Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 8

Chapter 83,891 wordsPublic domain

Bleef nu de zon weg, dan was er geene schaduw en bij gevolg geene aanwijzing. Wij hadden den 25sten Juni. Bleef de lucht zes dagen achtereen betrokken, dan moest de waarneming tot een ander jaar uitgesteld worden.

Ik waag het niet om den machteloozen toorn van professor Lidenbrock te schilderen. De dag verstreek, en geene schaduw viel op den bodem des kraters. Hans week niet van zijne plaats; toch moest hij zich wel afvragen, waarop wij wel wachtten, als hij zich ten minste iets afvroeg! Mijn oom sprak mij geen enkelen keer aan. Zijne bestendig naar den hemel gewende blikken verloren zich in het grauwe en mistige verschiet.

Den 26sten was er nog niets te zien. Eene regenbui met hagel vermengd viel den ganschen dag. Hans bouwde eene hut van brokken lava. Ik vond er een zeker genoegen in om met het oog de duizenden watervallen op de zijden van den kegel, wier oorverdoovend gemurmel door iederen steen versterkt werd, te volgen.

Mijn oom kon zich niet langer inhouden. Een geduldiger man zelfs zou dan ook razend geworden zijn; want dit mocht wel heeten in de haven schipbreuk lijden.

Maar de hemel vermengt steeds groote vreugde met groote smarten en had voor professor Lidenbrock eene voldoening weggelegd, die zijne wanhopend makende verveling evenaarde.

Den volgenden dag was de lucht nog betrokken, maar Zondag, den 28sten Juni, op twee na den laatsten dag der maand, kwam er met de verandering van maan ook verandering van weder. De zon goot hare stralen met volle stroomen in den krater. Ieder bergje, iedere rots, iedere steen, iedere oneffenheid deelde in hare weldadige uitstrooming en wierp oogenblikkelijk zijne schaduw op den grond. Onder allen teekende die van den Scartaris zich af als een kam en begon onmerkbaar met het lichtgevende hemellichaam te draaien.

Mijn oom draaide mede.

Ten twaalf uur, toen zij het kortste was, raakte zij eventjes den kant van den middelsten schoorsteen.

"Daar is het!" riep de professor, "daar is het! Naar het middelpunt van den aardbol!" voegde hij er in het deensch bij.

Ik zag Hans aan.

"Forüt!" sprak de gids heel bedaard.

"Vooruit!" herhaalde mijn oom.

Het was één uur en dertien minuten na den middag.

HOOFDSTUK XVII

Naar den afgrond.--De theorie van Davy bevestigd.--Geen inwendige warmte.--Op den bodem van den krater.

De wezenlijke reis begon. Tot nu toe waren de vermoeienissen erger geweest dan de moeielijkheden; van nu af aan schoten dezen inderdaad onder onze schreden uit den grond op.

Ik had nog geen blik geworpen in dien onpeilbaren put, waarin ik zou afdalen. Het oogenblik was gekomen, ik kon nog òf aan de onderneming deelnemen òf mij er aan onttrekken. Maar ik schaamde mij voor den jager om achteruit te treden. Hans ondernam het waagstuk zoo gerust, met zulk eene onverschilligheid, zulk eene volkomene onbezorgdheid voor alle gevaar, dat ik reeds bloosde alleen bij de gedachte, dat ik minder moedig zou zijn dan hij. Ware ik alleen geweest, dan zou ik nog eens de reeks gewichtige gronden geopperd hebben; maar in tegenwoordigheid van den gids zweeg ik; eene mijner herinneringen vloog naar mijn lief meisje en ik naderde den middelsten schoorsteen.

Ik heb reeds gezegd, dat hij honderd voet in middellijn of drie honderd voet in omtrek mat. Ik bukte over eene overhangende rots en zag naar beneden; mijne haren rezen te berge. Het gevoel van het ledige maakte zich van mij meester. Ik voelde het zwaartepunt zich in mij verplaatsen en de duizeligheid als dronkenschap naar mijn hoofd stijgen. Niets bedwelmt meer dan die aantrekkingskracht van den afgrond. Ik was op het punt van te vallen. Eene hand hield mij tegen: die van Hans. Zeker had ik nog niet genoeg les genomen in het nederzien in den afgrond op de Frelsers-Kirk te Kopenhagen.

Al had ik maar even mijne blikken in dien put laten vallen, nochtans had ik mij vergewist van zijne inrichting. Zijne bijna loodrechte wanden leverden wel talrijke uitstekende punten op, die de nederdaling gemakkelijk konden maken; maar ontbrak al de trap niet, de leuning wel. Een touw, aan de opening vastgemaakt, zou toereikende geweest zijn om ons te steunen; maar hoe moest het losgemaakt worden, als wij beneden waren gekomen?

Mijn oom gebruikte een zeer eenvoudig middel om dit bezwaar uit den weg te ruimen. Hij ontrolde een touw zoo dik als een duim en ter lengte van vier honderd voet; hij vierde er eerst de helft van, draaide het toen om een uitstekend brok lava en wierp de andere helft in den schoorsteen. Ieder onzer kon nu nederdalen, de beide helften van het touw, dat niet losraken kon, in de hand houdende; waren wij eerst maar twee honderd voet gedaald, dan zou niets gemakkelijker zijn dan het naar ons toe te halen door het eene einde los te laten en aan het andere te trekken. Vervolgens herhaalde men die bewerking slechts "usque ad infinitum".

Nadat die toebereidselen afgeloopen waren, zeide mijn oom: "Nu zullen wij ons met de bagage bezighouden; wij zullen ze in drie pakken verdeelen en ieder onzer zal er een op zijn rug binden; ik spreek alleen van de breekbare voorwerpen."

De stoutmoedige professor plaatste ons blijkbaar niet in deze laatste afdeeling.

"Hans," hernam hij, "zal zich belasten met de werktuigen en een gedeelte der levensmiddelen; gij, Axel! met een ander derde deel der levensmiddelen en met de wapenen; ik, met het overschot der levensmiddelen en met de breekbare werktuigen."

"Maar," zeide ik, "wie zal zich belasten met het naar beneden brengen der kleederen en van die massa touwen en ladders?"

"Die zullen wel alleen beneden komen."

"Hoe dan?" vroeg ik zeer verwonderd.

"Dat zult gij zien."

Mijn oom wendde gaarne groote middelen aan en deed dat zonder aarzelen. Op zijn bevel maakte Hans één pak van de stevigste voorwerpen en wierp het, behoorlijk vastgebonden, heel eenvoudig in de diepte.

Ik hoorde het heldere geraas voortgebracht door de verplaatsing der luchtlagen. Over den afgrond gebogen volgde mijn oom met een tevreden gezicht de nederdaling zijner bagage en stond eerst op, toen hij ze uit het oog had verloren.

"Goed!" sprak hij. "Nu is het onze beurt."

Ik vraag iederen onpartijdige, of het mogelijk was zulke woorden zonder siddering aan te hooren!

De professor nam het pak met de werktuigen op den rug, Hans dat met de gereedschappen en ik dat met de wapenen. De afdaling had in de volgende orde plaats: Hans, mijn oom en ik. Zij geschiedde in de diepste stilte, alleen afgebroken door den val der rotsblokken, die in de diepte rolden.

Ik liet mij om zoo te zeggen afglijden, met de eene hand het dubbele touw zenuwachtig omklemmende, en mij, met behulp van mijn stok, met de andere van den wand afstootende. Eéne gedachte slechts bezielde mij. Ik vreesde, dat het steunpunt ons mocht ontzinken. Dit touw scheen mij zwak genoeg toe om de zwaarte van drie menschen te dragen. Ik bediende er mij zoo min mogelijk van, allerlei bewegingen makende om in evenwicht te blijven op de trappen van lava, die mijn voet, als waren zij eene hand, trachtte te grijpen.

Toen eene dezer treden onder de voeten in beweging raakte, zeide Hans met eene rustige stem:

"Gif akt!"

"Geef acht!" herhaalde mijn oom.

Na een half uur kwamen wij op de oppervlakte van een rotsblok, dat diep in den wand van den schoorsteen drong.

Hans trok aan een der einden van het touw; het andere verhief zich in de lucht; na over de hoogste rots heengegaan te zijn viel het weder, brokken steen en lava losrukkende, eene soort van regen of liever van zeer gevaarlijken hagel.

Toen ik mij over den rand van ons klein vlak henen boog, bemerkte ik, dat de bodem van het gat nog onzichtbaar was.

De reis langs het touw begon op nieuw, en een half uur later waren wij weder twee honderd voet lager gekomen.

Ik weet niet, of de ijverigste geoloog het beproefd zou hebben om gedurende die afdaling den aard der gronden, die hem omringden, te onderzoeken. Ik althans bekommerde mij er niet om; of zij pliocenisch, miocenisch of eocenisch waren, of zij tot de krijtvorming, tot de juragroep, de triasgroep, de permsche groep, de kolengroep, de devonische of de silurische vorming behoorden, dan wel of zij oorspronkelijke lagen waren, dat alles hield mijne gedachten geenszins bezig. Maar de professor deed zonder twijfel zijne waarnemingen of maakte zijne opmerkingen, want bij eene onzer halten zeide hij:

"Hoe lager ik kom, hoe meer vertrouwen ik krijg; de schikking dezer vulkanische gronden bevestigt ten volle de theorie van Davy. Wij zijn in het midden van oorspronkelijke gronden, waarin de scheikundige werking heeft plaats gehad van de metalen, die bij de aanraking met lucht en water ontvlamden; ik verwerp geheel het stelsel eener inwendige warmte; doch wij zullen zien."

Zoo kwam hij altijd tot hetzelfde besluit. Men begrijpt wel, dat ik geen lust had om te redekavelen. Mijn stilzwijgen werd voor toestemming gehouden en de afdaling begon weder.

Na verloop van drie uren zag ik nog niets van den bodem des schoorsteens. Toen ik het hoofd ophief, bemerkte ik, dat zijne opening duidelijk kleiner werd; zijne wanden raakten elkander bijna door hunne geringe helling. Het werd allengs donker.

Toch daalden wij nog altijd; het scheen mij toe, dat de van de wanden losgeraakte steenen met een doffer geluid wegzonken en spoediger den bodem van den afgrond bereikten.

Daar ik nauwkeurig acht gegeven had op onze bewegingen met het touw, kon ik eene juiste berekening maken van de bereikte diepte en den verloopen tijd.

Wij hadden nu veertien maal die beweging herhaald, die een half uur duurde. Dit bedroeg dus zeven uur, bovendien nog veertien kwart uur rust of drie en half uur. Wij waren te één uur vertrokken, dus moest het nu elf uur zijn.

Wat de diepte betreft, die wij bereikt hadden, veertien maal de lengte van het touw van twee honderd voet gaf twee duizend acht honderd voet.

Op dit oogenblik deed de stem van Hans zich hooren, die "halt!" riep.

Ik hield op, juist toen mijne voeten bijna het hoofd van mijn oom aanraakten.

"Wij zijn er!" zeide deze.

"Waar?" vraagde ik, terwijl ik mij naast hem liet afglijden.

"Op den bodem van den loodrechten schoorsteen."

"Is er dan geen andere uitgang?"

"Jawel! ik zie zoo iets van een nauwen gang die schuinsrechts loopt. Morgen zullen wij het wel eens onderzoeken. Nu zullen wij eerst eten en dan gaan slapen."

Het was nog niet geheel donker. Wij openden den zak met levensmiddelen, aten en legden ons, zoo goed als het ging, op een bed van steenen en lavabrokken neder. En toen ik op den rug liggende de oogen opende, bemerkte ik een schitterend punt aan het einde van de drie duizend voet lange buis, die in een reusachtigen verrekijker veranderd was.

Het was eene ster, die volstrekt niet flonkerde en die naar mijne berekening Beta van den kleinen Beer moest wezen.

Vervolgens viel ik in een gerusten slaap.

HOOFDSTUK XVIII

Kalmte.--Begin der onderaardsche reis.--Schakeeringen der lava.

Des morgens te acht uur deed een lichtstraal ons ontwaken. De duizende vlakken der lavawanden vingen hem op zijn voorbijgang op en verstrooiden hem als een regen van vonken.

Dit schijnsel was sterk genoeg om de omringende voorwerpen duidelijk te kunnen onderscheiden.

"Welnu, Axel! wat zegt gij er van?" zeide mijn oom zich de handen wrijvende. "Hebt gij ooit een rustiger nacht doorgebracht in ons huis in de Koningstraat? Hier wordt men niet gestoord door het geratel van karren, door het geschreeuw der kooplieden, door het getier der schippers!"

"Het is hier zeker heel rustig op den bodem van dezen put; maar die kalmte zelve heeft iets ontzettends."

"Komaan!" riep mijn oom, "als gij nu reeds bang zijt, wat zal het dan later zijn? Wij zijn nog geen duim diep in den schoot der aarde doorgedrongen."

"Wat wilt gij daarmede zeggen?"

"Ik wil zeggen, dat wij nog pas den bodem van het eiland hebben bereikt! Die lange, loodrechte buis, die uitloopt in den krater van den Sneffels, eindigt ten naasten bij gelijk met den spiegel der zee."

"Zijt gij daarvan verzekerd?"

"Ongetwijfeld; raadpleeg den barometer, dan zult gij het zien."

Inderdaad was het kwik, dat gedurende onze nederdaling weder langzamerhand in het werktuig gestegen was, op negen en twintig duim blijven staan.

"Gij ziet het," hernam de professor, "wij hebben nog slechts éene dampkringsdrukking, en ik verlang er vurig naar, dat de luchtdichtheidsmeter dezen barometer moet vervangen."

Dit werktuig zou ons dan ook nutteloos worden, zoodra de zwaarte der lucht hare drukking op den waterspiegel zou te boven gaan.

"Maar," zeide ik, "staat het niet te vreezen, dat die gestadig toenemende drukking hoogst lastig zal worden?"

"Neen. Wij zullen langzaam dalen en onze longen zullen er aan gewennen om eene meer samengeperste dampkringslucht in te ademen. De luchtreizigers krijgen eindelijk gebrek aan lucht, als zij in de bovenste lagen komen; wij integendeel zullen misschien te veel hebben. Maar dat heb ik liever. Wij moeten geen oogenblik verliezen. Waar is het pak, dat ons in het binnenste van den berg is voorgegaan?"

Ik herinnerde mij nu, dat wij het den vorigen avond te vergeefs gezocht hadden. Mijn oom ondervroeg Hans, die, na oplettend met zijne jagersoogen rondgezien te hebben, antwoordde:

"Der huppe"!

"Daar boven ons!"

Inderdaad was het pak blijven hangen aan eene uitstekende rotspunt omtrent honderd voet boven ons hoofd. De vlugge IJslander begon dadelijk als eene kat te klauteren, en in eenige minuten was het pak bij ons.

"Nu," zeide mijn oom, "zullen wij ontbijten; maar laten wij het doen als lieden, die wellicht een langen tocht moeten doen."

De beschuit en het gedroogde vleesch werden doorgespoeld met eene mondvol water en jenever.

Toen het ontbijt afgeloopen was, haalde mijn oom een aanteekenboekje voor de waarnemingen bestemd uit den zak; hij nam achtereenvolgens zijne verschillende werktuigen en schreef de volgende gegevens op:

Maandag 1 Juli. Tijdmeter: 8 uur 17 min. des morgens. Barometer: 292 millimeter. Thermometer: 6°. Windrichting: O.Z.O.

Deze laatste waarneming had betrekking op de donkere galerij en werd door het kompas aangegeven.

"Nu eerst, Axel!" riep de professor met geestdrift uit, "nu eerst gaan wij wezenlijk in den schoot der aarde doordringen. Dit is het juiste oogenblik van het begin onzer reis."

Toen hij dit gezegd had, nam mijn oom met de eene hand den aan zijn hals hangenden toestel van Ruhmkorff, met de andere bracht hij den electrischen stroom in verbinding met de slang der lantaarn en een vrij helder licht verdreef de duisternis der galerij.

Hans droeg den tweeden toestel, die ook in werking werd gebracht. Deze vernuftige toepassing der electriciteit stelde ons in staat om lang voort te gaan, terwijl wij een kunstmatigen dag schiepen, zelfs in het midden der meest ontvlambare gassen.

"Voorwaarts!" sprak mijn oom.

Ieder nam zijn pak weder op. Hans belastte zich bovendien met de zorg om het pak met de touwen en de kleederen voor zich uit te rollen, en zoo traden wij de galerij binnen, waarbij ik de achterhoede uitmaakte.

Op het punt zijnde mij in dien donkeren gang te begeven, hief ik nog eens het hoofd op, en bemerkte voor de laatste maal door het gezichtsveld der verbazende buis den hemel van IJsland, "dat ik nooit zou wederzien."

Tijdens de laatste uitbarsting van 1229 had de lava zich een weg door dien tunnel gebaand. Zij overdekte hem inwendig met eene dikke en glimmende korst; het electrieke licht werd er door teruggekaatst met honderdvoudige dichtheid.

De weg leverde geene andere moeielijkheid op dan deze, dat men zorgen moest om niet te schielijk af te glijden van eene helling, die een hoek van omstreeks vijf en veertig graden maakte; gelukkig vervingen eenige holten en hoogten de plaats van treden, en behoefden wij slechts te dalen, terwijl wij onze bagage met lange touwen voorttrokken.

Maar wat ons tot treden diende, werd aan de andere wanden dropsteen; de op sommige plaatsen poreuse lava vertoonde kleine ronde belletjes; ondoorschijnende kwartskristallen, versierd met heldere waterdroppels en als lichtstroomen aan het gewelf hangende, schenen, toen wij er voorbijgingen, aangestoken te worden. Men zou gezegd hebben, dat de geesten van den afgrond hun paleis verlichtten om de aardsche gasten te ontvangen.

"Dat is prachtig!" riep ik onwillekeurig uit. "Welk een tooneel, oom! Bewondert gij ook die schakeeringen der lava niet, die met onmerkbare overgangen van bruinrood tot lichtgeel gaan? En die kristallen, die zich als lichtende bollen voordoen?"

"Zoo! ziet gij het eindelijk ook, Axel?" antwoordde mijn oom. "Zoo! vindt gij dat heerlijk, mijn jongen? Gij zult nog wel wat anders zien, hoop ik. Vooruit maar, vooruit maar!"

Hij had met meer grond kunnen zeggen: "glijd wat aan!" want wij lieten ons zonder eenige inspanning van de glooiing afzakken. Dat was het "facilis descensus Averni," van Virgilius. Het kompas, dat ik gedurig raadpleegde, wees onveranderlijk eene zuidoostelijke richting aan. Deze lavastroom week ter rechter- noch ter linkerzijde af. Hij had de onbuigzaamheid der rechte lijn.

Toch nam de warmte niet merkbaar toe, hetgeen de theorie van Davy bevestigde, en meer dan eens raadpleegde ik met verwondering den thermometer.

Twee uur na ons vertrek wees hij nog slechts 10°, d.i. eene vermeerdering van 4°. Dit gaf mij recht om te denken, dat wij meer in eene waterpasse dan in eene loodrechte richting daalden. Niets was overigens gemakkelijker dan de bereikte diepte met juistheid te weten. De professor mat nauwkeurig de hoeken van de afwijking en de helling van den weg, maar hij hield de uitkomst zijner waarnemingen voor zich.

Omstreeks acht uur des avonds gaf hij sein om stil te houden. Hans ging terstond zitten; de lampen werden aan eene uitstekende punt van de lava opgehangen. Wij waren in eene soort van hol, waarin geen gebrek aan lucht was; integendeel, van tijd tot tijd kwam er een windje tot ons. Door welke oorzaak werd dit teweeggebracht? Aan welke beweging van den dampkring moest zijn ontstaan worden toegeschreven? Dit vraagstuk trachtte ik op dit oogenblik niet eens op te lossen: honger en vermoeidheid maakten het mij onmogelijk om te redeneeren. Eene nederdaling van zeven uur kan niet volbracht worden zonder groot verlies van kracht. Ik was uitgeput. Tot mijne vreugde hoorde ik daarom het woord "halt!" Hans legde eenigen voorraad op een blok lava en ieder at met smaak. Een ding echter verontrustte mij: onze watervoorraad was tot de helft verminderd. Mijn oom rekende op de onderaardsche bronnen om hem weder aan te vullen; maar tot nu toe ontbraken zij geheel. Ik kon niet nalaten zijne aandacht op dit punt te vestigen.

"Verwondert u dat gemis van bronnen?" zeide hij.

"Zonder twijfel! het verontrust mij zelfs; wij hebben nog maar voor vijf dagen water."

"Wees gerust, Axel! ik sta u borg dat wij water zullen vinden, zelfs meer dan ons lief is."

"Wanneer?"

"Als wij buiten deze lavakorst zijn. Hoe wilt gij, dat er bronnen uit deze wanden zullen vloeien?"

"Maar misschien strekt deze bedding zich tot eene aanmerkelijke diepte uit. Mij dunkt, dat wij nog niet veel afstand in eene loodrechte richting hebben afgelegd."

"Wat brengt u op die gedachte?"

"Wel, als wij diep onder de aardschors waren, moest het veel heeter zijn."

"Volgens uw stelsel althans," antwoordde mijn oom; "maar hoe staat de thermometer?"

"Nauwelijks vijftien graad, hetgeen eene vermeerdering van nog geen negen graad sedert ons vertrek bedraagt."

"Welnu! besluit dan zelf."

"Ziehier mijn besluit. Volgens de nauwkeurigste waarnemingen bedraagt de vermeerdering der warmte in het binnenste van den aardbol één graad op de honderd voet. Maar plaatselijke omstandigheden kunnen dit cijfer wijzigen. Zoo heeft men te Jakutsk in Siberië opgemerkt, dat de vermeerdering van één graad plaats heeft bij iedere zes en dertig voet, hetgeen zekerlijk afhangt van het geleidend vermogen der steenrotsen. Ik voeg hier nog bij, dat men in de nabijheid van een uitgebranden vulkaan en door het gneis heen opgemerkt heeft, dat de verhooging van den warmtegraad slechts op de honderd vijf en twintig voet één graad bedroeg. Wij zullen deze laatste veronderstelling als de gunstigste eens aannemen en dan berekenen."

"Bereken maar, mijn jongen!"

"Niets is gemakkelijker," zeide ik, terwijl ik de cijfers in mijn aanteekenboekje schreef, "Negen maal honderd vijf en twintig voet geeft elf honderd vijf en twintig voet diepte."

"Dat komt juist uit."

"Welnu?"

"Welnu! volgens mijne waarnemingen zijn wij tien duizend voet onder den spiegel der zee."

"Is het mogelijk?"

"Ja! of de cijfers zijn geen cijfers meer!"

De berekeningen des professors waren nauwkeurig; wij waren reeds zes duizend voet beneden de grootste diepten, die de mensch nog bereikt heeft, zooals de mijnen van Kitz-Bahl in Tyrol en die van Wuttemberg in Boheme.

De warmte, die op deze plaats een en tachtig graad had moeten bedragen, steeg nauwelijks tot vijftien. Dit gaf stof tot denken.

HOOFDSTUK XIX

De kruisweg.--Vermoeienis van Axel.--Klimmen of dalen?--Naar boven, naar Gräuben--Dreigend watergebrek.

Den volgenden dag, Dinsdag den 30sten Juni te zes uur, hervatten wij onze nederdaling.

Wij volgden steeds de lavagalerij, een echt natuurlijk hellend vlak, even zacht glooiend als die hellende vlakken, die in sommige oude huizen nog tot trap dienen. Zoo bleef het tot zeventien minuten over twaalven, het oogenblik waarop wij Hans inhaalden, die was blijven staan.

"Kom aan!" riep mijn oom, "wij zijn aan het einde des schoorsteens gekomen."

Ik zag rond; wij waren in het middelpunt van een kruisweg, waarop twee donkere en smalle wegen uitliepen. Welken moesten wij inslaan? Dat was een punt van bezwaar.

Toch wilde mijn oom den schijn niet hebben voor den gids en mij, alsof hij aarzelde; hij wees den oostelijken tunnel aan, en weldra waren wij met ons drieën er in verdwenen.

Aan eene aarzeling voor dien dubbelen weg zou ook nooit een einde gekomen zijn, want geen enkel kenteeken kon de keus op den een of den anderen doen vallen; men moest het geheel aan het toeval overlaten.

De helling dezer nieuwe galerij was bijna onmerkbaar en hare indeeling zeer ongelijk; soms vertoonde zich, voor ons uit, eene rij van bogen gelijk de zijbeuken eener gothische hoofdkerk; de kunstenaars van de middeleeuwen hadden daar al de vormen van dien kerkelijken bouwtrant kunnen bestudeeren, die uit den kruisboog is ontstaan. Eene mijl verder moesten wij het hoofd bukken onder de gedrukte bogen van den romeinschen bouwstijl, en dikke pilaren, in het massieve gesteente dringende, bogen onder het gewicht der gewelven. Hier en daar maakte deze bouworde plaats voor een lagen onderbouw, die op het werk der bevers geleek, en moesten wij door enge gangen voortkruipen.

De warmte bleef draaglijk. Onwillekeurig dacht ik er aan, hoe heet het wel zou zijn, als de lava, door den Sneffels uitgebraakt, door dezen nu zoo stillen weg stroomde. Ik stelde mij voor, hoe de stroomen vuur braken op de hoeken der galerij en hoe de buitensporig heete dampen op deze nauwe plek zich ophoopten!

"Als de oude vulkaan", dacht ik, "maar niet eene nieuwe gril krijgt."

Deze overdenkingen deelde ik aan professor Lidenbrock niet mede; hij zou ze toch niet begrepen hebben. Hij dacht aan niets anders dan om vooruit te gaan. Hij liep, gleed, tuimelde zelfs met eene overtuiging, die men in allen gevalle moest bewonderen.

Te zes uur 's avonds, na eene niet zeer vermoeiende wandeling, waren wij twee uur gaans in eene zuidelijke richting verder, maar nauwelijks eene kwartmijl dieper gekomen.

Mijn oom gaf het sein om te rusten. Wij aten zonder veel te praten en gingen slapen zonder veel na te denken.