Natuur en leven

Part 6

Chapter 6314 wordsPublic domain

„Ik uit mijn Kluisje zie ’t veld liever over, Tuur wat nieuwsgierig door het raam heen Half overwoekerd door ’t hangende loover, Dat van mijn wijnstok daalt naar beneên.”

„’k Monster de lucht eens of onder in ’t Zuiden, Ergens een wolkbank aan de kim schuilt Waarop in ’t Westen die laagwolken duiden, Of gauw ’t „Mooi weer” met bar weder ruilt.”

„’k Breng van mijn „Weerglas” ’t bestendige dalen, Dat op „Goed weer”, nog gisteren stond; Sedert toen „_zakte_” maar steeds zonder dralen, Meê in ’t verband, nu ’t West ik zoo vond.”

„Ik heb er mij erg al over verwonderd, Dat al nabij „Veranderlijk” ’t was; ’k Wil er op wedden, dat spoedig het dondert, Of wind met vocht, voorspelt mij het glas.”

„’t Is een genot zulks te wikken of wegen, Wikken de kans van _neen_ of van _ja!_ Ge zegt licht: wat is daaraan toch gelegen, Waarom gaat gij dat alles zoo na?”

„Gij houdt van menschen: hun drijven, hun woelen, Is uwe wereld, de mijne is ’t niet; Gij hebt geen hart, voor wat ik kan gevoelen, Waar ’t buitenleven, vreugd slechts mij biedt.”

„Ik denk mij weg en wereld en menschen, ’k Zoek mij mijn stulp, dat ik de eenzaamheid Wijdde, die ’k bouwde aan mijn eigendom’s grenzen, Lijkende iets op de „Kleihut” van Feith.”

„Dat trekt mijne aandacht als ik van den heuvel, Goed eens de kimmen wil gadeslaan; Of ’k wandel verder bij ’t rustloos gekeuvel, Van beekjes nat, of ’k zie ’t roggeveld aan.”

„Wel kan ’k mij hier aan aard ’s eindpaal toch meenen; Steed’ling, met al wat „leven” gij heet, Ging met mijn „Landleven” voor goed wel henen. Maar ik heb vrede en rust daarvoor beet!”

„Wil ’t in navolging van mij eens beproeven; ’t Heeft zijn reden dat ik er van houd; ’k Wed: gij verklaart nog: „beproeven, behoeven”, Echtheid ruilt gij voor bont klatergoud.”