Chapter 5
Hunne kleeding bestond uit een grove boezeroen van zwarte wol, in alle Scandinavische landen bekend onder den naam van "vadmel," een hoed met breede randen, een broek met roode bies en een stuk leder op de wijze van schoeisel gevouwen.
De vrouwen met een treurig en lijdzaam voorkomen en een vrij lief maar wezenloos gezicht, waren gekleed met een lijfje en een rok van donker "vadmel;" de ongetrouwde droegen op hare kransgewijze gevlochten haren een gebreid bruin mutsje; de getrouwde wonden om haar hoofd een gekleurden doek, met een topsieraad van wit linnen.
Toen ik na eene fiksche wandeling weder naar het huis van den heer Fridriksson ging, vond ik er mijn oom reeds in gezelschap van zijn gastheer.
HOOFDSTUK X
Leeslust der IJslanders.--Letterkunde der IJslanders.--De Sneffels.--Over zee of land?
Het middagmaal was gereed; het werd gulzig verslonden door professor Lidenbrock, wiens maag door het gedwongen vasten aan boord in een bodemloozen afgrond was veranderd. Deze meer deensche dan ijslandsche maaltijd had op zichzelven niets bijzonders; maar onze meer ijslandsche dan deensche gastheer herinnerde mij de helden der aloude gastvrijheid. Het was duidelijk zichtbaar, dat wij beter bij hem te huis waren dan hij zelf.
Het gesprek werd in de landtaal gevoerd, welke mijn oom met duitsch en de heer Fridriksson met latijn vermengden, opdat ik het zou kunnen volgen. Het liep over wetenschappelijke onderwerpen, zooals dat aan geleerden past; maar professor Lidenbrock was uiterst behoedzaam, en zijne oogen bevalen mij bij iederen volzin een volstrekt stilzwijgen aan betreffende onze toekomstige plannen.
Allereerst vroeg de heer Fridriksson mijn oom naar de uitkomsten zijner nasporingen in de bibliotheek.
"Uwe bibliotheek," riep de laatste, "bestaat slechts uit geschonden boeken op bijna ledige planken!"
"Wat!" riep de heer Fridriksson, "wij bezitten acht duizend deelen, waaronder vele kostbaar en zeldzaam zijn, werken in de oude Scandinavische taal, en al het nieuws, waarvan Kopenhagen ons jaarlijks voorziet."
"Waar zitten die acht duizend deelen dan? Ik...."
"O, mijnheer Lidenbrock! zij gaan het gansche land door; men heeft smaak voor de studie op ons oud bevrozen eiland! Geen boer, geen visscher zult gij aantreffen, of hij kan lezen en leest. Wij denken, dat de boeken niet bestemd zijn om te beschimmelen achter een ijzeren traliehek, ver van de blikken der nieuwsgierigen, maar om versleten te worden onder de oogen der lezers. Ook gaan die deelen van hand tot hand, doorbladerd, gelezen en herlezen, en dikwijls komen zij eerst na één of twee jaar weder op hunne plank terecht."
Met zekere spijt antwoordde mijn oom: "Vreemdelingen intusschen...."
"Wat zou dat! De vreemdelingen hebben hunne bibliotheek te huis, en voor alles moeten onze boeren leeren. Ik herhaal het, de liefde voor de studie zit in het ijslandsche bloed. Zoo hebben wij in 1816 een letterkundig genootschap opgericht, dat goed gaat; vreemde geleerden stellen er eene eer in om er toe te behooren; het geeft boeken uit, bestemd voor de opvoeding onzer landgenooten en bewijst ware diensten aan het land. Als gij één onzer correspondeerende leden wilt zijn, mijnheer Lidenbrock! zult gij ons het grootste genoegen doen."
Mijn oom, die reeds lid was van een honderdtal geleerde genootschappen, nam het aanbod zoo goedgunstig aan, dat de heer Fridriksson er door getroffen werd.
Deze hernam: "Wees nu zoo goed mij de boeken op te noemen, die gij in onze bibliotheek gehoopt hadt te vinden; misschien zal ik u dienaangaande inlichtingen kunnen geven."
Ik zag mijn oom aan. Hij aarzelde om te antwoorden. Dat raakte rechtstreeks zijne plannen. Na eenig nadenken besloot hij echter te spreken.
"Mijnheer Fridriksson!" zeide hij, "ik wilde weten, of gij onder de oude werken ook die van Arne Saknussemm bezit?"
"Arne Saknussemm!" antwoordde de reikiaviksche hoogleeraar; "gij wilt spreken van dien geleerde uit de zestiende eeuw, die tegelijk een groot natuurkundige, een groot goudmaker en een groot reiziger was?"
"Juist!"
"Een van de sieraden der ijslandsche letterkunde en wetenschap?"
"Zoo als gij zegt."
"Een der vermaardste mannen?"
"Ik stem het toe."
"En wiens vermetelheid zijn vernuft evenaarde?"
"Ik zie, dat gij hem goed kent."
Mijn oom was buiten zich zelven van vreugde, toen hij zoo over zijn held hoorde spreken. Hij verslond den heer Fridriksson met de oogen.
"Welnu!" vraagde hij, "zijne werken?"
"Ach! zijne werken bezitten wij niet."
"Hoe! op IJsland?"
"Zij bestaan noch op IJsland noch ergens anders."
"En waarom niet?"
"Omdat Arne Saknussemm wegens ketterij werd vervolgd en zijne werken in 1573 te Kopenhagen door beulshanden werden verbrand."
"Zeer goed! In orde!" riep mijn oom tot groote ergernis van den professor in de natuurwetenschappen.
"Wat zegt gij daar?" vroeg deze.
"Ja! alles wordt duidelijk, alles staat in verband, alles is opgehelderd, en nu begrijp ik, waarom Saknussemm, op den index geplaatst en gedwongen om de ontdekkingen van zijn vernuft te verbergen, onder een onverstaanbaar geheimschrift het geheim...."
"Welk geheim?" vraagde de heer Fridriksson driftig.
"Een geheim, dat ... waarvan...." antwoordde mijn oom aarzelend.
"Hebt gij misschien het een of ander bijzonder document?" hernam onze gastheer.
"Neen ... Het was slechts eene veronderstelling."
"Goed," hernam de heer Fridriksson, die de vriendelijkheid had er niet verder op aan te dringen, toen hij de verwarring van zijn gast zag. "Ik hoop," voegde hij er bij, "dat gij ons eiland niet zult verlaten, voor gij uit zijn delfstoffelijken rijkdom geput hebt?"
"Zeker niet," antwoordde mijn oom; "maar ik kom wat laat; zijn hier reeds geleerden geweest?"
"Ja, mijnheer Lidenbrock! de arbeid van de heeren Olafsen en Povelsen, op bevel des konings verricht, de studiën van Troïl, de wetenschappelijke zending van de heeren Gaimard en Robert aan boord van de fransche korvet la Recherche [2], en onlangs nog de waarnemingen der fransche geleerden op het fregat la Reine Hortense, hebben de kennis van IJsland zeer vermeerderd. Maar, geloof mij, er is nog wel wat te doen."
"Denkt gij?" vroeg mijn oom met een onnoozel gezicht, terwijl hij zijn best deed om het flikkeren zijner oogen te matigen.
"Ja! Wat al ter nauwernood bekende bergen, gletschers en vulkanen zijn er nog te bestudeeren! Zonder ver weg te gaan, ziet gij dien berg, die zich aan den gezichteinder verheft? dat is de Sneffels."
"Zoo!" sprak mijn oom, "de Sneffels."
"Ja een der merkwaardigste vulkanen, wiens krater men zelden bezoekt."
"Een uitgebrande?"
"O, al sedert vijf honderd jaar."
"Welnu!" antwoordde mijn oom, die zenuwachtig zijne beenen over elkander sloeg om niet van zijn stoel op te springen, "ik heb wel lust om mijne geologische studiën te beginnen met dien Seffel ... Fessel ... hoe zegt gij?"
"Sneffels," hernam de uitmuntende heer Fridriksson.
Dit gedeelte van het gesprek was in het latijn gevoerd; ik had alles verstaan en kon mij moeielijk goed houden, toen ik zag, hoe mijn oom zijne aan alles zichtbare tevredenheid bedwong; hij zette een onschuldig gezicht, dat wel op het grijnzen van een ouden duivel geleek.
"Ja!" sprak hij, "mijn besluit is door uw gezegde bepaald; wij zullen beproeven dien Sneffels te bestijgen, misschien wel zijn krater te bestudeeren!"
"Het spijt mij zeer," antwoordde de heer Fridriksson, "dat mijne bezigheden mij niet toelaten mij te verwijderen; ik zou u met genoegen en nut vergezeld hebben."
"O, neen! o neen!" antwoordde mijn oom driftig; "wij willen niemand lastig vallen, mijnheer Fridriksson! ik bedank u hartelijk. De tegenwoordigheid van een geleerde zoo als gij zou zeer nuttig geweest zijn, maar de plichten van uw ambt...."
Ik vertrouw, dat onze gastheer in de onschuld zijner ijslandsche ziel de grove spotternij mijns ooms niet begreep.
"Ik keur het zeer goed, mijnheer Lidenbrock!" zeide hij, "dat gij met dien vulkaan begint; gij zult daar een rijken oogst van wetenswaardige waarnemingen inzamelen. Maar zeg eens, hoe denkt gij het schiereiland van den Sneffels te bereiken?"
"Over zee door de baai over te steken. Dat is de kortste weg."
"Ongetwijfeld, maar gij kunt dien onmogelijk nemen."
"Waarom?"
"Omdat er te Reikiavik geene enkele boot is."
"Duivels!"
"Gij moet de kust volgen en over land gaan. Dat is langer maar belangwekkender."
"Goed. Dan zal ik mij van een gids trachten te voorzien."
"Ik kan u er een verschaffen."
"Een vertrouwd verstandig persoon?"
"Ja! een bewoner van het schiereiland. Het is een eiderganzenjager, een zeer bekwaam man, over wien gij tevreden zult zijn. Hij spreekt goed deensch."
"En wanneer kan ik hem spreken?"
"Morgen, als gij wilt."
"Waarom niet van daag?"
"Omdat hij eerst morgen komt."
"Tot morgen dan!" antwoordde mijn oom zuchtend.
Dit belangrijke gesprek eindigde eenige oogenblikken later met de warme dankbetuigingen van den duitschen professor aan den ijslandschen. Gedurende dit middagmaal had mijn oom belangrijke dingen vernomen, o.a. de geschiedenis van Saknussemm, de reden van zijn geheimzinnig document, dat zijn gastheer hem niet op zijn tocht zou vergezellen, en dat den volgenden dag een gids ter zijner beschikking zou zijn.
HOOFDSTUK XI
Eiderganzen.--Hans Bjelke.--Toestel van Rhumkorff.--Reisvoorraad.--Uitrusting voor den tocht.
Des avonds deed ik eene kleine wandeling langs den oever van Reikiavik en kwam vroeg t'huis om mij neder te leggen in mijne bedstede van ruwe planken, waarin ik rustig sliep.
Toen ik ontwaakte, hoorde ik mijn oom druk spreken in de aangrenzende kamer. Ik stond dadelijk op en haastte mij om naar hem toe te gaan.
Hij sprak deensch met een grooten, fiks gebouwden man. Die groote kerel moest buitengewoon sterk zijn. Zijne zacht blauwe oogen en zijn zeer groot en vrij openhartig gelaat schenen mij schrander toe. Lange haren, die zelfs in Engeland voor rosachtig zouden doorgegaan zijn, vielen op zijne breede schouders. Deze inboorling was vlug in zijne bewegingen, maar hij maakte weinig drukte met zijne armen, als een man, die de gebarentaal niet kende of minachtte. Alles teekende in hem een volmaakt kalm, niet traag maar rustig gestel. Men gevoelde, dat hij niemand iets vroeg, dat hij werkte, als hij lust had, en dat in deze wereld zijne wijsbegeerte noch verwonderd noch verstoord kon worden.
Ik maakte de verschillende zijden van dit karakter op uit de wijze waarop de IJslander den stortvloed van woorden van mijn oom aanhoorde. Hij bleef met over elkander geslagen armen staan te midden van de menigvuldige gebaren van mijn oom; om te ontkennen draaide hij zijn hoofd van de linker- naar de rechterzijde; hij boog het om te bevestigen, maar zoo weinig, dat zijne lange haren zich nauwelijks bewogen; hij dreef de spaarzaamheid zijner bewegingen tot vrekkigheid toe.
Voorzeker, uit het voorkomen van dien man zou ik nooit zijn beroep van jager opgemaakt hebben; hij moest wel het wild niet verschrikken, maar hoe kon hij het betrappen?
Alles werd opgehelderd, toen de heer Fridriksson mij vertelde, dat die bedaarde man slechts een "jager van eiderganzen" was, een vogel, wiens dons den grootsten rijkdom des eilands uitmaakt. Dit dons heet ook eiderdons, en er is niet veel moeite noodig om het te verzamelen.
In het begin van den zomer bouwt het wijfje van den eider, eene mooie ganzensoort, haar nest onder de rotsen der fjörds [3], waarmede de kust omringd is; als dit nest voltooid is, bekleedt zij het met fijne veertjes, die zij uit hare borst plukt. Dadelijk komt de jager of liever de koopman, plundert het nest en het wijfje gaat weder aan het werk; dat duurt zoo lang, als zij nog dons heeft. Als zij zich geheel kaal heeft geplukt, trekt het mannetje op zijne beurt zich de veeren uit. Maar, daar het harde en grove pluksel van dezen geene handelswaarde heeft, neemt de jager de moeite niet om hem het bed voor zijn broedsel te ontstelen; het nest wordt dus voltooid, het wijfje legt hare eieren, de jongen komen uit, en het volgende jaar begint de oogst van het eiderdons weder.
Daar nu de eider niet de steile rotsen kiest om het nest te bouwen, maar veeleer de toegankelijke en vlakke rotsen, die in zee uitloopen, kon de ijslandsche jager zijn beroep zonder groote inspanning uitoefenen. Het was een boer, die zijn oogst niet behoefde te zaaien noch te maaien, maar slechts binnen te halen.
Die deftige, onverschillige en stilzwijgende man heette Hans Bjelke; hij kwam op de aanbeveling van den heer Fridriksson. Hij was onze aanstaande gids. Zijne manieren staken merkelijk af bij die van mijn oom.
Toch werden zij het gemakkelijk eens. Geen van beiden zag op het geld; de een was gereed om aan te nemen wat men hem bood, de ander om te geven wat hem gevraagd werd. Nooit werd een koop gemakkelijker gesloten.
Er werd afgesproken, dat Hans ons geleiden zou naar het dorp Stapi, op de zuidkust van het schiereiland van den Sneffels gelegen, aan den voet van den vulkaan. Over land zou de afstand omtrent twee en twintig mijl bedragen, eene reis die men, naar het gevoelen van mijn oom, in twee dagen kon doen.
Maar toen hij vernam, dat het deensche mijlen waren, elk van vier en twintig duizend voet, moest hij zijne berekening veranderen en wegens den slechten toestand der wegen op zeven of acht dagen reis rekenen.
Vier paarden zouden ter zijner beschikking gesteld worden: twee om hem en mij te dragen, twee anderen voor onze bagage. Hans zou naar gewoonte te voet gaan. Hij kende dit gedeelte van de kust volkomen en beloofde den kortsten weg te zullen nemen.
Zijne verbintenis met mijn oom verstreek niet bij onze aankomst te Stapi: hij bleef in zijn dienst, al den tijd die noodig was voor zijne wetenschappelijke tochten, voor eene belooning van drie rijksdaalders [4] per week. Alleen werd uitdrukkelijk bepaald, dat die som den gids iederen Zaterdag avond zou uitbetaald worden; dit was de voorwaarde sine qua non van zijne verbintenis.
Het vertrek werd bepaald op den 16den Juni. Mijn oom wilde den jager zijn godspenning geven, maar deze weigerde kortaf.
"Efter," zeide hij.
"Later," voegde de professor mij tot opheldering toe.
Zoodra het verdrag gesloten was, ging Hans onmiddelijk weg.
"Een ferme vent!" riep mijn oom, "maar hij vermoedt geenszins welke vreemde rol de toekomst voor hem heeft weggelegd."
"Vergezelt hij ons dan....?"
"Ja, Axel! tot in het middelpunt der aarde."
Acht en veertig uur bleven ons nog over; tot mijn leedwezen moest ik ze aan onze toebereidselen besteden; wij hadden al ons verstand noodig om ieder voorwerp op de voordeeligste wijze te schikken, de instrumenten aan den eenen kant, de wapenen aan den anderen, de gereedschappen in dit pak, de levensmiddelen in dat. In alles vier groepen.
De instrumenten bestonden uit:
1e Een honderdgradigen thermometer van Eigel, doorloopende tot honderd vijftig graad, hetgeen mij te veel of niet genoeg toescheen. Te veel, indien de omringende warmte zoo hoog moest klimmen, in welk geval wij gebraden zouden worden. Niet genoeg, als het er op aankwam om den warmtegraad van bronnen of van smeltende stoffen te meten.
2e Een luchtdichtheidsmeter met verdichte lucht, ingericht om luchtdrukkingen aan te wijzen, hooger dan die van den dampkring op den waterspiegel. De gewone barometer zou ook niet voldoende geweest zijn, daar de drukking der lucht moest toenemen in evenredigheid van onze daling beneden de oppervlakte der aarde.
3e Een tijdmeter van Boissionnas Junior te Genève, juist geregeld naar den middagcirkel van Hamburg.
4e Twee kompassen voor de helling en de afwijking.
5e Een nachtkijker.
6e Twee toestellen van Ruhmkorff, die door middel van een electrischen stroom een zeer draagbaar, veilig en weinig plaats innemend licht gaven [5].
De wapenen bestonden uit twee karabijnen van Purley More en Co. en uit twee revolvers van Colt. Waartoe die wapenen? Wij hadden toch geene wilden noch verscheurende dieren te vreezen, denk ik. Maar mijn oom scheen evenveel prijs te stellen op zijn tuighuis als op zijne instrumenten, vooral op eene aanzienlijke hoeveelheid schietkatoen, dat onaantastbaar is door de vochtigheid en in uitzettingsvermogen het gewone kruit verre overtreft.
De gereedschappen bestonden uit twee breekijzers, twee houweelen, eene touwladder, drie met ijzer beslagen stokken, eene bijl, een hamer, een dozijn ijzeren wiggen en bouten en lange touwen met knoopen. Dat maakte een aardig pak uit, want de ladder was drie honderd voet lang.
Eindelijk kwamen de levensmiddelen; het pak was niet groot, maar geruststellend; want ik wist dat het aan geperst vleesch en scheepsbeschuit voorraad voor zes maanden bevatte. De drank bestond alleen uit jenever, water was er volstrekt niet; maar wij hadden waterflesschen en mijn oom rekende op de bronnen om ze te vullen; de bedenkingen, die ik in het midden had gebracht betreffende hare hoedanigheid, haar warmtegraad, en zelfs haar gemis, waren zonder gevolg gebleven.
Om de nauwkeurige opsomming onzer reisartikelen te voltooien noem ik nog eene draagbare apotheek, bevattende scharen met stompe lemmeten, spalken voor breuken, een stuk lint van ongewasschen garen, zwachtels en kompressen, kleefpleisters, een laat-bekken, alle schrik aanjagende voorwerpen; daarenboven een aantal fleschjes, bevattende aardappelen-siroop, wondheelende alcohol, vloeibaar azijnzuur lood, azijn en ammoniac, alle artsenijen, wier gebruik niet zeer geruststellend is; eindelijk, de stoffen noodig voor de toestellen van Ruhmkorff.
Mijn oom had ook gezorgd voor een voorraad tabak, jachtkruit en zwam, zoowel als voor een lederen gordel, dien hij om de middel droeg, en waarin zich eene voldoende hoeveelheid goud- en zilvergeld en papier bevond. Goede schoenen, waterdicht gemaakt door een overtreksel van teer en gomelastiek, waren ten getale van zes paar bij de gereedschappen gepakt.
"Zoo gekleed, geschoeid en uitgerust is er geene reden, waarom wij niet heel ver zouden gaan," zeide mijn oom.
De dag van den 14den werd geheel besteed met die verschillende voorwerpen te schikken. Des avonds aten wij bij graaf Trampe, in gezelschap van den burgemeester van Reikiavik en van dokter Hyaltalin, den grooten geneesheer des lands. De heer Fridriksson was niet onder de gasten; ik vernam later dat de gouverneur en hij overhoop lagen over eene zaak van bestuur en elkander niet bezochten. Ik had dus geene gelegenheid om een woord te begrijpen van hetgeen op dit half officieele maal gesproken werd. Ik merkte alleen op, dat mijn oom den ganschen tijd door praatte.
Des anderendaags den 15den, waren de toebereidselen afgeloopen. Onze gastheer vereerde den professor een aangenaam geschenk door hem eene kaart van IJsland te overhandigen, die veel juister was dan die van Henderson; de kaart van Olaf Nikolas Olsen, op de schaal van 1/480000 en uitgegeven door het ijslandsche genootschap van letterkunde, naar den landmeetkundigen arbeid van den heer Scheel Frisac en de plaatselijke opnemingen van den heer Björn Gumlangsonn. Het was een kostbaar document voor een delfstofkundige.
De laatste avond werd doorgebracht in een vertrouwelijk praatje met den heer Fridriksson, voor wien ik eene levendige sympathie had opgevat; op het gesprek volgde een vrij onrustige slaap, voor mij ten minste.
Te vijf uur des ochtends werd ik wakker door het gehinnik van vier paarden, die onder mijn venster fier trappelden. Ik kleedde mij haastig en ging op straat. Daar bracht Hans het overschot onzer bagage op den wagen, zonder zich om zoo te zeggen te bewegen. Toch werkte hij met eene ongewone behendigheid. Mijn oom maakte veel drukte maar voerde niets uit, en de gids scheen zich weinig om zijne aanbevelingen te bekommeren.
Alles was te zes uur afgeloopen. De heer Fridriksson drukte ons de hand. Mijn oom bedankte hem zeer hartelijk in het ijslandsch voor zijne vriendelijke gastvrijheid. Ik voor mij uitte in mijn sierlijkst latijn een hartelijken groet; daarop zetten wij ons in den zadel, en de heer Fridriksson riep mij tot laatste afscheid dezen dichtregel toe, dien Virgilius voor ons, met den weg onbekende reizigers, scheen geschreven te hebben:
Et quacumque viam dederit fortuna sequamur, d.i. Laat ons den weg volgen, waarheen de fortuin ons zal leiden.
HOOFDSTUK XII
Aanvang van den tocht.--Door IJsland.--Het vlek Gufunus. --Overtocht van den Fjörd.
Toen wij vertrokken, was de lucht betrokken, maar het weder vast. Wij hadden noch afmattende warmte noch plasregens te vreezen. Het was juist goed weder voor reizigers.
Het genoegen, te paard een onbekend land door te trekken, maakte, dat ik het zoo nauw niet nam met het begin der onderneming. Ik genoot ten volle het geluk van den reiziger, met betrekking tot vervulde wenschen en vrijheid. Ik begon de zaak anders in te zien.
"Wat waag ik ook," zeide ik bij mij zelven, "door het merkwaardigste land te bereizen, een zeer belangrijken berg te beklimmen, en in het ergste geval op den bodem van een uitgebranden krater af te dalen? Het is duidelijk, dat die Saknussemm niets anders gedaan heeft. Wat nu het bestaan aangaat van eene galerij, die op het middelpunt van den aardbol uitloopt, het is louter verbeelding, stellig onmogelijk! Wat er dus voor goeds in dezen tocht is, wil ik opmerken en er niet veel over redeneeren!"
Nauwelijks had ik zoo nagedacht of wij hadden Reikiavik reeds achter den rug.
Hans ging voorop met een snellen, gelijkmatigen en vasten pas. De twee paarden, die onze bagage droegen, volgden hem, zonder dat men ze behoefde te sturen. Vervolgens kwamen mijn oom en ik, en waarlijk zonder eene al te slechte figuur te maken op onze kleine maar sterke dieren.
IJsland is een der grootste eilanden van Europa; het heeft veertien honderd mijl oppervlakte en telt slechts zestig duizend inwoners. De aardrijkskundigen hebben het in vier deelen verdeeld, en wij moesten bijna in eene schuine richting het zuidwestelijke gedeelte, "Sudvestr Fjordungr" doortrekken.
Zoodra wij Reikiavik verlieten, had Hans onmiddellijk de kust der zee gevolgd; wij trokken door schrale weiden, die haar best deden om groen te zijn, maar het geel slaagde beter. De rimpelige toppen der trachietmassa's aan den gezichteinder hadden door de oostelijke nevels een stomp voorkomen; somwijlen schitterden eenige hoopen sneeuw, het verspreide licht samentrekkende, op de hellingen der verwijderde toppen; eenige stouter zich verheffende pieken boorden door de grauwe wolken en verschenen weder boven de drijvende dampen, gelijk aan klippen, die in de bovenlucht opdoken.
Dikwijls richtten die ketenen van dorre rotsen zich zeewaarts en drongen zij tot in de weiden door, maar er bleef toch altijd ruimte genoeg om voorbij te rijden. Ook kozen onze paarden uit instinct de gunstigste plekken, zonder een oogenblik hun loop te vertragen. Mijn oom had niet eens de troost om zijn rijdier met de stem of de zweep aan te vuren; hij had geen recht om ongeduldig te zijn. Ik kon een glimlach niet bedwingen, als ik dien grooten man op zijn paardje zag zitten, en daar zijne lange beenen langs den grond sleepten, geleek hij op een Centaurus met zes voeten.
"Een goed beest! een goed beest!" zeide hij. "Gij zult zien, Axel! dat geen paard het ijslandsche in schranderheid overtreft; sneeuw, stormen, onbegaanbare wegen, rotsen, gletschers, niets houdt het tegen. Het is moedig, matig, voorzichtig. Nooit een mispas, nooit een terugtred. Als er eene rivier of een fjörd moet overgetrokken worden, en dat zal nog al eens gebeuren, zult gij zien, hoe het zonder aarzelen te water gaat, gelijk een tweeslachtig dier; en den tegenoverliggenden oever bereikt! Maar wij moeten het niet te veel aanzetten; wij zullen het laten begaan, en dan zullen wij zeker door elkander per dag tien uur gaans afleggen."
"Wij, daar twijfel ik niet aan," antwoordde ik, "maar de gids?"