Naar het middelpunt der Aarde

Chapter 4

Chapter 43,925 wordsPublic domain

Altona, eigenlijk stadsgebied van Hamburg, is het eerste station van den Kielerspoorweg, die ons naar den oever van de Belt zou brengen. Binnen twintig minuten kwamen wij op Holsteinschen grond.

Om half zeven uur hield het rijtuig stil voor het station, de talrijke kisten van mijn oom, zijn verbazende reisbehoeften werden afgelaten, vervoerd, gewogen, van briefjes voorzien, weder in den goederenwagen geladen, en om zeven uur zaten wij over elkander in dezelfde afdeeling van een waggon. De locomotief floot en zette zich in beweging. Wij waren vertrokken.

Had ik mij in mijn lot geschikt? Nog niet. Doch de frissche morgenlucht, de bijzonderheden van den weg, die telkens afwisselden door de snelheid van den trein, gaven mij eenige afleiding van mijn diep gepeins.

Wat de gedachte van den professor aangaat, deze liep gewis den trein vooruit die te te langzaam ging naar den maatstaf van zijn ongeduld. Wij zaten alleen in den waggon, maar spraken niet. Mijn oom onderzocht nog eens zeer oplettend den ganschen inhoud van zijne zakken en van de reistasch. Ik zag wel, dat hem geen enkel stuk ontbrak, dat hij noodig had voor de uitvoering zijner plannen.

Zoo droeg o.a. een netjes gevouwen papier het opschrift van de deensche kanselarij met de handteekening van den heer Ghristiensen, consul te Hamburg en vriend van den professor. Het moest dienen om voor ons de gelegenheid te openen om te Kopenhagen aanbevelingsbrieven voor den gouverneur van IJsland te verkrijgen.

Ook bemerkte ik het beruchte document, zorgvuldig weggestopt in den geheimsten zak der brieventasch. Ik vervloekte het uit den grond van mijn hart, en liet mijne blikken weder over het land gaan. Het was een lange aaneenschakeling van niet zeer bezienswaardige, eentonige, drassige en vrij vruchtbare vlakten: eene zeer gunstige landstreek voor den aanleg van een spoorweg en bijzonder geschikt voor die rechte lijnen, waarop de spoorwegmaatschappijen zoo gesteld zijn.

Maar de tijd was te kort, dan dat die eentonigheid mij had kunnen vervelen, want drie uur na ons vertrek hield de trein te Kiel stil, op een paar schreden afstands van de zee.

Daar onze bagage naar Kopenhagen bestemd was, behoefden wij er ons niet mede bezig te houden. Toch volgde de professor ze met een ongerust oog, terwijl zij naar de stoomboot gebracht werd. Daar verdween zij in het ruim.

Mijn oom had in den haast de aansluiting van den spoorweg met de boot zoo goed berekend, dat wij een geheelen dag voor ons hadden. De boot, Ellenora genoemd, vertrok niet voor den nacht. Dit verwekte eene koorts van negen uur, gedurende welke de lichtgeraakte reiziger het bestuur der booten en der spoorwegen, en de regeeringen, die zulke misbruiken duldden, naar den duivel wenschte. Ik moest met hem medepraten, toen hij den kapitein der Ellenora daarover den mantel uitveegde. Hij wilde dezen dwingen om oogenblikkelijk het vuur aan te stoken. De andere liet hem praten.

Te Kiel moet er, even goed als op iedere andere plaats, een einde aan den dag komen. Al wandelende langs de groene oevers der baai, aan welker uiteinde het stadje zich verheft; al dwalende door de dichte boschjes, die haar het voorkomen geven van een nest in een bundel takken, en de villa's bewonderende, die elk voorzien zijn van hare koudbad-inrichting, kortom, al loopende en vloekende, werd het eindelijk tien uur des avonds.

De rookwolken der Ellenora verdeelden zich in de lucht; het dek beefde door de schudding van den stoomketel; wij waren aan boord en bezitters van twee kooien boven elkander in de eenige kajuit der boot.

Kwartier over tienen werden de touwen losgemaakt en de stoomer liep snel over het donkere water van de groote Belt.

De nacht was duister; er woei eene fiksche koelte en er ging eene hooge zee; eenige kustvuren schenen in de duisternis; later, ik weet niet waar, flikkerde een draaiend kustlicht over de golven; dit was alles, wat ik van dezen eersten overtocht onthield.

Des morgens te zeven uur landden wij te Korsör, een stadje op de westkust van Seeland. Uit de boot stapten wij over op een anderen spoorweg, die ons door een niet minder vlak land dan de velden van Holstein voerde.

Wij moesten nog drie uur reizen, vóór wij de hoofdstad van Denemarken bereikten. Mijn oom had den ganschen nacht geen oog gesloten. In zijn ongeduld stiet hij, geloof ik, den waggon met de voeten voort.

Eindelijk kreeg hij de zee in het oog.

"De Sond!" riep hij uit.

Ter linkerzijde zagen wij een groot gebouw, dat een gasthuis scheen te wezen.

"Het is een krankzinnigengesticht," zeide een onzer reisgenooten.

"Goed!" dacht ik, "in zulk eene inrichting moesten wij ons leven eindigen. En hoe groot het ook moge wezen, toch zou dit hospitaal nog te klein zijn om al de dwaasheid van Professor Lidenbrock te bergen."

Eindelijk, des morgens te tien uur, waren wij te Kopenhagen; de bagage werd op een rijtuig geladen en met ons naar het hôtel de Phoenix in Bred-Gade gebracht. Daar was een half uur mede gemoeid, want het station is buiten de stad. Nadat mijn oom zich wat opgeknapt had, sleepte hij mij mede. De portier van het hôtel sprak duitsch en engelsch; maar als talenkenner ondervroeg de professor hem in goed deensch, en in goed deensch wees die persoon hem de ligging van het Museum van noordsche oudheden.

De directeur dezer bezienswaardige inrichting, waarin wonderen opeengestapeld zijn, die voldoende zouden zijn om de geschiedenis des lands op te stellen uit zijne oude steenen wapenen, zijne drink-schalen en kleinoodiën, was een geleerde, de vriend van den consul te Hamburg, professor Thomson.

Mijn oom had voor hem een warmen brief van aanbeveling. In het algemeen ontvangt de eene geleerde den andere zeer slecht. Maar hier was het anders. De heer Thomson ontving, als een dienstvaardig man, professor Lidenbrock en zelfs diens neef zeer hartelijk. Het is bijna onnoodig te zeggen, dat wij ons geheim voor den uitmuntenden directeur van het Museum verzwegen. Wij wilden eenvoudig als belanglooze liefhebbers IJsland gaan bezoeken.

De heer Thomson stelde zich geheel ter onzer beschikking en wij liepen de kaaien af om een zeilreê schip te vinden.

Ik hoopte, dat er volstrekt geen middel van vervoer zou zijn; maar het was zoo niet. Een kleine deensche schoener, de Valkyrie, zou den 2den Juni naar Reikiavik onder zeil gaan. De kapitein, de heer Bjarne, was aan boord; zijn aanstaande passagier drukte hem in zijne vreugde driftig de hand, waarover die brave man zich een weinig verwonderde. Hij vond het heel eenvoudig om naar IJsland te gaan, daar het zijn beroep was. Mijn oom vond het verheven. De waardige kapitein maakte van die geestdrift gebruik om ons dubbel te laten betalen voor den overtocht op zijn schip. Maar wij keken zoo nauw niet.

"Zorgt Dinsdag morgen om zeven uur aan boord te zijn," zeide Bjarne, nadat hij een goed aantal speciedaalders had opgestreken.

Wij bedankten nu den heer Thomson voor zijne vriendelijkheid en keerden naar het hôtel de Phoenix terug.

"Dat gaat goed! dat gaat zeer goed!" herhaalde mijn oom. "Welk een gelukkig toeval, dat wij dit zeilklaar liggend schip gevonden hebben! Laten wij nu gaan ontbijten en dan de stad bezien."

Wij begaven ons naar Kongens-Nye-Torw, eene onregelmatige plaats, waar zich een post bevindt met twee onschadelijk opgestelde kanonnen, die niemand vrees aanjagen. Dicht bij, in No 5, was eene fransche restauratie van een kok, Vincent geheeten; wij ontbeten er goed voor den matigen prijs van vier mark per hoofd. [1]

Vervolgens vond ik er een kinderachtig vermaak in om door de stad te wandelen; mijn oom liep overal mee, maar zag niets, noch het onbeduidend koninklijk paleis, noch de fraaie brug uit de zeventiende eeuw, die over het kanaal voor het Museum ligt, noch dat verbazende, ledige praalgraf van Torwaldsen, versierd met leelijke muurschilderingen, die de werken van dien beeldhouwer voorstellen; noch in een vrij schoon park het bevallige kasteel Rosenburg, noch het bewonderenswaardige beursgebouw in renaissance-stijl, noch zijn klokketoren, vervaardigd uit de dooreengeslingerde staarten van vier bronzen draken, noch de groote molens op de wallen welker verbazende wieken opzwollen door den zeewind, gelijk de zeilen van een schip.

Hoe heerlijk zouden de lieve Gräuben en ik gewandeld hebben naar de haven, waar de tweedekkers en de fregatten rustig sliepen onder hun rood dak, langs de groene oevers der straat, door die dichte boschjes, in wier midden de citadel zich verschuilt, welker kannonen hun zwarten muil tusschen de takken der vlier- en wilgen-boomen uitsteken!

Maar helaas! zij was verre weg, mijn arme Gräuben, en mocht ik hopen haar ooit weder te zien?

Al werd mijn oom niets gewaar van deze bekoorlijke plekjes, zoo werd hij toch levendig getroffen door het gezicht van een zekeren klokketoren op het eiland Amak, dat het zuidwestelijk gedeelte van Kopenhagen uitmaakt.

Ik kreeg order om mede daarheen te gaan; ik stapte op eene kleine stoomboot, die op de kanalen voer en binnen weinige oogenblikken legde zij aan bij de dokwerf-kade.

Na eenige nauwe straten doorgegaan te zijn, waar galeiboeven, met half gele half grauwe broeken gekleed onder den stok der onderofficieren werkten, kwamen wij voor de Vor-Frelselskerk. Die kerk leverde niets merkwaardigs op. Maar ziehier waarom haar vrij hooge toren de aandacht des professors getrokken had: van het platte dak af kronkelde zich van buiten eene trap om de spits en zijne schroeflijnen ontwikkelden zich hoog in de lucht.

"Laten wij hem beklimmen," zeide mijn oom.

"Maar de duizeligheid?" hernam ik.

"Eene reden te meer, gij moet er aan gewennen."

"Evenwel...."

"Kom, zeg ik u, wij moeten geen tijd verspillen."

Ik moest gehoorzamen. Een oppasser, die aan de overzijde der straat woonde, gaf ons een sleutel en de beklimming begon.

Mijn oom ging mij met vlugge schreden voor. Ik volgde hem niet zonder angst, want ik werd zeer licht in het hoofd. Ik had noch de vastheid der arenden, noch de gevoelloosheid hunner zenuwen.

Zoolang wij nog binnen de moerschroef waren, ging alles goed; maar na honderd vijftig treden geklommen te zijn, sloeg de wind mij in het gezicht; wij waren op het platte dak van den toren gekomen. Daar begon de, met eene brooze leuning voorziene luchttrap, welker treden, die hoe langer hoe smaller werden, tot in het oneindige schenen te klimmen.

"Ik kan er nooit komen!" riep ik uit.

"Zoudt gij bij toeval een durfniet zijn? Klim!" antwoordde de professor onmeedoogend.

Ik moest dus wel volgen, terwijl ik mij stevig vasthield. De open lucht bedwelmde mij; ik voelde den toren door de rukwinden slingeren; mijne beenen wilden mij niet langer dragen; ik kroop weldra op de knieën, toen op den buik; ik sloot de oogen; ik kreeg neiging tot braken.

Mijn oom pakte mij nu bij den kraag en zoo kwam ik eindelijk bij den kloot.

"Zie eens!" zeide hij mij, "zie goed uit! gij moet in den afgrond leeren zien!"

Ik moest de oogen openen. Ik bemerkte de huizen, die als het ware platgedrukt en verbrijzeld waren door een vallend lichaam, te midden van wolken rook. Boven mijn hoofd dreven zonderling gevormde wolken, en door een gezichtsbedrog schenen zij mij onbeweeglijk toe, terwijl de toren, de kloot, ik, mijn oom, met toover-snelheid werden rondgevoerd. In de verte strekte zich aan de eene zijde het groene veld uit; aan de andere fonkelde de zee onder een bundel stralen. De Sond vertoonde zich bij de landpunt van Elseneur met eenige witte zeilen, als waren het vleugels van zeemeeuwen, en in den nevel ten oosten slingerden zich de nauwelijks zichtbare kusten van Zweden. Die eindelooze ruimte dwarlde voor mijne oogen.

Nochtans moest ik opstaan, recht overeind blijven en uitzien. Mijne eerste les in de duizeligheid duurde een uur. Toen het mij eindelijk vrij stond om weder af te dalen en het stevige plaveisel der straten te betreden, was ik stijf geworden.

"Morgen beginnen wij weder," sprak de professor.

En inderdaad, vijf dagen achtereen herhaalde ik die duizelingwekkende oefening, en tegen wil en dank maakte ik merkbare vorderingen in de kunst "om uit de hoogte rond te zien."

HOOFDSTUK IX

Het Kattegat.--Skagen.--Naar het middelpunt der aarde.--Het handschrift van Saknussemm.--Reikiavik.--De IJslanders.

De dag van het vertrek kwam. Den vorigen avond had de vriendelijke heer Thomson ons dringende aanbevelingsbrieven gebracht voor graaf Trampe, gouverneur van IJsland, den heer Pictorsson, coadjutor van den bisschop en den heer Finsen, burgemeester van Reikiavik. Warme handdrukken waren de dank van mijn oom.

Den 2den, te zes uur des morgens, was onze kostbare bagage aan boord van de Valkyrie. De kapitein bracht ons naar vrij nauwe hutten, geplaatst onder een soort van roef.

"Hebben wij een goeden wind?" vroeg mijn oom.

"Een uitmuntenden," antwoordde kapitein Bjarne. "Een zuid-oostewind. Wij zullen met den wind genoegzaam achter en met volle zeilen de Sond verlaten."

Eenige oogenblikken later ging de schoener onder zeil in de straat. Alle zeilen werden bijgezet; de fok, de groote bezaan, het marszeil en het bramzeil. Een uur later scheen de hoofdstad van Denemarken in de verre golven weg te duiken en ging de Valkyrie dicht onder de kust van Elseneur langs. In den zenuwachtigen toestand, waarin ik mij bevond, verwachtte ik de schim van Hamlet op den aan legenden rijken oever te zien ronddwalen.

"Verhevene zinnelooze!" zeide ik, "gij zoudt ons zonder twijfel toejuichen! gij zoudt ons misschien volgen om in het middelpunt van den aardbol eene oplossing voor uwen eeuwigen twijfel te zoeken!"

Maar er verscheen niets op de oude muren; het kasteel is dan ook veel jonger dan de heldhaftige deensche vorst. Het dient nu tot een prachtig verblijf voor den portier dezer straat, waar jaarlijks vijftien duizend schepen van alle natiëen doorvaren.

Het kasteel Kongborg verdween weldra in den nevel, even als de toren van Helsingborg op den zweedschen oever en de schoener boog zacht onder de koelten van het Kattegat.

De Valkyrie was een goed zeiler; maar met een zeilschip weet men nooit recht, waar men op rekenen kan. Zij bracht naar Reikiavik kolen, keukengereedschap, aardewerk, wollen kleederen en eene lading koren; vijf zeelieden, allen Denen, maakten de geheele bemanning uit.

"Hoe lang zal de overtocht duren?" vroeg mijn oom aan den kapitein.

"Een dag of tien," antwoordde de laatste, "indien wij bij Faroër niet te veel buien uit het noordwesten krijgen."

"Maar gij behoeft toch niet te vreezen voor te lang oponthoud?"

"Neen, mijnheer Lidenbrock! wees gerust, wij zullen tijdig genoeg aankomen."

Tegen den avond zeilde de schoener om kaap Schagen. de noordelijkste punt van Denemarken, voer des nachts door de Schagerrak, langs het uiteinde van Noorwegen op de hoogte van kaap Lindesnäs en kwam in de Noordzee.

Twee dagen daarna waren wij bij de schotsche kust op de hoogte van Peterhead en richtte de Valkyrie den steven naar Faroër, tusschen de Orkaden en de Shetlandsche eilanden door.

Weldra werd de schoener bespoeld door de golven van den Atlantischen oceaan; hij moest tegen den noordewind op laveeren en bereikte niet zonder moeite de Faroër. Den 8sten zag de kapitein Myganness, het oostelijkste dezer eilanden; en van dat oogenblik af liep hij recht op kaap Portland aan, op de zuidkust van IJsland gelegen.

De reis leverde niets bijzonders op. Ik stond de bezwaren der zeereis vrij goed door; mijn oom was, tot zijn groot verdriet en nog grooter beschaming, onophoudelijk ziek. Hij kon er dus niet aan denken om kapitein Bjarne te ondervragen over den Sneffels, over de middelen van gemeenschap, over de gemakkelijkste wijze van vervoer; hij moest die ophelderingen tot zijne aankomst uitstellen en lag al dien tijd in zijne hut, wier houten wanden kraakten door het geweldige stampen van het schip. Ik moet bekennen, dat hij zijn lot wel een beetje verdiende.

Den 11den peilden wij kaap Portland; daar het nog dag was konden wij den Myrdals Yocul zien, die haar beheerscht. De kaap bestaat uit een grooten heuvel met steile hellingen, die eenzaam op het strand zich verheft.

De Valkyrie bleef op een aanzienlijken afstand van de kust, en voer haar in westelijke richting langs, te midden van talrijke scholen walvisschen en haaien. Weldra vertoonde zich eene verbazende, doorboorde rots, waar de schuimende zee met woede doorstroomde. De Westman-eilandjes schenen uit den oceaan op te stijgen, gelijk een handvol rotsblokken op de vloeibare vlakte heengeworpen. Van dit oogenblik af koos de schoener het ruime sop om op een goeden afstand kaap Reykjaness om te varen, die den westelijken hoek van IJsland vormt.

De hoogst onstuimige zee belette mijn oom om op het dek te komen, om die door de zuidwestewinden getande en verbrokkelde kusten te bewonderen.

Acht en veertig uur later, na een storm doorgestaan te hebben, die den schoener dwong om voor top en takel te loopen, peilde men ten oosten de boei van de punt van Skagen, wier gevaarlijke rotsen zich een aanmerkelijk eind ver onder de golven uitstrekken. Een ijslandsche loods kwam aan boord en drie uur later ankerde de Valkyrie voor Reikiavik in de baai van Faxa.

De professor verliet eindelijk zijne hut, wel wat bleek en ontdaan, maar altijd vol geestdrift en met van genoegen stralende oogen.

De bevolking der stad, die bijzonder belang had bij de komst van een schip, waaruit ieder iets verwachtte, kwam aan de baai bijeen.

Mijn oom haastte zich om zijne drijvende gevangenis, om niet te zeggen zijn hospitaal, te verlaten. Maar voor hij het dek van den schoener verliet, trok hij mij mede naar voren, en met den vinger wees hij mij aan het noordelijk einde der baai een hoogen berg met twee toppen, een dubbelen kegel met eeuwige sneeuw bedekt.

"De Sneffels!" riep hij, "de Sneffels!"

Na mij door een teeken een volstrekt stilzwijgen opgelegd te hebben, stapte hij in het bootje, dat op hem wachtte. Ik volgde hem en weldra betraden wij IJslands bodem.

Terstond daarop verscheen een man van een goed voorkomen en in een generaalsuniform gekleed. Het was echter slechts een eenvoudig overheidspersoon, de gouverneur des eilands, graaf Trampe in eigen persoon. De professor zag spoedig met wien hij te doen had. Hij overhandigde den gouverneur zijne brieven uit Kopenhagen, en er had in het deensch een kort gesprek plaats, waarin ik mij volstrekt niet mengde, en wel om eene goede reden. Maar dit eerste gesprek had dit gevolg: graaf Trampe stelde zich geheel ter beschikking van professor Lidenbrock.

Mijn oom werd even aardig ontvangen door den burgemeester, den heer Finsen, gelijk de gouverneur in uniform, maar even vredelievend van aard en betrekking.

Wat den coadjutor, den heer Pictursson aangaat, hij deed juist eene herderlijke reis in het noorderkwartier; wij moesten er dus voorloopig van afzien om aan hem voorgesteld te worden. Maar de heer Fridriksson, professor in de natuurwetenschappen aan de school te Reikiavik, was een innemend man, wiens medewerking ons zeer te stade kwam. Deze zedige geleerde sprak slechts ijslandsch en latijn; hij bood mij zijne diensten aan in de taal van Horatius, en ik gevoelde, dat wij geschapen waren om elkander te begrijpen. Hij was inderdaad de eenige met wien ik kon spreken gedurende mijn verblijf op IJsland.

Van de drie kamers, waaruit zijn huis bestond, stelde die uitmuntende man er twee ter onzer beschikking, en weldra waren wij er met onze bagage, over wier omvang de inwoners van Reikiavik een beetje verwonderd waren, te huis.

"Welnu, Axel!" zeide mij mijn oom, "dat gaat goed, het moeielijkste is achter den rug."

"Wat, het moeielijkste?" riep ik uit.

"Zonder twijfel, wij behoeven nog slechts af te dalen!"

"Als gij het zoo meent, hebt gij gelijk; maar als wij nedergedaald zijn, zullen wij toch wel weder moeten opstijgen, denk ik?"

"O! daarover bekommer ik mij niet! Laat eens zien, ik heb geen tijd te verliezen. Ik ga naar de bibliotheek. Misschien is er wel het eene of andere handschrift van Saknussemm in, en dat zou ik gaarne eens raadplegen."

"Dan ga ik intusschen de stad eens door. Zult gij dat ook niet doen?"

"O! daar geef ik niet veel om. Het merkwaardige van IJsland is niet boven, maar onder den grond."

Ik ging weg en dwaalde doelloos rond.

In de twee straten van Reikiavik te verdwalen zou niet gemakkelijk geweest zijn. Ik behoefde dus ook niet naar den weg te vragen, hetgeen in de gebarentaal aan vele vergisssingen blootstelt.

De stad strekt zich op een vrij lagen en moerassigen bodem tusschen twee heuvels uit. Een verbazende lavastroom dekt haar aan den eenen kant en daalt zacht glooiend naar de zee. Aan den anderen kant strekt zich de groote baai van Faxa uit, ten noorden begrensd door den onmetelijken gletscher van den Sneffels, en waarin op dit oogenblik alleen de Valkyrie ten anker lag. Gewoonlijk zijn de engelsche en fransche schepen tot bescherming der visscherij op de reede geankerd; maar zij waren juist in dienst op de oostkust des eilands.

De langste der beide straten van Reikiavik loopt evenwijdig met den oever; daar wonen de kooplieden en winkeliers in hutten van roode op elkander gestapelde balken; de andere straat, meer westelijk gelegen, loopt naar een meertje, tusschen de huizen van den bisschop en andere geen neringdoende personen.

Ik was weldra aan het einde van die doodsche en treurige wegen; somtijds bespeurde ik wat verkleurd gras, gelijk een oud wollen tapijt, dat door het gebruik kaal geworden is, of wel iets dat op een moestuin geleek, welks schrale groenten, aardappelen, kool en latuw met gemak op eene lilliputsche tafel hadden kunnen staan; eenige kwijnende nagelbloemen trachtten ook een zonnestraaltje op te vangen.

Omtrent in het midden der, geen handeldrijvende, straat vond ik de algemeene begraafplaats, omgeven van een aarden muur, en waarop geen gebrek was aan ruimte. Eenige stappen verder kwam ik aan het huis van den gouverneur, een bouwval in vergelijking van het hamburgsche stadhuis, een paleis bij de hutten der ijslandsche bevolking.

Tusschen het meertje en de stad verhief zich de kerk, in protestantschen smaak gebouwd en vervaardigd van verkalkte steenen, die de vulkanen uitbraken; bij hevige westewinden kan het bijna niet anders of haar dak van roode pannen moet afwaaien, tot groote schade der geloovigen.

Op eene naburige hoogte bemerkte ik de nationale school, waar men, zooals ik later van mijn gastheer vernam, hebreeuwsch, engelsch, fransch en deensch onderwees; vier talen, waarvan ik tot mijne schande geen enkel woord kende. Ik zou de laatste geweest zijn van de veertig leerlingen, die deze kleine school telde, en onwaardig om met hen in die kasten met twee afdeelingen te slapen, waarin zwakker gestellen reeds den eersten nacht moeten stikken.

In drie uur had ik niet alleen de stad, maar ook hare omstreken bezocht. Haar voorkomen was in het algemeen hoogst treurig. Geen boomen, geen plantengroei was er om zoo te zeggen te zien; niets dan de kammen der vulkanische rotsen. De hutten der IJslanders zijn van aarde en veen gebouwd en de muren hellen binnenwaarts over; zij gelijken op daken op den grond geplaatst. Die daken zijn betrekkelijk vruchtbare weiden. Dank zij de warmte van de woning, groeit het gras er vrij goed, dat men zorgvuldig in den hooitijd maait, anders zouden de huisdieren op die groene woningen komen grazen.

Op mijn uitstapje ontmoette ik weinig inwoners; in de handeldrijvende straat komende, zag ik het grootste deel der bevolking bezig met kabeljouw, het voornaamste artikel van uitvoer, te drogen, te zouten en te laden.

De mannen schenen forsch, maar traag; zij hadden wel iets van blonde Duitschers met peinzende oogen, die zich min of meer buiten het menschdom gevoelen; arme ballingen in dat bevrozen land opgesloten, waarvan de natuur wel Eskimoos moest maken, daar zij hen veroordeelde om op de grens van den poolcirkel te leven! Ik beproefde te vergeefs een glimlachje op hun gelaat te betrappen; zij lachten somtijds door eene soort van onwillekeurige samentrekking der spieren, maar zij glimlachten nooit.