Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 7

Chapter 73,858 wordsPublic domain

Ik zocht hem op, deelde hem mijne vrees mede en ging wat achteruit om hem vrij te laten losbarsten. Hij antwoordde eenvoudig: "Daar heb ik ook al aan gedacht."

Wat beteekende dit gezegde? Zou hij eindelijk gehoor geven aan de stem der rede? Dacht hij er aan om zijn plannen op te schorten? Het zou te mooi geweest zijn om mogelijk te wezen.

Na eenige oogenblikken zwijgens, daar ik hem niet durfde ondervragen, hervatte hij het gesprek, zeggende:

"Ik dacht er aan. Sedert onze komst te Stapi heb ik mij ernstig bezig gehouden met de gewichtige vraag, die gij mij daar voorlegt; want wij moeten niet als onbezonnenen handelen."

"Neen!" antwoordde ik met nadruk.

"Sedert zes honderd jaar is de Sneffels stom, maar hij zou weder kunnen spreken. De uitbarstingen nu worden altijd voorafgegaan door volkomen bekende natuurverschijnselen; ik heb dus de bewoners des lands ondervraagd, ik heb den grond bestudeerd en ik kan u zeggen, Axel, dat er geene uitbarsting zal plaats hebben."

Op deze stellige verzekering stond ik verstomd en kon niet antwoorden.

"Twijfelt gij aan mijne woorden?" sprak mijn Oom, "welnu, volg mij!" Ik gehoorzaamde werktuiglijk. De pastorie verlatende, sloeg de professor dadelijk een weg in, die door eene opening in den basaltmuur zich van de zee verwijderde. Weldra waren wij op het vlakke veld, als men dien naam geven mag aan eene verbazende ophooping van uitgebraakte vulkanische stoffen; de landstreek scheen als verpletterd onder een regen van ontzaglijke steenen, basalt, graniet en olijfblende.

Hier en daar zag ik de dampen in de lucht opstijgen; die witte dampen, in de ijslandsche taal "reykir" genoemd, kwamen uit de warme bronnen, en wezen door hun geweld de vulkanische werkzaamheid van den grond aan. Ik meende, dat mijne vrees hierdoor gerechtvaardigd werd. Ik viel dus uit de wolken, toen mijn oom zeide:

"Gij ziet al dien rook, Axel! welnu, hij bewijst, dat wij niets van de woede van den vulkaan hebben te vreezen!"

"Nu nog fraaier!" riep ik.

"Onthoud dit goed," hernam de professor: "bij de nadering van eene uitbarsting verdubbelen de dampen hunne werkzaamheid, om geheel te verdwijnen zoolang het verschijnsel duurt, want de veerkrachtige vloeistoffen, dan die noodige spankracht niet meer hebbende, nemen haren weg door den krater in plaats van te ontwijken door de scheuren van den aardbol. Als die dampen dus in hun gewonen toestand blijven, als hunne kracht niet toeneemt, als gij bij deze waarneming nog voegt, dat de wind en de regen niet door eene zwoele, stille lucht worden vervangen, dan kunt gij stellig verzekeren, dat er geene uitbarsting ophanden is."

"Maar...."

"Genoeg. Wanneer de wetenschap heeft gesproken, past het ons te zwijgen."

Ik kwam met hangende ooren in de pastorie terug; mijn oom had mij met wetenschappelijke bewijzen geslagen. Toch had ik nog eene hoop, namelijk, dat het, als wij eens op den bodem van den krater waren, onmogelijk zou zijn, uit gebrek aan eene galerij, om dieper te dalen, in spijt van alle Saknussemms der wereld.

Den volgenden nacht kwelde de nachtmerrie mij geducht. Ik bracht hem door in het midden van een vulkaan, diep onder den grond, en voelde, hoe ik, onder den vorm van een uitgebraakten steen, in het wereldruim werd geslingerd.

Den volgenden morgen, den 23sten Juni, wachtte Hans ons op met zijne makkers, beladen met de levensmiddelen, de gereedschappen en de werktuigen. Twee met ijzer beslagen stokken, twee geweren en twee kardoesdoozen waren voor mijn oom en mij bestemd. Hans had als een voorzichtig man bij onze bagage nog een vollen lederen zak gevoegd, die met onze waterflesschen ons voor acht dagen van water verzekerde.

Het was 's morgens negen uur. De geestelijke en zijne groote huisplaag wachtten voor hunne deur. Zij wilden ons zonder twijfel het laatste vaarwel van den gastheer aan den reiziger toeroepen. Maar dat vaarwel nam den onverwachten vorm van eene hooge rekening aan, waarop zelfs de lucht der pastorie, eene bedorven lucht durf ik zeggen, gebracht was. Dit waardige paar plukte ons gelijk een zwitsersche kastelein, en vorderde eene goede belooning voor zijne gastvrijheid.

Mijn oom betaalde zonder afdingen. Als iemand, die naar het middelpunt der aarde vertrok, zag hij niet op eenige rijksdaalders.

Toen dit punt afgehandeld was, gaf Hans het sein tot het vertrek, en eenige oogenblikken later hadden wij Stapi verlaten.

HOOFDSTUK XV

Het vertrek van Stapi.--Grondgesteldheid.--Moeielijkheid van den tocht.--De hellingen van den Sneffels.--De "mistoer."

De Sneffels is vijf duizend voet hoog; zijn dubbele kegel is het einde van eene rij trachiet, die zich losmaakt van het bergstelsel des eilands. Van ons punt van vertrek uit kon men zijne beide pieken zich niet zien afteekenen op den grauwen achtergrond des hemels. Ik bemerkte alleen eene verbazende sneeuwmuts op het voorhoofd van den reus.

Wij gingen achter elkander, voorafgegaan door den jager; deze besteeg voetpaden, waar geen twee menschen naast elkander konden gaan. Een gesprek werd dus ten naastenbij onmogelijk.

Aan de overzijde van den basaltmuur van den fjord van Stapi vertoonde zich vooreerst een kruidachtige en vezelachtige veengrond, het overblijfsel van den voormaligen plantengroei der moerassen van het schiereiland; de hoeveelheid van deze nog ongebruikte brandstof zou toereikend zijn om de geheele bevolking van IJsland eene eeuw lang te verwarmen; dit uitgestrekte veen had, van den bodem van eenige holle wegen gemeten, dikwijls zes en zestig voet dikte en vertoonde opeenvolgende lagen van verkoolde overblijfsels van vergane gewassen, gescheiden door schilfers van puimsteenachtigen tufsteen.

Als een echte neef van professor Lidenbrock en in weerwil van mijne bezorgdheid beschouwde ik belangstellend de delfstoffelijke merkwaardigheden in dit uitgebreide kabinet van natuurlijke historie ten toon gesteld; tevens doorliep ik in den geest de geheele aardkundige geschiedenis van IJsland.

Dit zoo merkwaardige eiland is klaarblijkelijk in een betrekkelijk jong tijdperk uit den schoot der golven opgerezen; misschien zelfs verheft het zich nog tegenwoordig door eene onmerkbare beweging. Als dit zoo is, kan men zijn oorsprong alleen toeschrijven aan de werking van het onderaardsche vuur. In dat geval dus verdwenen de theorie van Humphry Davy, het document van Saknussemm, de beweringen van mijn oom in rook. Deze veronderstelling bracht mij er toe om den aard van den grond oplettend te onderzoeken en weldra kon ik mij rekenschap geven van de opeenvolging der natuurverschijnselen, die de vorming van dit eiland voorafgingen.

IJsland, geheel beroofd van bezonken gronden, bestaat alleen uit vulkanischen tufsteen, dat is te zeggen uit eene opeenhooping van steenen en rotsen van een poreus weefsel. Vóór het bestaan der vulkanen bestond het uit massief trap-porfier, langzaam uit de golven opgeheven door het omhoog werken der inwendige krachten. Het inwendige vuur had zich nog niet naar buiten getoond.

Maar later werd eene breede, dwarse scheur van het zuidoosten naar het noordwesten des eilands geopend, waardoor langzamerhand al het halfgesmolten trachiet zich een uitweg baande. Dit verschijnsel had toen zonder geweld plaats; de uitkomst was verbazend, en de gesmolten stoffen, uit de ingewanden der aarde verdreven, verspreidden zich rustig als groote vlakke lagen of als heuvelachtige massa's. Te dien tijde verschenen het veldspaat, syeniet en porfier.

Maar ten gevolge van die uitstorting nam de dikte des eilands en bij gevolg zijn tegenstandbiedend vermogen aanmerkelijk toe. Men begrijpt licht, welk eene hoeveelheid veerkrachtige vloeistoffen zich in zijn binnenste ophoopte, toen het geen uitweg meer aanbood na de afkoeling der trachietkorst. Toen kwam er een oogenblik, waarin het arbeidsvermogen dier gassen zoo groot was, dat zij de zware schors ophieven en zich hooge schoorsteenen oprichtten. Zoo ontstond dus de vulkaan door de opheffing van de korst, en werd vervolgens de krater plotseling in den top van den vulkaan geboord.

Toen volgden vulkanische verschijnselen op de uitwerpingsverschijnselen; door de pas gevormde openingen ontsnapten vooreerst de uitwerpselen van basalt, waarvan de vlakte, die wij thans doorgingen, aan onze blikken de merkwaardigste proeven vertoonde. Wij liepen over de zware donkergrijze rotsen, die de afkoeling gevormd had tot prisma's met zeshoekige grondvlakken. In de verte zag men een groot aantal afgeknotte kegels, die voorheen zoovele vuurspuwende monden waren.

Nadat de basaltuitwerking uitgeput was, verleende de vulkaan, wiens kracht nog toenam door die der uitgebrande kraters, een doortocht aan de lava en aan die tufsteenen van asch en slakken, welker lange stroomen ik op zijne hellingen verstrooid zag, als waren het weelderige haren.

Dit was de opeenvolging der natuurverschijnselen, die IJsland te voorschijn riepen; alle ontstonden uit de werking van het inwendige vuur, en het was dwaasheid te vooronderstellen, dat de binnenste massa niet bleef in een voortdurenden toestand van witgloeiende vloeibaarheid. Dwaas vooral was het plan om te trachten het middelpunt van den aardbol te bereiken!

Ik stelde mijzelven dus gerust betreffende den uitslag onzer onderneming, terwijl ik op weg was om den Sneffels met den stormpas te beklimmen.

De weg werd hoe langer hoe moeielijker; de grond rees; de rotsbrokken geraakten in beweging, en de grootste oplettendheid was noodig om een gevaarlijken val te vermijden.

Hans ging rustig vooruit als op een effen bodem; soms verdween hij achter de groote klompen en verloren wij hem voor een oogenblik uit het gezicht; dan wees een scherp gefluit de richting aan, die wij moesten volgen. Dikwijls ook bleef hij staan, raapte eenige brokken steen op, schikte ze op eene in het oog loopende wijze en vormde zoo wegwijzers om den terugweg aan te duiden. De voorzorg was op zichzelve goed, maar de volgende gebeurtenissen maakten haar nutteloos.

Een vermoeiende marsch van drie uur had ons nog niet verder gebracht dan den voet van den berg. Daar gaf Hans een teeken om stil te houden en deelden wij een kort ontbijt. Mijn oom slikte de brokken door om maar spoedig te kunnen vertrekken. Doch, daar dit maal tevens eene rust moest zijn, was hij genoodzaakt het goeddunken van zijn gids af te wachten, die een uur later het sein gaf om weder op te breken. De drie IJslanders, even zwijgend als hun makker, de jager, spraken geen woord en aten matig.

Nu begonnen wij de hellingen van den Sneffels te bestijgen; door een in de bergen zeer gewoon gezichtsbedrog scheen zijn besneeuwde top mij zeer nabij toe, en toch! hoe lang duurde het nog eer wij hem bereikten! op wat al vermoeienis kwam hij ons te staan! De steenen, door geene aarde noch gras verbonden, rolden onder onze voeten weg en verdwenen in de vlakte met de snelheid eener lawine.

Op sommige plaatsen maakten de zijden van den berg met den gezichteinder een hoek van minstens zes en dertig graad; het was onmogelijk ze te beklimmen, en niet zonder moeite moesten die steenachtige steilten worden omgetrokken. Dan stonden wij elkander door middel van onze stokken bij.

Ik moet zeggen, dat mijn oom zoo dicht mogelijk bij mij bleef; hij verloor mij niet uit het oog en bij menige gelegenheid verleende zijn arm mij een stevigen steun. Hij had zeker een ingeschapen gevoel van evenwicht, want hij struikelde niet. De IJslanders, hoewel zwaar beladen, klauterden met de vlugheid van bergbewoners.

De hoogte van den top des Sneffels in aanmerking genomen dacht het mij onmogelijk hem van deze zijde te bereiken, als de helling niet wat toenam. Gelukkig vertoonde zich onverwacht, midden in het uitgestrekte sneeuwtapijt, dat den rug van den vulkaan bedekte, eene soort van trap, die onze beklimming veel gemakkelijker maakte. Zij was gevormd door een van die stroomen van steenen, welke bij de uitbarsting in de hoogte geslingerd en op IJsland "stinâ" genoemd worden. Als deze stroom niet in zijn val ware gestuit door de ligging van de zijden des bergs, zou hij zich in zee gestort en nieuwe eilanden gevormd hebben.

Zoo als hij was kwam hij ons goed van pas; de steilte der hellingen nam toe, maar die steenen treden boden de gelegenheid aan om ze gemakkelijk, ja zelfs zoo snel te bestijgen, dat ik, een oogenblikje achter gebleven zijnde, terwijl mijne metgezellen met hunne beklimming voortgingen, hen door den afstand reeds verkleind zag tot een microscopisch voorkomen.

's Avonds te zeven uur hadden wij de twee duizend treden van de trap beklommen en overzagen wij eene ronde verhevenheid van den berg, eene soort van voetstuk, waarop de eigenlijke kegel des kraters rustte.

De zee lag drie duizend twee honderd voet onder ons; wij waren boven de sneeuwlinie gekomen, die op IJsland door de aanhoudende vochtigheid van het klimaat niet zeer hoog ligt. Het was snerpend koud; de wind woei hevig. Ik was uitgeput. De professor zag wel, dat de beenen mij allen dienst weigerden en ondanks zijn ongeduld besloot hij stil te houden. Hij wenkte dus den jager, die het hoofd schudde en zeide: "Ofvanför".

"Het schijnt dat wij hooger moeten stijgen," zeide mijn oom.

Daarop onderzocht hij bij Hans naar de reden van zijn antwoord.

"Mistour"! antwoordde de gids.

"Ja, mistour"! herhaalde een der IJslanders op een ontstelden toon.

"Wat beteekent dat woord?" vroeg ik zeer ongerust.

"Zie maar rond!" sprak mijn oom.

Ik richtte mijne blikken naar de vlakte; eene verbazende kolom van fijne puimsteen, zand en stof verhief zich draaiende als eene hoos; de wind dreef haar naar die zijde van den Sneffels, waar wij ons bevonden; deze ondoorschijnende gordijn onderschepte het zonnelicht en hulde den berg in de schaduw. Als deze hoos daalde, moest zij ons stellig in hare dwarrelingen wikkelen. Dit, wanneer de wind van de gletschers waait, zeer gewone natuurverschijnsel, heet in het ijslandsch "mistour".

"Hastigt! hastigt"! riep onze gids.

Zonder deensch te kennen begreep ik toch, dat wij hem ten spoedigste moesten volgen. Hans begon den kegel van den krater om te loopen, maar in eene schuine richting om gemakkelijker te kunnen voortkomen; weldra viel de hoos op den berg, die bij haar schok sidderde; de steenen door den luchtstroom medegevoerd vielen als regen neder, gelijk bij eene uitbarsting. Wij waren gelukkig tegen alle gevaar beveiligd aan den anderen kant des bergs; zonder de voorzorg van den gids zouden onze gekorven lichamen verre van daar in kleine stukken nedergevallen zijn, als het voortbrengsel van het een of ander onbekend luchtverschijnsel.

Toch oordeelde Hans het niet voorzichtig om den nacht door te brengen op de zijden van den kegel. Wij klommen dus zigzagsgewijze hooger; voor de vijftien honderd voet, die wij nog moesten afleggen, hadden wij bijna vijf uur noodig; de omwegen, draaiingen en rugwaartsche bewegingen waren minstens drie mijl lang. Ik kon niet langer, ik bezweek van koude en honger. De eenigszins verdunde lucht was niet toereikende voor mijne ademhaling.

Eindelijk werd te elf uur in de dichtste duisternis de top van den Sneffels bereikt, en voor ik eene schuilplaats ging zoeken in het inwendige van den krater, had ik tijd om "de middernachtszon" op het laagste punt harer baan te zien, terwijl zij hare bleeke stralen wierp op het slapende eiland onder mijne voeten.

HOOFDSTUK XVI

Prachtig uitzicht van den Sneffels.--In verrukking.--Naar den krater.--De vervloekte naam.--Geen zon, geen schaduw.--Lidenbrock wanhopig.--De Scartaris geeft schaduw.

Het avondeten was spoedig afgeloopen en de kleine troep legde zich zoo goed mogelijk te rusten. De ligplaats was hard, de dekking beduidde niet veel, de toestand was zeer hachelijk op eene hoogte van vijf duizend voet boven den spiegel der zee. Toch sliep ik dezen nacht zeer rustig, die een der beste was, welke ik sinds lang had doorgebracht. Zelfs droomde ik niet eens.

Den volgenden morgen werden wij, half bevroren door de zeer scherpe lucht, wakker door de stralen eener heldere zon. Ik verliet mijn bed van graniet en ging mij verlustigen in het heerlijke schouwspel, dat zich aan mijn oog vertoonde.

Ik bevond mij op eene der beide pieken van den Sneffels, de zuidelijke. Van daar had ik het gezicht op het grootste gedeelte des eilands; het gezichtsbedrog, dat aan alle aanzienlijke hoogten eigen is, deed zijne oevers rijzen, terwijl het binnenland scheen te dalen. Men zou gezegd hebben, dat eene kaart in relief van Helbesmer aan mijne voeten lag uitgespreid; ik zag de diepe dalen elkander in alle richtingen kruisen, de afgronden zich als putten voordoen, de meren in vijvers, de rivieren in beken veranderen. Ter rechterzijde volgden de tallooze gletschers en de menigvuldige pieken op elkander, waarvan eenige een vederbos van lichte rookwolkjes schenen te dragen. De golven dezer eindelooze bergen, die schenen te schuimen door hunne sneeuwlagen, deden mij denken aan de oppervlakte eener onstuimige zee. Wendde ik mij naar het westen, dan breidde daar de oceaan zich uit in zijn volle pracht, als ware hij eene voortzetting dier gekroesde toppen. Mijn oog kon nauwelijks onderscheiden, waar de aarde eindigde en de golven begonnen.

Ik verzonk in die begoochelende geestverrukking, welke de hooge toppen verwekken, en ditmaal zonder duizelig te worden; want ik geraakte eindelijk gewoon aan dat zien uit de hoogte. Mijne verblinde oogen baadden zich in de doorschijnende uitstraling van het zonnelicht. Ik vergat, wie ik was, waar ik was, om het leven der elfen en sylphen, de denkbeeldige bewoners der scandinavische fabelleer, te doorleven; ik zwelgde het wellustig genot van mijne hooge standplaats met volle teugen in, zonder te denken aan de afgronden, waarin mijn noodlot mij binnen kort zou storten. Maar ik werd tot bewustheid der werkelijkheid teruggevoerd door de komst van den professor en van Hans, die zich op den top van de piek bij mij voegden.

Mijn oom keerde zich naar het westen en wees mij met de hand een lichten damp, een nevel, eene flauwe schemering van land boven de waterlijn.

"Groenland," sprak hij.

"Groenland?" riep ik uit.

"Ja, wij zijn er geen vijf en dertig uur van daan en als het dooit, komen de ijsberen op de ijsschotsen uit het noorden tot op IJsland toe. Maar dat hindert ons niet. Wij zijn op den top van den Sneffels; hier zijn twee pieken, de eene ten zuiden, de andere ten noorden. Hans zal ons zeggen, welken naam de IJslanders geven aan die, waarop wij ons thans bevinden."

Toen de vraag duidelijk gesteld was, antwoordde de jager:

"Scartaris."

Mijn oom wierp mij een zegepralenden blik toe.

"Naar den krater!" zeide hij.

De krater van den Sneffels had de gedaante van een omgekeerden kegel, welks opening een half uur in middellijn kon wezen. Zijne diepte schatte ik op ongeveer twee duizend voet. Men kan licht oordeelen over den toestand van zulk een ontvanger, als hij gevuld werd met donder en vlammen. Het grondvlak van den trechter kon niet meer dan vijfhonderd voet omtrek hebben, zoodat zijne vrij zachte hellingen de nederdaling gemakkelijk maakten. Onwillekeurig vergeleek ik dien krater met eene verbazend groote en wijde donderbus en die vergelijking beangstigde mij.

"In eene donderbus af te dalen," dacht ik, "die misschien geladen is en bij den geringsten schok kan losbranden, is het werk van gekken."

Maar ik kon niet meer terug. Hans stelde zich met een onverschillig gelaat weder aan het hoofd der troep. Ik volgde hem zonder een woord te spreken.

Ten einde de afdaling gemakkelijk te maken beschreef Hans binnen in den kegel zeer uitgestrekte ellipsen; wij moesten over uitgebraakte steenen loopen, waarvan eenige, door de dreuning van hun steunpunt beroofd, telkens opspringende op den bodem van den afgrond vielen. Hun val verwekte zeer helder klinkende, telkens herhaalde echo's.

Zekere gedeelten des kegels vormden inwendige gletschers; dan ging Hans slechts met de uiterste behoedzaamheid voort, terwijl hij gedurig den grond met zijn met ijzer beslagen stok peilde om er de scheuren in te ontdekken. Op sommige twijfelachtige punten werd het noodzakelijk om ons met een lang touw aan elkander te binden, opdat hij, wiens voet soms mocht uitglijden, vastgehouden werd door zijne makkers. Deze vastbinding was een maatregel van voorzichtigheid, maar sloot alle gevaar nog niet uit.

Evenwel werd de weg, ondanks de moeielijkheden van de afdaling langs hellingen, die de gids niet kende, zonder ongelukken afgelegd; alleen ontglipte een pak aan de handen van een IJslander en ging regelrecht naar den bodem van den afgrond.

Te twaalf uur waren wij aangekomen. Ik hief het hoofd op en bespeurde de bovenste opening van den kegel, waardoor een gedeelte van den hemel zichtbaar werd, welks omtrek zeer verkleind maar bijna zuiver was. Op één punt slechts teekende de piek van den Scartaris zich af, die in de eindelooze ruimte zich verloor.

Op den bodem van den krater openden zich drie schoorsteenen, waardoor de hoofdhaard bij eene uitbarsting van den Sneffels zijne lava en dampen uitbraakte. Elk dezer schoorsteenen had omtrent honderd voet middellijn. Zij gaapten onder onze voeten. Ik had de kracht niet om er in te zien. Professor Lidenbrock had hun stand snel onderzocht, hij hijgde, liep van den een naar den anderen, gebaren makende en allerlei onverstaanbare woorden uitende. Hans en zijne makkers, op brokken lava zittende, zagen het aan en hielden hem zeker voor een gek.

Eensklaps schreeuwde mijn oom luidkeels; ik dacht, dat de grond onder hem wegzonk en hij in een der drie afgronden viel. Maar neen. Ik zag hem met wijd uitgestrekte armen en de beenen ver van elkander voor een granietblok staan, dat in het middelpunt van den krater lag, als een verbazend voetstuk bestemd voor het standbeeld van een Pluto. Hij stond in de houding van een ontsteld mensch, maar wiens ontsteltenis weldra plaats maakte voor eene dwaze vreugde.

"Axel, Axel!" riep hij, "kom eens hier, kom eens hier!"

Ik snelde heen. Hans noch de IJslanders bewogen zich.

"Zie eens!" zeide mij de professor.

En zoo al niet in zijne vreugde, dan toch in zijne verbazing deelende, las ik op de westzijde van het blok in runische, door den tijd half uitgewischte letters, dezen duizendmaal vervloekten naam:

[AFBEELDING]

"Arne Saknussemm!" riep mijn oom, "kunt gij nu nog twijfelen?" Ik antwoordde niets en keerde geheel ontzet naar mijne bank van lava terug. Dit tastbare bewijs verpletterde mij.

Hoe lang ik zoo in mijne gepeinzen verdiept bleef, weet ik niet. Al wat ik weet is, dat ik, toen ik mijn hoofd ophief, mijn oom en Hans alleen in den krater zag. De IJslanders waren weggezonden en nu daalden zij weder langs de buitenste hellingen van den Sneffels af om naar Stapi terug te keeren.

Hans sliep gerust aan den voet eener rots op een lavastroom, waarin hij eene soort van slaapplaats had gemaakt, mijn oom liep op den bodem van den krater rond, gelijk een wild dier in den kuil van een jager. Ik had lust noch kracht om op te staan en een voorbeeld nemende aan den gids, gaf ik mij over aan eene pijnlijke slaperigheid, telkens mij verbeeldende gerommel te hooren of schokken in de zijden van den berg te gevoelen.

Zoo verliep deze eerste nacht op den bodem des kraters.

Den volgenden dag hing eene grauwe, bewolkte en zware lucht op den top des kegels. Ik bespeurde dit minder aan de duisternis in den afgrond, dan aan den toorn, die mijn oom beving.

Ik begreep er de reden van en eene straal van hoop verhelderde mijn hart. Ziehier waarom.

Van de drie wegen, die voor ons openstonden, was er slechts een door Saknussemm gevolgd. Naar het zeggen van den ijslandschen geleerde kon men hem herkennen aan deze in het geheimschrift aangeduide bijzonderheid, dat de schaduw van den Scartaris zijn rand in de laatste dagen der maand Juni raakte.

Men kan inderdaad deze scherpgepunte piek beschouwen als de staaf van een ontzaglijken zonnewijzer, wiens schaduw op een gegeven dag den weg naar het middelpunt van den aardbol aanwees.