Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 9

Chapter 93,855 wordsPublic domain

Onze beschikkingen voor den nacht waren zeer eenvoudig: al het beddegoed bestond uit eene reisdeken, waarin wij ons rolden. Wij hadden geene koude noch een lastig bezoek te duchten. De reizigers, die zich diep in de woestijnen van Afrika of in de wouden der nieuwe wereld wagen, zijn verplicht om ieder op zijne beurt elkander gedurende den slaap te bewaken; maar hier heerschten eene ongestoorde eenzaamheid en volkomene veiligheid. Wilden noch verscheurende dieren, geen enkele van die kwaaddoende soorten, behoefden wij te vreezen.

Den volgenden morgen werden wij frisch en opgeruimd wakker en gingen weder op weg over eene lavabaan gelijk den vorigen dag. Het was onmogelijk om den aard der gronden, waar zij door heen liep, te onderkennen. In plaats dat de tunnel naar de ingewanden der aarde leidde, had hij veeleer eene neiging om geheel waterpas te worden. Ik meende zelfs op te merken, dat hij weder naar de oppervlakte der aarde steeg. Deze neiging werd des morgens omtrent tien uur zoo in het oog loopend en bij gevolg zoo vermoeiend, dat ik verplicht was mijn tred te matigen.

"Wat scheelt er aan, Axel?" zeide de professor ongeduldig.

"Wat er aan scheelt? dat ik niet verder kan", antwoordde ik.

"Hoe! na eene wandeling van drie uur over zulk een gemakkelijken weg."

"Ik ontken niet, dat hij gemakkelijk is, maar hij is hoogst vermoeiend ook."

"Wat! en wij behoeven slechts te dalen!"

"Te klimmen met uw welnemen!"

"Te klimmen!" zeide mijn oom, zijne schouders ophalende.

"Ongetwijfeld. Sedert een half uur is de helling veranderd en als wij zoo voortgaan, komen wij zeker op IJsland terug."

De professor schudde zijn hoofd als iemand, die niet overtuigd wil worden. Ik trachtte het gesprek weder aan te knoopen: maar hij antwoordde mij niet, en gaf het teeken tot het vertrek. Ik zag wel, dat zijn stilzwijgen niets anders was dan ingehouden kwaadheid.

Ik had intusschen mijn pak met nieuwen moed weder opgenomen en volgde snel Hans, die door mijn oom werd voorgegaan. Ik wilde ongaarne achterblijven; mijne grootste zorg was mijne makkers niet uit het oog te verliezen. Ik sidderde bij de gedachte van in de diepte van dezen doolhof te verdwalen.

Al werd de stijgende weg ook moeielijker, zoo troostte ik mij daarmede, dat hij mij dichter bracht bij de oppervlakte der aarde en bij mijne lieve Gräuben. Dat was een aangenaam vooruitzicht, dat bij iederen tred bevestigd werd.

Te twaalf uur veranderde het voorkomen van de wanden der galerij. Ik bemerkte het aan de verzwakking van het door de muren weerkaatste electrische licht. Op de bekleeding met lava volgde onvermengde rots, bestaande uit hellende en dikwijls loodrecht hangende lagen. Wij waren in het overgangstijdperk, de silurische vorming. [8]

"Het is duidelijk," riep ik, "het bezinksel van het water heeft in het tweede tijdperk der aarde dezen schiefer, dezen kalksteen en dezen zandsteen gevormd! Wij keeren den rug toe aan het massieve graniet! Wij gelijken op Hamburgers, die over Hanover naar Lubeck gaan!"

Ik had mijne waarneming wel voor mij mogen houden. Maar mijne drift als geoloog won het van de voorzichtigheid en oom Lidenbrock hoorde mijne uitroepen.

"Wat scheelt u toch?" zeide hij.

"Zie eens!" antwoordde ik, hem de afwisseling van zand- en kalksteen en de eerste kenteekenen der leigronden wijzende.

"Welnu?"

"Wij zijn in het tijdperk gekomen, waarin de eerste planten en dieren verschenen!"

"Denkt gij dat?"

"Zie, onderzoek, neem zelf waar!"

Ik dwong den professor om met zijne lamp langs de wanden der galerij te gaan. Ik rekende op den een of anderen uitroep van hem. Maar in plaats daarvan sprak hij geen woord en vervolgde zijn weg.

Had hij mij al dan niet begrepen? Wilde hij ten gevolge van zijne eigenliefde als oom en geleerde niet erkennen, dat hij zich bedrogen had in de keus van den oostelijken tunnel, of stond hij er op om dien weg tot het einde toe te onderzoeken? Het was duidelijk, dat wij den weg van de lava hadden verlaten en dat dit pad niet naar den haard van den Sneffels kon leiden.

Toch vroeg ik mij af, of ik niet te veel gewicht hechtte aan deze verandering van grond. Bedroog ik mij niet? Gingen wij wezenlijk door steenlagen, die zich boven het massieve graniet bevinden?

"Als ik gelijk heb," dacht ik, "moet ik eenige overblijfselen van voorwereldlijke planten vinden en dan zal hij de waarheid niet langer kunnen ontkennen. Ik wil zoeken."

Ik was nog geen honderd schreden verder of onbetwistbare bewijzen vertoonden zich aan mijn oog. Dat moest ook zoo wezen, want in het silurische tijdvak bevatten de zeeën meer dan vijftien honderd plant- en diersoorten. Mijne aan den harden lavagrond gewende voeten betraden eensklaps een uit overblijfselen van planten en schelpen bestaand stof. Op de wanden zag men duidelijk indrukken van zeewier en wolfsklauw; professor Lidenbrock kon zich er niet in vergissen, maar hij sloot, denk ik, zijne oogen en ging met vasten tred voort.

Dit mocht wel heeten de stijfhoofdigheid tot het uiterste te drijven. Ik kon het niet langer uithouden. Ik raapte eene ongeschondene schelp op, die toebehoord had aan een dier, dat bijna geleek op de tegenwoordige pissebed, voegde mij toen bij mijn oom en zeide:

"Zie eens!"

"Welnu," antwoordde hij bedaard, "dat is de schelp van een dier van de uitgestorven orde der Triboliten. Anders niet."

"Maar besluit gij daaruit niet?..."

"Wat gij zelf er uit besluit? Ja zeker. Wij hebben de granietlaag en den weg der lava verlaten. Het is mogelijk, dat ik mij vergist heb; maar ik zal niet zeker zijn van mijne dwaling voor ik het einde dezer galerij bereikt heb."

"Gij hebt gelijk, dat gij zoo handelt, oom! en ik zou het zeer goedkeuren, zoo wij geen hoe langer hoe dreigender gevaar te vreezen hadden."

"En dat is?"

"Gebrek aan water."

"Welnu! dan zullen wij ons op rantsoen stellen, Axel!"

HOOFDSTUK XX

Grondgesteldheid.--Teleurgestelde hoop.--Steenkolen.--Oorsprong der steenkolen.--Vergeefsche tocht.

Wij moesten ons inderdaad op rantsoen stellen. Onze voorraad kon nog maar drie dagen duren. Dat zag ik des avonds, toen wij gingen eten. En, droevig vooruitzicht! wij hadden weinig hoop eenige waterbron te ontmoeten in deze gronden van het overgangstijdperk.

Den geheelen dag door vertoonde de galerij voor ons uit hare eindelooze kruisbogen. Wij liepen zonder bijna een woord te spreken. De stilzwijgendheid van Hans stak ons aan.

De weg klom niet meer, ten minste niet merkbaar, soms scheen hij zelfs te dalen. Maar deze niet zeer in het oog loopende neiging kon den professor niet gerust stellen, want de aard der lagen veranderde niet en het overgangstijdperk werd telkens duidelijker.

Het electrische licht deed den schiefer, den kalksteen en de oude roode zandsteenen der wanden prachtig vonkelen; men zou gemeend hebben zich in eene geopende loopgraaf in het midden van Devonshire te bevinden, dat zijn naam aan deze soort van gronden gaf. Prachtige marmerblokken bekleedden de muren; sommige waren agaatkleurig grijs met witte grillig zich slingerende aderen, andere inkarnaatkleurig of geel met roode vlekken, verder zag men stalen van die donkerkleurige marmersoorten, waartusschen de levendige verven van den kalksteen uitkwamen.

De meeste dezer marmerblokken vertoonden indruksels van voorwereldlijke dieren; maar sedert den vorigen avond had de schepping eene groote schrede voorwaarts gedaan. In plaats van de onvolkomene Trilobiten bemerkte ik overblijfsels eener volmaakte orde; o.a. Ganoïden [9] en die Sauropteris, waarin het oog van den kenner der voorwereldlijke organische schepping de eerste vormen van het kruipende dier heeft weten te herkennen. De devonische zeeën werden bewoond door een groot aantal dieren van die soort, die zij bij duizenden achterlieten op de rotsen der nieuwe vorming.

Het werd stellig zeker, dat wij de ladder van het dierlijke leven, op wier hoogste sport de mensch staat, weder opklommen. Maar professor Lidenbrock scheen er geen acht op te slaan.

Hij verwachtte twee dingen: of dat een loodrechte put zich onder zijne voeten opende en hem veroorloofde om weder te dalen, òf dat een hinderpaal hem belette verder op dezen weg voort te gaan. Maar het werd avond, zonder dat deze hoop vervuld werd.

Des vrijdags, na een nacht waarin ik de kwellingen van den dorst begon te gevoelen, drong onze kleine troep nog verder door op de kronkelpaden der galerij.

Na een tocht van tien uur bemerkte ik, dat de weerschijn onzer lampen op de wanden sterk verminderde. Het marmer, de schiefer, de kalksteen, de zandsteen der muren maakten plaats vooreen donker en dof bekleedsel. Op een punt, waarop de tunnel zeer smal werd, leunde ik tegen den wand.

Toen ik mijne hand wegtrok, was zij pikzwart. Ik keek wat nauwkeuriger. Wij waren in eene kolenlaag.

"Een kolenmijn!" riep ik uit.

"Een mijn zonder mijnwerkers", antwoordde mijn oom.

"Wie weet?"

"Ik weet het", antwoordde mijn oom kortaf, "en ik ben zeker dat deze galerij niet door menschenhanden door deze kolenbeddingen gegraven is. Maar het komt er weinig op aan, of het al dan niet het werk der natuur is. De tijd voor het avondeten is gekomen. Laten wij gaan eten."

Hans bereidde eenige spijzen. Ik at nauwelijks en dronk de weinige droppelen water, die mijn rantsoen uitmaakten. De half gevulde waterflesch van den gids was alles, wat er overbleef om den dorst van drie menschen te stillen.

Na hun maaltijd strekten mijne beide metgezellen zich op hunne dekens uit en vonden zij in den slaap een herstellingsmiddel voor hunne vermoeienissen. Ik echter kon niet en telde de uren tot den morgenstond.

Om zes uur des Zaterdags vertrokken wij weder. Twintig minuten later kwamen wij aan een uitgestrekt hol; ik zag nu in, dat de hand des menschen deze kolenmijn niet bewerkt kon hebben; anders zouden de gewelven geschoord zijn, die nu slechts, als het ware, door een wonder bleven staan.

Deze soort van spelonk was honderd voet breed en honderd vijftig voet hoog. De grond was met geweld vaneen gescheurd door eene onderaardsche schudding. De stevige aardschors, voor den een of anderen hevigen schok wijkende, was uit haar verband gerukt en had deze uitgestrekte ledige ruimte achtergelaten, waarin aardbewoners voor de eerste maal doordrongen.

De geheele geschiedenis der steenkolenvorming was op deze donkere wanden geschreven en een geoloog kon hare verschillende tijdperken er gemakkelijk op volgen. De kolenbeddingen waren gescheiden, door samengedrukte lagen zandsteen of klei, en als het ware verpletterd door de bovenste lagen.

In den tijd van het bestaan der aarde, die de secundaire vorming voorafging, bedekte de aarde zich met een verbazenden plantengroei, die zijn ontstaan te danken had aan de dubbele werking eener keerkringswarmte en eener bestendige vochtigheid. Eene zee van dampen omringde den geheelen aardbol en bedekte hem nog voor de stralen der zon.

Daaruit leidt men af, dat de hooge warmtegraad niet voortkwam uit dezen nieuwen vuurhaard; misschien zelfs was de fakkel van den dag nog niet geschikt om hare schitterende rol te spelen. De "luchtstreken" bestonden nog niet, en eene verschroeiende hitte, die aan den evenaar en de polen gelijk was, heerschte over de geheele oppervlakte van den aardbol. Waaruit ontstond zij? Uit het binnenste van den bol.

In spijt van de theoriën van professor Lidenbrock blaakte er een geweldig vuur in de ingewanden van den langwerpig ronden bol; de werking er van was voelbaar tot in de buitenste lagen der aardschors; de planten, van de weldadige uitstralingen der zon beroofd, gaven bloemen noch geuren, maar hare wortels putten een krachtig leven uit de brandende gronden der eerste dagen.

Er waren weinig boomen, alleen kruidachtige planten, verbazende grasgewassen, varens, wolfsklauwen, zegel- en sterrenplanten, zonderlinge familiën, wier soorten toen bij duizenden geteld werden.

Aan dezen buitensporigen plantengroei heeft de steenkool juist haar ontstaan te danken. De nog veerkrachtige aardschors gehoorzaamde aan de bewegingen der vloeibare massa, die zij bedekte. Daaruit ontstonden talrijke scheuren en verzakkingen; de planten onder het water bedolven vormden allengs aanzienlijke ophoopingen.

Toen kwam de scheikundige werking der natuur tusschen beiden; op den bodem der zeeën werden de plantenmassaas eerst turf; later ondergingen zij door den invloed der gassen en door de hitte der gisting eene volkomene verandering in delfstoffen.

Zoo ontstonden die onmetelijke kolenlagen, die zelfs na vele eeuwen nog niet uitgeput zullen zijn door het verbruik van alle volken.

Deze gedachten rezen bij mij op, toen ik den steenkolen-rijkdom, in dit gedeelte der aarde opeengehoopt, beschouwde. Hij zal ongetwijfeld nooit bloot komen. De bewerking dezer diepe mijnen zou te aanzienlijke offers eischen. Waartoe zou het vooreerst ook noodig zijn, daar de steenkool in vele landen, om zoo te zeggen, op de oppervlakte der aarde verspreid is? In den toestand waarin ik deze onaangeroerde lagen zag, zullen zij wellicht nog verkeeren, als het laatste uur der wereld slaat.

Intusschen liepen wij door en ik alleen vergat de lengte van den weg om mij te verdiepen in mijne geologische overpeinzingen. De warmtegraad bleef dezelfde, als toen onze weg door lava en schiefer leidde. Alleen werd mijn reukorgaan sterk geprikkeld door den geur van koolwaterstofgas. Ik ontdekte terstond in deze galerij de aanwezigheid van eene aanzienlijke hoeveelheid van die gevaarlijke luchtsoort, waaraan de mijnwerkers den naam van "grisou" [10] gegeven hebben en welker ontploffing zoo menigmaal ontzettende rampen heeft veroorzaakt.

Gelukkig werden wij verlicht door de vernuftige toestellen van Ruhmkorff. Zoo wij bij ongeluk deze galerij onvoorzichtig onderzocht hadden met toortsen in de hand, dan zou eene verschrikkelijke ontploffing een einde hebben gemaakt aan de reis, door de reizigers te vernietigen.

Dit uitstapje in de kolenmijn duurde tot den avond. Mijn oom bedwong met moeite het ongeduld, dat de waterpasse richting van den weg hem veroorzaakte. De op een afstand van twintig schreden ondoordringbare duisternis belette de lengte van de galerij te schatten, en ik begon reeds te denken, dat er geen einde aan zou komen, toen wij onverwacht, te zes uur, voor een muur stonden. Rechts, links, omhoog, omlaag, nergens was een uitgang. Wij waren aan het einde eener blinde straat.

"Welnu, des te beter!" riep mijn oom, "nu weet ik ten minste, waaraan ik mij te houden heb. Wij zijn niet op den weg van Saknussemm, en er schiet ons niets anders over dan terug te keeren. Wij zullen een nacht rust nemen en binnen drie dagen zullen wij het punt bereikt hebben, waar de twee galerijen zich scheiden!"

"Ja", zeide ik, "als wij er de kracht toe hebben!"

"En waarom niet?"

"Omdat morgen al het water op zal zijn."

"En zal de moed u dan begeven?" sprak de professor, mij met een strengen blik aanziende.

Ik durfde hem niet antwoorden.

HOOFDSTUK XXI

Gemoedsgesteldheid.--Opoffering van den professor.--Spanning. --Columbus nagevolgd.

Den volgenden morgen zeer vroeg vertrokken wij. Wij moesten ons haasten; want wij waren vijf dagreizen van den kruisweg af.

Ik zal niet uitweiden over het lijden op onzen terugtocht. Mijn oom verdroeg het met den toorn van een man, die gevoelt dat hij de sterkste niet is; Hans met de lijdzaamheid van zijn onderworpen aard; ik, gaarne beken ik het, morrende en wanhopende, daar ik mij niet moedig tegen dit ongeval kon verzetten.

Zooals ik voorzien had was het water geheel op tegen het einde van de eerste dagreis; al onze drank bestond dus alleen uit jenever; maar dat helsche vocht verbrandde de keel en ik kon er zelfs het gezicht niet van verdragen. Ik vond de warmte verstikkend, de vermoeidheid verlamde mij. Meer dan eens viel ik bijna bewegingloos neder. Dan hield men halt; mijn oom en de IJslander brachten mij zoo goed mogelijk weder bij. Maar ik zag reeds, dat de eerste zich met de grootste inspanning verzette tegen de buitengewone vermoeidheid en de kwellingen, die uit het gebrek aan water ontstonden. Op Dinsdag, den 8sten Juli, kwamen wij eindelijk, op knieën en handen voortkruipende, halfdood bij het vereenigingspunt der beide galerijen. Daar bleef ik als een levenlooze klomp op den lavabodem liggen. Het was des morgens te tien uur.

Hans en mijn oom poogden tegen den wand leunende aan eenige stukjes beschuit te knabbelen. Lange zuchten kwamen over mijne gezwollene lippen. Ik verviel in eene diepe bewusteloosheid.

Na verloop van eenigen tijd naderde mijn oom mij en nam mij in zijne armen.

"Arm kind!" mompelde hij op den toon van innig medelijden. Ik werd door die woorden getroffen, daar ik niet gewoon was aan de vriendelijkheid van den norschen professor. Ik nam zijne bevende handen in de mijnen. Hij liet mij begaan, terwijl hij mij aanzag. Zijne oogen waren vochtig.

Nu zag ik hem de waterflesch nemen, die aan zijne zijde hing. Tot mijne groote verbazing bracht hij ze aan mijne lippen. "Drink!" zeide hij.

Had ik goed verstaan? Was mijn oom gek? Ik zag hem met een verstompt gelaat aan. Ik wilde hem niet begrijpen. "Drink!" herhaalde hij.

En zijne waterflesch optillende ledigde hij ze geheel tusschen mijne lippen.

O, onuitsprekelijk genot! een enkele mondvol water bevochtigde mijn brandend heeten mond, maar hij was voldoende om het reeds vluchtende leven in mij terug te roepen.

Ik dankte mijn oom met gevouwen handen.

"Ja!" zeide hij, "een mondvol water! de laatste! hoort gij wel? de laatste! Ik had hem zuinig bewaard op den bodem mijner flesch. Twintig, honderdmaal heb ik de ontzettende begeerte om hem te drinken moeten overwinnen! Maar neen, Axel! ik bewaarde hem voor u!"

"Oom!" mompelde ik, terwijl groote tranen mijne oogen bevochtigden.

"Ja, arm kind! ik wist dat gij bij uwe komst aan dezen kruisweg half dood zoudt nedervallen, en ik heb mijne laatste droppelen water gespaard om u weder bij te brengen."

"Dank! dank!" riep ik.

Hoewel mijn dorst nog niet geheel gestild was, had ik toch eenige kracht herkregen. De tot nu toe samengetrokken keelspieren werden ontspannen, de ontsteking mijner lippen was verzacht. Ik kon spreken.

"Wij kunnen nu," zeide ik, "nog slechts één besluit nemen; wij hebben gebrek aan water: wij moeten op onze schreden terugkeeren."

Terwijl ik zoo sprak, zag mijn oom mij niet aan; hij boog zijn hoofd; zijne blikken ontweken de mijnen.

"Wij moeten terugkeeren," riep ik, "en den weg naar den Sneffels weder inslaan. God schenke ons de noodige krachten om weder naar den rand van den krater te klimmen!"

"Terugkeeren!" zeide mijn oom op een toon, als of hij eerder zich zelven dan mij antwoordde.

"Ja, terugkeeren en wel zonder een oogenblik te verliezen."

Nu volgde een vrij lang stilzwijgen.

"Zoo hebben dan, Axel!" hernam de professor op een vreemden toon, "deze enkele droppelen waters u geen moed en vastberadenheid geschonken?"

"Moed!"

"Ik zie u nog even ternedergeslagen als van te voren en nog spreekt gij wanhopende taal!"

Met welk een man had ik toch te doen en welke plannen vormde zijn stoutmoedige geest nu nog?

"Hoe! wilt gij dan niet?...."

"Van deze onderneming afzien op het oogenblik, dat alles een goeden uitslag voorspelt? Nooit!"

"Moeten wij ons dan voorbereiden om te sterven?"

"Neen, Axel! neen! vertrek. Ik wil uw dood niet! Laat Hans u vergezellen. Laat mij alleen!"

"U verlaten!"

"Laat mij alleen, zeg ik u! Ik ben deze reis begonnen, ik zal haar tot het einde volbrengen of niet terugkeeren. Ga heen, Axel, ga heen!"

Mijn oom was, zoo sprekende, in een uiterst opgewonden toestand. Zijne stem, die een oogenblik aangedaan was geweest, werd weder ruw en dreigend. Hij worstelde met eene sombere geestkracht tegen het onmogelijke! Ik wilde hem niet achterlaten op den bodem van dezen afgrond, en aan den anderen kant spoorde de zucht tot zelfbehoud mij aan om hem te ontvluchten.

De gids woonde dit tooneel met zijne gewone onverschilligheid bij. Hij begreep echter wel, wat er tusschen zijne beide reisgenooten plaats had; onze gebaren wezen genoeg den verschillenden weg aan, waarop ieder onzer den anderen trachtte mede te troonen; maar Hans scheen weinig belang te stellen in de vraag, waarbij zijn leven op het spel stond; hij was gereed om te vertrekken, als het sein daartoe werd gegeven, gereed ook om te blijven, als zijn meester het verlangde. Had ik mij nu maar verstaanbaar voor hem kunnen uitdrukken! Mijne woorden, mijne zuchten, mijn toon zouden dit koele schepsel geroerd hebben. Die gevaren, welke de gids niet scheen te vermoeden, zou ik hem aan het verstand gebracht hebben en doen voelen en tasten. Met ons beiden zouden wij misschien den stijf hoofdigen professor overtuigd hebben. Des noods zouden wij hem gedwongen hebben om naar den top van den Sneffels terug te keeren!

Ik naderde Hans. Ik legde mijne hand op de zijne. Hij verroerde zich niet. Ik wees hem den weg naar den krater. Hij bleef onbeweeglijk staan. Mijn ontsteld gelaat drukte genoeg uit wat ik leed. De IJslander schudde zacht het hoofd en heel bedaard op mijn oom wijzende, zeide hij: "Master!"

"De meester!" riep ik, "neen, zinnelooze! hij is geen meester over uw leven! gij moet vluchten! gij moet hem medeslepen! hoort gij mij? begrijpt gij mij?"

Ik had Hans bij den arm genomen. Ik wilde hem dwingen om op te staan. Ik worstelde met hem. Mijn oom kwam tusschen beiden.

"Bedaar, Axel!" zeide hij. "Gij zult niets gedaan krijgen van dezen koelbloedigen dienaar. Luister dus naar hetgeen ik u wil voorstellen."

Ik sloeg de armen over elkaar en zag mijn oom stijf in het gezicht.

"Gebrek aan water alleen," zeide hij, "legt een hinderpaal in den weg aan de volvoering mijner plannen. In deze oostelijke galerij, uit lava, schiefer en steenkolen bestaande, hebben wij geen enkelen droppel vocht aangetroffen. Het is mogelijk, dat wij gelukkiger zullen zijn, als wij den westelijken tunnel volgen.

Ik schudde mijn hoofd met een zeer ongeloovig gelaat.

"Hoor mij tot het einde toe aan," hernam de professor zijne stem verheffende. "Terwijl gij daar bewusteloos laagt, ben ik de inrichting dezer galerij gaan verkennen. Zij dringt rechtstreeks in de ingewanden der aarde, en binnen weinige uren zal zij ons tot het massieve graniet voeren. Daar moeten wij overvloedige bronnen aantreffen. De aard der steensoort wil het zoo, en de hoop is het met de logica eens om mijne overtuiging te ondersteunen. Ziehier nu wat ik u heb voor te stellen. Toen Columbus drie dagen vroeg aan zijn scheepsvolk om nieuwe landen te vinden, lieten zijne zieke en beangstigde schepelingen toch recht wedervaren aan zijn verzoek en--hij heeft de nieuwe wereld ontdekt. Ik, de Columbus dezer onderaardsche gewesten, vraag u nog maar één dag. Als ik na verloop van dien tijd het ons ontbrekende water nog niet aangetroffen heb, dan, ik zweer het u, zullen wij naar de oppervlakte der aarde terugkeeren."

In spijt van mijne verbittering was ik aangedaan door deze woorden en door het geweld, dat mijn oom zich aandeed om zulk eene taal te voeren.

"Welnu!" riep ik uit, "het geschiede zooals gij verlangt! Moge God uwe bovenmenschelijke geestkracht beloonen! Stel het lot dan nog maar eenige uren langer op de proef. Vooruit!"

HOOFDSTUK XXII

Zeldzaam geologisch genot.--Verdwijning van Hans.

De nederdaling begon ditmaal weder door de nieuwe galerij. Hans ging naar gewoonte vooruit. Wij waren nog geen honderd schreden ver, of de professor, zijne lamp langs de muren bewegende, riep uit:

"Ziedaar de oorspronkelijke gronden! wij zijn op den goeden weg! voorwaarts! voorwaarts!"

Toen de aarde in de eerste tijden van haar bestaan langzamerhand afkoelde, veroorzaakte de vermindering van haren omvang in de schors afwijkingen, scheuren, ineenkrimpingen, kloven. Deze gang was een dergelijke barst, waardoor vroeger het uitgebraakte graniet wegvloeide; zijne duizend kronkelingen vormden een hoogst verwarden doolhof door den oorspronkelijken bodem.