en rozenglans, Even betoovrend als thans, Prijken dan in regenboogkleuren, Wolken van af ’s Hemels trans!
Als ik er niet meer ben. Gaat steeds de winde, Voort, zich vertrouw’lijk te streng’len, Om ’t appelboompje dat ’k minde, Welks pit ik plantte in ’t voorjaar; Dat ik zag, als teêre plant, Welks kroon, vol vrucht, een omtrek thans, Van menige ellen omspant.
Als ik er niet meer ben, Zal ’t voorjaars bloeien, Terzelfder tijd, iedere Lente; En altijd door blijven groeien; Ook dan nog, als kort na dezen, Groen reeds woekert op mijn graf, En ’k vergeten ben van de aarde; Mijn stof verstrooid is als kaf.
Als ik er niet meer ben, Komt er gebloemte, Allengskens door ’t groene tapeet, Dat ik daarvoren juist noemde; Bloeit leven weer op, uit mijn stof. Wisselt de vorm, maar toch niet de kern, (Slechts de vorm, maar toch niet de kern,) In gestaâge kent’ring baart.
Misschien komt een naneef. Uit neev’lig verschiet der jaren, In het diepste van ’t geheugen, Iets schijnend te bewaren: Opraak’lend ’t stof, een er halve eeuw, Waaruit de herinnering In flauwen omtrek te voorschijn treedt. Wie hier eenmaal ter ruste ging.
FRIESLAND
Friesland, Land der vrije Friezen, Zijt gij thans maar nietig, klein, Moest gij veel, zeer veel verliezen, Sinds de machtige Romein, Hoorde in ’t midden zijner Grooten Dat in dapperheid en trouw, Nooit een zijner bondgenooten Friesland overtreffen zou!
Stoere Friezen, vrije Friezen! Vrijheid hebt ge in merg en been, Wat de tijd u deed verliezen, Wat met de eeuwen ook ging heen, Niet uw fierheid ging verloren, Niet uw schoone uw eigen taal, Die nog altijd, als te voren. Prijkt en pronkt in eigen praal.
Friezen! vloeit u bloed door de adren, Friezen van eertijds nog waard, Blijft het pronkstuk uwer vad’ren, ’t Erfstuk als uw eigen haard, Blijft het kweeken, voedstren, hoeden! Als uw allerdierst kleinood, En de liefde er voor steeds voeden, Maak uw schoone Taal weer groot.
Moog’ de tijdgeest er aan knagen, Wien geen heiligschennis deert, Hoed haar al uw levensdagen! Opdat Haar weer, gewaardeerd, Onze dier’bre Friesche Tale! Schoone, beet’re tijden wacht, Weer in de oude luister prale, In haar ongekende kracht!
FRIESLAND’S ROEM
Landje! aan ’s aardrijks eind vergeten, Nietig plekje dat ik meen, Dierbaarst Landje mij op aarde. Dat ik liefheb, dat alleen. Altijd blijft gij mij het eerste, Ligt gij ver, al zijt gij kleen, Gij zijt, luttel plekje op aarde, Me alles Landje! dat ik meen. Wat gij Friesland zijt, is eenig; Eenig, door uw eigen schoon. ’k Dank een gunstig Lot, dat mij dat Eenig plekje gaf ter woon.
Ziet! hoe zich meren rijgen aan meren, Blauwe oogen fonkelend in ’t smaragd, Van ons Frieslands kostelijke weiden, In hun eigendommelijke pracht.
Hoe zij slingeren in breede bogen, Zich, van Noordzee heen, tot Zuiderzee, Groetende onder ’t kabbelen en schuimen, Hofstêe, buurtschap, dorp en vlek en steê.
Hoe zij strengelen als met zilveren linten, Bont bebloemte landouw en wei hier. Aan des woudzooms heuvelen en bosschen, Alsof ’t nat een paarlensnoer lei hier.
Akkers golven en wiegelen in ’t êelste Klaverblankzoet, bij ’s boekweitswitpronk; Tarwe ’s mat goud, naast koolzaadsbloem geelste, En vlasbloems zacht blauwende oogenlonk.
Rijkdom en weelde en alles vol zegen, Springt er als ware het een fontein, Kwistig uit die zacht groenende weiden, ’t Blank van de melk, als zilver zoo rein.
Zwartbonte groepen, dart’len en grazen, In ’t frischsmaragd van ’t effene land; Waardig op ’t doek te worden vereeuwigd, Door eenen Potters kunstenaarshand. Gij op wat trits van mannen, edel En groot op elk gebied wier schedel De lauwerkrans des roems versiert, Met gouden letters der historie. Van zielenadel, eer en glorie, Vermeld genoemd, geacht, gevierd! Kunt gij ons dierbaar Friesland bogen! Al staan zij ons dan niet voor oogen: Een Gysbert Japix, Bolswards roem! De Halbertsma’s der Dichtren bloem, Uit Frieslands rijke dichtrengaarde! Gekweekt, gevoedsterd op Friesche aarde, Al waar ’t een tweelingsbroed’renpaar, Zij de eersten in die lange schaar.
Zijt trotsch op uwe groote zonen! Gij hebt o Friesland! bij hun tonen, Geluisterd, als ze in gullen Kout, In „Teltseltje en Rijm” verhalen,[3] Hier beurtlings zacht, daar weder stout; Als zij ons weten af te malen, Hoe ’t leeft in ’t Friesche waterland, Aan ’t meertje op de eigenerfde zathe, Vergeten aan der wereld rand, Waar rust en vrede in ruime mate. Bij allen eenvoud woonde. Daar Ligt de oorsprong van die schoone zangen, Waaraan zoo ’t Friesche hart blijft hangen, Der beide broeders, naast elkaâr! Wie schetst ons al de tafereelen, Van huiselijk geluk en leed? Die in die stille plekjes spelen, Op ’t ver gehucht. O wie vergeet. Die Winter met zijn „Liekeblommen!”[4] Die Winter in het Waterland. Maar hoe dat alles op te sommen, Waar ons ’t gevoel schier overmant, Waar tranen wellen ons in de oogen. ’k Voel diep mij in ’t gemoed bewogen, Bij ’t aaklig sterven van Marij,[5] Waar ’k luister naar hun lied. Hoe zij, Die Friesche Barden, beurtlings treuren, Ons leiden achter „Lokkes baar;[6] Sierd Annes lot, ons somber kleuren, Of roeren aan een blijden snaar, Hoe zij in luim en ernst ons boeien Tot al wat schoon is ons ontgloeien, Waarbij zoo treffend ’t Friesche lied, Zich in zijn kracht bewondren ziet,[7] ’k Moet toch nog ’t Kerstfeest met u vieren O Jonkerboer![8] ginds op „de Wieren”,[9] „De wite Flokken’[10] dwarr’len zien! Neen, al het schoone buitendien, Zoo schoon, in eigen pronk en praal, Van onze rijke Friesche taal!
Van uit het schoon van Bergums stede, Zong van der Meulen (Tjibbe Geerts) Die stof en taal zoo schoon beheerscht, Van Frieslands schoon ’t voorheen en heden. Waar Waling Dijkstra, Frieslands roem, Die ’k tegelijk met de eersten noem, Hoe ze aan zijn lippen blijven hangen Gij Friezen waar ’t schoon zijner zangen Het hart zoo treft als wonderkracht, Waar hij u voorzong, ’t boert of lacht.
[3] Gedichten en Verhalen der Broeders Halbertsma (_Rimen en Telseltjes fen ’e Broerren Halbertsma._)
[4] „_Liekeblommen_” (Leekstertakjes) prachtig aandoenlijk gedicht van E. Halbertsma.
[5] „Marij”, hoofdpersoon in de „Liekeblommen”.
[6] „_Lokke_” Friesche meisjesnaam.—
[7] „_Sierd Annes_” eigennaam.
[8] „Jonkerboer” adelijk Landman.—
[9] „De Wieren” Gehucht bij Terzool.
[10] „Witte Vlokken” Gedicht van E. Halbertsma („Wite Flokken”.)
Maar hoe hen allen op te noemen? Hen, wien wij eeren, wien wij roemen! U, Eelke Meinderts, Windsma, Blom, U, Sijtstra, ’t broederpaar „van Haren”. Die de eer der Geuzen op de baren, En ’t menschelijk leven zingen. Om Van zooveel andren niet te melden; Schotanus, Foeke Sjoerds hoe welden, Uit ’s Voortijds nevelig verschiet, Voor u Historie’s feiten niet!
U, mannen, die elk op zijn wijze. De wonderen van zon, van maan, Der sterrenhemel, op hun baan, Naspeurt, wat Friesch is, eere, prijze! U Eisinga en U Rienks saam! Luid klink’ toch aller grooten naam, Die de geschiedenis ons melden, Van Friesland’s groote letterhelden, Van hen, die door genie of Kunst, Steeds deelden in der Muzen gunst; Van wijsgeer, diepe denkers, Grooten, Van hart en geest, van zanger bard. Aan Frieslands stam zij de eerste loten; Den Fries ligt Friesland na aan ’t hart; Het blijft zijn groote Zonen eeren, Wat moog verand’ren, moog verkeeren.
HET LAND DER FRIEZEN
Het is bijna geen Land, Dat Landje aan ’t noorderstrand, En toch, ’tis ons een heiligdom, Zijn weiden zijn er even groen, De Oorijzers even schoon er om, Die de Friezinnen vrolijk doen, In ’t zon’licht schitt’ren onder kant.
’t Is nietig op de kaart, Daarom ons even waard; Zeer afgelegen, min bekend, Naar ’t noorden aan den Waddenzoom, Ver aan Europa’s uiterst end. Het lokt ook geen toeristenstroom, Toch blijft het eene schoone gaard.
Een enk’le vreemde komt; En ziet hij staat verstomd, Hij kwam, hij zag en hij, hij was Verwonnen, op het oogenblik, Nu hij in stee spreekt van moeras, In plaats van poel en schor en slik, Diens schoonheidspunten samensomt.
Verwonderd blijft hij staan! Hij vindt een tweede Kanaän, Hij vindt een tweede Paradijs, Van ’t schoonste en beste dezer aard. Toeft bij Oranjewoud en Rijs, Wijl hij van ’t eene op ’t and’re staart. Om al die schoonheid ga te slaan.
Het land van meer en wier, ’t Volk op zijne afkomst fier, Neêrleggend zeer veel op de schaal Van vrijheidsmin, van grootheid, deugd! Een volk met schoone en eigen taal, Wiens roem reeds menige eeuwen heugt, Dat land en volk wijd ik mijn lied.
OOSTERGOO[11]
Er ligt een Landje, hoog in ’t Noorden, Een landje in ’t Land[12] zoo groot van naam, Aan Sennaer, Donger, Ee, Gruits, Dreit, Langbeki’s boorden, Doorstrengeld en bewatrend, het oorspronkelijk saem! Het is een land vol heldre meren, Blauwoogig als zoovele dochtren van dat land, Als snoeren van saffier om ’t blonde zand, Die lagchend hen ’t bekranste hoofd met groen toekeeren, Waar Berk- en Eikewal der winden overmoed trotseren, Het zoomend met een looverrand.
[11] Oude Benaming voor Noordoostelijk Friesland.
[12] Friesland.
Stiefmoederlijk zijn niet die streken Bedeeld, maar met veel schoons bedacht! Wat kleur en geur, zelfs waterrozen in zijn kreeken, Wat wilderozeblos! wat hagedorenpracht! Aan woudzoom, Lijsterbeskoralen! Wat blijde boomgaardskleurenlach in meischenstond, Wat leeuw’riklied! wat lijsterzang in ’t rond! Wat donker loover en wat helder veldbloempralen! Waar naar de Zee allengskens ’t bodemvlak begint te dalen, Wat vruchtenschat op vetten grond!
Een Landje is ’t, min bekend bij vreemden, Zij gissen niets van zijn bestaan, Van zijne heldergroene en onafzienbre beemden; Zij zien het schoon van woud- en merenpracht niet aan; Zien ’t heerlijkst van zijn prachtlandouwen, De Zathe en Landen in hun afgerond geheel; Vol groepen vee in ’t bont, wat tafereel! Dat in het schoonst smaragd voor hen zich komt ontvouwen. Zij weten niet wat schoon, wat weelde alom er is te aanschouwen, De weide in groen, in rood, in geel!
Zij merken niet die ring van dijken In ’t vroolijk eenig waterland; Die gordel van helgroen, als grens dier groene rijken, De fiere Watermolen op hun „_hoogst_” geplant, In staâge strijd met meer en plassen; Die eindelijk voor goed toch overwinnaar werd, Steeds draaiende elkaar groetende uit de vert’! Als vruchtbre vlakten Sinaers, van uit moerassen, Een Eldorado tooverend; tot kostelijk land deed wassen! De toegang ’t water ziet versperd.
’t Wit Boekweitveld, de bruine heide! Waar langs zelfs de echte Scheper trekt; De honigzoete geur, het wit en bruin van beide, Tot in de scheemerende vert’ daar uitgestrekt. De nauwe Zandweg onder loover, Met varens sierlijk blad in ’t helgroen van het mos; De woudzoomloof! wat volle groene dosch! Door ’t ruischend bladgewelf op ’t wegje een lichtgetoover. Een warmtedamp van blauw in wazig licht de velden over; En Zangerke in ’t dicht kreupelbosch.
Het treft hen niet als ’t hen verveelde, Het Fjorden trotsche, aan Noorsche kust, De Maalstroom, Foss en Elf, de woeste rotsenweelde Waar ’t oog Sint Jansdag op de Noordkaap heeft gerust; Dat hoog getakte Linde, huiven, Van groen om ’t vriendlijk Landpaleis, beschermend spant; De Kievit jubelt door het waterland; Zich wiegt de Meerkol[13] in het plasje op golvenkuiven! Op hoogen zandgrond voor het Noord de roggebloesems stuiven! De Brem glimlacht aan akkersrand!
[13] Fulica Atra.
Zij kennen niet de stille vrede, De rust, die zelfgenoegzaamheid, Die zich onwillekeurig aan het hart deelt mede, Waar ’t graanveldruischen als van zelf tot vrede leidt. Daar waar de klei om ’t zout der baren, Haar nette dorpen bouwde als ’t ware in hare schoot, Nadat ze ’t zeegeweld in boeien sloot, Daar waar het rijksgebied behoort aan ’t rijk der aren, Macadams wegen zich langs Bouwheers residenties scharen, ’t Al de Olmensingel luwte bood.
Ze kennen, schoon ze in weinig dagen, De aard reisden om, dit toch _nog_ niet. Gesleept door ’t stoomros en door ’n zeekolos gedragen, Betitlend zelf zich met den naam: „Cosmopoliet”! Zij hebben lang hun land vergeten, Met al de zoete erinneringen hunner jeugd. Hun dierbaar Ouderhuis, hun kindervreugd. Een wandelende Jood met volle recht geheeten. Vol onrust voortgejaagd, gestaag naar hooge en lage breedten, Wien nooit _één_ uur van rust verheugt.
Wat vreugde alom! gij vreemdelingen! Bij zomervolksfeest moet gij ’t zien; Bij wintertijde als zij schaatsenrijden gingen! „Dat kleine Land dat leven zegt gij dan, misschien”.... „Heeft ook in zijne lage landen, Zijn stille Poëzie en zijn aantrekkelijkheid. En van Traditie en Historie breidt, Een lichtend waas van goud zich langs die verre stranden Die land en volk verbonden houdt met saamgesnoerde handen, Een rust die geen verandering beidt!”
Denk niet: een landje als der Maremmen Pontijnsch moeras aan Tibervloed, Dood Land, waar slechts des zaaiers en der oogsters stemmen. Men hoort en ’t werk voleindt er met bekwamen spoed; Neen! geen miasmen, die hier zweven, Hier niets onreins: de Noordzee wil haar sterkend bad, Gewillig uit haar overrijken schat, Met volle handen gaarne aan hulpbehoeft’gen geven, Maakt zenuwen van staal, geeft veerkracht weder tot nieuw leven, Als waar het een verjongingsbad.
En daar wat keur van dorpen, vlekken, Bij meer op terp, die ’t landschap dicht, Met forsche Molens, grijze torens, het bedekken, Als Hantum, Kollum, Bergum, Wartena er ligt. Die waterparel en zoovelen, En ’t schilderacht’ge stadje in ’t midden van dat al, Nog met zijn boomenkrans op vestingwal, Bij Bonifaciusfontein, zoo wel gelegen, Een kring van nette dorpen in een krans van groen geregen, Aan allen kant, in groot getal.
Toerist, torsch zware Alpenstokken, Van ’t dal naar ’t onherbergzaamst oord, Van Lysa Gora, Watzmann, Hexentanzplatz, Brocken, Van Fluelen, Jungfrau, Lyskamm, Schwarzhorn, enzoovoort. Het ijzer brandde er in die namen, Van bergenwildernis en dalenparadijs. Om Edelweisz en Alpenrozenprijs; De zware bergstok hield al die herinnerings samen, Zegt van wat schrik’lijk oord behouden gij en gids weerkwamen. Uit sneeuwwoestijn door ’t gletscherijs.
Welaan! zoekt gij nu juist gevaren? Trotseer dan hier ’t wild element; Steekt de Noordzee maar in en tart haar hooge baren, Als zij met Boreas ’t zeedijkbolwerk berent. Gedenk dan Peasens schipbreuk’lingen. En hebt gij straks genoeg van uw nomadentocht, Een romanesk grondhoekje aangekocht, Hier een Hectare gronds voor duizend zilverlingen. Bouw landverblijf met schuurtje er u, plant boomgaard en syringen, Dan vindt ge eens licht nog wat gij zocht.
Bouwwerken nog van grijze tijden, Die Voorgeslacht ge in ’t aanzijn riept Waar ’t Westergeesterkerkantiek wij aandacht wijden, Veenwoudens Stins en Rinsmageestm’er Kerk en Krypt. In Oudega de Vensterramen, Als van Gouda’s Sint Jan, hoewel op kleine schaal, Verrukkend ’s kenners oog door kleurenpraal, Wijl Noormansdeur en Steenenkunst te Murmerwoude samen, Met menig ander schoon in Frieslands Noordoosthoek beamen, De lof er van in steenen taal.
Dat Landje is ’t, met zijn lang verleden, Van toen, om have en ’t dak van stroo, Zijn inwoners met Noormannen, zeeschuimers streden, In ’t weergaloos schoon heerlijk landschap „Oostergoo”! Zijn Foeke Sjoerds, wiens schriften ons vermelden, Al wat voor eeuwen in ’t Oud Landschap is geschied, Hoe schoon schetst Eelke Meinderts, daar ons niet, ’t Volksleven, dat zijn schriften ons zoo _juist_ vertelden, En gij o Halbertsma’s, wier toonen ’t diepst der ziel ontwelden, Hoe leeft gij met ons in uw lied!
Kwam Noorman ’t strand niet verontrusten. Ooit in levende lijve er weer, En zonk ter Luine’s sterkte aan de open Noorderkusten, Door wapenkracht of door partijgeweld ter neer, Toch bleef men ’t oog naar ’t Noorden richten, Van waar een Noorman, als die van weleer, verwoed, Zijn stoute aanvallen op het landje doet, Maar ’t volk weerstaat zijn Blijden, Stormram en zijn schichten, Het maakt zich groot en grooter, rekt uit zich in al zijn gewrichten, Dringt hem terug nu voet voor voet.
Het gaat dat oogenblik bemerken, Terwijl de Noorman mijm’rend rust, Gelijk met saamgevouwen en vermoeide vlerken, De Zeemeeuw droomt op ’t slib van de verlaten kust. Maar eensklaps, ziet! daar! wat krioelen, Op ’t anders altijd eenzaam, bijna kleurloos strand, Die drommen heen en weerkeerend van ’t land; _Één_ wit voor oogen; immer alleen _een_ bedoelen, Een nieuw stuk wereld tooverend uit schor en kreek en poelen, ’t Nieuw-Kruisland, ’t Engwierumer Nieuwland.
FRIESLAND EN WEST-FRIESLAND NA DE DROOGLEGGING DER ZUIDERZEE
Mijn vaderland is ’t Polderland, Vanaf de Lauwers tot het duin, Forsch in den rug van Schoorl geplant, Hel blinkend met zijn blanke kruin. En dat riviertje in miniatuur,[14] Haast niets meer dan zijn ouden naam, Vat van den alouden Oosterbuur, Tot Zijpe, ’t vroeg’re Friesland sâam. Wel scheidt ons thans een breede zee, U Broed’ren van den overkant, De Fliestroom vloot slechts door ons land, Waar thans het zout op ’t zelfde stee, Met snellen loop en grootse hen zwier, Als onze stroom, als hoofdrivier.
[14] De Lauwers.
Wij zijn nog kind’ren van een stam, Ten nauwste met elkaâr verwant, Wij hebben meren, dijk en dam, Wij hebben gelijksoortig land; Wij hebben polders, klein en groot, Wij hebben meren drooggelegd. „Ontwater ons die plas, die sloot!” Oost, West, Zuid, Noord, zulks aangezegd. Wij hebben Molens opgebouwd, Met bijna dertig Meters vlucht, Als kantwerk rijzend in de lucht, Zoo kolossaal, als nooit aanschouwd, Wij gingen daarin zij aan zij, Dat kunstwerk deden gij en wij.
Wij hebben nog veel meer gemeen; Wie de akker prijst, de veeteelt roemt, ’t Landbouwbedrijf in ’t algemeen, Het schoonst’ van alle kunsten noemt, Die voelen wederkeerig zich, Steeds aangetrokken tot elkaar, Als één van zin, begeerig zich Met elkaar te onderhouden. Daar En hier leeft, fonkelt nog een sprank, Een zoo ietwat, nog buitendien, Te voorschijn tredend soms misschien, Een uiting: half vergeten klank, Die uit de tijden van weleer, Eens opdoemt voor een enk’len keer.
Ja Broed’ren zijn wij van één stam! Als ’t eens vergeten Flevomeer, Verondersteld zijn grens hernam, Komt West-Friesland tot Friesland weer, Wordt Frieslands grens weer Kenn’merland. Het eerbiedwaardig oud Kasteel, Van Radboud,[15] aan het Oosterstrand, Ziet dan het nooit gezien taf’reel, Uit Medemblik, hoe men ginds dijkt, De uiteinden nad’ren tot elkaâr, Van Oost en West een handenpaar, Nu ’t laatste water eind’lijk wijkt, Der Broeders van elks overkant, Weer reiken gaan de Broederhand.
[15] Te Medemblik.
NEDERLAND
Waar zich Rijn en Maas vertakten, Ligt het land van meer en vlakten. Hebben die rivieren Grooten, ’t Vast in hunnen arm gesloten. En waar ook de tweede Schelde, Hen op hunne tocht verzelde, Met nog enk’le verd’re brokken, Saam tot een geheel getrokken, En van binnen zand en heide, Nog een veenlaag tusschenbeide, Met het noord’lijk Waddenland, En ziedaar ons Nederland.
Zoo ten naastenbij de vreemden, Over onze groene beemden, Over onze pracht landouwen, Bij het vluchtige eerst aanschouwen, Water op en om in ’t ronde; Er door daaglijks haast te gronde. Dat in ’t etmaal tweemaal onder Niet gaat, lijkt het grootste wonder: Want het zeevlak bruischt hoog boven Huizen, landerijen, hoven, En toch leeft men schijnbaar daar, Rustig voort, bij ’t grootst gevaar.
’t Zij zoo in uw oog, niet anders Naar uw meening. Buitenlanders! Die steeds opzien naar uw rotsen, Vanwaar watervallen klotsen; Hoe U in ’t granietgesteente, Tegengrijnst, van de aard ’t gebeente; Of op rug of bergensplinter, U steeds toont uw zomer-winter. Roem gij zoo iets schoon en prachtig! ’k Noem uw bergnatuur halfslachtig, Waar het naaste berggezicht, Uren van uw berghut ligt.
’k Noem die schoonheid iets vreemdsoortig. Gij van uit zoo’n land geboortig, Kunt daar nauw’lijks buiten leven. U zij maar gelijk gegeven. Kunnen wij er mede instemmen, Waar die bergen ons beklemmen? Uwe hooggeroemde dalen, Zien slechts kort we in ’t zonlicht pralen, Daar ’t verstoppertje gaat spelen, Om geen gloed hun mee te deelen, Achter ’t breede bergenhoofd, Dat hun licht en warmte ontrooft.