Chapter 6
"O! daarover bekommer ik mij niet. Die lieden loopen, zonder dat zij het merken, en deze beweegt zich zoo weinig, dat hij niet moe kan worden. Als het noodig is, zal ik hem echter mijn paard afstaan. Ik zou spoedig kramp krijgen, als ik niet eenige beweging nam. De armen gaan goed, maar men moet ook aan de beenen denken."
Intusschen reden wij stevig door; het land was reeds bijna onbewoond. Hier en daar vertoonde zich eene afgelegene hoeve, een alleenstaande "boer" [6], van hout, aarde en lavabrokken gemaakt, als een bedelaar aan den rand van een hollen weg. Die vervallen hutten zagen er uit, alsof zij het mededoogen der voorbijgangers afsmeekten, en bijna zou men haar eene aalmoes geschonken hebben. In dat land waren volstrekt geene wegen, zelfs geene voetpaden, en de plantengroei, hoe gering ook, had weinig tijds noodig om de voetstappen der zeldzame reizigers uit te wisschen.
Toch telde dit gedeelte der provincie, dicht bij de hoofdstad, mede onder de bewoonde en bebouwde streken van IJsland. Wat zouden dan de streken zijn, die nog woester waren dan deze woestijn? Op een weg van een half uur gaans hadden wij nog geen boer voor de deur zijner hut zien staan, noch een wilden herder ontmoet, die eene kudde weidde, welke minder wild was dan hij, niets anders dan eenige verlatene koeien en schapen. Wat zouden dan de gewesten zijn, die geschud en het onderste boven gekeerd waren door de uitbarstingen, veroorzaakt door de vulkanische ontploffingen en onderaardsche schokken?
Wij zouden ze later leeren kennen; maar de kaart van Olsen raadplegende zag ik, dat men ze vermeed door den kronkelenden oever te volgen; de groote vulkanische beweging heeft zich inderdaad meer tot het middengedeelte des eilands bepaald; daar hebben de horizontale lagen van opeengestapelde rotsen, in het scandinavisch "trapps" genoemd, de strooken trachiet, de uitgebraakte basalt, de tufsteen en al de vulkanische ophoopingen van verschillende delfstoffen, de stroomen lava en smeltend porfier, een onnatuurlijk verschrikkelijk land gevormd. Ik vermoedde toen geenszins, welk schouwspel ons wachtte op het schiereiland van den Sneffels, waar die verwoestingen eener woedende natuur een vreeselijken bajert vormen.
Twee uur na ons vertrek van Reikiavik kwamen wij in het vlek Gufunes, "aoalkirkja" of hoofdkerk genoemd. Het leverde niets bijzonders op. Het bestond uit slechts weinige huizen, nauwelijks voldoende om een duitsch gehucht te vormen.
Hans hield een half uur stil, deelde ons sober ontbijt, antwoordde met ja en neen op de vragen van mijn oom betreffende den toestand van den weg, en toen men hem vroeg, waar hij den nacht dacht door te brengen, antwoordde hij alleen: "Gardär."
Ik raadpleegde de kaart om te zien wat Gardär was. Ik zag eene buurt van dien naam aan de oevers van den Hvalfjörd, vier mijlen van Reikiavik. Ik toonde het mijn oom.
"Niet meer dan vier mijlen!" zeide hij. "Vier mijlen van de twee en twintig! Dat is eene mooie wandeling!"
Hij wilde den gids eene aanmerking maken, die echter zonder hem te antwoorden den kop der paarden greep en zich weder op weg begaf.
Drie uur later moesten wij, steeds over het ontkleurde gras der weide rijdende, den Kollafjörd omtrekken, welke omweg gemakkelijker en korter was dan eene vaart over die golf; kort daarop kwamen wij in een "pingstaoer," eene plaats met gemeentelijk rechtsgebied, Ejulberg genoemd, welker klok twaalf uur zou geslagen hebben, indien de ijslandsche kerken rijk genoeg waren om een uurwerk te bezitten; maar zij gelijken zeer op hare gemeenteleden, die geene horloges hebben en het er buiten doen.
Daar werden de paarden gevoederd, en nu brachten zij ons langs een nauw pad tusschen eene rij heuvels en de zee in eens door naar de "aoalkirkja" Brantär en eene mijl verder te Saurböer, eene "annexia" of bijbehoorende kerk, gelegen op den zuidelijken oever van den Hvalfjörd.
Het was toen vier uur in den namiddag, wij hadden vier mijlen (acht uur gaans) afgelegd.
De fjörd was te dezer plaatse minstens eene halve mijl breed; de baren braken met veel geraas op de spitse rotsen; de golf verwijdde zich tusschen rotswanden, eene soort van steile drie duizend voet hooge helling, opmerkenswaardig door hare bruine lagen, gescheiden door beddingen van min of meer roodachtigen tufsteen. Hoe groot de schranderheid onzer paarden ook ware, voorspelde ik mij toch weinig goeds van den overtocht over een waren zeearm, bewerkstelligd op den rug van een viervoetig dier.
"Als zij schrander zijn," zeide ik, "zullen zij den overtocht niet beproeven. In allen gevalle zal ik in hunne plaats schrander zijn."
Maar mijn oom wilde niet wachten; hij gaf zijn paard de sporen en reed naar den oever. Het dier rook de golven en bleef staan; mijn oom, die zijn eigen instinct had, dreef het voorwaarts. Het paard weigerde op nieuw en schudde den kop. Nu volgden vloeken en zweepslagen, beantwoord door het achteruitslaan van het paard, dat zijn ruiter uit het zadel begon te werken; eindelijk liep het paardje, zijne pooten uitstrekkende, tusschen de beenen van den professor weg en liet hem op twee steenen aan den oever staan, gelijk het colossusbeeld van Rhodus.
"O, vervloekt dier!" riep de ruiter, die plotseling in een voetganger veranderd was en zoo beschaamd stond als een cavalerie-officier, dien men voor een voetknecht houdt.
"Färja," zeide de gids, hem op den schouder kloppende.
"Wat! eene pont?"
"Der!" antwoordde Hans, hem eene schuit wijzende.
"Ja!" riep ik, "daar is eene pont."
"Dat hadt gij wel eerder kunnen zeggen! Welnu, vooruit!"
"Tidvaiten," hernam de gids.
"Wat zegt hij?"
"Hij zegt vloed," antwoordde mijn oom, het deensche woord voor mij vertalende.
"Wij moeten zeker op den vloed wachten?"
"Förblda?" vroeg mijn oom.
"Ja!" antwoordde Hans.
Mijn oom stampvoette, terwijl de paarden zich naar de pont begaven.
Ik begreep volkomen de noodzakelijkheid om een zeker oogenblik van het getij af te wachten om den tocht over den fjörd te ondernemen, dat waarop de zee, tot haar hoogste punt geklommen, stil is. Dan is de werking van vloed en ebbe niet merkbaar en de pont loopt geen gevaar van of op den bodem der golf of in den vollen oceaan gesleept te worden.
Het gunstige oogenblik kwam eerst des avonds te zes uur; mijn oom, ik, de gids, twee veerlieden en de vier paarden hadden plaats genomen in eene soort van vrij slecht platboomd vaartuig. Gewoon als ik was aan de veerstoombooten op de Elbe, vond ik de riemen der schippers onhandige werktuigen. Meer dan een uur ging er heen met het oversteken van den fjörd; maar de overtocht werd toch zonder letsel volbracht.
Een half uur later bereikten wij de "aoalkirkja" Gardär.
HOOFDSTUK XIII
Het huis van een boer.--De IJslandsche vrouw.--Gastvrij onthaal.--IJslandsche hartelijkheid.--Melaatschen.
Het had donker moeten worden, maar onder den vijfenzestigsten breedtegraad kon het daglicht der poolgewesten mij niet verwonderen; op IJsland gaat de zon gedurende de maanden Juni en Juli niet onder.
De warmte was echter afgenomen; ik was koud en had vooral honger. Welkom was ons de "boër", die zich gastvrij tot onze ontvangst opende.
Het was het huis van een boer, maar op het punt van gastvrijheid was het evenveel waard als dat van een koning. Bij onze komst stak de eigenaar ons zijne hand toe, en zonder verdere plichtplegingen gaf hij ons een teeken om hem te volgen.
Te volgen, zeg ik, want het zou onmogelijk geweest zijn om naast hem te gaan. Een lange, nauwe, donkere gang verleende den toegang tot deze woning, gebouwd van ter nauwernood bewerkte balken, en gaf gelegenheid om in de kamers te komen; deze waren ten getale van vier: de keuken, het spinvertrek, de "badstofa" of slaapkamer van het gezin en de beste van alle, de kamer voor de vreemdelingen. Mijn oom, aan wiens gestalte men niet gedacht had bij het bouwen van het huis, stiet wel drie- of viermaal het hoofd tegen de uitstekende punten van de zoldering.
Men bracht ons in onze kamer, eene soort van zaal met een, bodem van vastgetrapte aarde en verlicht door een venster, welks ruiten vervaardigd waren van niet zeer doorschijnende schaapsvliezen. Het beddegoed bestond uit droog voer, in twee houten, roodgeverfde en met ijslandsche spreuken versierde kooien gespreid. Ik had zooveel weelde niet verwacht; alleen heerschte er in dit huis eene sterke lucht van gedroogde visch, geweekt vleesch en zuremelk, die mijne reukzenuwen onaangenaam aandeed.
Toen wij ons reisgewaad afgelegd hadden, deed de stem van den gastheer zich hooren, die ons uitnoodigde om in de keuken te komen, het eenige vertrek waar men stookte, zelfs bij de strengste koude.
Mij oom haastte zich om aan dit vriendelijk bevel te gehoorzamen. Ik volgde hem.
De keukenschoorsteen was nog een ouderwetsch model; in het midden van de kamer diende een steen tot haard, in het dak was een gat, waardoor de rook wegtrok. Die keuken diende ook tot eetzaal.
Toen wij binnentraden, groette onze gastheer ons, alsof hij ons nog niet gezien had, met het woord "saellvertu"! dat wil zeggen "weest gelukkig", en kwam ons de wang kussen.
Zijne vrouw sprak na hem dezelfde woorden, vergezeld van hetzelfde ceremonieel; daarna bogen zich de beide echtgenooten diep met de rechterhand op het hart.
Ik haast mij te zeggen, dat die ijslandsche vrouw moeder was van negentien kinderen, allen, groot en klein, door elkander krielende te midden der rookwolken, waarmede de haard de kamer vulde. Ieder oogenblik zag ik een blond en eenigszins droefgeestig kopje uit dien nevel te voorschijn komen. Men zou gezegd hebben, dat het een krans van slecht schoongemaakte engelenkopjes was.
Mijn oom en ik behandelden dit "broedsel" zeer hartelijk; weldra zaten er drie of vier van die kleuters op onzen rug, evenveel op onze knieën en de rest tusschen onze beenen. Zij die praatten, herhaalden "saellvertu" in alle denkbare tonen. Zij die niet praatten, schreeuwden er des te harder om.
Dit concert werd afgebroken door de aankondiging, dat het maal gereed was. Op dit oogenblik kwam de jager te huis, die voor het voederen der paarden gezorgd had, dat wil zeggen, hij had ze eenvoudig in het veld los laten loopen; de arme dieren moesten zich vergenoegen met te knabbelen aan het schaarsche mos der rotsen en eenig niet zeer voedzaam zeegras; den volgenden morgen zouden zij niet nalaten om uit eigen beweging den arbeid van den vorigen dag weder op te vatten.
"Saellvertu!" zeide Hans bij zijn binnentreden. Vervolgens omhelsde hij heel bedaard en stijf, zonder dat de eene kus luider klonk dan de andere, den gastheer, de gastvrouw en hunne negentien kinderen.
Toen die plichtpleging afgeloopen was, zette men zich aan tafel ten getale van vier en twintig en bij gevolg op elkander in den waren zin des woords. De gelukkigsten hadden maar twee kleuters op de knieën.
Toch ontstond er stilte in deze kleine wereld, toen de soep op tafel kwam, en de, zelfs den ijslandschen knapen aangeboren stilzwijgendheid, hernam haar gezag. De gastheer bediende ons van eene niet onsmakelijke korstmossoep, vervolgens van eene verbazende portie gedroogde visch, zwemmende in sedert twintig jaar verzuurde boter, die bij gevolg verre te verkiezen was boven versche, volgens de op IJsland heerschende denkbeelden over de kookkunst. Daarbij kwam nog "skyr," eene soort van gestremde melk met beschuit en smakelijk gemaakt door jeneverbessensap; eindelijk tot drank wei met water, hier "blanda" genoemd. Ik kon er niet over oordeelen of dit zonderlinge voedsel lekker was of niet. Ik had honger en bij het nagerecht verzwolg ik, tot den laatsten mondvol toe, eene dikke boekweitepap.
Zoodra de maaltijd afgeloopen was, verdwenen de kinderen; de volwassenen gingen om den haard zitten, waaraan turf, heide, koemest en graten van gedroogde visch lagen. Na zich wat verwarmd te hebben, begaven de verschillende groepen zich naar hare eigene kamers. De gastvrouw bood ons, naar 's lands gebruik, aan om onze kousen en broeken uit te trekken; maar na een vriendelijke weigering van onzen kant drong zij er niet op aan, en ik kon eindelijk in mijn bed van voer wegkruipen.
Den volgenden morgen te vijf uur namen wij afscheid van den ijslandschen boer; mijn oom had veel moeite om hem eene behoorlijke schadeloosstelling te doen aannemen, en Hans gaf het sein tot het vertrek.
Honderd schreden van Gardär begon het voorkomen van den bodem te veranderen; de grond werd moerassig en minder geschikt voor den tocht. Ter rechterzijde verlengde de rij bergen zich tot in het oneindige, gelijk een verbazend stelsel van natuurlijke vestingwerken, waarvan wij de schuine vlakte volgden; dikwijls moesten wij beken overtrekken, die noodzakelijk doorwaad moesten worden, zonder echter de bagage te nat te maken.
De woestijn werd hoe langer hoe akeliger; somtijds echter scheen eene menschelijke schaduw in de verte te vluchten; als de kronkelingen van den weg ons onvoorziens in de nabijheid van een dezer spoken brachten, kreeg ik terstond eene walging op het gezicht van een gezwollen hoofd met eene glimmende huid, ontbloot van haar en met afzichtelijke wonden, die zichtbaar waren door de scheuren van ellendige lompen.
Het ongelukkige schepsel stak zijne misvormde hand niet uit; het pakte zich integendeel weg, maar toch niet zoo snel of Hans had het nog begroet met het gewone "Saellvertu".
"Spetelsk!" zeide hij.
"Een melaatsche!" herhaalde mijn oom.
Dit enkele woord bracht zijn afschrikwekkend uitwerksel voort. Deze akelige melaatschheid is vrij algemeen op IJsland; zij is niet besmettelijk, maar erfelijk; ook is het huwelijk aan die rampzaligen verboden.
Zulke verschijningen waren niet geschikt om het landschap op te vroolijken, dat uiterst treurig werd; de laatste bosjes gras stierven weg onder onze voeten. Geen boom was er te zien, met uitzondering van eenige groepjes dwergbeuken, die op kreupelhout geleken. Geen dier, dan eenige paarden, die hun eigenaar niet kon onderhouden en die op de doodsche vlakte rondzwierven. Somtijds zweefde een valk in de grauwe wolken en vluchtte pijlsnel naar het zuiden; ik liet mij medeslepen door de naarheid dezer woeste natuur en mijne herinneringen voerden mij terug naar mijn geboorteland.
Wij moesten weldra eenige onbeduidende kleine fjörds en eindelijk eene ware golf oversteken; de zee, die juist stil was, veroorloofde ons om zonder te wachten over te gaan en het gehucht Alftanes, eene mijl verder gelegen, te bereiken.
Nadat wij twee aan forellen en snoeken rijke rivieren, de Alfa en de Heta, doorwaad hadden, waren wij des avonds verplicht den nacht door te brengen in een verlaten bouwval, waardig om bezocht te worden door al de kaboutermannetjes der noordsche fabelleer; zoo veel is zeker dat de geest der koude er zijne woning had gevestigd en ons den ganschen nacht met zijne guiterijen kwelde.
De volgende dag leverde geen bijzonder voorval op. Altijd dezelfde moerassige grond, dezelfde eenvormigheid, hetzelfde treurige voorkomen. Des avonds hadden wij de helft onzer reis afgelegd en sliepen wij in de "annexia" van Krösolbt.
Den 19den Juni reden wij omtrent eene mijl ver over een bodem van lava; deze toestand van den grond heet hier "hraun;" de aan de oppervlakte gerimpelde lava bootste de vormen van kabels na, nu eens in de lengte uitgerekt, dan weder opgerold; een verbazende stroom daalde van de naburige bergen, die nu uitgebrande vulkanen waren, maar van wier vroeger geweld deze overblijfselen het voldingendste bewijs opleverden. Evenwel steeg nog hier en daar de damp van warme bronnen omhoog.
Het ontbrak ons aan tijd om deze verschijnselen waar te nemen; wij moesten vooruit; weldra betraden onze rijdieren weder een moerassigen bodem, afgebroken door meertjes. Wij richtten ons nu naar het westen; wij waren de groote baai van Faxa omgetrokken en de dubbele witte top van den Sneffels verhief zich in de wolken op een afstand van nog geen vijf mijlen.
De paarden liepen goed, niet gestuit door de hindernissen van den grond; ik voor mij begon zeer vermoeid te worden, maar mijn oom zat nog even stevig en recht, als op den eersten dag; ik kon niet nalaten hem evenzeer als den jager te bewonderen, die dezen tocht als eene bloote wandeling beschouwde.
Op Zaterdag, den 20sten Juni, des avonds te zes uur, bereikten wij Büdir, eene buurt aan de zeekust gelegen. De gids vorderde zijn bedongen loon. Mijn oom rekende met hem af. De eigene familie van Hans, dat wil zeggen zijne volle ooms en neven, bood ons een nachtverblijf aan; wij werden goed ontvangen en zonder van de vriendelijkheid dezer brave lieden misbruik te maken, zou ik gaarne bij hen uitgerust hebben van de vermoeienissen der reis. Maar mijn oom, die daaraan geene behoefte had, verstond het anders, en den volgenden morgen moesten wij op nieuw onze goede beesten bestijgen.
De grond droeg sporen van de nabijheid van den berg, wiens granietwortels uit den grond kwamen, gelijk die van een ouden eik. Wij reden om den verbazenden voet van den berg heen. De professor verloor hem niet uit het oog; hij maakte driftige gebaren, hij scheen hem uit te dagen en te zeggen: "Ziedaar den reus, dien ik zal ten onder brengen!" Eindelijk, na een marsch van vier uur, bleven de paarden van zelven stilstaan voor de deur der pastorie van Stapi.
HOOFDSTUK XIV
De familie van Hans.--Stapi.--Verbasterde geestelijke.--Vrees voor uitbarsting.--Te mooi om mogelijk te zijn.--Gevaar voor uitbarsting.
Stapi is een gehucht van een dertigtal hutten op lava gebouwd en beschenen door de zonnestralen, welke de vulkaan terugkaatst. Het strekt zich uit aan het einde van een kleinen fjörd, ingesloten door een basaltmuur van een allervreemdst voorkomen.
Men weet, dat de basalt eene door het vuur gevormde bruine rotssoort is; hij neemt regelmatige vormen aan, die door hunne schikking verbazen. Hier handelt de natuur meetkunstig en werkt op menschelijke wijze, alsof zij winkelhaak, passer en schietlood gebruikte. Toont zij overal elders hare kunst in hare groote, ordeloos nedergeworpene massa's, hare onvolmaakte piramiden, in die grillige opeenvolging harer lijnen, hier heeft zij, het voorbeeld van regelmaat willende geven, en de oudste bouwmeesters voorgaande, eene strenge orde geschapen, die nooit overtroffen is door de prachtwerken van Babylon noch door de wonderen van Griekenland.
Ik had wel hooren spreken van den Reuzendam op Ierland en van de Fingalsgrot op een der Hebriden; maar het schouwspel van een onderbouw van basalt had zich nog nooit aan mijn oog vertoond.
Te Stapi vertoonde zich dit verschijnsel in zijne volle schoonheid.
De muur van den fjörd bestond, evenals de geheele kust van het schiereiland, uit eene rij loodrechte, dertig voet hooge zuilen. Die rechte en zuiver geëvenredigde schachten droegen een kroonboog, bestaande uit horizontale zuilen, die door hare afwijking van de waterpaslijn een half gewelf boven de zee vormden. Op sommige plaatsen van dit natuurlijke regenscherm bespeurde men spitsboogvormige, heerlijk geteekende openingen, waardoor de baren der zee schuimende nederstortten. Eenige basaltblokken, door de woede van den oceaan los gescheurd, lagen op den grond, gelijk de puinhoopen van een eeuwenouden tempel, maar het waren eeuwig jonge puinhoopen, waarover de eeuwen henen gingen zonder ze te beschadigen.
Zoo zag de laatste pleisterplaats op onze aardsche reis er uit. Hans had ons met veel beleid zoo ver gebracht en ik werd een beetje geruster, toen ik bedacht, dat hij ons nog verder zou vergezellen.
Aan de deur van het huis van den geestelijke komende, dat slechts eene gewone lage hut, noch schooner noch gemakkelijker ingericht dan de andere, was, zag ik iemand, die juist bezig was een paard te beslaan met den hamer in de hand en het lederen schootsvel voor.
"Saellvertu"! zeide hem de jager.
"God dag"! antwoordde de hoefsmid in zuiver deensch.
"Kyrkoherde", sprak Hans, zich tot mijn oom wendende.
"De geestelijke"! herhaalde deze. "Het schijnt, Axel! dat die brave man de geestelijke is".
Intusschen bracht de gids den "Kyrkoherde" op de hoogte van de zaak. Deze staakte zijn arbeid, gaf eene soort van schreeuw, die zeker in gebruik is tusschen paarden en paardenkoopers, en oogenblikkelijk kwam eene groote helleveeg de hut uit. Als zij geen volle zes voet haalde, scheelde het toch weinig.
Ik vreesde, dat zij den reiziger den gebruikelijken ijslandschen kus kwam aanbieden; maar het gebeurde niet en zelfs maakte zij niet veel omslag, toen zij ons in haar huis bracht.
De kamer voor de vreemdelingen scheen wel de slechtste van de pastorie, bekrompen, vuil en stinkend. Wij moesten er ons mede behelpen; de geestelijke scheen de aloude gastvrijheid niet te beoefenen. Verre van daar. De dag was nog niet verstreken, of ik zag reeds, dat wij te doen hadden met een smid, een visscher, een jager, een timmerman, maar niet met een dienaar des Heeren. Maar het is waar, het was in de week. Misschien hield hij zich des Zondags beter.
Ik wil niets ten nadeele van die arme priesters zeggen, die toch al ongelukkig genoeg zijn; zij genieten van het deensche gouvernement eene bespottelijke bezoldiging en ontvangen het vierde gedeelte van de tienden van hun kerspel, hetgeen eene som van nog geen zestig mark bedraagt [7]. Daaruit ontstaat de noodzakelijkheid om te werken; maar al visschende, jagende, paarden beslaande, neemt men eindelijk de manieren, den toon en de zeden van jagers, visschers en ander ruw volkje aan; denzelfden avond bemerkte ik ook, dat onze gastheer de matigheid niet onder zijne deugden telde.
Mijn oom begreep spoedig met welk een slag van een man hij te doen had; in plaats van een braaf en waardig geleerde vond hij een lompen, ruwen boer; hij besloot dus ten allerspoedigste zijn grooten tocht te beginnen en deze ongastvrije pastorie te verlaten. Hij lette niet op zijne vermoeidheid en besloot eenige dagen in den berg te gaan doorbrengen.
Daags na onze komst te Stapi maakten wij derhalve reeds toebereidselen tot ons vertrek. Hans huurde drie IJslanders om de paarden te vervangen bij het vervoeren der bagage; maar als wij op den bodem van den krater waren, zouden die inboorlingen terugkeeren en ons aan ons lot overlaten. Dit punt werd stellig bepaald.
Bij deze gelegenheid moest mijn oom den jager wel mededeelen, dat zijn plan was om de verkenning van den vulkaan zoo ver mogelijk voort te zetten.
Hans vergenoegde zich met een hoofdknikje. Daar of ergens anders te gaan, in de ingewanden van zijn eiland door te dringen of het te doorloopen, daarin zag hij geen verschil; ik voor mij, hoewel ik tot nu toe door de voorvallen van de reis nog al afleiding gehad en de toekomst min of meer vergeten had, voelde mijne beklemdheid op nieuw terugkomen. Maar wat was er aan te doen? Als ik eene poging had kunnen wagen om mij tegen professor Lidenbrock te verzetten, dan had dit te Hamburg maar niet aan den voet van den Sneffels moeten plaats hebben.
Een denkbeeld vooral pijnigde mij, een verschrikkelijk denkbeeld, dat wel in staat was om sterker zenuwen dan de mijne te schokken.
"Komaan!" zeide ik, "wij zullen den Sneffels bestijgen. Goed. Wij zullen zijn krater bezoeken. Goed. Anderen hebben het gedaan en zijn er niet van gestorven. Maar dat is niet alles. Als er een weg bestaat om in de ingewanden der aarde af te dalen, als die ongeluk aanbrengende Saknussemm de waarheid heeft gesproken, dan zullen wij onzen ondergang vinden in de onderaardsche galerijen van den vulkaan. Maar niets bevestigt, dat de Sneffels uitgebrand is. Wie verzekert ons, dat er geene uitbarsting wordt voorbereid? Al slaapt het monster sedert 1219, volgt dan daaruit nog, dat het niet ontwaken kan? En als het ontwaakt, wat zal er dan van ons worden?" Dat was wel de moeite waard om er eens over te denken, hetgeen ik ook deed. Ik kon niet slapen zonder van eene uitbarsting te droomen; de rol van eene metaalslak te spelen scheen mij toch wat al te erg toe.
Eindelijk kon ik het niet langer uithouden; ik besloot zoo behendig mogelijk het geval aan mijn oom mede te deelen, ingekleed als eene volstrekt onvervulbare veronderstelling.